Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

21 September 2003

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 
Greg Stafford, de openbare debater en uitgever van boeken die het Wachttorengenootschap zowel verdedigen als bekritiseren, werd in een recentelijk interview gevraagd wat volgens hem het hoofdprobleem is waarmee het Wachttorengenootschap op dit moment te kampen heeft. In één woord zei hij "het leiderschap."

De meeste Jehovah's Getuigen zullen het, als gevolg van onze intense loyaliteit aan de zogenoemde getrouwe en beleidvolle slaaf, ongetwijfeld zeer oneens zijn met Staffords mening omtrent het leiderschap van het Wachttorengenootschap. Alle Jehovah's Getuigen zouden het er echter ook over eens moeten zijn dat de enige mening die er werkelijk toe doet de overdachte mening van God is. Daar niemand van ons in de positie is om Jehovah rechtstreeks te vragen wat hij denkt, moeten we vertrouwen op bewaard gebleven documenten die zijn gedachten over zaken onthullen. In dat opzicht weerspiegelen Gods vroegere aangelegenheden zijn toekomstige oordelen. Het Wachttorengenootschap erkende reeds lang geleden dat dat de wijze is waarop de Bijbel werkt.

Er zijn diverse gelegenheden in de geschiedenis van het oude Israël waarbij God slecht leiderschap tot een bepaald moment tolereerde en vervolgens, heel plotseling, grote veranderingen aanbracht. De hogepriester Eli schiet ons direct te binnen. Hij was tot op hoge leeftijd getrouw in zijn tabernakeldienst, tot Eli onwijs de onbeschaamde immoraliteit en godslastering van zijn zonen vergoeilijkte door hen slechts licht te berispen met een 'doe dat niet mijn zonen.' Daar Eli toestond dat zijn zonen zo'n gebrek aan respect toonden voor Jehovah, onthief God Eli uit zijn positie en stelde Samuël aan om hem als hogepriester te vervangen. Je kunt dat Bijbelse verslag online lezen door hier te klikken.

Een korte tijd nadat hij zijn hogepriester had vervangen, verving God ook zijn koning, door David aan te stellen en Saul te verwijderen.

Ondanks dat deze gebeurtenissen die staan opgetekend in de Bijbel een patroon zouden kunnen vormen, zijn ze niet noodzakelijkerwijs profetisch. De profeten bevestigen echter dat we kunnen verwachten dat God op soortgelijke wijze zal handelen in toekomstige oordelen. Eén onbekende profetie die handelt over God die ingrijpt om het leiderschap van zijn volk te vervangen, wordt teruggevonden in het 22ste hoofdstuk van Jesaja. Feitelijk bestaat er echter niet zoiets als een onbekende profetie, alleen verkeerd begrepen, niet gewaardeerde of onbesefte oordelen van God.

Maar, voordat we in het kort enkele aspecten van die profetie beschouwen, zouden we onszelf in herinnering kunnen brengen dat zelfs Christus een dag van huisreiniging en verandering van leiderschap heeft voorzegd met betrekking tot het huis van God. In het 12de hoofdstuk van Lukas, vers 42-47, sprak Jezus over twee slaafklassen die autoriteit over zijn dicipelen gegeven zou worden. De ene slaaf zou als getrouw aan zijn toewijzing worden geoordeeld en de andere slaaf zou worden geoordeeld als een boze slaaf. Dat beide slaven autoriteit uitoefenen over Gods geestelijke huis wordt duidelijk door het feit dat Jezus het volgende zei in het 48ste vers: "Ja, van een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist; en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven, zal men meer dan gebruikelijk is eisen." Dus, volgens Jezus' illustratie staat zelfs de boze slaaf aan het hoofd tot de tijd waarop Christus arriveert voor inspectie.

Met dat in gedachte, Jesaja 22:15-19 verwijst naar Gods oordeel tegen een zekere beheerder genaamd Sebna. Jehovah beveelt zijn profeet zijn oordeel van te voren aan te kondigen, door tot Jesaja te zeggen: "Dit heeft de Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen, gezegd: "Ga, treed binnen bij deze beheerder, bij Sebna, die over het huis gaat: 'Wat is hier van belang voor u, en wie is hier van belang voor u, dat gij u hier een grafstede hebt uitgehouwen?' Op een hoogte houwt hij zijn grafstede uit; in een steile rots hakt hij zich een woning uit. 'Zie! Jehovah slingert u neer met een krachtige slingering, o fysiek sterke man, en grijpt u met geweld. Hij zal u zonder mankeren stevig inwikkelen, als een bal voor een uitgestrekt land. Daar zult gij sterven, en daar zullen de wagens van uw heerlijkheid de schandvlek van het huis van uw meester zijn. En ik wil u uit uw positie wegstoten; en van uw officiële post zal men u neerhalen."'"

Net als de boze slaaf uit Christus' illustratie, bekleedde Sebna een officiële positie over Gods huis; hij is echter ontrouw en zelfzuchtig. Als gevolg van die ontrouwheid, vaardigde Jehovah uit dat een man genaamd Eljakim Sebna moest vervangen. De verzen 21 en 22 zeggen het volgende over Eljakim: "En ik wil hem met uw lange gewaad bekleden, en uw sjerp zal ik hem stevig ombinden, en uw heerschappij zal ik in zijn hand geven; en hij moet een vader worden voor de inwoner van Jeruzalem en voor het huis van Juda. En ik wil de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen, en hij moet openen zonder dat er iemand sluit, en hij moet sluiten zonder dat er iemand opent."

De Wachttoren van 1 januari 1982 bevatte een gedetailleerde uiteenzetting van de bovenstaande profetie. Het artikel legt goed uit hoe de profetie in hedendaagse tijden een verandering in beheer voorzegt, als voorbode van Armageddon. Dat komt omdat Sebna en Eljakim in de vroegere setting dienden in Hizkia's huishouding in de tijd waarin het Assyrische Rijk Juda bedreigde. Dat is de gebeurtenis waarbij Jehovah's engel 185.000 Assyrische soldaten neersloeg en Sanherib ertoe dwong zijn militaire veldtocht te staken. Die gebeurtenis van Goddelijke interventie is inderdaad een voorbode van hoe God de legers van de 8ste koning op het slagveld van Armageddon zal overwinnen.

Maar, de interpretatie in de Wachttoren identificeert Sebna als de geestelijken van de Christenheid en Eljakim wordt uiteraard geïdentificeerd als de getrouwe slaaf verbonden aan het Wachttorengenootschap. Het artikel verwijst naar 1918-1919 als de tijd waarin God naar men aanneemt zijn huis geoordeeld heeft en de ontrouwe beheerder uit zijn ambt van verantwoordelijkheid over Gods huis heeft verwijderd. Er kleven echter diverse problemen aan die interpretatie.

De eerste moeilijkheid is dat het Wachttorengenootschap Sebna verbindt aan de geestelijkheid, als gevolg van het feit dat de geestelijkheid beweert Christus te dienen. Het Wachttorenartikel zegt: "Evenals Sebna in koning Hizkía's regering gedurende Jesaja's tijd zijn er geestelijken van de christenheid die beweren het exclusieve recht op het aardse beheer onder de Grotere Hizkía, Jezus Christus, te hebben."

Maar, hier is het probleem: Sebna beweerde niet enkel een ambt van beheerder te bekleden, hij bekleedde ook daadwerkelijk een officiële positie als secretaris in Hezekiah's regering. Daarom ging Jehovah ertoe over hem officiëel uit zijn positie te verwijderen. Wanneer er een hedendaagse parallel bestaat, hoe kan Jehovah dan mogelijkerwijs erkennen dat de geestelijken van de honderden kibbelende sekten van de Christenheid enig soort van officiële positie over zijn gezalfde dienstknechten bekleden?

Het tweede probleem met deze specifieke interpretatie is dat er aangenomen wordt dat de Meester in 1919 tussenbeide kwam om de Eljakim klasse van de getrouwe beheerder over al zijn bezittingen aan te stellen. Dat is eenvoudig niet mogelijk. Volgens Christus' eigen verslag over de getrouwe slaaf, wordt de slaaf niet beloond totdat de Zoon des mensen komt. Mattheüs 24:42-47 plaatst de komst van Christus duidelijk in een toekomende tijd. Die verzen luiden: "Waakt daarom voortdurend, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Maar weet één ding, dat indien de heer des huizes had geweten in welke nachtwake de dief zou komen, hij wakker zou zijn gebleven en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken. Toont ook gij u daarom gereed, want de Zoon des mensen komt op een uur waarvan gij het niet hebt gedacht. Wie is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf, die door zijn meester over diens huisknechten is aangesteld om hun te rechter tijd hun voedsel te geven? Gelukkig is die slaaf wanneer zijn meester hem bij zijn aankomst daarmee bezig vindt! Voorwaar, ik zeg u: Hij zal hem aanstellen over al zijn bezittingen."

Als de Zoon des mensen in 1914 aangekomen is en zijn oordeel reeds heeft uitgevoerd, bestaat er voor niemand meer de noodzaak om te blijven waken, of wel? En, als de Meester Gods huisgezin reeds heeft geoordeeld en de boze slaaf reeds heeft weggezonden, waarom zijn er dan meer problemen dan ooit tevoren?

Wanneer we Gods Woord op juiste wijze hopen te interpreteren, moeten we onder ogen zien dat de boze slaaf, volgens de illustratie die Jezus uitsprak, autoriteit uitoefent over zijn medeslaven tot op het moment dat de meester van het huis zijn onverwachtse inspectie komt houden. Dat is in overeenstemming met Jezus' aanverwante illustratie over het tarwe en het onkruid dat samen opgroeid tot de oogst, gedurende het feitelijke besluit, wanneer de engelen een definitieve scheiding maken. Tot op dit moment hebben we altijd begrepen dat de boze slaaf zich buiten de gemeente bevindt. Maar, wanneer we eerlijk zijn in onze interpretatie wordt duidelijk dat de boze slaaf en de getrouwe slaaf naast elkaar bestaan in hetzelfde "huis," tot het moment waarop Christus aankomt en de verdrukkingsperiode laat beginnen.

Het probleem is dat we de boze slaaf in ons midden eenvoudigweg niet kunnen herkennen. Jehovah staat echter onder geen enkele waan.

Terugkerend naar de profetie in het 22ste hoofdstuk van Jesaja: Wellicht de grootste tekortkoming in de huidige interpretatie van de profetie door het Wachttorengenootschap, is dat de setting waarin de profetie is vervuld te maken heeft met de val van Jeruzalem. Het is interessant dat Sebna en Eljakim werkelijk personen waren die leefden in de tijd van Jesaja, gedurende welke tijd het Assyrische Rijk Israël overwon en oprukte om Juda en Jeruzalem te onderwerpen.

Vers 1-11 voorzeggen de feitelijke belegeringstoestanden van de stad. Jehovah kwam echter tussenbeide, zoals het 37ste hoofdstuk van Jesaja verslaat, en spaarde Jeruzalem bij die gelegenheid. Sebna en Eljakim worden zelfs genoemd in verband met het confronteren van de Assyrische gezanten die vereisten dat Jeruzalem zich overgaf aan Sanherib. De Wachttoren erkent dat de profetie toentertijd geen letterlijke vervulling gehad lijkt te hebben, zoals het commentaar op Jesaja vermeldt: "In Jesaja hoofdstuk 22 lezen wij over zo'n belegering - een belegering van Jeruzalem. Wanneer vindt die plaats? Het is moeilijk één belegering aan te wijzen waarbij alle beschreven details in vervulling gaan. Kennelijk is het het beste de profetie op te vatten als een algemene beschrijving van de verschillende belegeringen die Jeruzalem zal meemaken, een globale waarschuwing voor wat er in het verschiet ligt."

Het feit dat de profetie niet volledig van toepassing was op de tijd van Sebna en Eljakim is een zekere indicatie dat, ondanks dat de profetie in een vroegere setting opgetekend is, de werkelijke toepassing te maken heeft met de Christelijke organisatie. Hoe kunnen we daar zeker van zijn? De taal die wordt gebruikt om Eljakims positie te beschrijven, houdt verband met Christus' koninkrijk. Het 22ste vers zegt: "En ik wil de sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen, en hij moet openen zonder dat er iemand sluit, en hij moet sluiten zonder dat er iemand opent." Het huis van David is natuurlijk Christus' hemelse koninkrijk. Bijbelstudenten zullen ook herkennen dat eenzelfde zinsnede wordt gebruikt in Openbaring 3:7 om Christus' autoriteit over de gemeenten te beschrijven. Er staat: "Deze dingen zegt hij die heilig is, die waarachtig is, die de sleutel van David heeft, die opent zodat niemand zal sluiten en sluit zodat niemand opent."

Eljakim moet daarom dezelfde groep van gezalfde Christenen vertegenwoordigen die wordt beschreven in Openbaring die bestaan gedurende de dag des Heren, voor wie Christus een deur van speciale voorrechten tijdens de verdrukking opent - waarnaar een paar verzen verder verwezen wordt als "het uur der beproeving, dat over de gehele bewoonde aarde moet komen."

Een ander interessant aspect van de profetie wordt gevonden in de eerste paar verzen, waar staat: "Van tumult waart gij vol, een onstuimige stad, een uitgelaten stad. Uw verslagenen zijn niet degenen die met het zwaard zijn verslagen, noch degenen die gestorven zijn in de strijd. Ja, al uw dictators zijn tegelijk gevlucht. Zonder de noodzaak van een boog zijn zij gevangengenomen. Al degenen van u die zijn gevonden, zijn te zamen gevangengenomen. Ver weg waren zij weggelopen."

Jezus voorzei ook dat de stad van God, Jeruzalem, gedurende het besluit van het samenstel belegerd zou worden. En hij zei specifiek dat dit ten doel had "aan de gerechtigheid [te voldoen], opdat alles wat geschreven staat, wordt vervuld." Openbaring 11:2 verbindt de heilige stad specifiek aan de Christelijke gemeente. De profetie uit Jesaja 22 beschrijft daarom kennelijk hetzelfde als dat Christus voorzei aangaande de vertreding van Jeruzalem "opdat alles wat geschreven staat, wordt vervuld."

Eén ding is zeker: Het is zeker geen gewone belegering waarbij degenen in oorlog sneuvelen door een boog of zwaard. In dat opzicht zou de profetie kunnen voorzeggen hoe een groot gedeelte van Gods volk zwichten voor angst en als het ware gevangen genomen zullen worden door hun geloof op te geven. Klaarblijkelijk zijn de dictators de geestelijke leiders die de kudde in de steek laten gedurende de tijd van calamiteit. Daarom is de profeet ontroostbaar, daar hij in het 4de en 5de vers zegt: "Daarom heb ik gezegd: "Wendt uw blik van mij af. Ik wil blijk geven van bitterheid in geween. Staat er niet op mij te troosten over de gewelddadige plundering van de dochter van mijn volk. Want het is de dag van verwarring en van vertreding en van ontsteltenis die de Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen, heeft in het dal van het visioen.""

Het is daarom in die setting, gedurende de verdrukking, dat Jehovah Sebna, die een afbeelding is van de hedendaagse boze slaaf, uit zijn positie en "officiële post" in Gods huis stoot en voorziet in nieuw leiderschap onder de zonen van God - welke nog onthuld moet worden. Het zou het geloof in ons moeten inspireren dat de profetieën zo duidelijk spreken over geloofsbeproevende en onthutsende omstandigheden waarmee we heden ten dage te maken hebben en dat Jehovah's oplossingen het inlevingsvermogen van velen van ons ver te boven gaan.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman