|
Het
nieuwe kalenderjaar is gewoonlijk een tijd dat we niet alleen
op het voorbije jaar terugzien, maar ook vooruit kijken
naar het nieuwe jaar dat voor ons ligt. In overeenstemming
met de traditie publiceert het Wachttorengenootschap ieder
jaar op 1 januari een jaarlijks statistisch rapport van
het afgelopen dienstjaar dat in september eindigt. Het dienstrapport
is gewoonlijk vervat in een Wachttorenstudieartikel dat
tijdens de gemeentelijke Wachttorenstudie wordt besproken.
Dus laten we nu eens een korte blik op het dienstrapport
van het afgelopen jaar werpen.
Het gemiddelde aantal actieve getuigen nam in 2003 wereldwijd
met ongeveer 150.000 toe, of ruwweg 2%. Er zijn nu 6.184.046
verkondigers vergeleken met de 6.048.600 van het jaar daarvoor.
In de laatste paragraaf van het tweede studieartikel wordt
de bewering gedaan dat "het werk niet trager gaat verlopen."
Die bewering komt echter een beetje misleidend over. Terwijl
er een wereldomvattende toename van gemiddeld 2%
is, is de groei in landen met de hoogste concentraties Jehovah's
Getuigen vergeleken met voorgaande jaren niet alleen afgenomen,
maar is gestagneerd en in sommige gevallen vrijwel helemaal
gestopt. Dat betekent niet dat Jehovah's Getuigen zijn gestopt
met prediken, maar de aantallen nemen niet toe.
De trend die bovenkomt in de geïndustrialiseerde landen
en andere landen waar Jehovah's Getuigen zich het langst
hebben gevestigd, is dat de groei is afgetopt en er lijkt
zich een langzame neergang te hebben ingezet. Brazilië is
de enige uitzondering - daar verheugen ze zich in 4% toename.
Maar Australië, Engeland, Canada, de Tsjechische Republiek,
Denemarken, Griekenland, Ierland, Hongarije en Japan hadden
allen 0% toename over 2003. Frankrijk, Mexico, Italië, Zuid-Korea,
Nederland, Spanje en Zweden haalden maar net een magere
1% toename ten opzichte van het vorige jaar. Jehovah's Getuigen
in de Verenigde Staten ervoeren een bescheiden 2% toename.
Eén ding om in aanmerking te nemen is het volgende: Ware
het niet voor het feit dat de meerderheid van degenen die
gedoopt worden kinderen van Jehovah's Getuigen zijn,
er waarschijnlijk in vele landen een statistische afname
zou zijn in het aantal actieve getuigen. Neem bijvoorbeeld
de Verenigde Staten waar bijna 12.000 gemeenten zijn. Vorig
jaar zijn daar net over de 30.000 personen gedoopt. Dat
is minder dan drie per gemeente over het hele jaar. Dat
aantal zou makkelijk kunnen bestaan uit de minderjarige
kinderen van Getuigen van Jehovah. Dat betekent dat zonder
de natuurlijke groei, die door onze kinderen, die worden
gedoopt en ook door de zogenoemde "ongedoopte verkondigers"
en nieuwgetelde "vijftien-minutenpredikers" wordt gevormd,
deze landen met 0% groei zonder twijfel een negatief groeibeeld
van een of twee procent zouden hebben.
Wat betekent dit voor de toekomst?
Het Wachttorengenootschap heeft de enorme groei in de
aantallen Jehovah's Getuigen altijd toegeschreven aan Jehovah's
zegen op ons werk in het maken van discipelen. Maar, andersom,
is de vraag die we nu moeten beschouwen of stagnerende groei
een teken is dat Jehovah is begonnen zijn zegen niet meer
te geven. Jehovah's zegen is niet iets wat we als vanzelfsprekend
kunnen beschouwen. Tenslotte is God niet een of andere mascotte
of goede geest die we maar een eind heen kunnen commanderen.
Noch is Jehovah ongevoelig voor de vraag of hij werkelijk
zo iets, als ons zijn zegen ontzeggen, zou doen. Eigenlijk
voorzei Jehovah door middel van de profeet Maleachi dat
hij zijn volk een zegen op de oogst zou ontzeggen. De niet
bepaald schitterende resultaten van onze prediking in aanmerking
genomen past nederigheid ons om deze profetie nog eens te
beschouwen.
Bekijk Maleachi 2:5-7 eens om de invalshoek van de profetie
vast te stellen; daar staat: "Wat mijn verbond betreft,
het bleek met hem te zijn, een van leven en van vrede, en
ik bleef ze hem geven, mèt vrees. En hij ging voort mij
te vrezen; ja, wegens mijn naam werd hijzelf met verschrikking
geslagen. De wet der waarheid, díe bleek in zijn mond te
zijn, en er werd geen onrechtvaardigheid op zijn lippen
gevonden. In vrede en in oprechtheid wandelde hij met mij,
en velen waren het die hij van dwaling terugbracht. Want
het zijn de lippen van een priester die kennis dienen te
bewaren, en de wet dient men uit zijn mond te zoeken; want
hij is de boodschapper van Jehovah der legerscharen."
Zonder twijfel is Jezus de godvrezende priester en boodschapper
van het verbond waar Jehovah naar verwijst. Zelfs al is
de profetie verschillende honderden jaren voor Christus
opgetekend, toch sprak God over zijn verbondsdrager en getrouwe
priester in de verleden tijd. Dat betekent dat Jehovah
vanuit een bepaald punt in de toekomst terugverwijst naar
de priesterdienst van Christus; zonder twijfel gedurende
een tijd van oordeel. Zijn deze woorden van God nu al van
betekenis? Mogelijk, maar laten we verder redeneren.
De voorgaande paar verzen beschuldigen de Levitische priesters
ervan Jehovah's naam geen eer te bewijzen. Maar Gods profetische
berisping heeft in werkelijkheid niet alleen betrekking
op de letterlijke Levitische priesters. Dat zou duidelijk
moeten zijn aangezien Jehovah zijn priesters berispt voor
het niet volgen van het verbond met de getrouwe priester
- Christus. Opgemerkt zij dat Jezus geen Levitische priester
was. Paulus deed in zijn brief aan de Hebreeën heel wat
moeite om uit te leggen dat Christus een priester "naar
de wijze van Melchizedek" was en niet naar de wijze
van de Levitische priesters die hun positie slechts door
geboorte erfden.
We moeten ook niet veronderstellen dat de geestelijkheid
van de Christenheid op één of andere manier afgebeeld wordt
door de nalatige priesters aangezien Jehovah zich in Maleachi
2:1 tot hen richt en zegt: "En dit gebod nu is voor u,
o priesters. Indien gij niet zult luisteren en indien gij
het niet ter harte zult nemen mijn naam heerlijkheid te
geven," heeft Jehovah der legerscharen gezegd, "dan zal
ik stellig de vloek over u zenden, en ik wil uw zegeningen
vervloeken. Ja, zelfs de zegen heb ik vervloekt, omdat gij
het niet ter harte neemt."
De priesters in de profetie zijn Jehovah's priesters.
Zij die zijn naam dragen zijn in werkelijkheid de enigen
in een positie om eer aan Gods naam te geven of die te ontheiligen.
Daarom geeft hij verdere gelegenheid zijn berisping ter
harte te nemen en verandering aan te brengen. De priesters
waar Jehovah in de profetie tegen spreekt kunnen alleen
diegenen zijn waarover Petrus zei dat ze een koninklijke
priesterschap zouden vormen - gezalfde christenen. Aangezien
het 3de en 4de hoofdstuk van Maleachi verwijzen naar de
tijd van Christus' komst en het oordeel over het huis van
God, is het duidelijk dat de nalatige priesters in werkelijkheid
de getrouwe en beleidvolle slaaf is die, zoals Christus
in het 12de hoofdstuk van Lukas uitlegt, een paar slagen
zullen ontvangen wanneer de meester van het huis plotseling
als een dief in de nacht voor het oordeel aankomt.
In Maleachi 2:10-11 legt de profeet in het bijzonder uit
wat Jehovah te verhapstukken heeft met de onderpriesters
van de boodschapper van het verbond. "Hebben wij niet
allen één vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom
handelen wij dan trouweloos jegens elkaar, door het verbond
van onze voorvaders te ontheiligen? Juda heeft trouweloos
gehandeld, en iets verfoeilijks is in Israël en in Jeruzalem
bedreven; want Juda heeft de heiligheid van Jehovah, welke
Hij heeft liefgehad, ontheiligd, en hij heeft de dochter
van een buitenlandse god als bruid in bezit genomen. "
Ongetwijfeld heeft de leiding van het Wachttorengenootschap
"trouweloos gehandeld" naar de vol vertrouwen zijnde
broederschap van Jehovah's Getuigen door lekker tegen de
VN aan te kruipen door een NGO (Non Governmental Organisation)
te worden en Jehovah's Getuigen te gebruiken om subtiele
pro-VN propaganda te verspreiden en door te liegen over
dat lidmaatschap. De contractuele verplichtingen van een
NGO zouden kunnen worden vergeleken met een gemengd huwelijk
- inderdaad "de dochter van een buitenlandse god."
Het Wachttorengenootschap heeft de naam van Jehovah ook
ontheiligd door zich geestelijk te prostitueren door banden
aan te gaan met enkele van de voornaamste instituten van
Satans samenstel van dingen.
Wat houdt Maleachi 2:3 in het licht van het bovenstaande
voor Jehovah's Getuigen in? Het bewuste vers zegt: "Ziet,
ik bestraf vanwege u het gezaaide zaad, en ik wil drek op
uw aangezicht strooien, de drek van uw feesten; en iemand
zal u werkelijk daarheen wegdragen."
Gezien de lauwe groei van de organisatie kunnen we ons
afvragen of Jehovah al niet reeds onze zegening heeft vervloekt
en het zaad dat wij zaaien in het veld heeft bestraft door
zijn gunst van ons werk weg te nemen. Het kleine beetje
dat we lijken te bereiken zou best op eigen kracht kunnen
zijn en is niet beslist indicatief voor Gods zegen zoals
we veronderstellen. Wie zal zeggen of we ons niet in een
veel groter succes kunnen verheugen?
We zullen, in wat voor mate dan ook, zien wat voor oogst
het dienstjaar 2004 zal brengen.
|