| De Wachttoren en Jehovah's
Getuigen hebben gedurende de laatste acht decennia moedig
vele wettelijke strijden uitgevochten in de Verenigde Staten.
Teruggaand tot 1918, toen de 2de president van De Wachttoren
en zeven anderen op grond van beschuldigingen van opruiïng
gevangen werden gezet in de penentiaire inrichting Atlanta
Federal, is de Wachttoren betrokken geweest in letterlijk
honderden rechtzaken. De meesten van deze zaken richtten zich
op het 1ste amendement van vrijheid van meningsuiting en religie
en speelden gedurende de intense golf van vervolging die onmiddellijk
voor en tijdens WOII over ons kwam.
Als gevolg van de verstrekkende wettelijke precedenten
die toen geschapen werden, zijn Jehovah's Getuigen geprezen
voor het feit dat ze het Hooggerechtshof van het land ertoe
gebracht hebben de grondwettelijke rechten van elke
Amerikaanse burger in vollediger mate veilig te stellen.
(Voor degenen die hier interesse voor hebben: het recentelijk
gepubliceerde boek, Judging Jehovah's Witnesses,
verhaalt veel van de wettelijke strijden die Jehovah's Getuigen
moedig hebben uitgevochten in die moeilijke periode.)
Nu is de Wachttoren echter verwikkeld in een ander soort
wettelijke strijd - met een veel minder grootse reden. In
plaats van zich sterk te maken voor religieuze vrijheid
en de bescherming van onze door God gegeven rechten van
ons individuele geweten, is het wettelijke team van de Wachttoren
verwikkeld in het ontkrachten van de wettelijke eisen van
onze eigen leden die slachtoffer zijn geworden van kindermisbruik
en molestatie door hun mede Jehovah's Getuigen.
We zijn ver verwijderd van de dagen waarin Jehovah's Getuigen
die terecht stonden de getuigenbank gebruikten als mogelijkheid
voor het geven van een krachtig getuigenis met betrekking
tot Jehovah's universele soevereiniteit en Christus' koninkrijk.
De enige schriftplaats die in misbruikzaken waarschijnlijk
door de Wachttoren wordt geciteerd, is Mattheüs 18:16; wanneer
de advocaten van het Genootschap hun zaak verdedigen met
het feit dat Gods Woord de handen van onze ouderlingen gebonden
heeft door twee getuigen te vereisen voor elke misdaad die
tegen onze eigen kinderen worden begaan. In plaats van de
zaak van weerloze kinderen, die van hun onschuld en waardigheid
beroofd zijn, te bepleiten, heeft het Wachttoren Bijbel
en Traktaatgenootschap de grootse financiële bronnen van
haar multi-miljoenen dollar uitgavecorporatie aangewend
om ze tegen de vertrapte spreekwoordelijke "vaderloze jongens"
te gebruiken - om hen te verpletteren! De recente
rechtzaak van Vicky Boer versus het Canadese Bijkantoor
van Wachttorengenootschap maakt duidelijk dat wanneer Wachttoren
moreel bezien al niet de absolute bodem bereikt heeft, ze
in ieder geval een ongekend nieuw dieptepunt heeft bereikt.
Volgens Silentlambs heeft de Wachttoren in een buitengerechtelijke
regeling oorspronkelijk een som geld geboden aan de eiser.
Op zichzelf is dit een toegeving van verantwoordelijkheid
en schuld. De advocaten van de verdediging verbonden echter
een zogenoemde zwijgplicht aan de geboden regeling, wat
het slachtoffer er wettelijk van zou weerhouden de details
omtrent de zaak te onthullen. Vicky Boer weigerde het aanbod
en de zaak kwam voor de rechter; daar werd mevrouw Boer
door de rechter een betaling toegekend van $5.000.
Maar, helaas eindigt het verhaal hier niet. De Wachttoren
tracht nu een aanzienlijk deel van haar eigen wettelijk
gemaakte kosten terug te krijgen van hetzelfde slachtoffer
dat ze ooit buiten de rechtzaal een compensatie hebben aangeboden!
De Wachttoren wil duidelijk een signaal uitzenden aan toekomstige
eisers, dat elk slachtoffer van misbruik dat voor hun lijden
schadeloosstelling zoekt via de rechtzaal, ongenadig
in de schrijnende molen van "organisatorische gerechtigheid"
wordt geworpen! Ongeacht het vonnis van de rechter in de
zaak van Vicky Boer; alle Jehovah's Getuigen zouden moeten
verkleuren van schaamte bij de bedroevende diepte waarnaar
de wettelijke afdeling van de Wachttoren gezonken is.
De Stichter van de Wachttoren, Charles Russell, merkte
eens op dat hij nooit geld zou collecteren en dat wanneer
de financiële middelen van de Wachttoren ooit op zouden
raken, wel, dan zij-het-zo; daar hij dit als een indicatie
van God zou beschouwen dat het tijd was de publicatie te
staken. Klaarblijkelijk hebben de broeders heden ten dage
echter niet meer dezelfde vertrouwde relatie met God. In
plaats van de financiële kosten die voortkomen uit het rechtzetten
van de zaken met degenen die wettelijke eisen tegen de organisatie
hebben bij zichzelf te houden, lijkt de Wachttoren nu voornemens
te zijn wraakzuchtig straffende schadevergoedingen uit de
slachtoffers te trekken.
De hemel zelf moet zeker gruwelen van het feit dat de
organisatie die eens standvastig getuigde van Jehovah, die
onwrikbaar alleen stond in de leeuwenkuil en Hitler weerstond,
en die met succes de zaak van Christenen verdedigde voor
het Hooggerechtshof van de VS, nu begonnen is met het tiranniseren
en intimideren van seksueel misbruikte wezen! Inderdaad
een ongekend dieptepunt!
Zoals Jehovah's Getuigen heel goed weten, is de basis
van Jehovah's troon liefdevolle goedheid en gerechtigheid.
En de God van de hemel heeft in de Bijbel duidelijk gemaakt
dat hij van zijn aanbidders verwacht dat ze speciale zorg
hebben voor de belangen en noden van minder bevoorrechte
weduwen en wezen. (Veel slachtoffers van misbruik werden
in werkelijkheid misbruikt door stiefvaders, vaders en ouderlingen.
Dit maakt hen tot vaderloze jongens en meisjes, in de zin
dat de mannen die hen zouden moeten beschermen tegen kwaaddoenerij,
hierin niet alleen hebben gefaald, maar in plaats daarvan
misbruik van hen hebben gemaakt)
De vraag die we nu eerlijk onder ogen moeten zien is:
Wat is de rechterlijke mening van de Opperrechter van het
universum, met betrekking tot de wijze waarop zijn getuigen,
Jehovah's Getuigen, hun door God gegeven macht van oordeel
hebben gebruikt?
Volgens de 82ste Psalm heeft Jehovah macht tot oordelen
aan zijn aardse zonen toevertrouwd - die op hun beurt geoordeeld
zullen worden naar hun getrouwheid in het zich houden aan
de maatstaven van Goddelijke gerechtigheid. Toen Jezus door
de op moord beluste Farizeeërs werd beschuldigd van het
zichzelf tot een god verheffen, citeerde hij voor zijn verdediging
in Johannes 10:34 rechtstreeks uit Psalm 82, door tegen
zijn tegenstanders te zeggen: "Staat er niet in uw Wet
geschreven: 'Ik heb gezegd: "Gij zijt goden"'? Indien hij
degenen tegen wie het woord van God gericht werd, 'goden'
heeft genoemd, en de Schrift toch niet krachteloos gemaakt
kan worden, zegt gij dan tot mij, die door de Vader geheiligd
en in de wereld gezonden werd: 'Gij lastert', omdat ik heb
gezegd: Ik ben Gods Zoon?"
Daar God zelf de uiteindelijke Rechter is, verwijst de
Bijbel naar mensen als 'goden' als gevolg van het feit dat
God de taak van oordelen in zijn naam aan zulke mannen schenkt.
Met andere woorden, zij bekleden het door God toegewezen
ambt van rechters. De Psalm die Jezus aanhaalde, welke mensen
'goden' noemt, verwijst echter feitelijk ook naar de rechters
van Gods volk als de zonen van God. Psalm 82:6 zegt: "Ikzelf
heb gezegd: 'Gij zijt goden, En gij allen zijt zonen
van de Allerhoogste.'"
In het geval van de Farizeeën moet er worden opgemerkt
dat ze niet echt zonen van God waren, zoals de Psalm beschrijft.
In plaats van zonen van God te zijn, veroordeelde Jezus
de Joden en de Farizeeën in het 8ste hoofdstuk van Johannes
als personen "uit uw vader de Duivel." Het moge duidelijk
zijn dat geestelijke kinderen van de Duivel niet evenzo
de zonen van Jehovah God kunnen zijn. De belangrijkheid
hiervan is dat, terwijl de 82ste Psalm in beginsel
van toepassing is op de 1ste eeuwse Farizeeën, de Psalm
in feite van toepassing is op de gezalfde zonen van
God gedurende de tijd die onmiddellijk vooraf gaat aan Gods
grote Oordeelsdag. Hoe dat zo?
Volgens de 82ste Psalm noemt Jehovah de aardse rechters
niet alleen 'goden' en 'zonen,' maar ook "[stelt] God
zich in de vergadering van de Goddelijke; te midden van
de goden spreekt hij recht." God die zich in de vergadering,
of gemeente van zijn zonen stelt, is in harmonie met de
geopenbaarde waarheid dat Gods woning de geestelijke tempel
is, welke bestaat uit de gemeente van zijn gezalfden. En
Jehovah's oordeel begint eerst wanneer hij oordeelt
te midden van zijn eigen huisgezin van gezalfde dienaren.
Volgens Christus zullen sommigen van de zonen van God geoordeeld
worden als onbekwame, slechte en luie slaven, terwijl anderen
aangenomen zullen worden als getrouwe slaven. Tijdens het
besluit van het samenstel van dingen oordeelt God dus inderdaad
"te midden van de goden."
Dat Jehovah zijn gezalfde zonen inderdaad op God gelijkende
autoriteit heeft gegeven om zijn volk te oordelen, blijkt
alleen al uit de woorden van de Apostel Paulus, toen hij
het volgende aan de Korinthische gemeente schreef: "Of
weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen?
En indien de wereld door u geoordeeld zal worden, zijt gij
dan ongeschikt voor het berechten van zeer onbeduidende
zaken? Weet gij niet dat wij engelen zullen oordelen? Waarom
dan niet zaken van dit leven?"
Het is ironisch dat juist datgene wat de Korinthiërs volgens
Paulus' onderricht moesten vermijden nu plaatsvindt onder
Jehovah's Getuigen; namelijk, dat grieven die onbevredigend
zijn behandeld in de gemeenten, wat in grote mate het gevolg
is van het misleidende beleid van de Wachttoren inzake kindermisbruik,
nu voor wereldlijke rechtbanken worden gebracht.
Jehovah lijkt in de 82ste Psalm rechtstreeks tot de hedendaagse
Wachttoren te spreken, wanneer hij het volgende vraagt aan
de rechters van zijn volk: "Hoe lang zult gij onrechtvaardig
blijven rechtspreken en de goddelozen partijdigheid blijven
betonen?"
Het valt niet te ontkennen dat het zogenoemde beleid van
de Wachttoren inzake kindermisbruik de slechte misbruikers
in het voordeel stelt en de slachtoffers wegzendt met lege
gemeenplaatsen als "op Jehovah te wachten" om de
zaken recht te zetten. Jehovah zal natuurlijk inderdaad
de zaken rechtzetten - beginnend bij de onrechtvaardige
rechters van zijn volk!
Maar, in plaats van het koesteren en afschermen van verdorven
kindermisbruikers in onze gemeenten, verwacht Jehovah dat
de herders en rechters van zijn volk de belangen van de
geringen en gekwetsten top prioriteit geven. Daarom herinnert
Jehovah zijn rechters in het volgende vers van de 82ste
Psalm aan zijn prioriteiten, door tot hen te zeggen:
"Weest rechters voor de geringe en de vaderloze jongen.
Laat de ellendige en de onbemiddelde recht wedervaren. Verschaft
ontkoming voor de geringe en de arme; Bevrijdt hen uit de
hand van de goddelozen."
Terwijl de Wachttoren volhoudt dat ze zaken van kindermisbruik
op de best mogelijke wijze hebben behandeld, vertellen de
slachtoffers een ander verhaal. En terwijl de Wachttoren
er de voorkeur aan geeft slachtoffers de mond te snoeren
met zwijggeld en de vloed van beschuldigingen arrogant als
media leugens van de hand te wijst, moet het feit dat rechtbanken
deze zaken serieus nemen een aanwijzing voor ons zijn dat
er iets ernstig mis is. Zouden de geringen en de gekwetsten
ten slotte niet moeten bepalen of gerechtigheid voor hen
is gedaan? Wanneer er in eerste instantie recht was gedaan
in de gemeenten, is het hoogst onwaarschijnlijk dat de slachtoffers
nu gerechtigheid zouden zoeken bij de rechtbanken van het
land.
In tegenstelling tot de Wachttoren die volhoudt dat er
recht is gedaan en dat we Gods eigen maatstaven gevolgd
hebben, spreekt Jehovah's woord wederom tot de kern van
de huidige situatie. Gods zegt van zijn rechters: "Zij
hebben niets geweten, en zij begrijpen niets; in duisternis
blijven zij rondwandelen; alle grondvesten der aarde worden
aan het wankelen gebracht." Net als in de Korinthische
gemeente zijn Paulus' woorden met evenveel kracht van toepassing
op de hedendaagse organisatie: "Is het waar dat er onder
u niet één wijs man is die tussen zijn broeders zal kunnen
oordelen?"
"Alle grondvesten der aarde worden aan het wankelen
gebracht," doordat onze onrechtvaardigheid datgene is
wat God ertoe brengt zijn eigen wettelijke zaak op te nemen
- om de zaken recht te zetten. Daarom is het laatste vers
van de Psalm een beroep op Jehovah God om op te staan tot
oordeel om uiteindelijk de regering over de gehele aarde
over te nemen. Psalm 82:8 luidt: "Sta toch op, o God,
richt toch de aarde; want gijzelf dient alle natiën in bezit
te nemen."
Daar het dringende verzoek van de geïnspireerde Psalmist
voor Gods interventie wordt gedaan in de context van het
falen van Gods zonen om recht te spreken ten gunste van
de geringen en vaderloze jongens, en daar we er nu duidelijk
bewijs van zien dat de gezalfde zonen van God en hun Wachttoreninstelling
passen in de beschrijving van de onrechtvaardige rechters
uit de 82ste Psalm, en daar "de Schrift niet krachteloos
gemaakt kan worden," zoals Jezus in verband met dezelfde
Psalm opmerkte, moeten we de volgende vraag nu ernstig overdenken:
Kan Jehovah's dag van oordeel ver weg zijn?
|