Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

3 Augustus 2003

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 
De kwestie van aanbidding gaat terug tot de Tuin van Eden, toen Adam en Eva in wezen een gemakkelijk alternatief voor exclusieve aanbidding van Jehovah God kregen aangeboden. Sindsdien heeft Satan de Duivel Jehovah's volk voortdurend verleid met ontelbare afleidingen in een poging onze aanbidding te ondermijnen of te verderven. Zijn verreweg meest arglistige pogingen lijken echter te maken te hebben met de subtiele verheffing en zelfverheerlijking van Gods eigen organisatie en woordvoerders.

We kunnen ons wellicht de gebeurtenis in de Bijbel herinneren toen Mozes, na vele jaren van nederig leiderschap, zichzelf onbezonnen als de wonderbaarlijke gever van water voor de Israëlieten uitriep. Deze onbezonnen en onbescheiden grootspraak van de man, die door Jehovah zelf beschreven werd als de zachtmoedigste van allen, kostte hem tragisch genoeg het voorrecht het Beloofde Land binnen te gaan.

In de wetenschap dat Satan altijd klaarstaat om in ons midden te infiltreren door middel van bedrog, lijkt het de juiste tijd om in dit eerste wekelijks commentaar de aandacht te vestigen op een nogal onbezonnen en onbescheiden uitspraak die onlangs door het Wachttorengenootschap werd gedaan. In de juli 2003-uitgave van "Onze Koninkrijksdienst" stond een artikel, getiteld "Nieuw Kringvergaderingsprogramma." Het artikel gaf een kort overzicht van het komende kringvergaderingsprogramma van 2004. Tot besluit zegt de laatste paragraaf: "Jehovah zelf heeft dit geestelijke feestmaal bereid. Dus kom ervan genieten! Als we ervoor zorgen dat we bij het hele programma aanwezig zijn, zullen we er voordeel van trekken en "een vreugdegeroep aanheffen".

Het is duidelijk dat de meeste Jehovah's Getuigen de bovenstaande uitspraak op geen enkele wijze aanstootgevend ten opzichte van God vinden. Ja, op het eerste gezicht lijkt het een positieve uitspraak die bedoeld is om God de eer te geven. We kunnen onszelf echter afvragen op welke wijze "Jehovah zelf" een vermeend "geestelijk feestmaal" heeft bereid? Hoe heeft Jehovah dit programma voor de kringvergadering van 2004 precies bereid? Was het door middel van inspiratie? Als Jehovah zelf het kringvergaderingsprogramma heeft klaargemaakt, betekent dat dan dat er geen fouten in zitten? De waarheid is dat het Genootschap de schema's voor de programma-onderdelen heeft verschaft en dat diverse broeders en zusters de toewijzing gekregen hebben om zich op de presentatie van het verschafte materiaal voor te bereiden.

Het artikel specificeert natuurlijk niet hoe Jehovah zelf het kringvergaderingsprogramma bereid heeft. Elke Jehovah's Getuige mag daarover zijn eigen conclusie trekken. Maar de onvermijdelijke indruk die ontstaat, is dat alles wat het Genootschap publiceert uit de mond van God komt. Dat zou nogal verontrustend moeten zijn.

Het is waar dat Christus tijdens zijn afwezigheid enkele van zijn slaven aangesteld heeft om zijn huisgezin te voorzien van geestelijk voedsel te rechter tijd. Maar het feit dat de Meester van het huis zijn aangestelde slaven uiteindelijk zal oordelen op grond van hun getrouwheid in het uitvoeren van hun toegewezen taken in de keuken, duidt erop dat Jehovah niet persoonlijk het geestelijke voedsel van zijn dienaren klaarmaakt of opdient. Het lijkt gepaster, in ieder geval bescheidener, als het Genootschap in plaats daarvan Jehovah de eer geeft voor het geven van de Bijbel en de regeling of voorziening, waarbij oudere mannen Gods volk geestelijke aanmoediging schenken.

Omdat de geschiedenis aantoont dat mensen de diepgewortelde neiging hebben om een soort zichtbare vertegenwoordiging (afgod) van de onzichtbare God te maken, zou het Genootschap heel erg op haar hoede moeten zijn voor subtiele zelfverheffing. Helaas blijft het Genootschap niet alleen in gebreke Jehovah's Getuigen te waarschuwen tegen het teveel belangrijkheid toekennen aan de organisatie, ze zet zelfs tot verheffing van zichzelf aan door zich Jehovah's zichtbare vertegenwoordiger te noemen. Het toeschrijven van louter menselijke inspanningen aan Jehovah verheerlijkt hem niet, maar vervaagt het onderscheid tussen God en aardse instituties.

In de Schriften staan interessante parallelen die volgens Paulus opgetekend zijn als waarschuwende voorbeelden ter onderricht van christenen. Eén zo'n onderrichtend voorbeeld is het verslag in Exodus over het gouden kalf. Het Bijbelse verslag verhaalt dat toen Mozes 40 dagen op de berg was waar hij de Wet van Jehovah ontving, het volk dacht dat Mozes hen verlaten had en dus eisten zij dat Aäron een gouden kalf maakte en hen voorging in de aanbidding ervan. De parallel ligt in het feit dat Mozes in dat geval Christus vertegenwoordigt. Merk op dat Mozes de middelaar van het Wetsverbond was, net zoals Jezus de middelaar van een nieuw verbond is. Mozes daalde van de berg af, schijnend als de zon, net zoals Jezus in heerlijkheid vanuit de hemel zal neerdalen om Gods verbond tot een einde te brengen. Jehovah stelde Aäron onder Mozes aan als de hogepriester en woordvoerder van het volk. Jezus stelde zijn broeders aan om als zijn onderpriesters en woordvoerders op te treden.

Het 32ste hoofdstuk van Exodus verhaalt dat de Israëlieten beredeneerden dat Mozes reeds lange tijd weg was en dat ze niet wisten of hij ooit nog zou neerdalen van de berg, dus eisten ze dat ze een nieuwe god kregen om hen door de Wildernis te leiden. Als de door God aangestelde hogepriester, stemde Aäron in met de eisen van het volk en maakte voor hen een gouden kalf dat hij introduceerde als hun God die hen uit Egypte had geleid, en hij verklaarde dat er een feest moest worden gegeven ter ere van Jehovah.

In onze dagen lijkt het of Jezus' komst lang op zich laat wachten. Sommigen nemen klaarblijkelijk zelfs aan dat Christus helemaal niet zal verschijnen. In de tussentijd is er door Jehovah's Getuigen een beroep gedaan op de getrouwe en beleidvolle slaaf/priester om de gevoelde leegte op te vullen en leiding te verschaffen, en door dit te doen lijkt het Wachttorengenootschap geleidelijk omgevormd te zijn tot ons eigen organisatorische gouden kalf.

Net als bij de Israëlieten uit de oudheid was het gouden kalf klaarblijkelijk niet bedoeld om God te vervangen; het werd enkel gebruikt als een zichtbare vertegenwoordiging van hem. Op dezelfde manier verwijst het Genootschap constant naar zichzelf als "Jehovah's zichtbare organisatie." Op subtiele wijze is het Wachttorengenootschap in de ogen en harten van Jehovah's Getuigen de zichtbare vertegenwoordiging van Jehovah geworden. Aangezien Paulus verklaarde dat christenen in geloof en niet door aanschouwen wandelen, moeten we op onze hoede zijn voor het toekennen van te veel eer aan een aardse organisatie.

Op dit moment lijkt deze subtiele verafgoding relatief onschuldig te zijn. Gezien het feit dat er van Jehovah's Getuigen wordt verwacht dat zij de organisatie onvoorwaardelijk gehoorzamen, kunnen we ons terecht afvragen wat er gaat gebeuren wanneer het Genootschap, gedurende de kritieke tijd van opschudding en tumult, volledig gedomineerd zal worden door "superfijne" satanische werktuigen uit haar eigen gelederen. Wat dan? Is dat onwaarschijnlijk? Niet echt. Een betere laatste beproeving op onze loyaliteit aan en ons geloof in Jehovah lijkt ondenkbaar.

Het meest zorgwekkende is wel dat de bijbelse mens der wetteloosheid op een bepaald moment zal neerzitten in de tempel van De God zelf en aanmatigend zal verklaren een god te zijn.

Naar het zich laat aanzien, heeft hij al hoogstwaarschijnlijk zijn plaats in het huis van God ingenomen.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman