|
Enkele
van de fijnste mannen die ik ooit heb gekend zijn ouderlingen
en kringopzieners onder Jehovah's Getuigen. De meeste Jehovah's
Getuigen zullen het er waarschijnlijk mee eens zijn dat
de meerderheid van onze opzieners eerlijke, hardwerkende
en zelfopofferende Christelijke mannen zijn. Desalniettemin
is het hoeden van Christus' schapen als een Christelijke
herder een voorrecht, geen recht. Het is ook een
enorme verantwoordelijkheid, wat opzieners ook noodzakelijkerwijs
meer verantwoordelijk maakt voor God. Dat komt omdat
Jehovah's schapen (waarvoor Christus gestorven is) zeer
kostbaar zijn voor God.
Zonder enige twijfel hebben menselijke ouders dezelfde
ouderlijke liefde voor hun kinderen als Jehovah die
voor zijn kinderen heeft. Wanneer menselijke ouders
hun kinderen bijvoorbeeld toevertrouwen aan de zorg van
anderen, zoals babysitters, medewerkers van dagcrèches,
dokters of schoolleraren, heeft men altijd te maken met
een verondersteld begrip van de verantwoordelijkheid en
aansprakelijkheid. Welke ouder zou zich echter verzekerd
en gerustgesteld voelen wanneer de meeste kinderen
in een bepaalde dagcrèche niet sterven als gevolg van misbruik
of nalatigheid?
Het is duidelijk dat geen enkel misbruik of geen enkele
nalatigheid acceptabel is wanneer het aankomt als zoiets
kostbaars als een kind.
Moeten we daarom veronderstellen dat het bij God ook maar
enigszins anders werkt? Jehovah houdt herders verantwoordelijk
voor de geestelijke conditie van elk individueel
schaap in de kudde die zij onder hun hoede hebben. Wanneer
het aankomt op Jehovah's geliefde schapen (voor wie Christus
gestorven is), bestaat er geen acceptabele mate van
nalatigheid of misbruik.
Jezus nodigt ons door middel van een schitterend eenvoudige
illustratie uit te beschouwen hoe waardevol ieder individu
is voor zijn Vader. In Mattheüs 18:12-14 vraagt Jezus: "Wat
dunkt u? Wanneer iemand in het bezit komt van honderd
schapen en één daarvan raakt verdwaald, zal hij dan niet
de negenennegentig op de bergen laten en op zoek gaan naar
het ene verdwaalde? En zo hij het mocht vinden, voorwaar,
ik zeg u dat hij zich meer over dat ene verheugt dan over
de negenennegentig die niet zijn verdwaald. Evenzo vindt
mijn Vader, die in de hemel is, het niet wenselijk dat een
van deze kleinen vergaat."
Het trieste feit is dat enkele verdwaalde schapen onherstelbaar
verloren zijn gegaan, iets wat Jezus ook opmerkte in zijn
illustratie toen hij zei - "zo hij het mocht vinden"
- waarmee de mogelijkheid werd opengelaten dat zelfs de
trouwe herder een verdwaald lam wellicht niet zou
kunnen vinden. Het belangrijkste is echter dat de herder
"op zoek gaat naar het ene verdwaalde."
Nu de vraag: Als Jehovah zulke diepe gevoelens en interesse
heeft voor het vinden van slechts één verdwaald schaap,
hoe moet hij zich dan voelen over een gehele kudde van zijn
schapen die wellicht verdwaalt? Ja, wanneer een hele kudde
zou afdwalen of geplunderd wordt en ten prooi valt, of op
andere wijze misbruikt wordt, hoe moet Jehovah de herders
dan oordelen die verantwoording moeten afleggen voor het
verlies van zijn schapen gedurende hun wake?
Het is niet nodig te speculeren over Gods gevoelens in
deze kwestie. Het gehele 34ste hoofdstuk van Ezechiël is
gewijd aan het openbaren van Jehovah's toekomstige oordelen
over zowel de schapen als de herders van zijn kudde.
Ezechiël 34:1-6:
En het woord van Jehovah bleef tot mij komen,
En luidde: Mensenzoon, profeteer tegen de herders van
Israël.
Profeteer, en gij moet tot hen zeggen, tot de herders:
Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd:
Wee de herders van Israël, die weiders van
zichzelf zijn geworden!
Is het niet de kudde die de herders behoren te weiden?
Het vet eet gij en met de wol kleedt gij uzelf.
Het vette dier slacht gij. De kudde zelf weidt gij niet.
De ziek geworden dieren hebt gij niet gesterkt
En het kranke hebt gij niet genezen,
En het gebrokene hebt gij niet verbonden,
En het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht,
En het verlorene hebt gij niet gezocht,
Maar met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid
gehad, ja, met tirannie.
En zij werden geleidelijk verstrooid omdat er geen herder
was,
Zodat zij al het wild gedierte van het veld tot voedsel
werden,
En zij bleven verstrooid worden.
Mijn schapen bleven dwalen op alle bergen en op elke
hoge heuvel;
En op de gehele oppervlakte der aarde werden mijn schapen
verstrooid,
Zonder dat er iemand was die op zoek ging
En zonder dat er iemand was die hen zocht."
Ten eerste: Wie zijn de "herders" van Israël waartegen
Ezechiël moest profeteren, en ook, bestaat er een hedendaagse
tegenhanger van de herders in deze profetische veroordeling?
In Ezechiëls dagen waren de herders van Israël de leiders
van de natie. Zij waren voornamelijk de Levitische priesters,
alsook de koningen en vorsten. Maar zoals zovele profetieën
is dit gedeelte van Ezechiël van toepassing op het geestelijk
Israël, nog meer dan op het oude Israël. Hoe weten we dat?
Omdat het 23ste en 24ste vers voorzeggen dat het Jehovah's
voornemen is zijn verloren schapen onder zijn op David gelijkende
herder - Christus - opnieuw te verzamelen. Daar lezen we:
"En ik wil één herder over hen verwekken, en hij moet
hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen weiden
en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal
stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste
in hun midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."
Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël geeft een beschrijving
van Gods schapen die ten prooi vallen aan het wilde beest
van de aarde. Op een andere plaats in profetie worden politieke
regeringen gesymboliseerd door wilde beesten, terwijl goddeloze
mannen evenzo afgebeeld worden als beestachtig en dierlijk.
In een kleine vervulling van de profetie verslaat de geschiedenis
dat de Israëlieten en Judeeërs geplunderd en in slavernij
gebracht werden door de beestachtige Assyrische en Babylonische
rijken. Toen Cyrus echter Babylon veroverde en God zijn
verstrooide volk opnieuw verzamelde, werd hen geen andere
koning gegeven die op Davids troon ging zitten. De ene
herder en overste die Jehovah's verstrooide schapen
zal hoeden, kan niemand anders zijn dan Jezus Christus.
Dit zou ons moeten laten inzien dat Ezechiëls profetie in
werkelijkheid van toepassing is op Christenen in de tijd
van Christus' terugkeer.
Maar, hoe weten we dat de profetie niet eenvoudig verwijst
naar de 1ste eeuwse Christelijke schapen van Christus? Dat
wordt duidelijk uit hetgeen Jehovah vervolgens voorzegt
in Ezechiël 34:25-30, waar staat:
"En ik wil met hen een vredesverbond sluiten,
En ik zal stellig het schadelijk wild gedierte uit het
land wegdoen,
En zij zullen werkelijk in zekerheid in de wildernis
wonen en in de wouden slapen.
En ik wil hen en de omgeving van mijn heuvel tot een
zegen maken,
En ik wil de stortregen doen neerdalen op zijn tijd.
Zegen brengende stortregens zullen er blijken te zijn.
En het geboomte van het veld moet zijn vrucht geven
En het land zelf zal zijn opbrengst geven,
En zij zullen zich werkelijk in zekerheid op hun grond
bevinden.
En zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben
Wanneer ik de houten van hun juk verbreek
En ik hen heb bevrijd uit de hand van degenen die hen
als slaven hadden gebruikt.
En zij zullen niet langer tot plundering worden voor
de natiën;
En wat het wild gedierte van de aarde betreft, het zal
hen niet verslinden,
En zij zullen werkelijk in zekerheid wonen, zonder dat
iemand hen doet beven.
En ik wil hun een planting verwekken tot een naam,
En zij zullen niet meer weggenomen worden door hongersnood
in het land,
En zij zullen niet langer de hun door de natiën bezorgde
schande dragen.
En zij zullen moeten weten dat ik, Jehovah, hun God,
Met hen ben en dat zij mijn volk zijn, het huis van
Israël,
Is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah."
Jehovah geeft hier een levendige beschrijving van wat
het Wachttorengenootschap een "geestelijk
paradijs" noemt. Ja, in Ezechiël 36:35 vergelijkt Jehovah
de herstelde geestelijke toestand van zijn organisatie met
de Tuin van Eden. De eerste eeuwse Christenen leefden niet
in enig soort van geestelijk paradijs. Noch wordt het "Eden"
uit de profetie weerspiegeld in het zogenaamde geestelijk
paradijs wat in onze verbeelding op dit moment onder
Jehovah's Getuigen aanwezig is. Ons "paradijs" is helemaal
geen paradijs, maar treurig genoeg enkel een gedeelde
waanvoorstelling onder miljoenen Jehovah's Getuigen.
Het paradijs van volledige geestelijke veiligheid dat
in de profetie wordt afgeschilderd, is een verheven toestand
die voor ons vage geestelijke blikveld verborgen blijft
en die onze mindere verwachtingen over het paradijs ver
overtreft. Het werkelijke geestelijk paradijs van
door God geschonken veiligheid is iets wat Jehovah tijdens
de verdrukking nog zal scheppen voor zijn getrouwe volk
- als onmiddellijke voorbode van de laatste suïcidale aanval
van de symbolische God van Magog.
Maar, wat heeft het Wachttorengenootschap te zeggen over
de herders die geen zorg dragen voor Gods kudde - zoals
hierboven beschreven staat?
Volgens de Wachttoren van 1 augustus 1953, alsook
andere, meer recente publicaties van het Wachttorengenootschap,
zijn de nalatige, zichzelf weidende herders vreemd genoeg
helemaal geen Christelijke herders! Naar men verondersteld
zijn het de "politieke herders" van de Christenheid.
Maar, wat zijn "politieke herders" eigenlijk en welke
schriftuurlijke rechtvaardiging bestaat er voor een dergelijke
interpretatie? De interpretatie van het Wachttorengenootschap
van de profetie is afkomstig van hun dogmatische mening
dat het afvallige Juda en Israël afbeeldingen zijn van de
Christenheid, en dat de koningen en priesters van Israël
daarom een afbeelding moeten zijn van de hedendaagse
politieke leiders van het rijk van de Christenheid; vandaar
de gekunstelde uitdrukking - "politieke herders."
Het Wachttorengenootschap past Ezechiëls profetie van de
nalatige herders ongelooflijk genoeg zelfs toe op de atheïstische
communistische leiders!
Maar, is dat redelijk? Nee, dat is het niet. Het is zelfs
absurd te veronderstellen dat de regeerders van het pre-Christelijke
Israël een afbeelding vormen van de presidenten, koningen,
keizers en dictators die de natie van de Christenheid geregeerd
hebben.
Het is onlogisch te veronderstellen dat God van de politici
en despoten van deze wereld zou verwachten dat ze zijn schapen
hoeden en voeden. Logischerwijs zouden we onszelf af moeten
vragen waarom Jehovah überhaupt van de zogenaamde
"politieke herders" zou verwachten dat ze moeten zoeken
naar zijn verdwaalde schapen? Ja, wat zou er verwacht
worden van een "politieke herder" wanneer die een verdwaald
schaap van Jehovah zou vinden? Hoe zou een "politieke
herder" één van Gods lammeren kunnen voeden met geestelijk
voedsel? En waarom zou Jehovah in vredesnaam een politicus
op basis van zijn gebrek aan geestelijke bediening van Gods
volk ongunstig beoordelen? Die bewering is onschriftuurlijk,
onredelijk en eerlijkheidshalve - bespottelijk!
De zichzelf weidende herders die door Jehovah veroordeeld
worden zijn helemaal geen "politieke herders," zoals het
Wachttorengenootschap ons wil laten geloven. De herders
kunnen enkel aangestelde Christelijke ouderlingen zijn aan
wie Jehovah zijn schapen heeft toevertrouwd. Uit de context
zelf blijkt dat de herders uit de profetie zonder twijfel
Christelijke ouderlingen zijn en niet de zogenaamde "politieke
herders," zoals op zijn minst een halve eeuw door het Wachttorengenootschap
is beweerd. Beschouw eens het feit dat Jehovah hen in Ezechiël
34:8 "mijn herders" noemt, door over hen te zeggen:
"En mijn herders mijn schapen niet zochten, maar
de herders zichzelf bleven weiden en zij mijn eigen schapen
niet weidden." Nu, wanneer we erkennen dat Jehovah's
schapen zijn speciale bezit zijn, als gevolg van het feit
dat Jehovah zelf verklaart dat zij "mijn schapen"
zijn, dan moeten de herders ook als Gods toegewijde dienstknechten
aan hem toebehoren, omdat hij hen ook "mijn herders"
noemt.
Het zou voor elke man die op dit moment als een gemeentelijke
herder dient nogal verontrustend moeten zijn hoever het
Wachttorengenootschap bereid is te gaan in het uitvinden
van zulke mythische entiteiten als "politieke herders."
De doorzichtige motivatie hiervoor kan enkel maar zijn Jehovah's
vooraf opgetekende rechterlijke beslissingen teniet te doen
of te verminderen, welke zonder twijfel gericht zijn
tot de geestelijke herders op de tijd van Christus' terugkeer.
Ja, ongetwijfeld is de profetie van Jesaja in volledige
mate van toepassing op de raadverbergende organisatorische
herders van Jehovah's hedendaagse volk; degenen die vastbesloten
zijn ons onbekend te laten blijven met Gods oordelen. Hun
houding wordt beschreven in de volgende profetische othulling:
"Kom nu, schrijf het in hun bijzijn op een tafel en teken
het zelfs op in een boek, opdat het mag dienen voor een
toekomstige dag, als een getuigenis tot onbepaalde tijd.
Want het is een weerspannig volk, leugenachtige zonen, zonen
die de wet van Jehovah niet hebben willen horen; die tot
de zieners hebben gezegd: 'Gij moet niet zien', en tot degenen
die visioenen hebben: 'Gij moet voor ons niet schouwen wat
recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke
dingen. Wijkt af van de weg; buigt af van het pad. Doet
de Heilige Israëls louter ter wille van ons ophouden.'"
(Jesaja 30:8-11)
"Weid
Mijn Schaapjes"
Toen Jezus, de Voortreffelijke Herder, op aarde was, vertrouwde
hij Jehovah's kostbare schapen niet toe aan de zorg van
enig soort van "politieke herder." In plaats daarvan vertrouwde
Christus zijn "kleine kudde" en "andere schapen" toe aan
de zorg van de apostelen en de aangestelde oudere mannen.
Jezus droeg de apostel Petrus persoonlijk het volgende op:
"Weid mijn schaapjes."
Jaren later wees Petrus er in zijn brieven op dat Christus
nog steeds zijn schapen toevertrouwde aan weer andere
mannen, die als geestelijke herders moeten dienen totdat
Christus terugkeert om zijn kleine kudde in de hemel op
te nemen. 1 Petrus 5:2-4 zegt: "Weidt de kudde Gods die
aan uw zorg is toevertrouwd, niet onder dwang, maar gewillig;
noch uit liefde voor oneerlijke winst, maar bereidwillig;
noch als personen die heersen over hen die Gods erfdeel
zijn, maar door u voorbeelden voor de kudde te betonen.
En wanneer de opperherder openbaar gemaakt is, zult gij
de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid ontvangen."
Het overgrote deel van Jehovah's Getuigen zal er waarschijnlijk
ten zeerste bezwaar tegen maken Ezechiëls veroordelende
profetie op hedendaagse Christelijke herders van toepassing
te brengen. Het lijkt tenslotte zo dat Jehovah's
Getuigen geestelijk goed gevoed en verzorgd worden binnen
de organisatorische kooi. Dat wordt ons in ieder geval voortdurend
gezegd door onze herders. Desalniettemin zouden we moeten
erkennen dat God een veel breder perspectief heeft dan mensen.
Wanneer we in beschouwing nemen dat Jehovah's schapen
(voor wie Christus is gestorven) waardevol zijn voor hem,
moeten we niet verbaasd zijn dat God zijn herders verantwoordelijk
houdt voor alle schapen die aan hun zorg zijn toevertrouwd.
We kunnen ons wellicht de nacht van Jezus' arrestatie herinneren;
de Zoon van God legde verantwoording af voor zijn eigen
hoeden door in gebed tot zijn Vader te zeggen dat hij niet
eens één van zijn schapen verloren had die
Jehovah aan hem had toevertrouwd (met uitzondering van de
zoon der vernietiging, zoals Jezus zelf opmerkte - Zie Johannes
17:8).
De vraag is: Kunnen de Christelijke opzieners van Jehovah's
Getuigen eenzelfde positieve verantwoording voor zichzelf
afleggen voor God, zoals Jezus dat deed? Het antwoord is
helaas: absoluut niet! Het is eenvoudig een feit dat ontelbare
Jehovah's Getuigen op één of andere wijze misbruikt of verwaarloosd
zijn door gemeenteouderlingen.
Zonder twijfel zijn er vele duizenden voorbeelden hiervan,
maar slechts één zou genoeg moeten zijn om het punt duidelijk
te maken.
In één geval ontving e-watchman recentelijk een
e-mail van een zuster, waarin ze beschreef hoe haar oude
moeder in recente jaren één van Jehovah's Getuigen was geworden.
Tragisch genoeg ontwikkelde zich bij haar de wrede, van
herinnering ontnemende ziekte van Alzheimer en moest ze
worden opgenomen in een verzorgingstehuis. De dochter vroeg
de plaatselijke ouderlingen herhaaldelijk een bezoekje te
brengen aan haar moeder in het verzorgingstehuis om haar
wat geestelijke aanmoediging te kunnen geven. Maanden gingen
voorbij en de zuster smeekte de ouderlingen even aan te
lopen bij haar pasgedoopte moeder - zonder resultaat.
Intussen nodigde één van de bewoners van het verzorgingstehuis
onze door Alzheimer getroffen zuster vriendelijk uit eens
haar kerkdienst bij te wonen - tevens de voormalige
religie van de zuster. Ze accepteerde de uitnodiging. Kennelijk
hoorden de ouderlingen hiervan en gingen ze eindelijk
op pad voor een "herderlijk bezoek." Maar, in plaats van
Jehovah's schaap op een betekenisvolle en nuttige wijze
te onderrichten, hadden de ouderlingen zich voorbereid door
een vooraf geschreven terugtrekkingsbrief mee te nemen.
Ze stelden haar enkele vragen om haar houding over haar
kerkgang te achterhalen en ze lieten de zieke zuster vervolgens
haar eigen terugtrekkingsbrief ondertekenen! In hun verdraaide
oordeel ging de zuster voorgoed verloren daar ze was teruggekeerd
naar de Christenheid!
In het licht van de harteloze veroordelende acties van
de ouderlingen in deze kwestie, lijkt het voor Jehovah rechtvaardig
te zijn de volgende beoordeling op hen toe te passen: "De
ziek geworden dieren hebt gij niet gesterkt en het
kranke hebt gij niet genezen, en het gebrokene hebt
gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij
niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet
gezocht…" (Ezechiël 34:4)
In alle eerlijkheid echter, niet alle ouderlingen
zouden zo schandelijk zijn omgegaan met Jehovah's zieke
schaap zoals deze ouderlingen. Maar, voordat we haastig
concluderen dat de situatie een uitzondering was - denk
goed na! Voor het grootste deel ontvangen alle lichamen
van ouderlingen dezelfde training en instructies van het
Wachttorengenootschap. Hoogstwaarschijnlijk dachten de ouderlingen,
die de terugtrekking van de zuster vereisten, voor zichzelf
dat ze hun plicht deden om de gemeente te beschermen tegen
hetgeen zij bezagen als een potentieel geestelijke
verontreiniging. En daar ligt ook de wortel van het probleem:
De verwoestende neiging "de organisatie" te verafgoden -
waarmee haar reputatie en bevelen boven de spiritualiteit
van het individu worden geplaatst.
De verafgoding van het Wachttorengenootschap is heel subtiel
- doch werkelijkheid. In het begin bezagen de Bijbelonderzoekers
zichzelf enkel als Christus' gemeente. Maar, naarmate de
gemeente in aantal groeide, begon de Wachttorenorganisatie
zichzelf meer en meer belangrijkheid en autoriteit toe te
kennen over de levens van Jehovah's Getuigen. Bijna sekteachtige
gemeentelijke uniformiteit heeft nu de overhand.
Op het Wandel Met God districtscongres van dit
jaar, bespotte één van de sprekers bijvoorbeeld bepaalde
stijlen van kleding en uiterlijke verzorging en vertelde
het publiek hooghartig dat wanneer we vragen over mode hebben,
we gewoon de plaatjes in de Wachttoren moeten raadplegen
zodat we weten hoe God wil dat we eruit zien. Zelfs in de
meest persoonlijke aangelegenheden wordt ons verteld hoe
we ons moeten gedragen zodat we Gods zegen hebben. Onze
zogenaamde organisatorische "moeder" zegt ons hoe we ons
moeten kleden, welke soort films met kunnen kijken, welk
soort muziek we kunnen luisteren, hoe we moeten spreken,
wat we aan "de deur" moeten zeggen en bovenal - wat
we moeten geloven.
Het is zoals Jehovah opmerkt in Ezechiël 34:4b: "Maar
met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid gehad,
ja, met tirannie."
In de loop van de tijd heeft de Wachttoreninstelling zichzelf
verheven tot de spreekbuis van God. Jehovah's Getuigen moeten
niet alleen alles onderwijzen wat de organisatie
onderwijst en alles geloven wat ons gezegd wordt
te geloven, sommige leden van het Besturend Lichaam zijn
zelfs nog verder gegaan door te zeggen dat elke broeder
of zuster die zelfs maar een gedachte heeft die afwijkt
van de leerstelling van het Wachttorengenootschap, niet
loyaal is aan God en al hun gedachten snel in overeenstemming
met Christus moeten brengen. In essentie heeft het Wachttorengenootschap
de plaats van Christus ingenomen. Het probleem is echter
dat het Wachttorengenootschap niet de onfeilbare
spreekbuis van God is zoals we denken.
De heersende organisatorische gedachte heeft een toestand
met zich meegebracht waarbij er vrijwel geen tolerantie
bestaat voor een broeder of zuster die niet alles
gelooft wat het Wachttorengenootschap onderwijst - hoe goede
redenen ze ook mogen hebben het niet eens te zijn met diverse
interpretaties of houdingen. Een ieder onder Jehovah's Getuigen
die niet elke profetische uitleg, beleid of procedure van
het Wachttorengenootschap beziet als heilig geschrift, wordt
min of meer bezien als een disloyale vijand van Jehovah
en overeenkomstig behandeld.
Ondanks dat er bijvoorbeeld, redenerend aan de hand van
de Schrift, bewezen kan worden dat Christus' koninkrijk
niet is begonnen te regeren in 1914, wordt de geraffineerde
interpretatie van profetie van het Wachttorengenootschap
beschouwd als onaantastbaar - niet open voor discussie.
Hoe getrouw een Christen daarom ook mag zijn, ongeacht of
ze volledig toegewijd zijn aan Jehovah en liefde hebben
voor de broederschap en in alle opzichten voorbeelden zijn,
wanneer ze geen geloof stellen in wat voor hen een onredelijke,
speculatieve en onschriftuurlijke leerstelling is, worden
ze door de gemeente gemeden.
Erger nog, gemeenteouderlingen bevinden zich in de luxe
positie niet teveel voor zichzelf te hoeven nadenken bij
het beoordelen van zulke zaken. Ja, "het Genootschap" verbiedt
onafhankelijk denken op alle niveaus. "Het Genootschap"
heeft altijd gelijk. Daarom heeft elke eenvoudige
"verkondiger" die dat vermeend gelijk in twijfel trekt het
automatisch bij het verkeerde eind.
Het is voor ouderlingen bijvoorbeeld helemaal niet ongewoon
afwijkende gedachten te beantwoorden door eenvoudig te zeggen:
"Dat is niet wat het Genootschap zegt." Het maakt
niet uit of het waar is. Het maakt niet uit of het goed
wordt ondersteund door de Bijbel. Wanneer het niet is wat
"het Genootschap" zegt, kan het niet waar zijn. "Het Genootschap"
heeft onachtzaam een milieu geschapen wat intolerant en
ongastvrij is voor oprechte Bijbelonderzoekers. Als gevolg
daarvan zijn er tragisch genoeg vele duizenden, wellicht
tienduizenden Jehovah's Getuigen uitgesloten of op een andere
manier uit de gemeente verdreven - aangemerkt als zwak in
geloof of gebrandmerkt als afvalligen voor het niet accepteren
van alle leerstellingen en meningen van het Wachttorengenootschap.
Het is precies zoals Jehovah het beschrijft in Ezechiël
34:21: "Omdat gij met flank en met schouder bleeft wegdringen
en met uw horens bleeft stoten allen die ziek geworden waren,
totdat gij hen naar buiten hadt verstrooid."
Als gevolg daarvan worden Jehovah's schapen (voor wie
Christus gestorven is) als ongeschikt afgemaakt. Intussen
blijven de herders veilig in hun posities van autoriteit
door eenvoudig het regime van het Wachttorengenootschap
op de gemeente te drukken.
In het licht van de heersende houdingen die de organisatie
momenteel overheersen, wordt Jehovah's veroordeling van
de zelfweidende herders des te relevanter. Ezechiël 34:3
zegt: "Het vet eet gij en met de wol kleedt gij uzelf.
Het vette dier slacht gij."
Het ergste moet echter nog komen.
Volgens de profetie zullen al Jehovah's schapen
verstrooid worden en ten prooi vallen aan roofdieren - niet
slechts enkelen. Maar, hoe is dat mogelijk?
Dit zal gebeuren als gevolg van de
ineenstorting van het Wachttorengenootschap gedurende
de beginfase van de verdrukking. Daar het Wachttorengenootschap
Jehovah's Getuigen niet heeft voorbereid op die mogelijkheid,
zal het een zeer demoraliserend en verwoestend effect hebben
op de gehele organisatie - waardoor Gods schapen verstrooid
worden. Lees ter bevestiging hiervan eens wat Ezechiël 34:11,
12 te zeggen heeft: Want dit heeft de Soevereine Heer
Jehovah gezegd: "Hier ben ik, ikzelf, en ik wil mijn schapen
zoeken en hen verzorgen. Overeenkomstig de zorg van iemand
die zijn kudde weidt op de dag dat hij te midden van zijn
schapen komt die overal verspreid zijn, zó zal ik mijn schapen
verzorgen; en ik wil hen bevrijden uit alle plaatsen waarheen
zij verstrooid zijn op de dag van wolken en dikke donkerheid."
In profetie symboliseert de "dag van wolken en dikke
donkerheid" de duistere periode van hopeloosheid en
wanhoop die verbonden is aan de verdrukking. We zouden ons
niet langer moeten indenken dat de huidige zorgeloze
wereld op één of andere wijze in profetie wordt afgebeeld
door zulk soort symbolisme.
In de Bijbel is op vele andere plaatsen sprake van dergelijke
apocalyptische taal. Eén voorbeeld is toen Jezus zei dat
de hemelse lichten plotseling verduisterd zullen worden
en de natiën zich als gevolg van de beroering in weeklacht
zullen slaan. Een ander voorbeeld is Joël 2:1, 2 waarin
de verwoestende aanval van het symbolische sprinkhanenleger
wordt beschreven, die onmiddellijk vooraf zal gaan aan Jehovah's
geweldige oordeelsdag. Daar lezen we: "Blaast een horen
in Sion, en heft een strijdkreet aan op mijn heilige berg.
Laten alle bewoners van het land in beroering komen; want
de dag van Jehovah komt, want hij is nabij! Het is een
dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en
dikke donkerheid, gelijk licht van de dageraad uitgespreid
over de bergen."
Jehovah's "komst te midden van zijn schapen" heeft
daarom te maken met de manifestatie van Jezus Christus gedurende
het donkerste uur van de wereld, met als doel zijn verloren
gemeente terug te kopen. Jezus Christus zal dan rechtstreeks
heersen over zijn aardse schapen, zonder enige "zichtbare
organisatie" van onderherders die Christus' onderricht interpreteert
en uitdeelt.
Dat is wat Ezechiël 34:23, 24 voorzegt, wanneer er wordt
gezegd: "En ik wil één herder (niet duizenden) over
hen verwekken, en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David.
Hijzelf zal hen weiden en hijzelf zal hun herder worden.
En ikzelf, Jehovah, zal stellig hun God worden, en mijn
knecht David een overste in hun midden. Ikzelf, Jehovah,
heb gesproken."
Dan zal de huidige regeling van gemeenteouderlingen,
kringopzieners, dienaren in de bediening, enz. volledig
losgelaten worden - het heeft zijn doel gediend, namelijk
het voorbereiden van een volk dat het koninkrijk erkent
en ontvangt. Efeziërs 4:11-13 bevestigt voor ons dat herders
en leraren enkel dienen tot de tijd waarop Christus' lichaam
van gezalfde heiligen volledig is. "En hij heeft sommigen
gegeven als apostelen, sommigen als profeten, sommigen als
evangeliepredikers, sommigen als herders en leraren,
met het oog op het terechtbrengen van de heiligen, voor
het werk der bediening, tot opbouw van het lichaam van de
Christus, totdat wij allen geraken tot de eenheid
in het geloof en in de nauwkeurige kennis van de Zoon van
God."
De tekortkomingen van de huidige ouderlingenregeling zal
zichtbaar worden gedurende "de dag van wolken en dikke
donkerheid" - wat zal resulteren in het rampzalige verlies
van de gehele kudde van Jehovah's schapen, wat zal vereisen
dat God ingrijpt om toe te zien op hun herstel.
In Ezechiël 34:15, 16 voorzegt Jehovah dat hij, persoonlijk
(door middel van Jezus Christus), de dagelijkse voeding
en zorg van zijn schapen zal overnemen, waarmee de aardse
herders van hun taken ontheven worden: "Ikzelf
zal mijn schapen weiden en ikzelf zal hen doen neerliggen",
is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah. "Het verlorene
zal ik zoeken en het weggedrevene zal ik terugbrengen,
en het gebrokene zal ik verbinden en het kranke zal
ik sterken, maar het vette en het sterke zal ik verdelgen.
Dat zal ik weiden met oordeel." In het 20ste vers zegt
Jehovah verder: "Hier ben ik, ikzelf, en ik zal stellig
richten tussen een vet schaap en een mager schaap."
Gods oordeel van zijn schapen is in overeenstemming met
datgene wat de Voortreffelijke Herder zei toen hij de uiteindelijke
afloop van de zelfvoldane (vet schaap) contrasteerde met
de afloop van degenen die werkelijk hongerden naar Gods
rechtvaardigheid (mager schaap). Jezus zei: "Gelukkig
zijt gij die thans honger lijdt, want gij zult verzadigd
worden. Gelukkig zijt gij die thans weent, want gij zult
lachen. Wee u die thans verzadigd zijt, want gij zult honger
lijden. Wee u die thans lacht, want gij zult treuren en
wenen."
De menselijke neiging is de dingen op het eerste gezicht
te bezien en aan te nemen dat hoe het nu is het altijd
zal zijn. Zelfs Jehovah's Getuigen zijn bezweken voor een
dergelijke denkwijze, grotendeels door de leerstellingen
van het Wachttorengenootschap.
Bewijsstuk "A" in deze is de manier waarop het Wachttorengenootschap
het gehele 34ste hoofdstuk van Ezechiël op de voorbijgegane
gebeurtenissen van de 20ste eeuw heeft toegepast. Aldus
is Jehovah's Getuigen laten geloven dat God zijn verloren
schapen reeds heeft teruggewonnen en de zaken reeds
heeft rechtgezet met de zelfweidende "regeringsherders."
Ondanks dat dit geruststellend voor sommigen zou kunnen
zijn, is het buitengewoon ontmoedigend voor degenen die
passen in de beschrijving van geslagen en magere schapen.
Als dit tenslotte het enige is wat Gods glorieuze
geestelijk paradijs inhoudt - hoe teleurstellend! We kunnen
echter moed putten uit het feit dat er iets veel beters
in het vooruitschiet ligt.
Wanneer het ons verlangen is een intieme geestelijke relatie
met Jehovah en Jezus te hebben, hebben we genoeg reden uit
te kijken naar Gods oordeel. De verwijdering van de zelfweidende
herders zal betekenen dat Jehovah zichzelf als de ware Herder
geopenbaard zal hebben, waardoor hij op speciale wijze onze
God wordt. Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël eindigt met
Gods hartverwarmende belofte van vriendschap en hartelijkheid,
niet alleen voor het gezalfde "Huis van Israël," maar ook
voor degenen die Jezus zijn "andere schapen" noemde.
En om verder vast te stellen dat Ezechiëls profetie een
toekomstige vervulling heeft, merk op dat het laatste
vers van het 34ste hoofdstuk een weergalm is van Openbaring
21:3 door te voorzeggen dat God mensen als zijn volk zal
bezien:
"'En zij zullen moeten weten dat ik,
Jehovah, hun God, met hen ben
En dat zij mijn volk zijn, het
huis van Israël',
Is de uitspraak van de Soevereine Heer
Jehovah.
'En wat u, mijn schapen, betreft, de
schapen van mijn weide,
Gij zijt aardse mensen. Ik ben uw God',
is de uitspraak van de Soevereine Heer
Jehovah."
|