Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

16 Juli 2004

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

Enkele van de fijnste mannen die ik ooit heb gekend zijn ouderlingen en kringopzieners onder Jehovah's Getuigen. De meeste Jehovah's Getuigen zullen het er waarschijnlijk mee eens zijn dat de meerderheid van onze opzieners eerlijke, hardwerkende en zelfopofferende Christelijke mannen zijn. Desalniettemin is het hoeden van Christus' schapen als een Christelijke herder een voorrecht, geen recht. Het is ook een enorme verantwoordelijkheid, wat opzieners ook noodzakelijkerwijs meer verantwoordelijk maakt voor God. Dat komt omdat Jehovah's schapen (waarvoor Christus gestorven is) zeer kostbaar zijn voor God.

Zonder enige twijfel hebben menselijke ouders dezelfde ouderlijke liefde voor hun kinderen als Jehovah die voor zijn kinderen heeft. Wanneer menselijke ouders hun kinderen bijvoorbeeld toevertrouwen aan de zorg van anderen, zoals babysitters, medewerkers van dagcrèches, dokters of schoolleraren, heeft men altijd te maken met een verondersteld begrip van de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Welke ouder zou zich echter verzekerd en gerustgesteld voelen wanneer de meeste kinderen in een bepaalde dagcrèche niet sterven als gevolg van misbruik of nalatigheid?

Het is duidelijk dat geen enkel misbruik of geen enkele nalatigheid acceptabel is wanneer het aankomt als zoiets kostbaars als een kind.

Moeten we daarom veronderstellen dat het bij God ook maar enigszins anders werkt? Jehovah houdt herders verantwoordelijk voor de geestelijke conditie van elk individueel schaap in de kudde die zij onder hun hoede hebben. Wanneer het aankomt op Jehovah's geliefde schapen (voor wie Christus gestorven is), bestaat er geen acceptabele mate van nalatigheid of misbruik.

Jezus nodigt ons door middel van een schitterend eenvoudige illustratie uit te beschouwen hoe waardevol ieder individu is voor zijn Vader. In Mattheüs 18:12-14 vraagt Jezus: "Wat dunkt u? Wanneer iemand in het bezit komt van honderd schapen en één daarvan raakt verdwaald, zal hij dan niet de negenennegentig op de bergen laten en op zoek gaan naar het ene verdwaalde? En zo hij het mocht vinden, voorwaar, ik zeg u dat hij zich meer over dat ene verheugt dan over de negenennegentig die niet zijn verdwaald. Evenzo vindt mijn Vader, die in de hemel is, het niet wenselijk dat een van deze kleinen vergaat."

Het trieste feit is dat enkele verdwaalde schapen onherstelbaar verloren zijn gegaan, iets wat Jezus ook opmerkte in zijn illustratie toen hij zei - "zo hij het mocht vinden" - waarmee de mogelijkheid werd opengelaten dat zelfs de trouwe herder een verdwaald lam wellicht niet zou kunnen vinden. Het belangrijkste is echter dat de herder "op zoek gaat naar het ene verdwaalde."

Nu de vraag: Als Jehovah zulke diepe gevoelens en interesse heeft voor het vinden van slechts één verdwaald schaap, hoe moet hij zich dan voelen over een gehele kudde van zijn schapen die wellicht verdwaalt? Ja, wanneer een hele kudde zou afdwalen of geplunderd wordt en ten prooi valt, of op andere wijze misbruikt wordt, hoe moet Jehovah de herders dan oordelen die verantwoording moeten afleggen voor het verlies van zijn schapen gedurende hun wake?

Het is niet nodig te speculeren over Gods gevoelens in deze kwestie. Het gehele 34ste hoofdstuk van Ezechiël is gewijd aan het openbaren van Jehovah's toekomstige oordelen over zowel de schapen als de herders van zijn kudde.

Ezechiël 34:1-6:

En het woord van Jehovah bleef tot mij komen,

En luidde: Mensenzoon, profeteer tegen de herders van Israël.

Profeteer, en gij moet tot hen zeggen, tot de herders:

Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd:

„Wee de herders van Israël, die weiders van zichzelf zijn geworden!

Is het niet de kudde die de herders behoren te weiden?

Het vet eet gij en met de wol kleedt gij uzelf.

Het vette dier slacht gij. De kudde zelf weidt gij niet.

De ziek geworden dieren hebt gij niet gesterkt

En het kranke hebt gij niet genezen,

En het gebrokene hebt gij niet verbonden,

En het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht,

En het verlorene hebt gij niet gezocht,

Maar met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid gehad, ja, met tirannie.

En zij werden geleidelijk verstrooid omdat er geen herder was,

Zodat zij al het wild gedierte van het veld tot voedsel werden,

En zij bleven verstrooid worden.

Mijn schapen bleven dwalen op alle bergen en op elke hoge heuvel;

En op de gehele oppervlakte der aarde werden mijn schapen verstrooid,

Zonder dat er iemand was die op zoek ging

En zonder dat er iemand was die hen zocht."

Ten eerste: Wie zijn de "herders" van Israël waartegen Ezechiël moest profeteren, en ook, bestaat er een hedendaagse tegenhanger van de herders in deze profetische veroordeling?

In Ezechiëls dagen waren de herders van Israël de leiders van de natie. Zij waren voornamelijk de Levitische priesters, alsook de koningen en vorsten. Maar zoals zovele profetieën is dit gedeelte van Ezechiël van toepassing op het geestelijk Israël, nog meer dan op het oude Israël. Hoe weten we dat? Omdat het 23ste en 24ste vers voorzeggen dat het Jehovah's voornemen is zijn verloren schapen onder zijn op David gelijkende herder - Christus - opnieuw te verzamelen. Daar lezen we: "En ik wil één herder over hen verwekken, en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen weiden en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste in hun midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."

Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël geeft een beschrijving van Gods schapen die ten prooi vallen aan het wilde beest van de aarde. Op een andere plaats in profetie worden politieke regeringen gesymboliseerd door wilde beesten, terwijl goddeloze mannen evenzo afgebeeld worden als beestachtig en dierlijk.

In een kleine vervulling van de profetie verslaat de geschiedenis dat de Israëlieten en Judeeërs geplunderd en in slavernij gebracht werden door de beestachtige Assyrische en Babylonische rijken. Toen Cyrus echter Babylon veroverde en God zijn verstrooide volk opnieuw verzamelde, werd hen geen andere koning gegeven die op Davids troon ging zitten. De ene herder en overste die Jehovah's verstrooide schapen zal hoeden, kan niemand anders zijn dan Jezus Christus. Dit zou ons moeten laten inzien dat Ezechiëls profetie in werkelijkheid van toepassing is op Christenen in de tijd van Christus' terugkeer.

Maar, hoe weten we dat de profetie niet eenvoudig verwijst naar de 1ste eeuwse Christelijke schapen van Christus? Dat wordt duidelijk uit hetgeen Jehovah vervolgens voorzegt in Ezechiël 34:25-30, waar staat:

"En ik wil met hen een vredesverbond sluiten,

En ik zal stellig het schadelijk wild gedierte uit het land wegdoen,

En zij zullen werkelijk in zekerheid in de wildernis wonen en in de wouden slapen.

En ik wil hen en de omgeving van mijn heuvel tot een zegen maken,

En ik wil de stortregen doen neerdalen op zijn tijd.

Zegen brengende stortregens zullen er blijken te zijn.

En het geboomte van het veld moet zijn vrucht geven

En het land zelf zal zijn opbrengst geven,

En zij zullen zich werkelijk in zekerheid op hun grond bevinden.

En zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben

Wanneer ik de houten van hun juk verbreek

En ik hen heb bevrijd uit de hand van degenen die hen als slaven hadden gebruikt.

En zij zullen niet langer tot plundering worden voor de natiën;

En wat het wild gedierte van de aarde betreft, het zal hen niet verslinden,

En zij zullen werkelijk in zekerheid wonen, zonder dat iemand hen doet beven.

En ik wil hun een planting verwekken tot een naam,

En zij zullen niet meer weggenomen worden door hongersnood in het land,

En zij zullen niet langer de hun door de natiën bezorgde schande dragen.

En zij zullen moeten weten dat ik, Jehovah, hun God,

Met hen ben en dat zij mijn volk zijn, het huis van Israël,

Is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah."

Jehovah geeft hier een levendige beschrijving van wat het Wachttorengenootschap een "geestelijk paradijs" noemt. Ja, in Ezechiël 36:35 vergelijkt Jehovah de herstelde geestelijke toestand van zijn organisatie met de Tuin van Eden. De eerste eeuwse Christenen leefden niet in enig soort van geestelijk paradijs. Noch wordt het "Eden" uit de profetie weerspiegeld in het zogenaamde geestelijk paradijs wat in onze verbeelding op dit moment onder Jehovah's Getuigen aanwezig is. Ons "paradijs" is helemaal geen paradijs, maar treurig genoeg enkel een gedeelde waanvoorstelling onder miljoenen Jehovah's Getuigen.

Het paradijs van volledige geestelijke veiligheid dat in de profetie wordt afgeschilderd, is een verheven toestand die voor ons vage geestelijke blikveld verborgen blijft en die onze mindere verwachtingen over het paradijs ver overtreft. Het werkelijke geestelijk paradijs van door God geschonken veiligheid is iets wat Jehovah tijdens de verdrukking nog zal scheppen voor zijn getrouwe volk - als onmiddellijke voorbode van de laatste suïcidale aanval van de symbolische God van Magog.

Maar, wat heeft het Wachttorengenootschap te zeggen over de herders die geen zorg dragen voor Gods kudde - zoals hierboven beschreven staat?

Volgens de Wachttoren van 1 augustus 1953, alsook andere, meer recente publicaties van het Wachttorengenootschap, zijn de nalatige, zichzelf weidende herders vreemd genoeg helemaal geen Christelijke herders! Naar men verondersteld zijn het de "politieke herders" van de Christenheid.

Maar, wat zijn "politieke herders" eigenlijk en welke schriftuurlijke rechtvaardiging bestaat er voor een dergelijke interpretatie? De interpretatie van het Wachttorengenootschap van de profetie is afkomstig van hun dogmatische mening dat het afvallige Juda en Israël afbeeldingen zijn van de Christenheid, en dat de koningen en priesters van Israël daarom een afbeelding moeten zijn van de hedendaagse politieke leiders van het rijk van de Christenheid; vandaar de gekunstelde uitdrukking - "politieke herders." Het Wachttorengenootschap past Ezechiëls profetie van de nalatige herders ongelooflijk genoeg zelfs toe op de atheïstische communistische leiders!

Maar, is dat redelijk? Nee, dat is het niet. Het is zelfs absurd te veronderstellen dat de regeerders van het pre-Christelijke Israël een afbeelding vormen van de presidenten, koningen, keizers en dictators die de natie van de Christenheid geregeerd hebben.

Het is onlogisch te veronderstellen dat God van de politici en despoten van deze wereld zou verwachten dat ze zijn schapen hoeden en voeden. Logischerwijs zouden we onszelf af moeten vragen waarom Jehovah überhaupt van de zogenaamde "politieke herders" zou verwachten dat ze moeten zoeken naar zijn verdwaalde schapen? Ja, wat zou er verwacht worden van een "politieke herder" wanneer die een verdwaald schaap van Jehovah zou vinden? Hoe zou een "politieke herder" één van Gods lammeren kunnen voeden met geestelijk voedsel? En waarom zou Jehovah in vredesnaam een politicus op basis van zijn gebrek aan geestelijke bediening van Gods volk ongunstig beoordelen? Die bewering is onschriftuurlijk, onredelijk en eerlijkheidshalve - bespottelijk!

De zichzelf weidende herders die door Jehovah veroordeeld worden zijn helemaal geen "politieke herders," zoals het Wachttorengenootschap ons wil laten geloven. De herders kunnen enkel aangestelde Christelijke ouderlingen zijn aan wie Jehovah zijn schapen heeft toevertrouwd. Uit de context zelf blijkt dat de herders uit de profetie zonder twijfel Christelijke ouderlingen zijn en niet de zogenaamde "politieke herders," zoals op zijn minst een halve eeuw door het Wachttorengenootschap is beweerd. Beschouw eens het feit dat Jehovah hen in Ezechiël 34:8 "mijn herders" noemt, door over hen te zeggen: "En mijn herders mijn schapen niet zochten, maar de herders zichzelf bleven weiden en zij mijn eigen schapen niet weidden." Nu, wanneer we erkennen dat Jehovah's schapen zijn speciale bezit zijn, als gevolg van het feit dat Jehovah zelf verklaart dat zij "mijn schapen" zijn, dan moeten de herders ook als Gods toegewijde dienstknechten aan hem toebehoren, omdat hij hen ook "mijn herders" noemt.

Het zou voor elke man die op dit moment als een gemeentelijke herder dient nogal verontrustend moeten zijn hoever het Wachttorengenootschap bereid is te gaan in het uitvinden van zulke mythische entiteiten als "politieke herders." De doorzichtige motivatie hiervoor kan enkel maar zijn Jehovah's vooraf opgetekende rechterlijke beslissingen teniet te doen of te verminderen, welke zonder twijfel gericht zijn tot de geestelijke herders op de tijd van Christus' terugkeer.

Ja, ongetwijfeld is de profetie van Jesaja in volledige mate van toepassing op de raadverbergende organisatorische herders van Jehovah's hedendaagse volk; degenen die vastbesloten zijn ons onbekend te laten blijven met Gods oordelen. Hun houding wordt beschreven in de volgende profetische othulling: "Kom nu, schrijf het in hun bijzijn op een tafel en teken het zelfs op in een boek, opdat het mag dienen voor een toekomstige dag, als een getuigenis tot onbepaalde tijd. Want het is een weerspannig volk, leugenachtige zonen, zonen die de wet van Jehovah niet hebben willen horen; die tot de zieners hebben gezegd: 'Gij moet niet zien', en tot degenen die visioenen hebben: 'Gij moet voor ons niet schouwen wat recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke dingen. Wijkt af van de weg; buigt af van het pad. Doet de Heilige Israëls louter ter wille van ons ophouden.'" (Jesaja 30:8-11)

"Weid Mijn Schaapjes"

Toen Jezus, de Voortreffelijke Herder, op aarde was, vertrouwde hij Jehovah's kostbare schapen niet toe aan de zorg van enig soort van "politieke herder." In plaats daarvan vertrouwde Christus zijn "kleine kudde" en "andere schapen" toe aan de zorg van de apostelen en de aangestelde oudere mannen. Jezus droeg de apostel Petrus persoonlijk het volgende op: "Weid mijn schaapjes."

Jaren later wees Petrus er in zijn brieven op dat Christus nog steeds zijn schapen toevertrouwde aan weer andere mannen, die als geestelijke herders moeten dienen totdat Christus terugkeert om zijn kleine kudde in de hemel op te nemen. 1 Petrus 5:2-4 zegt: "Weidt de kudde Gods die aan uw zorg is toevertrouwd, niet onder dwang, maar gewillig; noch uit liefde voor oneerlijke winst, maar bereidwillig; noch als personen die heersen over hen die Gods erfdeel zijn, maar door u voorbeelden voor de kudde te betonen. En wanneer de opperherder openbaar gemaakt is, zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen."

Het overgrote deel van Jehovah's Getuigen zal er waarschijnlijk ten zeerste bezwaar tegen maken Ezechiëls veroordelende profetie op hedendaagse Christelijke herders van toepassing te brengen. Het lijkt tenslotte zo dat Jehovah's Getuigen geestelijk goed gevoed en verzorgd worden binnen de organisatorische kooi. Dat wordt ons in ieder geval voortdurend gezegd door onze herders. Desalniettemin zouden we moeten erkennen dat God een veel breder perspectief heeft dan mensen.

Wanneer we in beschouwing nemen dat Jehovah's schapen (voor wie Christus is gestorven) waardevol zijn voor hem, moeten we niet verbaasd zijn dat God zijn herders verantwoordelijk houdt voor alle schapen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. We kunnen ons wellicht de nacht van Jezus' arrestatie herinneren; de Zoon van God legde verantwoording af voor zijn eigen hoeden door in gebed tot zijn Vader te zeggen dat hij niet eens één van zijn schapen verloren had die Jehovah aan hem had toevertrouwd (met uitzondering van de zoon der vernietiging, zoals Jezus zelf opmerkte - Zie Johannes 17:8).

De vraag is: Kunnen de Christelijke opzieners van Jehovah's Getuigen eenzelfde positieve verantwoording voor zichzelf afleggen voor God, zoals Jezus dat deed? Het antwoord is helaas: absoluut niet! Het is eenvoudig een feit dat ontelbare Jehovah's Getuigen op één of andere wijze misbruikt of verwaarloosd zijn door gemeenteouderlingen.

Zonder twijfel zijn er vele duizenden voorbeelden hiervan, maar slechts één zou genoeg moeten zijn om het punt duidelijk te maken.

In één geval ontving e-watchman recentelijk een e-mail van een zuster, waarin ze beschreef hoe haar oude moeder in recente jaren één van Jehovah's Getuigen was geworden. Tragisch genoeg ontwikkelde zich bij haar de wrede, van herinnering ontnemende ziekte van Alzheimer en moest ze worden opgenomen in een verzorgingstehuis. De dochter vroeg de plaatselijke ouderlingen herhaaldelijk een bezoekje te brengen aan haar moeder in het verzorgingstehuis om haar wat geestelijke aanmoediging te kunnen geven. Maanden gingen voorbij en de zuster smeekte de ouderlingen even aan te lopen bij haar pasgedoopte moeder - zonder resultaat.

Intussen nodigde één van de bewoners van het verzorgingstehuis onze door Alzheimer getroffen zuster vriendelijk uit eens haar kerkdienst bij te wonen - tevens de voormalige religie van de zuster. Ze accepteerde de uitnodiging. Kennelijk hoorden de ouderlingen hiervan en gingen ze eindelijk op pad voor een "herderlijk bezoek." Maar, in plaats van Jehovah's schaap op een betekenisvolle en nuttige wijze te onderrichten, hadden de ouderlingen zich voorbereid door een vooraf geschreven terugtrekkingsbrief mee te nemen. Ze stelden haar enkele vragen om haar houding over haar kerkgang te achterhalen en ze lieten de zieke zuster vervolgens haar eigen terugtrekkingsbrief ondertekenen! In hun verdraaide oordeel ging de zuster voorgoed verloren daar ze was teruggekeerd naar de Christenheid!

In het licht van de harteloze veroordelende acties van de ouderlingen in deze kwestie, lijkt het voor Jehovah rechtvaardig te zijn de volgende beoordeling op hen toe te passen: "De ziek geworden dieren hebt gij niet gesterkt en het kranke hebt gij niet genezen, en het gebrokene hebt gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet gezocht…" (Ezechiël 34:4)

In alle eerlijkheid echter, niet alle ouderlingen zouden zo schandelijk zijn omgegaan met Jehovah's zieke schaap zoals deze ouderlingen. Maar, voordat we haastig concluderen dat de situatie een uitzondering was - denk goed na! Voor het grootste deel ontvangen alle lichamen van ouderlingen dezelfde training en instructies van het Wachttorengenootschap. Hoogstwaarschijnlijk dachten de ouderlingen, die de terugtrekking van de zuster vereisten, voor zichzelf dat ze hun plicht deden om de gemeente te beschermen tegen hetgeen zij bezagen als een potentieel geestelijke verontreiniging. En daar ligt ook de wortel van het probleem: De verwoestende neiging "de organisatie" te verafgoden - waarmee haar reputatie en bevelen boven de spiritualiteit van het individu worden geplaatst.

De verafgoding van het Wachttorengenootschap is heel subtiel - doch werkelijkheid. In het begin bezagen de Bijbelonderzoekers zichzelf enkel als Christus' gemeente. Maar, naarmate de gemeente in aantal groeide, begon de Wachttorenorganisatie zichzelf meer en meer belangrijkheid en autoriteit toe te kennen over de levens van Jehovah's Getuigen. Bijna sekteachtige gemeentelijke uniformiteit heeft nu de overhand.

Op het Wandel Met God districtscongres van dit jaar, bespotte één van de sprekers bijvoorbeeld bepaalde stijlen van kleding en uiterlijke verzorging en vertelde het publiek hooghartig dat wanneer we vragen over mode hebben, we gewoon de plaatjes in de Wachttoren moeten raadplegen zodat we weten hoe God wil dat we eruit zien. Zelfs in de meest persoonlijke aangelegenheden wordt ons verteld hoe we ons moeten gedragen zodat we Gods zegen hebben. Onze zogenaamde organisatorische "moeder" zegt ons hoe we ons moeten kleden, welke soort films met kunnen kijken, welk soort muziek we kunnen luisteren, hoe we moeten spreken, wat we aan "de deur" moeten zeggen en bovenal - wat we moeten geloven.

Het is zoals Jehovah opmerkt in Ezechiël 34:4b: "Maar met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid gehad, ja, met tirannie."

In de loop van de tijd heeft de Wachttoreninstelling zichzelf verheven tot de spreekbuis van God. Jehovah's Getuigen moeten niet alleen alles onderwijzen wat de organisatie onderwijst en alles geloven wat ons gezegd wordt te geloven, sommige leden van het Besturend Lichaam zijn zelfs nog verder gegaan door te zeggen dat elke broeder of zuster die zelfs maar een gedachte heeft die afwijkt van de leerstelling van het Wachttorengenootschap, niet loyaal is aan God en al hun gedachten snel in overeenstemming met Christus moeten brengen. In essentie heeft het Wachttorengenootschap de plaats van Christus ingenomen. Het probleem is echter dat het Wachttorengenootschap niet de onfeilbare spreekbuis van God is zoals we denken.

De heersende organisatorische gedachte heeft een toestand met zich meegebracht waarbij er vrijwel geen tolerantie bestaat voor een broeder of zuster die niet alles gelooft wat het Wachttorengenootschap onderwijst - hoe goede redenen ze ook mogen hebben het niet eens te zijn met diverse interpretaties of houdingen. Een ieder onder Jehovah's Getuigen die niet elke profetische uitleg, beleid of procedure van het Wachttorengenootschap beziet als heilig geschrift, wordt min of meer bezien als een disloyale vijand van Jehovah en overeenkomstig behandeld.

Ondanks dat er bijvoorbeeld, redenerend aan de hand van de Schrift, bewezen kan worden dat Christus' koninkrijk niet is begonnen te regeren in 1914, wordt de geraffineerde interpretatie van profetie van het Wachttorengenootschap beschouwd als onaantastbaar - niet open voor discussie. Hoe getrouw een Christen daarom ook mag zijn, ongeacht of ze volledig toegewijd zijn aan Jehovah en liefde hebben voor de broederschap en in alle opzichten voorbeelden zijn, wanneer ze geen geloof stellen in wat voor hen een onredelijke, speculatieve en onschriftuurlijke leerstelling is, worden ze door de gemeente gemeden.

Erger nog, gemeenteouderlingen bevinden zich in de luxe positie niet teveel voor zichzelf te hoeven nadenken bij het beoordelen van zulke zaken. Ja, "het Genootschap" verbiedt onafhankelijk denken op alle niveaus. "Het Genootschap" heeft altijd gelijk. Daarom heeft elke eenvoudige "verkondiger" die dat vermeend gelijk in twijfel trekt het automatisch bij het verkeerde eind.

Het is voor ouderlingen bijvoorbeeld helemaal niet ongewoon afwijkende gedachten te beantwoorden door eenvoudig te zeggen: "Dat is niet wat het Genootschap zegt." Het maakt niet uit of het waar is. Het maakt niet uit of het goed wordt ondersteund door de Bijbel. Wanneer het niet is wat "het Genootschap" zegt, kan het niet waar zijn. "Het Genootschap" heeft onachtzaam een milieu geschapen wat intolerant en ongastvrij is voor oprechte Bijbelonderzoekers. Als gevolg daarvan zijn er tragisch genoeg vele duizenden, wellicht tienduizenden Jehovah's Getuigen uitgesloten of op een andere manier uit de gemeente verdreven - aangemerkt als zwak in geloof of gebrandmerkt als afvalligen voor het niet accepteren van alle leerstellingen en meningen van het Wachttorengenootschap.

Het is precies zoals Jehovah het beschrijft in Ezechiël 34:21: "Omdat gij met flank en met schouder bleeft wegdringen en met uw horens bleeft stoten allen die ziek geworden waren, totdat gij hen naar buiten hadt verstrooid."

Als gevolg daarvan worden Jehovah's schapen (voor wie Christus gestorven is) als ongeschikt afgemaakt. Intussen blijven de herders veilig in hun posities van autoriteit door eenvoudig het regime van het Wachttorengenootschap op de gemeente te drukken.

In het licht van de heersende houdingen die de organisatie momenteel overheersen, wordt Jehovah's veroordeling van de zelfweidende herders des te relevanter. Ezechiël 34:3 zegt: "Het vet eet gij en met de wol kleedt gij uzelf. Het vette dier slacht gij."

Het ergste moet echter nog komen.

Volgens de profetie zullen al Jehovah's schapen verstrooid worden en ten prooi vallen aan roofdieren - niet slechts enkelen. Maar, hoe is dat mogelijk?

Dit zal gebeuren als gevolg van de ineenstorting van het Wachttorengenootschap gedurende de beginfase van de verdrukking. Daar het Wachttorengenootschap Jehovah's Getuigen niet heeft voorbereid op die mogelijkheid, zal het een zeer demoraliserend en verwoestend effect hebben op de gehele organisatie - waardoor Gods schapen verstrooid worden. Lees ter bevestiging hiervan eens wat Ezechiël 34:11, 12 te zeggen heeft: Want dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: "Hier ben ik, ikzelf, en ik wil mijn schapen zoeken en hen verzorgen. Overeenkomstig de zorg van iemand die zijn kudde weidt op de dag dat hij te midden van zijn schapen komt die overal verspreid zijn, zó zal ik mijn schapen verzorgen; en ik wil hen bevrijden uit alle plaatsen waarheen zij verstrooid zijn op de dag van wolken en dikke donkerheid."

In profetie symboliseert de "dag van wolken en dikke donkerheid" de duistere periode van hopeloosheid en wanhoop die verbonden is aan de verdrukking. We zouden ons niet langer moeten indenken dat de huidige zorgeloze wereld op één of andere wijze in profetie wordt afgebeeld door zulk soort symbolisme.

In de Bijbel is op vele andere plaatsen sprake van dergelijke apocalyptische taal. Eén voorbeeld is toen Jezus zei dat de hemelse lichten plotseling verduisterd zullen worden en de natiën zich als gevolg van de beroering in weeklacht zullen slaan. Een ander voorbeeld is Joël 2:1, 2 waarin de verwoestende aanval van het symbolische sprinkhanenleger wordt beschreven, die onmiddellijk vooraf zal gaan aan Jehovah's geweldige oordeelsdag. Daar lezen we: "Blaast een horen in Sion, en heft een strijdkreet aan op mijn heilige berg. Laten alle bewoners van het land in beroering komen; want de dag van Jehovah komt, want hij is nabij! Het is een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke donkerheid, gelijk licht van de dageraad uitgespreid over de bergen."

Jehovah's "komst te midden van zijn schapen" heeft daarom te maken met de manifestatie van Jezus Christus gedurende het donkerste uur van de wereld, met als doel zijn verloren gemeente terug te kopen. Jezus Christus zal dan rechtstreeks heersen over zijn aardse schapen, zonder enige "zichtbare organisatie" van onderherders die Christus' onderricht interpreteert en uitdeelt.

Dat is wat Ezechiël 34:23, 24 voorzegt, wanneer er wordt gezegd: "En ik wil één herder (niet duizenden) over hen verwekken, en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen weiden en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste in hun midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."

Dan zal de huidige regeling van gemeenteouderlingen, kringopzieners, dienaren in de bediening, enz. volledig losgelaten worden - het heeft zijn doel gediend, namelijk het voorbereiden van een volk dat het koninkrijk erkent en ontvangt. Efeziërs 4:11-13 bevestigt voor ons dat herders en leraren enkel dienen tot de tijd waarop Christus' lichaam van gezalfde heiligen volledig is. "En hij heeft sommigen gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als evangeliepredikers, sommigen als herders en leraren, met het oog op het terechtbrengen van de heiligen, voor het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van de Christus, totdat wij allen geraken tot de eenheid in het geloof en in de nauwkeurige kennis van de Zoon van God."

De tekortkomingen van de huidige ouderlingenregeling zal zichtbaar worden gedurende "de dag van wolken en dikke donkerheid" - wat zal resulteren in het rampzalige verlies van de gehele kudde van Jehovah's schapen, wat zal vereisen dat God ingrijpt om toe te zien op hun herstel.

In Ezechiël 34:15, 16 voorzegt Jehovah dat hij, persoonlijk (door middel van Jezus Christus), de dagelijkse voeding en zorg van zijn schapen zal overnemen, waarmee de aardse herders van hun taken ontheven worden: "Ikzelf zal mijn schapen weiden en ikzelf zal hen doen neerliggen", is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah. "Het verlorene zal ik zoeken en het weggedrevene zal ik terugbrengen, en het gebrokene zal ik verbinden en het kranke zal ik sterken, maar het vette en het sterke zal ik verdelgen. Dat zal ik weiden met oordeel." In het 20ste vers zegt Jehovah verder: "Hier ben ik, ikzelf, en ik zal stellig richten tussen een vet schaap en een mager schaap."

Gods oordeel van zijn schapen is in overeenstemming met datgene wat de Voortreffelijke Herder zei toen hij de uiteindelijke afloop van de zelfvoldane (vet schaap) contrasteerde met de afloop van degenen die werkelijk hongerden naar Gods rechtvaardigheid (mager schaap). Jezus zei: "Gelukkig zijt gij die thans honger lijdt, want gij zult verzadigd worden. Gelukkig zijt gij die thans weent, want gij zult lachen. Wee u die thans verzadigd zijt, want gij zult honger lijden. Wee u die thans lacht, want gij zult treuren en wenen."

De menselijke neiging is de dingen op het eerste gezicht te bezien en aan te nemen dat hoe het nu is het altijd zal zijn. Zelfs Jehovah's Getuigen zijn bezweken voor een dergelijke denkwijze, grotendeels door de leerstellingen van het Wachttorengenootschap.

Bewijsstuk "A" in deze is de manier waarop het Wachttorengenootschap het gehele 34ste hoofdstuk van Ezechiël op de voorbijgegane gebeurtenissen van de 20ste eeuw heeft toegepast. Aldus is Jehovah's Getuigen laten geloven dat God zijn verloren schapen reeds heeft teruggewonnen en de zaken reeds heeft rechtgezet met de zelfweidende "regeringsherders." Ondanks dat dit geruststellend voor sommigen zou kunnen zijn, is het buitengewoon ontmoedigend voor degenen die passen in de beschrijving van geslagen en magere schapen. Als dit tenslotte het enige is wat Gods glorieuze geestelijk paradijs inhoudt - hoe teleurstellend! We kunnen echter moed putten uit het feit dat er iets veel beters in het vooruitschiet ligt.

Wanneer het ons verlangen is een intieme geestelijke relatie met Jehovah en Jezus te hebben, hebben we genoeg reden uit te kijken naar Gods oordeel. De verwijdering van de zelfweidende herders zal betekenen dat Jehovah zichzelf als de ware Herder geopenbaard zal hebben, waardoor hij op speciale wijze onze God wordt. Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël eindigt met Gods hartverwarmende belofte van vriendschap en hartelijkheid, niet alleen voor het gezalfde "Huis van Israël," maar ook voor degenen die Jezus zijn "andere schapen" noemde. En om verder vast te stellen dat Ezechiëls profetie een toekomstige vervulling heeft, merk op dat het laatste vers van het 34ste hoofdstuk een weergalm is van Openbaring 21:3 door te voorzeggen dat God mensen als zijn volk zal bezien:

"'En zij zullen moeten weten dat ik, Jehovah, hun God, met hen ben

En dat zij mijn volk zijn, het huis van Israël',

Is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.

'En wat u, mijn schapen, betreft, de schapen van mijn weide,

Gij zijt aardse mensen. Ik ben uw God',

is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah."


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman