Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

4 oktober 2004

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

De Wachttoren van 15 oktober 2004 bevat een studieartikel met de intrigerende titel: "Kunnen Wij het Paradijs Beërven?" Het artikel bevestigt onze geloofsovertuiging dat Jehovah's Getuigen in het door de bijbel voorzegde geestelijke paradijs van Gods makelij leven. In de geest van de apostolische raad niet iedere geïnspireerde uiting te geloven, is het goed wat tegenargumenten te beschouwen om de ogenschijnlijk geïnspireerde uiting te testen zodat we kunnen bepalen of ze werkelijk afkomstig zijn van de God van waarheid.

Het artikel wijst er terecht op dat Paulus' meeslepende visioen van de "derde hemel" geestelijk van natuur was. Zonder twijfel werd Paulus een vooruitblik gegund van het geestelijke paradijs waarover Jesaja profeteerde. We zouden echter in gedachte moeten houden dat God de 1ste eeuwse gemeente enkel een geïnspireerde openbaring gaf van het paradijs, omdat die gezalfde christenen toen niet leefden in een één of ander geestelijk paradijs. Het bestond enkel in een visioen - een openbaring.

Wat is er veranderd zodat we nu zogenaamd in een geestelijk paradijs leven, ondanks dat de apostelen en de vroegere christenen dat duidelijk niet deden? Is de organisatie van Jehovah's Getuigen op één of andere manier superieur aan de gemeente die Christus oorspronkelijk stichtte? Dat zou zeker een uitzonderlijk iets zijn wanneer dat werkelijk zo is.

Het artikel beredeneert dat het geestelijke paradijs het gevolg is van het feit dat God zijn volk uit Babylonische gevangenschap heeft geleid, wat volgens ons huidige begrip geleidelijk heeft plaatsgevonden, gedurende meerdere eeuwen terwijl de christenheid verder afvallig werd. En ondanks dat dit specifieke artikel niet expliciet over de datum 1918-1919 spreekt, wordt er in de 9de paragraaf geïmpliceerd dat God zijn volk in 1919 uit ballingschap in Babylon de Grote heeft bevrijd en dat het geestelijke paradijs daarna geleidelijk tot ontwikkeling is gekomen.

Toen God er echter voor zorgde dat de Joden in ballingschap naar Babylon werden gevoerd, was het geen geleidelijke verstrooiing - uitgesmeerd over honderden jaren. Het is waar dat de Joodse afvalligheid zelf zich ontwikkelde gedurende vele eeuwen, maar nadat God van tevoren door middel van diverse profeten had gewaarschuwd, streken de Babylonische troepen als een arend die zich op zijn prooi stort neer op Juda, zodat de verwoesting van Juda heel plotseling kwam. En net zo plotseling viel Babylon en sloegen de berouwvolle Joden de profetische Weg der Heiligheid in die hen terugleidde naar hun Beloofde Land. Er dient te worden opgemerkt dat ons visioen van het geestelijke paradijs niet precies overeenkomt met het patroon dat de profeten verschaften. Maar, waardoor geloven we precies dat we in een geestelijk paradijs leven?

Het Wachttorenartikel impliceert dat het geestelijke paradijs het gevolg is van het kennen van fundamentele bijbelse waarheden.

In de 19de paragraaf lezen we bijvoorbeeld: "Maar denk eens aan het geestelijke paradijs waarin we ons nu verheugen. Vergeleken bij de geestelijk zieke toestand waarin we ons vroeger bevonden, zijn we nu geestelijk gezond. En stel onze voorheen uitgehongerde toestand eens tegenover onze huidige goeddoorvoede geestelijke conditie. Gods volk hoeft niet te ploeteren in een dor geestelijk land maar geniet Gods goedkeuring en een stortvloed van zegeningen. In plaats van blind rond te tasten in een kerkerachtige geestelijke duisternis zien we het licht van vrijheid en van Gods gunst. Velen die nagenoeg doof waren voor bijbelse profetieën zijn gaan horen en begrijpen wat de Schrift zegt. Zo hebben wereldwijd miljoenen Getuigen van Jehovah vers voor vers de profetie van Daniël bestudeerd. Daarna hebben ze een diepgaande studie van elk hoofdstuk van het bijbelboek Jesaja gemaakt. Is dat verkwikkende geestelijke voedsel geen bewijs van ons geestelijke paradijs?"

Volgens de redenering van het Wachttorengenootschap is onze studie van bijbelse profetieën één van de bewijzen voor ons geestelijke paradijs.

In overeenstemming met onze plicht de "geïnspireerde uiting" te beproeven, zouden we onszelf enkele vragen moeten stellen zoals: Wanneer enkel het bestuderen en zelfs begrijpen van bijbelse profetieën bewijs is voor het bestaan van een geestelijk paradijs, waarom genoten de vroege christenen dan niet van een dergelijke gezegende omstandigheid? Paulus en Petrus, alsook anderen zoals Jakobus en Judas, waren geïnspireerde christelijke profeten die zonder twijfel de gemeenten dienden met tot nadenken stemmend en "verkwikkend geestelijk voedsel," zoals het artikel het verwoordt; en toch bevonden deze gemeenten zich niet in een paradijs. Waarom niet? Het is zeker dat Jehovah heel wat zegeningen over hen uitgoot; waarom genoten de apostelen en de 1ste eeuwse discipelen dan geen geestelijk paradijs?

De hierboven geciteerde paragraaf vraagt ons, als bewijs voor onze huidige vermeende paradijselijke toestand, onze geestelijk toestand voor en nadat we Jehovah's Getuigen zijn geworden met elkaar te vergelijken. De apostel Paulus zei de 1ste eeuwse christenen dat ze eens vervreemd waren van God en blind waren voor de verbonden, maar dat ze door middel van Gods onverdiende goedheid in het glorierijke licht der waarheid gekomen waren - toch wordt er van hen niet gezegd dat ze in één of ander geestelijk paradijs leefden. Waarom is dat?

Paulus contrasteerde zelf zijn leven van voor en na zijn bekering. Zijn geestelijke blindheid als Farizeeër was zo extreem dat het enkel genezen kon worden door een directe confrontatie met een manifestatie van de verheerlijkte Heer, zodat de schellen enkele dagen na de confrontatie letterlijk van zijn verblinde ogen vielen. Niemand die heden ten dage in leven is heeft een dergelijke levensveranderende ervaring meegemaakt als Paulus; en toch, ondanks dat Paulus een dergelijke wonderbaarlijke verandering had ondergaan kon hij het geestelijke paradijs, waar wij nu beweren in te leven, enkel in een visioen zien.

Een andere redenering die in de Wachttoren wordt gepresenteerd als bewijs dat we leven in een verheerlijkt geestelijk paradijs, is de persoonlijkheidsverandering die velen van ons hebben ondergaan. De 11de paragraaf zegt: "Denk ook eens aan de veranderingen bij oprechte mensen van allerlei achtergronden die zich beijverd hebben om Gods Woord te begrijpen en in praktijk te brengen. In wezen hebben zij hun best gedaan om dierlijke eigenschappen die eens typerend voor hen waren de baas te worden."

Jehovah's Getuigen zijn zich er goed van bewust dat de bijbelse waarheid een veranderend effect op ons heeft wanneer we de raad eruit toepassen. Maar, wordt daardoor een geestelijk paradijs gevormd? We erkennen natuurlijk dat de 1ste eeuwse christenen ook opmerkelijke veranderingen ondergingen. Paulus herinnerde de Korinthiërs eraan dat sommigen van hen eens overspelers, beschimpers, homoseksuelen, dronkaards en hebzuchtige personen waren geweest, maar dat ze rein gewassen waren. Hoe uitzonderlijk die veranderingen die de vroegere Korinthiërs in hun persoonlijke leven aanbrachten ook geweest mogen zijn, ze genoten nog steeds niet de zegening van een geestelijk paradijs. Waarom niet?

Het Wachttorengenootschap geeft verder commentaar in de 11de paragraaf waar staat: "Als we naar een gemeente van Jehovah's Getuigen gaan, verkeren we daardoor in het gezelschap van mensen die vredelievender en aardiger zijn geworden. Nee, ze zijn nog niet volmaakt, maar de termen verscheurende leeuw of roofdierachtig wild dier zijn zeker niet op hen van toepassing. Waarop duidt die vredige geestelijke omgang? Het is duidelijk dat we in een geestelijke toestand verkeren die we met recht een geestelijk paradijs noemen."

Volgens de redenering van het Wachttorengenootschap genieten we een geestelijk paradijs omdat iedereen een radicale verandering van persoonlijkheid heeft gemaakt. Maar, is dat werkelijk zo?

Beschouw in het kort eens enkele problemen in de vroegere christelijke gemeente. Ondanks dat veel van de Korinthiërs opmerkelijke veranderingen ondergingen, waren er nog steeds vele problemen die de vrede in de gemeente in gevaar deden lopen. Er was bijvoorbeeld een alom bekend seksschandaal waarbij een broeder met de vrouw van zijn vader woonde; een jammerlijke situatie die kennelijk door de Korinthische broeders werd getolereerd.

Dan was er het probleem van sekteachtige aanbidding van Paulus en Cefas, welke Paulus in zijn brief beschreef. Er bestonden binnen de gemeente ook kwellende omstandigheden als gevolg van de "superfijne apostelen," die door Paulus werden ontmaskerd als sluwe handlangers van de Duivel die een transformatie hadden ondergaan - niet naar het beeld van Christus - maar tot nep-"dienaren van rechtvaardigheid." Ja, Paulus had goede redenen om niet te pochen over een geestelijk paradijs voor de Korinthiërs.

Het lijkt er zelfs op dat Paulus juist over zijn bovennatuurlijke visioen van het geestelijke paradijs sprak tegen de Korinthiërs omdat ze als gemeente niet functioneerden - ver verwijderd van het paradijs dat Paulus in een visoen mocht zien.

Dan waren er de Galaten. Paulus' raad aan de gemeente Galate wijst erop dat niet iedereen daar een volledige geestelijke verandering had ondergaan. Ondanks dat ze kennis van Christus hadden, noemde Paulus ze uit opperste wanhoop "O onverstandige Galaten"!

Vanwege hun vleselijke geestesgesteldheid waarschuwde Paulus de Galaten en zei: "Maar als gij elkaar blijft bijten en verslinden, past er dan voor op dat gij niet door elkaar wordt verdelgd." Elkaar "bijten en verslinden" is iets wat niet zal voorkomen in een geestelijk paradijs, of wel? De Galaten bewezen dat ze nog steeds bepaalde onchristelijke eigenschappen bezaten. Het is duidelijk dat de Galaten niet konden pochen over een "vredige geestelijke omgang" - zoals Jehovah's Getuigen volgens het Wachttorengenootschap op dit moment genieten. Is er iemand die in alle eerlijkheid kan beweren dat de gemeenten van Jehovah's Getuigen niet evenzo gekweld worden door diverse incidenten waar "bijtend en verslindend" gedrag aan te pas komt?

Als we eerlijk zijn, broeders, zullen we toegeven dat onze gemeenten geplaagd worden door dezelfde problemen als waarmee de vroegere christelijke gemeenten te kampen hadden. Net als in de Korinthische gemeente beoefenen vele Jehovah's Getuige verschillende vormen van seksuele immoraliteit. Zelfs in die mate dat het Wachttorengenootschap toegeeft dat er jaarlijks tienduizenden Jehovah's Getuigen vanwege immoreel gedrag verwijderd moeten worden uit ons "geestelijke paradijs."

Als we bescheiden en eerlijk zijn, zullen we ook toegeven dat Jehovah's Getuigen geplaagd worden door een vorm van organisatorische afgoderij. Net zoals sommige Korinthiërs beweerden bij Paulus, Cefas of Apollos te horen, zo ook kan er gezegd worden dat Jehovah's Getuigen de zogenaamde gezalfde getrouwe slaaf in de vorm van het Wachttorengenootschap vrijwel aanbidden. Ja, het wordt als godslasterlijk bezien enig aspect van hun autoriteit of onderwijs in twijfel te trekken.

Wanneer het Wachttorengenootschap beweert dat "termen als verscheurende leeuw of roofdierachtig wild dier zeker niet op" iemand in onze gemeenten "van toepassing zijn," is ze dan werkelijk eerlijk? Wat te zeggen van de tienduizenden kinderen van Jehovah's Getuigen die seksueel misbruikt zijn door anderen die zichzelf Jehovah's Getuigen noemen? Zijn zij niet slachtoffer geworden van geslepen, roofzuchtige wilde beesten? Is hun onschuld niet verslonden door verscheurende roofdieren? Kan het Wachttorengenootschap alsjeblieft enige erkenning geven en uitleggen hoe duizenden gruweldaden van kindermisbruik kunnen plaatsvinden in het geestelijke paradijs?

Als meest recent voorbeeld: In North Carolina heeft één van Jehovah's Getuigen, die terecht moest staan voor het verkrachten van zijn eigen dochter, de kelen van drie van zijn kinderen doorgesneden en vervolgens kennelijk zijn vrouw en zichzelf gedood. Klaarblijkelijk stond broeder Meza "goed bekend" in de Rock Hill gemeente in North Carolina. Waarschijnlijk stond hij, tot het moment dat hij deze afgrijselijke misdaad beging en zelfmoord pleegde, schouder aan schouder met de broeders en zusters in de plaatselijke gemeente - genietend van "vredige geestelijke omgang" in ons exclusieve "geestelijke paradijs."

Is het eerlijk van het Wachttorengenootschap deze afschuwelijke goddeloze daden eenvoudig af te doen als menselijke onvolmaaktheid?

Er zijn ook diverse zaken geweest waarbij zelfs aangestelde ouderlingen hun heilige vertrouwenspositie geschaad hebben in wijds gepubliceerde schandalen. In Montana is een bejaarde zuster, 100 jaar oud, miljoenen dollars afhandig gemaakt door twee samenspannende ouderlingen die door de autoriteiten in de gevangenis zijn gezet. Nog een soortgelijke zaak met betrekking tot een oplichtende ouderling vond plaats in Florida. We kunnen ons natuurlijk afvragen of de broeders en zusters die in die gemeenten ten prooi vielen aan deze verraderlijke ouderlingen de mening van het Wachttorengenootschap, dat er geen roofdierachtige individuen aanwezig zijn in ons "geestelijke paradijs," zullen delen.

En natuurlijk zijn er vele, vele andere gevallen waarbij Jehovah's Getuigen afschuwelijke misdaden hebben begaan. Zoals de apostel Paulus het zou zeggen: Onze reden tot roemen is niet fraai. Is er een serie moorden voor nodig van één van Jehovah's Getuigen om het Wachttorengenootschap ertoe te dwingen de realiteit onder ogen te zien en te stoppen met liegen en pochen over onze zogenaamd rechtvaardige toestand?

Op dit punt dienen we de volgende vraag te stellen: Wat is het geestelijke paradijs eigenlijk? Daar de vroegere christenen zich niet in een dergelijk gezegende toestand bevonden en Jehovah's Getuigen zich, in tegenstelling tot de ongegronde beweringen van het Wachttorengenootschap, zich ook niet in enig soort van geestelijk paradijs bevinden - wat betekent het dan om in een geestelijk paradijs te leven? Zal er ooit zoiets moois bestaan als een geestelijk paradijs?

Bij het beantwoorden van deze vraag kunnen we het beste de Bijbel zelf laten spreken. Het 35ste hoofdstuk van Jesaja onthult dat het geestelijke paradijs een toestand is die verbonden is aan de openbaring van Jehovah's heerlijkheid en redding. In verband met het verdorde land dat zal opbloeien tot paradijselijke schoonheid, lezen we bijvoorbeeld het volgende in het 2de vers: "Er zullen er zijn die de heerlijkheid van Jehovah, de pracht van onze God, zullen zien."

Kan íemand onder hedendaagse Jehovah's Getuigen in alle eerlijkheid beweren "de heerlijkheid van Jehovah" te hebben gezien? Als Gods heerlijkheid en pracht worden weerspiegeld in onze huidige organisatie - wat een teleurstelling zou dat zijn!

Het 4de vers wijst erop dat de openbaring van Gods heerlijkheid rechtstreeks verbonden is aan zijn wraak en de redding van zijn volk. Er staat: Zegt tot degenen die angstig van hart zijn: "Weest sterk. Weest niet bevreesd. Ziet! Uw eigen God zal komen met wráák, ja, God met vergelding. Hijzelf zal komen en ulieden redden."

Het Wachttorengenootschap beweert dat Jehovah's volk in 1919 uit Babylon de Grote is bevrijd. Als dat waar zou zijn, waar is dan het bewijs dat Jehovah God zijn wraak heeft uitgestort of met vergelding is gekomen tegen zijn vijanden? Werd de grote redding die in de Bijbel wordt beloofd enkel bewerkstelligd doordat acht functionarissen van het Wachttorengenootschap vrij werden gelaten na een korte periode van opsluiting? Welk rationeel persoon kan zoiets geloven?

Het is duidelijk dat Jehovah's Getuigen verblind zijn door de eigen leerstellingen van het Wachttorengenootschap. Dat is zonder twijfel de reden waarom de geestelijke ogen en oren van degenen die na de komende tuchtiging gezegend worden door Jehovah op wonderbaarlijke wijze geopend zullen worden. Daarom zegt het volgende vers in de context: "In die tijd zullen de ogen der blinden geopend worden, en zelfs de oren der doven zullen ontsloten worden. In die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert, en de tong van de stomme zal een vreugdegeroep aanheffen."

De zinsnede "in die tijd," die tweemaal in de tekst wordt gebruikt, wijst erop dat God de ogen en oren van zijn volk op een specifieke tijd plotseling, en masse zal openen - niet geleidelijk over een tijdsperiode van tientallen jaren, of individueel, zoals wanneer een persoon in de waarheid komt.

Wanneer voert Jehovah dit ogenopenende en orenontsluitende wonder uit? Het vindt plaats wanneer Jehovah zijn oordeel over de tirannen en snoevers voltrekt die domineren en heersen over Jehovah's volk. Daarom lezen we de volgende rechterlijke beslissing van Jehovah in Jesaja 29:17-20: "Is het niet nog slechts een zeer korte tijd en de Libanon moet in een boomgaard veranderd worden en de boomgaard zelf zal net als een woud worden geacht? En op die dag zullen de doven stellig de woorden van het boek horen, en uit het donker en uit de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden zien. En de zachtmoedigen zullen hun verheuging in Jehovah zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de mensheid zullen blij zijn in de Heilige Israëls zelf, want de tiran moet aan zijn eind komen en met de snoever moet het gedaan zijn, en allen die er voortdurend op uit zijn kwaad te doen, moeten worden afgesneden, zij die een mens doen zondigen door zijn woord, en zij die zelfs strikken spannen voor degene die terechtwijst in de poort, en zij die de rechtvaardige terzijde dringen met nietszeggende argumenten."

Merk alsjeblieft op dat de profetie paradijselijke omstandigheden schetst, waarbij de boomgaard een werkelijk woud zal worden. In die tijd zullen de ogen en oren van de zachtmoedigen plotseling geopend worden. Tegelijkertijd zullen de tiran en snoever tot hun einde komen. Nu, denk hier eens over na: Het Wachttorengenootschap beweert dat Jehovah's Getuigen zich sinds de bevrijding uit de overheersing door de geestelijken in het geestelijke paradijs bevinden; waarom kan niemand dan wijzen op enig bewijsmateriaal dat de tirannen en snoevers van deze wereld reeds tot hun einde zijn gekomen?

De tirannen en snoevers uit Jesaja's profetie zijn degenen die in de context beschreven worden als geestelijk bedwelmd, waardoor ze niet in staat zijn de boekrol die aan hen overhandigd is te begrijpen. Dit is een volmaakte beschrijving van het leiderschap van Jehovah's Getuigen. Het is werkelijk ongelooflijk dat het Besturend Lichaam in De Wachttoren van 15 oktober die we hier bespreken zelfs ons zogenaamde begrip van Jesaja aanhaalt als bewijs voor ons geestelijke paradijs. Het is echter duidelijk dat het Besturend Lichaam van Jehovah's Getuigen geen enkel begrip heeft omtrent Jehovah's oordelen in Jesaja. Wanneer dat namelijk wel het geval zou zijn, zouden ze niet onbescheiden pochen over het leven in een geestelijk paradijs. De ogen van de zachtaardigen zullen voor dat feit geopend worden.

Dus, wat is het geestelijke paradijs?

Het geestelijke paradijs is de gezegende toestand die Jehovah zal brengen nadat hij zijn volk terugkoopt uit de gevangen toestand waarin ze zich zullen bevinden gedurende de verdrukking. Dat paradijs zal gekenmerkt worden door absolute afwezigheid van elke vorm van goddeloosheid.

Jezus zei dat een dergelijke toestand tot stand zal worden gebracht gedurende het besluit van het samenstel van dingen, wanneer Gods machtige engelen "alle dingen die aanleiding tot struikelen geven en degenen die wetteloosheid bedrijven, uit zijn koninkrijk [zullen] verzamelen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen."

Het resultaat zal zijn dat er zelfs niet één goddeloos persoon onder Jehovah's zachtaardigen aanwezig zal zijn. Jesaja 35:8-10 luidt: "En daar zal stellig een hoofdweg komen, ja, een weg, en de Weg der Heiligheid zal die worden genoemd. De onreine zal er niet langs trekken. En hij zal zijn voor degene die op de weg wandelt, en geen dwazen zullen erop ronddolen. Geen leeuw zal daar blijken te zijn, en het roofdierachtige wild gedierte zal er niet op komen. Niet één zal er aangetroffen worden; en de teruggekochten moeten daarop wandelen. En het zijn de door Jehovah losgekochten die zullen terugkeren en stellig naar Sion zullen komen met vreugdegeroep, en verheuging tot onbepaalde tijd zal op hun hoofd zijn. Tot uitbundige vreugde en verheuging zullen zij geraken, en droefheid en zuchten moeten wegvlieden."

In het werkelijke paradijs dat Jehovah voor de zachtaardigen onder zijn volk zal scheppen, als voorbode van hun binnengaan in de nieuwe wereld, zullen er geen onreine, smerige kindermisbruikers meer zijn - zelfs niet één! Er zullen geen ongelovige afvalligen of overspelers meer zijn in het paradijs - geen één! Er zullen geen snoevers meer zijn die pochen over hun status als "grote bomen der rechtvaardigheid," terwijl ze op tirannieke wijze een ieder uitsluiten die vraagtekens zet bij hun absurde interpretaties van profetie.

Jehovah's engelen zullen roofzuchtige personen net zo zeker verhinderen de Weg der Heiligheid op te gaan als dat de cherubs aan de poorten van het paradijs voorkwamen dat Adam en Eva en hun nageslacht Eden weer inslopen.

Het feit dat het Besturend Lichaam, ondanks alle Godonterende problemen waardoor de organisatie geplaagd wordt, pocht over het leiding geven over een geestelijk paradijs, identificeert hen als de snoevers uit de profetie.

Zij gelijken op het Joodse bestel ten tijde van Jehovah's oordelen in Jeremia's tijd, tegen wie Jehovah zei: "En zij trachten de breuk van mijn volk oppervlakkig te genezen door te zeggen: 'Er is vrede! Er is vrede!' terwijl er geen vrede is."

Ondank dat Jehovah's Getuigen zich heden ten dage duidelijk niet in het geestelijke paradijs bevinden, is het stugge volhouden van de kant van het Besturend Lichaam dat alles goed is ironisch genoeg een zekere indicatie dat Jehovah's aanstormende oordeel, dat het aanhoudende lawaai van hun zelfingenomen gesnoef zal verstommen, nabij is.

In de tijd na de uitvoering van Jehovah's geweldige oordeel zal het geestelijke paradijs een realiteit worden! Zefanja 3:11, 12 verzekert ons ervan dat de hoogmoedige pochers Jehovah's organisatie nimmer meer zullen domineren - alleen de zachtmoedigen en de nederigen zullen het werkelijke paradijs beërven.

"Want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg. En ik zal stellig in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven, en zij zullen werkelijk hun toevlucht zoeken bij de naam van Jehovah."


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman