| Greg
Stafford, de openbare debater en uitgever van boeken die
het Wachttorengenootschap zowel verdedigen als bekritiseren,
werd in een recentelijk interview gevraagd wat volgens hem
het hoofdprobleem is waarmee het Wachttorengenootschap op
dit moment te kampen heeft. In één woord zei hij "het leiderschap."
De meeste Jehovah's Getuigen zullen het, als gevolg van
onze intense loyaliteit aan de zogenoemde getrouwe en beleidvolle
slaaf, ongetwijfeld zeer oneens zijn met Staffords mening
omtrent het leiderschap van het Wachttorengenootschap. Alle
Jehovah's Getuigen zouden het er echter ook over eens moeten
zijn dat de enige mening die er werkelijk toe doet
de overdachte mening van God is. Daar niemand van ons in
de positie is om Jehovah rechtstreeks te vragen wat hij
denkt, moeten we vertrouwen op bewaard gebleven documenten
die zijn gedachten over zaken onthullen. In dat opzicht
weerspiegelen Gods vroegere aangelegenheden zijn toekomstige
oordelen. Het Wachttorengenootschap erkende reeds lang geleden
dat dat de wijze is waarop de Bijbel werkt.
Er zijn diverse gelegenheden in de geschiedenis van het
oude Israël waarbij God slecht leiderschap tot een bepaald
moment tolereerde en vervolgens, heel plotseling, grote
veranderingen aanbracht. De hogepriester Eli schiet ons
direct te binnen. Hij was tot op hoge leeftijd getrouw in
zijn tabernakeldienst, tot Eli onwijs de onbeschaamde immoraliteit
en godslastering van zijn zonen vergoeilijkte door hen slechts
licht te berispen met een 'doe dat niet mijn zonen.' Daar
Eli toestond dat zijn zonen zo'n gebrek aan respect toonden
voor Jehovah, onthief God Eli uit zijn positie en stelde
Samuël aan om hem als hogepriester te vervangen. Je kunt
dat Bijbelse verslag online lezen door hier
te klikken.
Een korte tijd nadat hij zijn hogepriester had vervangen,
verving God ook zijn koning, door David aan te stellen en
Saul te verwijderen.
Ondanks dat deze gebeurtenissen die staan opgetekend in
de Bijbel een patroon zouden kunnen vormen, zijn ze niet
noodzakelijkerwijs profetisch. De profeten bevestigen
echter dat we kunnen verwachten dat God op soortgelijke
wijze zal handelen in toekomstige oordelen. Eén onbekende
profetie die handelt over God die ingrijpt om het leiderschap
van zijn volk te vervangen, wordt teruggevonden in het 22ste
hoofdstuk van Jesaja. Feitelijk bestaat er echter
niet zoiets als een onbekende profetie, alleen verkeerd
begrepen, niet gewaardeerde of onbesefte oordelen van God.
Maar, voordat we in het kort enkele aspecten van die profetie
beschouwen, zouden we onszelf in herinnering kunnen brengen
dat zelfs Christus een dag van huisreiniging en verandering
van leiderschap heeft voorzegd met betrekking tot het huis
van God. In het 12de hoofdstuk van Lukas, vers 42-47, sprak
Jezus over twee slaafklassen die autoriteit over zijn dicipelen
gegeven zou worden. De ene slaaf zou als getrouw aan zijn
toewijzing worden geoordeeld en de andere slaaf zou worden
geoordeeld als een boze slaaf. Dat beide slaven autoriteit
uitoefenen over Gods geestelijke huis wordt duidelijk door
het feit dat Jezus het volgende zei in het 48ste vers: "Ja,
van een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden
geëist; en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft
gegeven, zal men meer dan gebruikelijk is eisen." Dus,
volgens Jezus' illustratie staat zelfs de boze slaaf aan
het hoofd tot de tijd waarop Christus arriveert voor inspectie.
Met dat in gedachte, Jesaja 22:15-19 verwijst naar Gods
oordeel tegen een zekere beheerder genaamd Sebna. Jehovah
beveelt zijn profeet zijn oordeel van te voren aan te kondigen,
door tot Jesaja te zeggen: "Dit heeft de Soevereine Heer,
Jehovah der legerscharen, gezegd: "Ga, treed binnen bij
deze beheerder, bij Sebna, die over het huis gaat: 'Wat
is hier van belang voor u, en wie is hier van belang voor
u, dat gij u hier een grafstede hebt uitgehouwen?' Op een
hoogte houwt hij zijn grafstede uit; in een steile rots
hakt hij zich een woning uit. 'Zie! Jehovah slingert u neer
met een krachtige slingering, o fysiek sterke man, en grijpt
u met geweld. Hij zal u zonder mankeren stevig inwikkelen,
als een bal voor een uitgestrekt land. Daar zult gij sterven,
en daar zullen de wagens van uw heerlijkheid de schandvlek
van het huis van uw meester zijn. En ik wil u uit uw positie
wegstoten; en van uw officiële post zal men u neerhalen."'"
Net als de boze slaaf uit Christus' illustratie, bekleedde
Sebna een officiële positie over Gods huis; hij is echter
ontrouw en zelfzuchtig. Als gevolg van die ontrouwheid,
vaardigde Jehovah uit dat een man genaamd Eljakim Sebna
moest vervangen. De verzen 21 en 22 zeggen het volgende
over Eljakim: "En ik wil hem met uw lange gewaad bekleden,
en uw sjerp zal ik hem stevig ombinden, en uw heerschappij
zal ik in zijn hand geven; en hij moet een vader worden
voor de inwoner van Jeruzalem en voor het huis van Juda.
En ik wil de sleutel van het huis van David op zijn schouder
leggen, en hij moet openen zonder dat er iemand sluit, en
hij moet sluiten zonder dat er iemand opent."
De Wachttoren van 1 januari 1982 bevatte een gedetailleerde
uiteenzetting van de bovenstaande profetie. Het artikel
legt goed uit hoe de profetie in hedendaagse tijden een
verandering in beheer voorzegt, als voorbode van Armageddon.
Dat komt omdat Sebna en Eljakim in de vroegere setting dienden
in Hizkia's huishouding in de tijd waarin het Assyrische
Rijk Juda bedreigde. Dat is de gebeurtenis waarbij Jehovah's
engel 185.000 Assyrische soldaten neersloeg en Sanherib
ertoe dwong zijn militaire veldtocht te staken. Die gebeurtenis
van Goddelijke interventie is inderdaad een voorbode van
hoe God de legers van de 8ste koning op het slagveld van
Armageddon zal overwinnen.
Maar, de interpretatie in de Wachttoren identificeert
Sebna als de geestelijken van de Christenheid en Eljakim
wordt uiteraard geïdentificeerd als de getrouwe slaaf verbonden
aan het Wachttorengenootschap. Het artikel verwijst naar
1918-1919 als de tijd waarin God naar men aanneemt zijn
huis geoordeeld heeft en de ontrouwe beheerder uit zijn
ambt van verantwoordelijkheid over Gods huis heeft verwijderd.
Er kleven echter diverse problemen aan die interpretatie.
De eerste moeilijkheid is dat het Wachttorengenootschap
Sebna verbindt aan de geestelijkheid, als gevolg van het
feit dat de geestelijkheid beweert Christus te dienen. Het
Wachttorenartikel zegt: "Evenals Sebna in koning Hizkía's
regering gedurende Jesaja's tijd zijn er geestelijken van
de christenheid die beweren het exclusieve recht op het
aardse beheer onder de Grotere Hizkía, Jezus Christus, te
hebben."
Maar, hier is het probleem: Sebna beweerde niet
enkel een ambt van beheerder te bekleden, hij bekleedde
ook daadwerkelijk een officiële positie als secretaris in
Hezekiah's regering. Daarom ging Jehovah ertoe over hem
officiëel uit zijn positie te verwijderen. Wanneer
er een hedendaagse parallel bestaat, hoe kan Jehovah dan
mogelijkerwijs erkennen dat de geestelijken van de honderden
kibbelende sekten van de Christenheid enig soort van officiële
positie over zijn gezalfde dienstknechten bekleden?
Het tweede probleem met deze specifieke interpretatie
is dat er aangenomen wordt dat de Meester in 1919 tussenbeide
kwam om de Eljakim klasse van de getrouwe beheerder over
al zijn bezittingen aan te stellen. Dat is eenvoudig niet
mogelijk. Volgens Christus' eigen verslag over de getrouwe
slaaf, wordt de slaaf niet beloond totdat de Zoon des
mensen komt. Mattheüs 24:42-47 plaatst de komst van
Christus duidelijk in een toekomende tijd. Die verzen luiden:
"Waakt daarom voortdurend, want gij weet niet op welke
dag uw Heer komt. Maar weet één ding, dat indien de heer
des huizes had geweten in welke nachtwake de dief zou komen,
hij wakker zou zijn gebleven en niet in zijn huis zou hebben
laten inbreken. Toont ook gij u daarom gereed, want de Zoon
des mensen komt op een uur waarvan gij het niet hebt gedacht.
Wie is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf, die door
zijn meester over diens huisknechten is aangesteld om hun
te rechter tijd hun voedsel te geven? Gelukkig is die slaaf
wanneer zijn meester hem bij zijn aankomst daarmee bezig
vindt! Voorwaar, ik zeg u: Hij zal hem aanstellen over al
zijn bezittingen."
Als de Zoon des mensen in 1914 aangekomen is en zijn oordeel
reeds heeft uitgevoerd, bestaat er voor niemand meer de
noodzaak om te blijven waken, of wel? En, als de Meester
Gods huisgezin reeds heeft geoordeeld en de boze slaaf reeds
heeft weggezonden, waarom zijn er dan meer problemen dan
ooit tevoren?
Wanneer we Gods Woord op juiste wijze hopen te interpreteren,
moeten we onder ogen zien dat de boze slaaf, volgens de
illustratie die Jezus uitsprak, autoriteit uitoefent over
zijn medeslaven tot op het moment dat de meester van het
huis zijn onverwachtse inspectie komt houden. Dat is in
overeenstemming met Jezus' aanverwante illustratie over
het tarwe en het onkruid dat samen opgroeid tot de
oogst, gedurende het feitelijke besluit, wanneer de engelen
een definitieve scheiding maken. Tot op dit moment hebben
we altijd begrepen dat de boze slaaf zich buiten
de gemeente bevindt. Maar, wanneer we eerlijk zijn in onze
interpretatie wordt duidelijk dat de boze slaaf en de getrouwe
slaaf naast elkaar bestaan in hetzelfde "huis," tot het
moment waarop Christus aankomt en de verdrukkingsperiode
laat beginnen.
Het probleem is dat we de boze slaaf in ons midden eenvoudigweg
niet kunnen herkennen. Jehovah staat echter onder geen enkele
waan.
Terugkerend naar de profetie in het 22ste hoofdstuk van
Jesaja: Wellicht de grootste tekortkoming in de huidige
interpretatie van de profetie door het Wachttorengenootschap,
is dat de setting waarin de profetie is vervuld te maken
heeft met de val van Jeruzalem. Het is interessant dat Sebna
en Eljakim werkelijk personen waren die leefden in de tijd
van Jesaja, gedurende welke tijd het Assyrische Rijk Israël
overwon en oprukte om Juda en Jeruzalem te onderwerpen.
Vers 1-11 voorzeggen de feitelijke belegeringstoestanden
van de stad. Jehovah kwam echter tussenbeide, zoals het
37ste hoofdstuk van Jesaja verslaat, en spaarde Jeruzalem
bij die gelegenheid. Sebna en Eljakim worden zelfs genoemd
in verband met het confronteren van de Assyrische gezanten
die vereisten dat Jeruzalem zich overgaf aan Sanherib. De
Wachttoren erkent dat de profetie toentertijd geen letterlijke
vervulling gehad lijkt te hebben, zoals het commentaar op
Jesaja vermeldt: "In Jesaja hoofdstuk 22 lezen wij over
zo'n belegering - een belegering van Jeruzalem. Wanneer
vindt die plaats? Het is moeilijk één belegering aan te
wijzen waarbij alle beschreven details in vervulling gaan.
Kennelijk is het het beste de profetie op te vatten als
een algemene beschrijving van de verschillende belegeringen
die Jeruzalem zal meemaken, een globale waarschuwing voor
wat er in het verschiet ligt."
Het feit dat de profetie niet volledig van toepassing
was op de tijd van Sebna en Eljakim is een zekere indicatie
dat, ondanks dat de profetie in een vroegere setting opgetekend
is, de werkelijke toepassing te maken heeft met de
Christelijke organisatie. Hoe kunnen we daar zeker van zijn?
De taal die wordt gebruikt om Eljakims positie te beschrijven,
houdt verband met Christus' koninkrijk. Het 22ste vers zegt:
"En ik wil de sleutel van het huis van David op zijn
schouder leggen, en hij moet openen zonder dat er iemand
sluit, en hij moet sluiten zonder dat er iemand opent."
Het huis van David is natuurlijk Christus' hemelse koninkrijk.
Bijbelstudenten zullen ook herkennen dat eenzelfde zinsnede
wordt gebruikt in Openbaring 3:7 om Christus' autoriteit
over de gemeenten te beschrijven. Er staat: "Deze dingen
zegt hij die heilig is, die waarachtig is, die de sleutel
van David heeft, die opent zodat niemand zal sluiten en
sluit zodat niemand opent."
Eljakim moet daarom dezelfde groep van gezalfde Christenen
vertegenwoordigen die wordt beschreven in Openbaring die
bestaan gedurende de dag des Heren, voor wie Christus een
deur van speciale voorrechten tijdens de verdrukking opent
- waarnaar een paar verzen verder verwezen wordt als "het
uur der beproeving, dat over de gehele bewoonde aarde moet
komen."
Een ander interessant aspect van de profetie wordt gevonden
in de eerste paar verzen, waar staat: "Van tumult waart
gij vol, een onstuimige stad, een uitgelaten stad. Uw verslagenen
zijn niet degenen die met het zwaard zijn verslagen, noch
degenen die gestorven zijn in de strijd. Ja, al uw dictators
zijn tegelijk gevlucht. Zonder de noodzaak van een boog
zijn zij gevangengenomen. Al degenen van u die zijn gevonden,
zijn te zamen gevangengenomen. Ver weg waren zij weggelopen."
Jezus voorzei ook dat de stad van God, Jeruzalem, gedurende
het besluit van het samenstel belegerd zou worden. En hij
zei specifiek dat dit ten doel had "aan de gerechtigheid
[te voldoen], opdat alles wat geschreven staat, wordt vervuld."
Openbaring 11:2 verbindt de heilige stad specifiek aan de
Christelijke gemeente. De profetie uit Jesaja 22 beschrijft
daarom kennelijk hetzelfde als dat Christus voorzei aangaande
de vertreding van Jeruzalem "opdat alles wat geschreven
staat, wordt vervuld."
Eén ding is zeker: Het is zeker geen gewone belegering
waarbij degenen in oorlog sneuvelen door een boog of zwaard.
In dat opzicht zou de profetie kunnen voorzeggen hoe een
groot gedeelte van Gods volk zwichten voor angst en als
het ware gevangen genomen zullen worden door hun geloof
op te geven. Klaarblijkelijk zijn de dictators de geestelijke
leiders die de kudde in de steek laten gedurende de tijd
van calamiteit. Daarom is de profeet ontroostbaar, daar
hij in het 4de en 5de vers zegt: "Daarom heb ik gezegd:
"Wendt uw blik van mij af. Ik wil blijk geven van bitterheid
in geween. Staat er niet op mij te troosten over de gewelddadige
plundering van de dochter van mijn volk. Want het is de
dag van verwarring en van vertreding en van ontsteltenis
die de Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen, heeft
in het dal van het visioen.""
Het is daarom in die setting, gedurende de verdrukking,
dat Jehovah Sebna, die een afbeelding is van de hedendaagse
boze slaaf, uit zijn positie en "officiële post"
in Gods huis stoot en voorziet in nieuw leiderschap onder
de zonen van God - welke nog onthuld moet worden. Het zou
het geloof in ons moeten inspireren dat de profetieën zo
duidelijk spreken over geloofsbeproevende en onthutsende
omstandigheden waarmee we heden ten dage te maken hebben
en dat Jehovah's oplossingen het inlevingsvermogen van velen
van ons ver te boven gaan.
|