Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

23 Januari 2004

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

Dus, hoe zal het laatste bedrijf verlopen? Dat was de vraag die werd gesteld in de Wachttoren van 1 februari 2004 en het commentaar van vorige week. De uitgave van 1 maart 2004 van de Wachttoren bevat ook twee studieartikelen over de getrouwe slaaf en de komst van Christus. En net zoals het artikel van 1 februari is ook dit een feitelijke herhaling van de interpretaties van het Genootschap die gestoeld zijn op het geloof dat Jezus in het jaar 1914 terugkeerde en dat het oordeel over het huis van God in 1918 begon.

Natuurlijk is dit onderwerp in vele essays, postzak vragen en commentaren besproken, maar diverse e-mailers hebben e-Watchman gevraagd commentaar te geven op de informatie in het kader op blz. 16 van de Wachttoren van 1 maart 2004. Vooral met betrekking tot de gedachte dat Openbaring 7:3 bewijst dat de verzegeling voor het uitbreken van de verdrukking plaatsvindt. Dus, met het risico in herhaling te vallen, laten we de vraag over wanneer het oordeel plaatsvindt in het licht van de meest recente opmerkingen van het Wachttorengenootschap opnieuw beschouwen.

Het kader op blz. 16 van de Wachttoren van 1 maart 2004 luidt als volgt:

WANNEER KOMT JEZUS?

In de hoofdstukken 24 en 25 van Mattheüs wordt in verschillende betekenissen van Jezus gezegd dat hij "komt". Hij hoeft niet van locatie te veranderen om te "komen", want hij "komt" in de zin dat hij zijn aandacht op de mensheid of op zijn volgelingen richt, vaak om te oordelen. Zo "kwam" hij in 1914 om zijn tegenwoordigheid als op de troon geplaatste Koning te beginnen (Mattheüs 16:28; 17:1; Handelingen 1:11). In 1918 "kwam" hij als boodschapper van het verbond en begon hij degenen te oordelen die beweerden Jehovah te dienen (Maleachi 3:1-3; 1 Petrus 4:17). In Armageddon zal hij "komen" om het oordeel aan Jehovah's vijanden te voltrekken. - Openbaring 19:11-16.

De komst (of aankomst) waarover een aantal keren in Mattheüs 24:29-44 en 25:31-46 wordt gesproken, vindt plaats bij de "grote verdrukking" (Openbaring 7:14). De komst van Jezus daarentegen die een aantal malen in Mattheüs 24:45 tot 25:30 aan de orde komt, heeft betrekking op het oordelen van personen die belijden zijn discipelen te zijn, waarmee in 1918 werd begonnen. Het zou bijvoorbeeld niet redelijk zijn te zeggen dat het belonen van de getrouwe slaaf, de veroordeling van de dwaze maagden en de veroordeling van de trage slaaf, die het talent van de Meester verborg, plaats zullen vinden wanneer Jezus "komt" bij de grote verdrukking. Dat zou impliceren dat veel van de gezalfden dan ontrouw worden bevonden en dus vervangen moeten worden. Uit Openbaring 7:3 blijkt echter dat al Christus' gezalfde slaven tegen die tijd blijvend "verzegeld" zullen zijn.

De vraag is: Bewijst Openbaring 7:3 dat alle overgebleven gezalfden permanent verzegeld zullen zijn voordat de verdrukking begint?

Het antwoord is nee. De volgorde van gebeurtenissen in Openbaring bewijst het tegenovergestelde, namelijk dat de definitieve verzegeling plaatsvindt tijdens de verdrukking, maar vóór Armageddon. Hoe weten we dat?

Het openen van het 6de zegel brengt de donkere dagen van de wereldschokkende verdrukking met zich mee. Openbaring 6:12-17 luidt: En ik zag, toen hij het zesde zegel opende, en er geschiedde een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de gehele maan werd als bloed, en de sterren van de hemel vielen naar de aarde, zoals wanneer een vijgenboom, door een krachtige wind geschud, zijn onrijpe vijgen afwerpt. En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werd van zijn plaats verwijderd. En de koningen van de aarde en de hooggeplaatste personen en de militaire bevelhebbers en de rijken en de sterken en iedere slaaf en iedere vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen. En zij blijven tot de bergen en tot de rotsen zeggen: "Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Degene die op de troon zit en voor de gramschap van het Lam, want de grote dag van hun gramschap is gekomen, en wie kan dan standhouden?"

Volgens Christus is de ineenstorting van de symbolische hemelen het gevolg van de verdrukking. Daarom zegt Mattheüs 24:29: "Onmiddellijk na de verdrukking van die dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt."

Het openen van het zesde zegel vindt dus zeker plaats tijdens de verdrukking. Hoogstwaarschijnlijk is het openen van het zesde zegel, waardoor het oorlogspaard wordt losgelaten en natie tegen natie zal opstaan, het feitelijke begin van de verdrukking, welke resulteert in de "grote aardbeving" die zal leiden tot de volledige ineenstorting van het huidige samenstel. Zonder twijfel is de zon die verduisterd zal worden en de maan die in bloed zal veranderden en de bergen en eilanden die van hun plaats verwijderd zullen worden, symbolische taal die voorzegt hoe het huidige stelsel van zijn plaats verwijderd zal worden.

De volgende verzen in Openbaring, het begin van het 7de hoofdstuk, beschrijven vervolgens de definitieve verzegeling en bijeenverzameling van de grote schare: Hierna zag ik aan de vier hoeken van de aarde vier engelen staan, die de vier winden van de aarde stevig vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde of over de zee of over enige boom. En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang der zon, die een zegel van de levende God had; en hij riep met een luide stem tot de vier engelen aan wie het gegeven was schade toe te brengen aan de aarde en de zee, en hij zei: "Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot nadat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben."

Merk alsjeblieft op dat Openbaring 7:1 begint met het woord "hierna." Na wát precies? Na de eerste fase van de verdrukking die de aarde en hemelen doet schudden.

De fout van het Wachttorengenootschap zit hem in het feit dat ze beweren dat de engelen de vier winden van de verdrukking tegenhouden. Dat kan echter niet het geval zijn, omdat de volgorde van gebeurtenissen in het 6de en 7de hoofdstuk van Openbaring aangeeft dat de verzegeling plaatsvindt nadat de verdrukking begonnen is. De vier winden die door de engelen worden vastgehouden symboliseren kennelijk de vernietigende winden van God die zullen waaien gedurende de oorlog van Armageddon - de laatste fase van de verdrukking.

Dat de verzegeling plaatsvindt tijdens de verdrukking en niet ervoor is kennelijk de reden dat Jezus zei: "Indien die dagen trouwens niet werden verkort, zou geen vlees worden gered; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort." (Mattheüs 24:22)

Maar, waarom wordt de verdrukking verkort ter wille van de uitverkorenen? Volgens de verklaring van de engel bij het openen van het 5de zegel, is er een specifiek aantal overgebleven uitverkorenen die voor Armageddon ter dood gebracht zullen worden. Openbaring 6:11 wijst erop dat Gods wraak tegengehouden wordt "totdat ook van hun medeslaven en hun broeders, die op het punt stonden gedood te worden evenals zij, het getal vol zou zijn."

De verdrukking wordt dus verkort zodat de definitieve verzegeling kan plaatsvinden ter voorbereiding op de openbaring van de ware zonen van God en hun bevrijding door middel van de losprijs. Het Wachttorengenootschap heeft het eenvoudig bij het verkeerde eind wanneer ze beweert dat de verzegeling plaatsvindt vóór het uitbreken van de verdrukking. Ze heeft het ook bij het verkeerde eind wanneer ze beweert dat Jehovah gezalfde Christenen die ontrouw blijken te zijn niet zou kunnen vervangen gedurende de eerste fase van de verdrukking - vóór de definitieve verzegeling.

Laten we Jezus' brieven aan de zeven gemeenten van Openbaring eens wat nauwkeuriger beschouwen.

De zeven gemeenten vertegenwoordigen de gehele gezalfde gemeente van Christus tijdens de Dag des Heren. Merk, met dat in gedachte, Jezus' raad aan de gemeente Thyatíra in Openbaring 2:20-23 eens op, waar staat: "Niettemin heb ik dit tegen u, dat gij die vrouw Izébel, die zich een profetes noemt, tolereert, en zij leert en misleidt mijn slaven, zodat zij hoererij bedrijven en dingen eten die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht. En ik heb haar tijd gegeven om berouw te hebben, maar zij wil geen berouw hebben van haar hoererij. Zie! Ik sta op het punt haar op een ziekbed te werpen, en hen die overspel met haar plegen, in grote verdrukking te brengen, tenzij zij berouw hebben van haar daden. En haar kinderen zal ik met dodelijke plagen doden, zodat alle gemeenten zullen weten dat ik het ben die de nieren en harten doorzoek, en ik zal een ieder van u geven overeenkomstig uw daden."

Het Wachttorengenootschap past deze profetische raad toe op letterlijke seksueel immorele dominante vrouwen in de gemeenten. Het Openbaringboek zegt dat zulke op Izébel gelijkende personen uitgesloten worden uit de gemeenten. Maar dat is niet wat Jezus zegt.

Volgens Openbaring staat Jezus het de immorele Izébel toe onder zijn volk te domineren tot het moment waarop hij haar persoonlijk oordeelt en haar in de grote verdrukking werpt en haar onwettige kinderen doodt. Dat suggereert sterk dat "Izébel" niet veroordeeld zal worden door enig menselijk gerechterlijk comité, maar enkel door Jezus zelf gedurende de grote verdrukking.

Maar niet alleen dat, Jezus roept de symbolische Izébel zelfs op tot het hebben van berouw. Daar zij zich binnen de gezalfde gemeente van Christus bevindt, betekent dit dat Izébel een afbeelding is van gezalfde Christenen die ontrouw zijn tegenover hun mannelijke eigenaar.

Dus, wanneer de symbolische "Izébel" in het midden van de gemeente haar demonische invloed over Christus' slaven uitoefent, is het logisch dat "Izébel" een afbeelding is van een afvallig type Christenen die in Gods huisgezin verblijven tot het definitieve oordeel. En, wanneer ze tot aan de grote verdrukking niet geoordeeld wordt, zoals Openbaring aangeeft, is het duidelijk dat ze daarvoor niet verzegeld zal zijn met Jehovah's definitieve goedkeuring, om daarna enkel veroordeeld te worden. Bedenk dat de verzegeling betekent dat zulke personen Jehovah's onomkeerbare definitieve goedkeuring is gegeven.

In de tijd van Elia de profeet misleidde Izébel de Israëlieten tot Baälaanbidding. Ondanks dat Koningin Izébel als Baälaanbidster waarschijnlijk seksueel immoreel was, belicht de Bijbel haar geestelijke hoererij. Toen er gevraagd werd of er vrede was tussen hen, antwoordde Jehovah's nieuw gezalfde koning, Jehu, als volgt aan Izébel's zoon: "Hoe zou het vrede kunnen zijn zolang de hoererijen van uw moeder Izébel en haar vele toverijen er nog zijn?"

Het punt van die historische verwijzing is dat we niet persé moeten aannemen dat de Izébel uit Openbaring letterlijke vrouwelijke overspeelsters vertegenwoordigt.

Openbaring wijst er ook op dat de symbolische Izébel Christus' slaven tot afgoderij en geestelijk overspel misleidt. Ze is ook een valse profetes. Dus, wie zou heden ten dage een afbeelding kunnen zijn van Izébel? De Izébel uit Christus' profetie vertegenwoordigt waarschijnlijk een verdorven deel van gezalfde personen binnen de Wachttoreninstelling die, net als Izébel, de hedendaagse organisatie van het geestelijk Israël tot verafgoding van en geestelijk overspel met de op Baäl gelijkende Verenigde Naties afgod heeft geleid. (Zie het essay: De Diepte van de Prostitutie van het Wachttorengenootschap Doorgronden)

Geen wonder dat Jezus' raad aan elk van de zeven gemeenten de waarschuwing "Wie een oor heeft, hij hore wat de geest tot de gemeenten zegt" bevatte.

De complexe onderlinge verbanden binnen de Bijbel verder beschouwend: Het is interessant dat het 11de hoofdstuk van Openbaring de gedachte aan Elia oproept, wanneer er over de twee getuigen wordt gezegd: "Dezen hebben de autoriteit de hemel te sluiten, opdat er geen regen valt in de dagen waarin zij profeteren." (Openbaring 11:6) Bijbelonderzoekers herinneren zich natuurlijk dat Elia, in de dagen van Izébel, het woord sprak en er een droogte van drie en een half jaar plaatsvond - dezelfde tijdsduur waarin de twee getuigen in zakken gehuld profeteren. En niet alleen dat, maar in de tijd dat Elia zich voor de wraakzuchtige Izébel verborgen hield in de wildernis, herinnerde Jehovah zijn profeet eraan dat hij 7000 andere profeten had die hun knie niet hadden gebogen voor Baäl of zijn buitensporige beeld hadden gekust.

De Christelijke profeet Paulus verwijst ook naar Elia's overblijfsel van 7000 en past het toe op de Christelijke gemeente, door in Romeinen 11:4, 5 te zeggen: "Maar wat zegt de godsspraak tot hem? "Ik heb zevenduizend man voor mij doen overblijven, mannen die de knie niet voor Baäl hebben gebogen." Zo is er daarom ook in het tegenwoordige tijdperk een overblijfsel verschenen overeenkomstig een verkiezing ten gevolge van onverdiende goedheid."

Ondanks dat Paulus naar de 1ste eeuw verwees als het "tegenwoordige tijdperk" toen het overblijfsel van 7000 verscheen, zouden we niet over het hoofd moeten zien dat het 11de hoofdstuk van Openbaring verwijst naar een ontelbaar overblijfsel, of "overgeblevenen," die op aarde achterblijven nadat het koninkrijk komt en de opstanding van de heiligen begint. Dus, Paulus' "tegenwoordige tijdperk" is in werkelijkheid profetisch voor de Dag des Heren.

En nu wordt het pas echt interessant:

Het 11de hoofdstuk van Openbaring verwijst ook naar 7000 personen die gedood worden tijdens een "grote aardbeving." Openbaring 11:13 luidt: "En in dat uur geschiedde er een grote aardbeving, en een tiende deel van de stad stortte in; en zevenduizend personen werden door de aardbeving gedood, en de overigen werden door vrees bevangen en gaven heerlijkheid aan de God des hemels."

Het tiende deel van de stad die instort, is een vertegenwoordiging van het aardse deel van het dan regerende koninkrijk verbonden aan Christus' verzegelde gemeente - met andere woorden, datgene wat wij Jehovah's zichtbare organisatie noemen. (Tien of een tiende staat voor aardse volledigheid. Dus, het tiende deel van de stad van God op aarde zou dan het gehele lichaam van Christus op aarde symboliseren.)

Jesaja 6:11-13 voorzegt evenzo een ineenstorting en verwoesting en verwijst naar het tiende deel van Israël als het heilige zaad. De profeet schrijft: Hierop zei ik: "Hoe lang, o Jehovah?" Toen zei hij: "Totdat de steden werkelijk tot puinhopen instorten, om zonder inwoner te zijn, en de huizen zonder aardse mens zijn, en de grond zelf geruďneerd is tot een woestenij; en Jehovah de aardse mensen werkelijk ver verwijdert, en de verlaten toestand inderdaad zeer uitgestrekt wordt in het midden van het land. En er zal nog een tiende in zijn, en het moet wederom iets ter verbranding worden, gelijk een grote boom en gelijk een statige boom waarin, wanneer ze worden omgehakt, een tronk is; een heilig zaad zal de tronk ervan zijn."

Daar ze verschijnen in de context van op Elia gelijkende gezalfde getuigen, symboliseren de 7000 uit Openbaring die vermoord worden ongetwijfeld het definitieve aantal verzegelden die niet buigen voor het beeld van het wilde beest of het merkteken ervan ontvangen gedurende het laatste uur van beproeving.

We moeten ons niet indenken dat de 7000 enkel symbolisch omgebracht worden, zoals het Wachttorengenootschap zegt over de geestelijken terug in 1919. Dat wordt duidelijk uit het feit dat Jehovah onmiddellijk nadat de 7000 vermoord zijn "degenen verderft die de aarde verderven" - ongetwijfeld in antwoord op hun moorden.

Hoe staat dit in verband met ons onderwerp? Het feit dat "Izébel" in het midden van de Christelijke gemeente verblijft totdat Jezus haar persoonlijk oordeelt, betekent dat de geestelijke Izébel uiteindelijk zal trachten Jehovah's ware dienstknechten te vermoorden en te vervolgen - net zoals Izébel dat deed in de dagen van Elia.

In de toekomst mogen we daarom verwachten dat de 7000 oprechte zonen van het koninkrijk vervolgd en verraden zullen worden door de met de valse profetes Izébel te vergelijken groep binnen de gemeente; een tijd waarover Christus het volgende voorzei: "Dan zal men u overleveren aan verdrukking en u doden, en gij zult ter wille van mijn naam voorwerpen van haat zijn voor alle natiën. Dan zullen ook velen tot struikelen worden gebracht en elkaar verraden en elkaar haten. En vele valse profeten zullen opstaan en velen misleiden; en wegens het toenemen der wetteloosheid zal de liefde van de meesten verkoelen." (Mattheüs 24:9-12)

De Wachttoren van 1 maart houdt vol dat Maleachi 3:1 in 1918 in vervulling is gegaan, toen Christus, naar men aannam, tot zijn geestelijke tempel kwam om de zaken recht te zetten. Dat vers luidt: "Ziet! Ik zend mijn boodschapper, en hij moet een weg voor mijn aangezicht banen. En plotseling zal tot Zijn tempel komen de ware Heer, die gijlieden zoekt, en de boodschapper van het verbond, in wie gij behagen hebt. Ziet! Hij zal stellig komen", heeft Jehovah der legerscharen gezegd.

' De Wachttoren tracht te goochelen tussen hardnekkig vol te houden dat het oordeel lang geleden plaats heeft gevonden en het idee dat het oordeel van de gezalfden een voortdurend iets is. Enkele verzen later beschrijft Maleachi met de volgende woorden Jezus' plotselinge inspectie van Gods geestelijke tempel: "En ik wil tot ulieden naderen voor het oordeel, en ik wil een snelle getuige worden tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen die vals zweren, en tegen degenen die bedrieglijk handelen met het loon van een loonarbeider, met de weduwe en met de vaderloze jongen, en degenen die de inwonende vreemdeling afwijzen, terwijl zij mij niet hebben gevreesd", heeft Jehovah der legerscharen gezegd." (Maleachi 3:5)

Nu moeten we onszelf de volgende pijnlijke vragen stellen: Als Jezus, wanneer hij komt voor inspectie, een "snelle getuige" wordt tegen alle kwaaddoeners binnen Gods huisgezin, en die inspectie naar men aanneemt meer dan 8 decennia geleden plaats heeft gevonden, hoe kan de organisatie dan nog steeds te maken hebben met alle genoemde zonden?

Waarom is Jezus bijvoorbeeld geen "snelle getuige" geworden tegen de kindermisbruikers en de beleidsmakers die hen in de organisatie verborgen houden? Ja, waarom staat Jezus toe dat zovele vaderloze jongens en meisjes in onze organisatie verkracht worden door goddeloze mannen en ze vervolgens gerechtigheid onthouden wordt door de ouderlingen?

Als Jezus de zaken reeds heeft rechtgezet en Gods volk gelouterd heeft, waarom verdraagt hij dan de toverijen van Izébel, zoals Openbaring aangeeft, en staat hij toe dat zijn gemeente zichzelf blijft prostitueren met de Verenigde Naties?

Ja, in welke betekenis is Christus reeds een "snelle getuige" geworden tegen kwaaddoenerij in de organisatie?

Het is duidelijk dat hij dat niet geworden is - nog niet tenminste.

Het commentaar van volgende week zal het onderwerp over Jezus' komst verder bespreken.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman