|
Enkele
Jehovah's Getuigen hebben gevraagd hoe ze kunnen blijven
prediken met gebruikmaking van de Wachttoren en Ontwaakt,
wanneer ze weten dat ze deelhebben aan het distribueren
van bepaalde onwaarheden - zoals de leerstelling omtrent
1914 of subtiele VN propaganda of wat dan ook.
Anderen hebben gevraagd of er enige hoop is voor inactieve
of uitgesloten personen mocht de verdrukking hen in die
toestand overvallen.
Het commentaar van deze week zal ingaan op die twee kwesties.
Eén factor waardoor het moeilijk voor ons is om Wachttoren
lectuur aan te bieden die naar onze mening bezoedeld is,
is dat de meeste Jehovah's Getuigen nooit een prediking
hebben gekend zonder gebruik te maken van die lectuur.
Onze gehele prediking draait om het verspreiden van lectuur;
ofwel op de hoek van de straat ofwel van deur-tot-deur.
Ondanks dat Jehovah's Getuigen regelmatig aangemoedigd worden
de Bijbel in hun dienst te gebruiken, is ons gebruik van
de Bijbel gewoonlijk gelimiteerd tot het voorlezen van enkele
schriftplaatsen en vervolgens zijn we getraind om een lectuuraanbieding
te doen. En natuurlijk wordt er in het huisbijbelstudie
programma gebruik gemaakt van of een boek of een brochure.
Voor sommige Jehovah's Getuigen duikt het dilemma op,
niet vanwege het feit dat de lectuur van het Wachttorengenootschap
bepaalde onwaarheden kan bevatten die we liever niet verspreiden
in onze prediking; het probleem is dat we ook erkennen dat
we ten opzichte van Christus de verplichting hebben te prediken
over zijn koninkrijk. Paulus schreef bijvoorbeeld over zijn
Christelijke verplichting, door in het 9de hoofdstuk van
1 Korinthiërs te zeggen: "Want de noodzaak is
mij opgelegd. Werkelijk, wee mij indien ik het goede nieuws
niet zou bekendmaken! Indien ik dit gewillig doe, heb ik
een beloning; maar doe ik het tegen mijn wil, mij is toch
een beheer toevertrouwd." Daar we echter niet gewend
zijn te prediken en anderen te onderwijzen zonder
materiaal van het Wachttorengenootschap, is het moeilijk
om te bepalen hoe we onze dienst met een goed geweten voort
kunnen zetten. Dat is de uitdaging.
Om enig inzicht te krijgen, laten we eens een wijdere
"macro" blik werpen op Jehovah's manier waarop hij dingen
doet. Laten we daarvoor eens bezien met welke uitdagingen
de apostelen oorspronkelijk te maken kregen.
Jezus vertelde een Samaritaanse vrouw eens dat de Joden
aanbaden wat ze kenden. Als een Jood kende Jezus zonder
twijfel de God die hij aanbad; en zijn mede Joden hadden
ook een fundamentele kennis van God. Zij kenden bijvoorbeeld
Gods naam. Ze wisten ook dat God had beloofd dat hij hen
een Messias zou zenden. Ze wisten dat Gods koninkrijk over
de wereld zou gaan regeren.
Er waren echter ook vele dingen die de Joden niet
wisten over God. Daarom vertelde Jezus de Samaritaanse vrouw
verder dat het uur gekomen was voor de ware aanbidders om
God met geest en waarheid te aanbidden. Jaren nadat Christus
gestorven was, wees Paulus erop dat het Joodse stelsel van
aanbidding zijn doel had gediend en overbodig was geworden
en geheel zou verdwijnen (Hebreeën 8:13).
Jehovah's Getuigen bevinden zich nu in een soortgelijke
situatie als de voor-Christelijke Joodse natie. Net als
de voor-Christelijke Joden kennen we Gods naam. We zijn
bekend met Gods beloofde Messias. We weten dat Gods koninkrijk
de wereld zal gaan regeren. We kennen vele details aangaande
allerlei regelingen van God.
Maar, kennen we Jehovah werkelijk op de manier zoals dat
zou moeten? Wel, beschouw eens wat Paulus schreef in Hebreeën
8:10-12: "'Want dit is het verbond dat ik na die dagen
met het huis van Israël zal aangaan', zegt Jehovah. 'Ik
wil mijn wetten in hun verstand leggen, en in hun hart zal
ik ze schrijven. En ik wil hun God worden, en zíj zullen
mijn volk worden. En zij zullen geenszins een ieder zijn
medeburger en een ieder zijn broeder leren, door te zeggen:
"Ken Jehovah!" Want zij allen zullen mij kennen, van de
geringste tot de grootste onder hen. Want ik zal barmhartig
zijn ten aanzien van hun onrechtvaardige daden, en ik zal
hun zonden geenszins meer gedenken.'"
Vanuit Paulus' perspectief waren "die dagen" de
1ste eeuw en de Christelijke gemeente was "het huis van
Israël." Christus stelde het Nieuwe Verbond in met zijn
gezalfde volgelingen en de Christenen werden Gods volk.
In het licht van bijbelse patronen is onze hedendaagse
positie waarin we Christus' terugkeer verwachten, gelijk
aan de positie waarin de apostelen zich voor Pinksteren
bevonden ten opzichte van het koninkrijk. Hoe dat zo?
Vóór Jezus' opstanding dachten de apostelen dat het koninkrijk
van God op aarde zou zijn. Toen Jakobus en Johannes bijvoorbeeld
vroegen of ze naast Christus konden zitten in zijn koninkrijk,
zei Jezus hen dat ze niet wisten waarom ze vroegen. Andere
gelegenheden bewezen dat de apostelen geen flauw idee hadden
dat ze in de hemel met Jezus gingen regeren. Ondanks hun
onwetendheid en kortzichtigheid vertrouwde Jezus
hen toch een heilige dienst toe en gebood hij hen het land
door te trekken en te verkondigen dat het koninkrijk van
God nabij gekomen was - zelfs vóór Pinksteren. Pas na Christus'
opstanding werden hun ogen geopend voor de realiteit van
het hemelse koninkrijk.
In een ontmoeting die Jezus na zijn opstanding met de
apostelen had, berispte hij hen voor hun onwetendheid en
traagheid om de waarheid te bevatten, door tot hen te zeggen:
"O onverstandigen, die traag van hart zijt om alle dingen
te geloven die de profeten hebben gesproken! Moest de Christus
deze dingen niet lijden en in zijn heerlijkheid binnengaan?"
(Lukas 24:25, 26)
Denk hier eens over na: Wanneer de mannen die nu de fundamentstenen
van de Christelijke kerk zijn "onverstandig waren en
traag van hart om te geloven," wat wil dat dan over
ons zeggen in Christus' achting? Bedenk dat de apostelen
het compleet bij het verkeerde eind hadden zonder de hulp
van bezoedelde lectuur van het Wachttorengenootschap.
Zijn de problemen waar wij in verband met het Wachttorengenootschap
mee te maken hebben niet het gevolg van het feit dat zij
"onverstandig en traag van hart zijn om alle dingen te
geloven die de profeten hebben gesproken"? Zonder twijfel
is dat het geval.
De vasthoudendheid van het Wachttorengenootschap dat Christus
in 1914 gekomen is, verschilt bijvoorbeeld niet veel van
het feit dat de apostelen volhielden dat Christus niet zou
sterven en dat hij vanuit Jeruzalem zou regeren. Hun fout
toen was net zo verkeerd als onze fouten nu (Het accepteren
van de NGO affaire van het Wachttorengenootschap - wat neerkomt
op afvalligheid).
Het Wachttorengenootschap is "traag van hart om alle
dingen te geloven die de profeten hebben gesproken"
met betrekking tot Jehovah's oordeel over het geestelijk
Israël. In plaats daarvan denken zij zich in dat de gehele
tuchtiging van Jehovah gericht is tegen de Christenheid
of dat het lang geleden in 1918-1919 in vervulling is gegaan.
Vanwege de geestelijke onwetendheid en traagheid in het
begrip van profetieën van het Wachttorengenootschap, zien
we ons nu gesteld tegenover de kwestie van organisatorische
loyaliteit.
Wat is de oplossing?
Nadat de apostelen onwetend genoemd werden en traag om
te geloven, zegt het verslag aanmoedigend het volgende over
Jezus: "En beginnend bij Mozes en al de Profeten legde
hij hun uit wat in al de Schriften op hem betrekking had."
De remedie voor de onwetendheid en fouten van de apostelen
was dat Jezus hun geest en hart opende waardoor ze de profeten
als nooit tevoren geloofde en begrepen. Met andere woorden,
Christus verlichtte hen geestelijk bezien op een manier
waarop alleen de Heer van het Licht dat kan.
Hoe is dit van toepassing op de profetieën van het Nieuwe
Verbond; wanneer kunnen we verwachten dat de vele profetieën
die spreken over God die zijn wet op onze harten zal schrijven
in vervulling zullen gaan en dat Jehovah op speciale wijze
onze God wordt? Heeft dat plaatsgevonden in 1919? Nauwelijks!
Wanneer wij niet onwetend en traag waren om geloof te
hebben in de profeten, zouden we begrijpen dat er een dag
van ultieme geestelijke verlichting in de toekomst ligt.
In het vers dat hierboven werd aangehaald, citeerde Paulus
bijvoorbeeld uit Jeremia waar voorzegd wordt dat degenen
die in een verbondsverhouding met God staan "niet meer
een ieder zijn metgezel en een ieder zijn broeder [zal]
leren, door te zeggen: 'Kent Jehovah!', want zij allen zullen
mij kennen, van de geringste onder hen tot zelfs de grootste
onder hen", is de uitspraak van Jehovah. "Want ik zal hun
dwaling vergeven, en hun zonde zal ik niet meer gedenken."
(Jeremia 31:34)
Wanneer we over deze profetie redeneren, wat zegt het
ons nu feitelijk? Er wordt gezegd dat wanneer Gods verbond
volledig gerealiseerd is, er geen enkele onderwijzing
van de zonen van het koninkrijk meer zal zijn! Wanneer de
profetie vervuld is, zullen de zonen van God ieder, individueel,
Jehovah God volledig kennen - zo volledig als Jezus
zijn Vader kent. Op dat moment zal er niets zijn dat hen
nog geleerd moet worden.
Die profetie is niet echt in de 1ste eeuw in vervulling
gegaan omdat Paulus en de apostelen zich heel erg bezig
hielden met het onderwijzen van de toekomstige zonen
van het koninkrijk in het kennen van Jehovah. Zo is evenzo
duidelijk dat het ook niet in onze dagen in vervulling is
gegaan, waarom zou het Wachttorengenootschap anders
de noodzaak hebben ons over Jehovah te onderwijzen?
En waarom zou de nog onvervulde profetie van Ezechiël
spreken over een dag waarop het Christelijke huis van Israël
"moet weten dat ik Jehovah ben"?
Verder redenerend over de implicaties van de profetie,
Jehovah zegt over degenen die zijn volk worden: "Want
ik zal hun dwaling vergeven, en hun zonde zal ik niet meer
gedenken."
Wederom stellen we de vraag: Heeft God de dwaling van
Christus' gemeente in de 1ste eeuw vergeven? Niet volledig,
omdat Jezus in Openbaring bijvoorbeeld zijn oordeel over
de zeven gemeenten van gezalfde zonen gedurende de Dag des
Heren voorzegt.
Het lijkt bespottelijk om de vraag zelfs maar te stellen,
maar heeft Jehovah alle zonen van het koninkrijk vergeving
geschonken in 1919? Laat het verstand zegevieren en het
antwoord is vanzelfsprekend.
Volgens Gods profetische woord is er een tweede op Pinksteren
gelijkende uitstorting bij Christus' komst. Volgens Joëls
profetie vindt de ultieme uitstorting van heilige geest
plaats tijdens de verdrukking. Er kan nog zoveel meer hierover
gezegd worden, maar laat dit voldoende zijn:
Christus' komst zal onmiskenbaar zijn - magnifiek!
Dan zullen blinde ogen geopend worden om diepere
waarheden te zien. Dan zullen verstopte oren geopend
worden om Jehovah's trompetgeschal te horen. Dan
zullen de geesten en harten van degenen die traag van hart
zijn om Gods profeten te geloven, geopend worden om de waarheid
te kennen. Dan zullen we onze foutieve leerstellingen
wegdoen alsof ze een onrein menstruaal kleed zijn. Dan
zal Christus ons als met loog van wassers reinigen. Dan
zal God vergeving schenken. Dan zal God werkelijk
onze God worden en wij zijn volk. Dan zullen we Jehovah
kennen.
Dus, wat doen we tot die tijd?
In het 13de hoofdstuk van 1 Korinthiërs schreef Paulus
over de dag van kennen. Hij schreef het volgende:
"Want op het ogenblik zien wij door middel van een metalen
spiegel vage omtrekken, maar dan van aangezicht tot aangezicht.
Op het ogenblik ken ik gedeeltelijk, maar dan zal ik nauwkeurig
kennen, evenals ik nauwkeurig gekend word. Nu blijven echter
geloof, hoop, liefde, deze drie; maar de grootste van deze
is de liefde." (1 Korinthiërs 13:12, 13)
Op dit moment zien wij Jehovah en zijn nog ontvouwende
voornemen ook enkel in "vage omtrekken." Helaas wordt
ons vage begrip enkel verergerd en nog betreurenswaardiger
gemaakt omdat we aannemen dat we de dingen duidelijk
zien.
Niettemin kunnen we erkennen dat het antwoord op onze
twijfels en verwarring ligt in de geestelijke gaven die
ons nu ter beschikking staan, namelijk "geloof, hoop
en liefde."
Wat betreft de manier waarop elk van Jehovah's Getuigen
de uitdagingen met betrekking tot de dienst waaraan we ons
gegeven hebben kan volbrengen, het antwoord ligt in het
hebben van geloof in Gods onfeilbare beloften om
alle zaken recht te zetten, hoop in Gods vergeving
en genade en liefde voor de waarheid over God die
we nu bezitten. De kracht van geloof, hoop en liefde
is veel sterker dan de op bergen gelijkende obstakels op
onze weg. Echt, vergeleken met de diepgaande waarheid over
Jehovah en Christus' komende koninkrijk is al het andere
onbeduidend.
Maar wat valt er te zeggen over degenen die niet "in
de waarheid" zijn, zoals we dat uitdrukken?
Wat valt er te zeggen over degenen die vervreemd zijn
van Jehovah? Wat valt er te zeggen over de misnoegden en
gestruikelden die niet de kracht hebben om gewoon maar voort
te gaan zoals vroeger?
We kunnen er zeker van zijn dat Jehovah ieders geestelijke
toestand kent. Als een gevallen mus niet aan de aandacht
van de Vader ontsnapt, is het zeker dat Jezus ieder verloren
schaap van Jehovah bij name kent. Jehovah weet ook dat het
Wachttorengenootschap een zware verantwoordelijkheid heeft
als gevolg van het tot struikelen brengen van veel van zijn
schapen.
Jehovah beschuldigt zijn hedendaagse gezalfde priesters
daar zelfs van, door profetisch over hen te zeggen: "Maar
gijlieden - gij zijt afgeweken van de weg. Gij hebt velen
doen struikelen in de wet. Gij hebt het verbond van Levi
te gronde gericht", heeft Jehovah der legerscharen gezegd.
(Maleachi 2:8)
De vraag is: Als Jehovah verantwoording zal vragen van
degenen die "velen hebben doen struikelen," wat zal
er dan terecht komen van de slachtoffers die tot struikelen
zijn gebracht?
Het antwoord is dat Jehovah en zijn messiaanse herder
de verloren schapen bijeen zullen brengen - in ieder geval
degenen die een mate van "geloof, hoop en liefde"
behouden hebben.
Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël verzekert ons hiervan:
Want dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: "Hier
ben ik, ikzelf, en ik wil mijn schapen zoeken en hen verzorgen.
Overeenkomstig de zorg van iemand die zijn kudde weidt op
de dag dat hij te midden van zijn schapen komt die overal
verspreid zijn, zó zal ik mijn schapen verzorgen; en ik
wil hen bevrijden uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid
zijn op de dag van wolken en dikke donkerheid…Ikzelf
zal mijn schapen weiden en ikzelf zal hen doen neerliggen",
is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah. "Het verlorene
zal ik zoeken en het weggedrevene zal ik terugbrengen, en
het gebrokene zal ik verbinden en het kranke zal ik sterken,
maar het vette en het sterke zal ik verdelgen. Dat zal ik
weiden met oordeel." (Ezechiël 34:11-16)
"De dag van wolken en dikke donkerheid" is een
verwijzing naar de donkere periode van de verdrukking over
de wereld. Dan zal Jehovah persoonlijk het opzicht hebben
over de definitieve bijeenverzameling van de zogenaamde
andere schapen die de grote schare vormen.
We kunnen er zeker van zijn dat "een ieder die de naam
van Jehovah" in geloof "aanroept," gehoord zal
worden.
Het 42ste hoofdstuk van Jesaja zegt het volgende over
Christus, wanneer hij komt om over de wereld te regeren:
"Een geknakt riet zal hij niet breken; en wat een kwijnende
vlaspit betreft, hij zal ze niet uitblussen. In waarachtigheid
zal hij gerechtigheid voortbrengen. Hij zal niet kwijnen
of geknakt worden, totdat hij op de aarde zelf gerechtigheid
vestigt; en op zijn wet zullen zelfs de eilanden blijven
wachten." (Jesaja 42:3, 4)
Degenen wiens geest en hoop vergelijkbaar zijn met een
kwijnende vlaspit van een lamp die bijna uitgaat, kunnen
er zeker van zijn dat Christus de vlam niet zal uitblussen.
Wanneer Christus "op de aarde gerechtigheid vestigt,"
betekent dit dat de ongerechtigheden rechtgezet zullen
worden. Niet enkel wereldlijke ongerechtigheden, maar ook
de onrechtvaardige zaken binnen de Nieuwe Wereld Maatschappij
die velen tot struikelen hebben gebracht en verbrijzeld
hebben.
Terwijl velen van ons worstelen met gevoelens van verontwaardiging
en teleurstelling, bestaat er geen reden om wanhopig te
worden. Er bestaan echter vele redenen om voort te gaan
in geloof, hoop en liefde.
|