|
De Wachttoren van 15 oktober 2004 bevat een studieartikel
met de intrigerende titel: "Kunnen Wij het Paradijs Beërven?"
Het artikel bevestigt onze geloofsovertuiging dat Jehovah's Getuigen
in het door de bijbel voorzegde geestelijke paradijs van Gods
makelij leven. In de geest van de apostolische raad niet iedere
geïnspireerde uiting te geloven, is het goed wat tegenargumenten
te beschouwen om de ogenschijnlijk geïnspireerde uiting
te testen zodat we kunnen bepalen of ze werkelijk afkomstig zijn
van de God van waarheid.
Het artikel wijst er terecht op dat Paulus' meeslepende visioen
van de "derde hemel" geestelijk van natuur was. Zonder
twijfel werd Paulus een vooruitblik gegund van het geestelijke
paradijs waarover Jesaja profeteerde. We zouden echter in gedachte
moeten houden dat God de 1ste eeuwse gemeente enkel een geïnspireerde
openbaring gaf van het paradijs, omdat die gezalfde christenen
toen niet leefden in een één of ander geestelijk paradijs.
Het bestond enkel in een visioen - een openbaring.
Wat is er veranderd zodat we nu zogenaamd in een geestelijk
paradijs leven, ondanks dat de apostelen en de vroegere christenen
dat duidelijk niet deden? Is de organisatie van Jehovah's Getuigen
op één of andere manier superieur aan de gemeente die Christus
oorspronkelijk stichtte? Dat zou zeker een uitzonderlijk iets
zijn wanneer dat werkelijk zo is.
Het artikel beredeneert dat het geestelijke paradijs het gevolg
is van het feit dat God zijn volk uit Babylonische gevangenschap
heeft geleid, wat volgens ons huidige begrip geleidelijk heeft
plaatsgevonden, gedurende meerdere eeuwen terwijl de christenheid
verder afvallig werd. En ondanks dat dit specifieke artikel niet
expliciet over de datum 1918-1919 spreekt, wordt er in de 9de
paragraaf geïmpliceerd dat God zijn volk in 1919 uit ballingschap
in Babylon de Grote heeft bevrijd en dat het geestelijke paradijs
daarna geleidelijk tot ontwikkeling is gekomen.
Toen God er echter voor zorgde dat de Joden in ballingschap
naar Babylon werden gevoerd, was het geen geleidelijke
verstrooiing - uitgesmeerd over honderden jaren. Het is waar dat
de Joodse afvalligheid zelf zich ontwikkelde gedurende
vele eeuwen, maar nadat God van tevoren door middel van diverse
profeten had gewaarschuwd, streken de Babylonische troepen als
een arend die zich op zijn prooi stort neer op Juda, zodat de
verwoesting van Juda heel plotseling kwam. En net zo plotseling
viel Babylon en sloegen de berouwvolle Joden de profetische Weg
der Heiligheid in die hen terugleidde naar hun Beloofde Land.
Er dient te worden opgemerkt dat ons visioen van het geestelijke
paradijs niet precies overeenkomt met het patroon dat de profeten
verschaften. Maar, waardoor geloven we precies dat we in een geestelijk
paradijs leven?
Het Wachttorenartikel impliceert dat het geestelijke paradijs
het gevolg is van het kennen van fundamentele bijbelse waarheden.
In de 19de paragraaf lezen we bijvoorbeeld: "Maar
denk eens aan het geestelijke paradijs waarin we ons nu verheugen.
Vergeleken bij de geestelijk zieke toestand waarin we ons vroeger
bevonden, zijn we nu geestelijk gezond. En stel onze voorheen
uitgehongerde toestand eens tegenover onze huidige goeddoorvoede
geestelijke conditie. Gods volk hoeft niet te ploeteren in een
dor geestelijk land maar geniet Gods goedkeuring en een stortvloed
van zegeningen. In plaats van blind rond te tasten in een kerkerachtige
geestelijke duisternis zien we het licht van vrijheid en van Gods
gunst. Velen die nagenoeg doof waren voor bijbelse profetieën
zijn gaan horen en begrijpen wat de Schrift zegt. Zo hebben wereldwijd
miljoenen Getuigen van Jehovah vers voor vers de profetie van
Daniël bestudeerd. Daarna hebben ze een diepgaande studie van
elk hoofdstuk van het bijbelboek Jesaja gemaakt. Is dat verkwikkende
geestelijke voedsel geen bewijs van ons geestelijke paradijs?"
Volgens de redenering van het Wachttorengenootschap is onze
studie van bijbelse profetieën één van de bewijzen voor ons geestelijke
paradijs.
In overeenstemming met onze plicht de "geïnspireerde uiting"
te beproeven, zouden we onszelf enkele vragen moeten stellen zoals:
Wanneer enkel het bestuderen en zelfs begrijpen van bijbelse profetieën
bewijs is voor het bestaan van een geestelijk paradijs, waarom
genoten de vroege christenen dan niet van een dergelijke gezegende
omstandigheid? Paulus en Petrus, alsook anderen zoals Jakobus
en Judas, waren geïnspireerde christelijke profeten die zonder
twijfel de gemeenten dienden met tot nadenken stemmend en "verkwikkend
geestelijk voedsel," zoals het artikel het verwoordt; en toch
bevonden deze gemeenten zich niet in een paradijs. Waarom niet?
Het is zeker dat Jehovah heel wat zegeningen over hen uitgoot;
waarom genoten de apostelen en de 1ste eeuwse discipelen dan geen
geestelijk paradijs?
De hierboven geciteerde paragraaf vraagt ons, als bewijs voor
onze huidige vermeende paradijselijke toestand, onze geestelijk
toestand voor en nadat we Jehovah's Getuigen zijn
geworden met elkaar te vergelijken. De apostel Paulus zei de 1ste
eeuwse christenen dat ze eens vervreemd waren van God en blind
waren voor de verbonden, maar dat ze door middel van Gods onverdiende
goedheid in het glorierijke licht der waarheid gekomen waren -
toch wordt er van hen niet gezegd dat ze in één of ander geestelijk
paradijs leefden. Waarom is dat?
Paulus contrasteerde zelf zijn leven van voor en na zijn bekering.
Zijn geestelijke blindheid als Farizeeër was zo extreem dat het
enkel genezen kon worden door een directe confrontatie met een
manifestatie van de verheerlijkte Heer, zodat de schellen enkele
dagen na de confrontatie letterlijk van zijn verblinde ogen vielen.
Niemand die heden ten dage in leven is heeft een dergelijke levensveranderende
ervaring meegemaakt als Paulus; en toch, ondanks dat Paulus een
dergelijke wonderbaarlijke verandering had ondergaan kon hij het
geestelijke paradijs, waar wij nu beweren in te leven, enkel in
een visioen zien.
Een andere redenering die in de Wachttoren wordt gepresenteerd
als bewijs dat we leven in een verheerlijkt geestelijk paradijs,
is de persoonlijkheidsverandering die velen van ons hebben ondergaan.
De 11de paragraaf zegt: "Denk
ook eens aan de veranderingen bij oprechte mensen van allerlei
achtergronden die zich beijverd hebben om Gods Woord te begrijpen
en in praktijk te brengen. In wezen hebben zij hun best gedaan
om dierlijke eigenschappen die eens typerend voor hen waren de
baas te worden."
Jehovah's Getuigen zijn zich er goed van bewust dat de bijbelse
waarheid een veranderend effect op ons heeft wanneer we de raad
eruit toepassen. Maar, wordt daardoor een geestelijk paradijs
gevormd? We erkennen natuurlijk dat de 1ste eeuwse christenen
ook opmerkelijke veranderingen ondergingen. Paulus herinnerde
de Korinthiërs eraan dat sommigen van hen eens overspelers, beschimpers,
homoseksuelen, dronkaards en hebzuchtige personen waren geweest,
maar dat ze rein gewassen waren. Hoe uitzonderlijk die veranderingen
die de vroegere Korinthiërs in hun persoonlijke leven aanbrachten
ook geweest mogen zijn, ze genoten nog steeds niet de zegening
van een geestelijk paradijs. Waarom niet?
Het Wachttorengenootschap geeft verder commentaar in de 11de
paragraaf waar staat: "Als
we naar een gemeente van Jehovah's Getuigen gaan, verkeren we
daardoor in het gezelschap van mensen die vredelievender en aardiger
zijn geworden. Nee, ze zijn nog niet volmaakt, maar de termen
verscheurende leeuw of roofdierachtig wild dier zijn zeker niet
op hen van toepassing. Waarop duidt die vredige geestelijke omgang?
Het is duidelijk dat we in een geestelijke toestand verkeren die
we met recht een geestelijk paradijs noemen."
Volgens de redenering van het Wachttorengenootschap genieten
we een geestelijk paradijs omdat iedereen een radicale verandering
van persoonlijkheid heeft gemaakt. Maar, is dat werkelijk zo?
Beschouw in het kort eens enkele problemen in de vroegere christelijke
gemeente. Ondanks dat veel van de Korinthiërs opmerkelijke veranderingen
ondergingen, waren er nog steeds vele problemen die de vrede in
de gemeente in gevaar deden lopen. Er was bijvoorbeeld een alom
bekend seksschandaal waarbij een broeder met de vrouw van zijn
vader woonde; een jammerlijke situatie die kennelijk door de Korinthische
broeders werd getolereerd.
Dan was er het probleem van sekteachtige aanbidding van Paulus
en Cefas, welke Paulus in zijn brief beschreef. Er bestonden binnen
de gemeente ook kwellende omstandigheden als gevolg van de "superfijne
apostelen," die door Paulus werden ontmaskerd als sluwe handlangers
van de Duivel die een transformatie hadden ondergaan - niet naar
het beeld van Christus - maar tot nep-"dienaren van rechtvaardigheid."
Ja, Paulus had goede redenen om niet te pochen over een geestelijk
paradijs voor de Korinthiërs.
Het lijkt er zelfs op dat Paulus juist over zijn bovennatuurlijke
visioen van het geestelijke paradijs sprak tegen de Korinthiërs
omdat ze als gemeente niet functioneerden - ver verwijderd
van het paradijs dat Paulus in een visoen mocht zien.
Dan waren er de Galaten. Paulus' raad aan de gemeente Galate
wijst erop dat niet iedereen daar een volledige geestelijke verandering
had ondergaan. Ondanks dat ze kennis van Christus hadden, noemde
Paulus ze uit opperste wanhoop "O onverstandige Galaten"!
Vanwege hun vleselijke geestesgesteldheid waarschuwde Paulus
de Galaten en zei: "Maar als gij elkaar blijft bijten en verslinden,
past er dan voor op dat gij niet door elkaar wordt verdelgd."
Elkaar "bijten en verslinden" is iets wat niet zal voorkomen
in een geestelijk paradijs, of wel? De Galaten bewezen dat ze
nog steeds bepaalde onchristelijke eigenschappen bezaten. Het
is duidelijk dat de Galaten niet konden pochen over een "vredige
geestelijke omgang" - zoals Jehovah's Getuigen volgens het
Wachttorengenootschap op dit moment genieten. Is er iemand die
in alle eerlijkheid kan beweren dat de gemeenten van Jehovah's
Getuigen niet evenzo gekweld worden door diverse incidenten waar
"bijtend en verslindend" gedrag aan te pas komt?
Als we eerlijk zijn, broeders, zullen we toegeven dat onze gemeenten
geplaagd worden door dezelfde problemen als waarmee de vroegere
christelijke gemeenten te kampen hadden. Net als in de Korinthische
gemeente beoefenen vele Jehovah's Getuige verschillende vormen
van seksuele immoraliteit. Zelfs in die mate dat het Wachttorengenootschap
toegeeft dat er jaarlijks tienduizenden Jehovah's Getuigen vanwege
immoreel gedrag verwijderd moeten worden uit ons "geestelijke
paradijs."
Als we bescheiden en eerlijk zijn, zullen we ook toegeven dat
Jehovah's Getuigen geplaagd worden door een vorm van organisatorische
afgoderij. Net zoals sommige Korinthiërs beweerden bij Paulus,
Cefas of Apollos te horen, zo ook kan er gezegd worden dat Jehovah's
Getuigen de zogenaamde gezalfde getrouwe slaaf in de vorm van
het Wachttorengenootschap vrijwel aanbidden. Ja, het wordt als
godslasterlijk bezien enig aspect van hun autoriteit of onderwijs
in twijfel te trekken.
Wanneer het Wachttorengenootschap beweert dat "termen als
verscheurende leeuw of roofdierachtig wild dier zeker niet op"
iemand in onze gemeenten "van toepassing zijn," is ze dan
werkelijk eerlijk? Wat te zeggen van de tienduizenden kinderen
van Jehovah's Getuigen die seksueel misbruikt zijn door anderen
die zichzelf Jehovah's Getuigen noemen? Zijn zij niet slachtoffer
geworden van geslepen, roofzuchtige wilde beesten? Is hun onschuld
niet verslonden door verscheurende roofdieren? Kan het Wachttorengenootschap
alsjeblieft enige erkenning geven en uitleggen hoe duizenden gruweldaden
van kindermisbruik kunnen plaatsvinden in het geestelijke
paradijs?
Als meest recent
voorbeeld: In North Carolina heeft één van Jehovah's Getuigen,
die terecht moest staan voor het verkrachten van zijn eigen dochter,
de kelen van drie van zijn kinderen doorgesneden en vervolgens
kennelijk zijn vrouw en zichzelf gedood. Klaarblijkelijk stond
broeder Meza "goed bekend" in de Rock Hill gemeente in
North Carolina. Waarschijnlijk stond hij, tot het moment dat hij
deze afgrijselijke misdaad beging en zelfmoord pleegde, schouder
aan schouder met de broeders en zusters in de plaatselijke gemeente
- genietend van "vredige geestelijke omgang" in ons exclusieve
"geestelijke paradijs."
Is het eerlijk van het Wachttorengenootschap deze afschuwelijke
goddeloze daden eenvoudig af te doen als menselijke onvolmaaktheid?
Er zijn ook diverse zaken geweest waarbij zelfs aangestelde
ouderlingen hun heilige vertrouwenspositie geschaad hebben in
wijds gepubliceerde schandalen. In Montana is een bejaarde zuster,
100 jaar oud, miljoenen dollars afhandig gemaakt door twee
samenspannende ouderlingen die door de autoriteiten in de
gevangenis zijn gezet. Nog een soortgelijke zaak met betrekking
tot een oplichtende ouderling vond plaats in Florida.
We kunnen ons natuurlijk afvragen of de broeders en zusters die
in die gemeenten ten prooi vielen aan deze verraderlijke ouderlingen
de mening van het Wachttorengenootschap, dat er geen roofdierachtige
individuen aanwezig zijn in ons "geestelijke paradijs," zullen
delen.
En natuurlijk zijn er vele, vele andere gevallen waarbij Jehovah's
Getuigen afschuwelijke misdaden hebben begaan. Zoals de apostel
Paulus het zou zeggen: Onze reden tot roemen is niet fraai. Is
er een serie moorden voor nodig van één van Jehovah's Getuigen
om het Wachttorengenootschap ertoe te dwingen de realiteit onder
ogen te zien en te stoppen met liegen en pochen over onze zogenaamd
rechtvaardige toestand?
Op dit punt dienen we de volgende vraag te stellen: Wat is
het geestelijke paradijs eigenlijk? Daar de vroegere christenen
zich niet in een dergelijk gezegende toestand bevonden en Jehovah's
Getuigen zich, in tegenstelling tot de ongegronde beweringen van
het Wachttorengenootschap, zich ook niet in enig soort van geestelijk
paradijs bevinden - wat betekent het dan om in een geestelijk
paradijs te leven? Zal er ooit zoiets moois bestaan als
een geestelijk paradijs?
Bij het beantwoorden van deze vraag kunnen we het beste de Bijbel
zelf laten spreken. Het 35ste hoofdstuk van Jesaja onthult dat
het geestelijke paradijs een toestand is die verbonden is aan
de openbaring van Jehovah's heerlijkheid en redding. In verband
met het verdorde land dat zal opbloeien tot paradijselijke schoonheid,
lezen we bijvoorbeeld het volgende in het 2de vers: "Er zullen
er zijn die de heerlijkheid van Jehovah, de pracht van onze God,
zullen zien."
Kan íemand onder hedendaagse Jehovah's Getuigen in alle eerlijkheid
beweren "de heerlijkheid van Jehovah" te hebben gezien?
Als Gods heerlijkheid en pracht worden weerspiegeld in onze huidige
organisatie - wat een teleurstelling zou dat zijn!
Het 4de vers wijst erop dat de openbaring van Gods heerlijkheid
rechtstreeks verbonden is aan zijn wraak en de redding van zijn
volk. Er staat: Zegt tot degenen die angstig van hart zijn:
"Weest sterk. Weest niet bevreesd. Ziet! Uw eigen God zal komen
met wráák, ja, God met vergelding. Hijzelf zal komen en ulieden
redden."
Het Wachttorengenootschap beweert dat Jehovah's volk in 1919
uit Babylon de Grote is bevrijd. Als dat waar zou zijn, waar is
dan het bewijs dat Jehovah God zijn wraak heeft uitgestort of
met vergelding is gekomen tegen zijn vijanden? Werd de grote redding
die in de Bijbel wordt beloofd enkel bewerkstelligd doordat acht
functionarissen van het Wachttorengenootschap vrij werden gelaten
na een korte periode van opsluiting? Welk rationeel persoon kan
zoiets geloven?
Het is duidelijk dat Jehovah's Getuigen verblind zijn door de
eigen leerstellingen van het Wachttorengenootschap. Dat is zonder
twijfel de reden waarom de geestelijke ogen en oren van degenen
die na de komende tuchtiging gezegend worden door Jehovah op wonderbaarlijke
wijze geopend zullen worden. Daarom zegt het volgende vers in
de context: "In die tijd zullen de ogen der blinden geopend
worden, en zelfs de oren der doven zullen ontsloten worden. In
die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert, en de tong
van de stomme zal een vreugdegeroep aanheffen."
De zinsnede "in die tijd," die tweemaal in de tekst wordt
gebruikt, wijst erop dat God de ogen en oren van zijn volk op
een specifieke tijd plotseling, en masse zal openen - niet
geleidelijk over een tijdsperiode van tientallen jaren, of individueel,
zoals wanneer een persoon in de waarheid komt.
Wanneer voert Jehovah dit ogenopenende en orenontsluitende wonder
uit? Het vindt plaats wanneer Jehovah zijn oordeel over de tirannen
en snoevers voltrekt die domineren en heersen over Jehovah's volk.
Daarom lezen we de volgende rechterlijke beslissing van Jehovah
in Jesaja 29:17-20: "Is het niet nog slechts een zeer korte
tijd en de Libanon moet in een boomgaard veranderd worden en de
boomgaard zelf zal net als een woud worden geacht? En op die dag
zullen de doven stellig de woorden van het boek horen, en uit
het donker en uit de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden
zien. En de zachtmoedigen zullen hun verheuging in Jehovah zelf
stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de mensheid zullen
blij zijn in de Heilige Israëls zelf, want de tiran moet aan zijn
eind komen en met de snoever moet het gedaan zijn, en allen die
er voortdurend op uit zijn kwaad te doen, moeten worden afgesneden,
zij die een mens doen zondigen door zijn woord, en zij die zelfs
strikken spannen voor degene die terechtwijst in de poort, en
zij die de rechtvaardige terzijde dringen met nietszeggende argumenten."
Merk alsjeblieft op dat de profetie paradijselijke omstandigheden
schetst, waarbij de boomgaard een werkelijk woud zal worden. In
die tijd zullen de ogen en oren van de zachtmoedigen plotseling
geopend worden. Tegelijkertijd zullen de tiran en snoever tot
hun einde komen. Nu, denk hier eens over na: Het Wachttorengenootschap
beweert dat Jehovah's Getuigen zich sinds de bevrijding uit de
overheersing door de geestelijken in het geestelijke paradijs
bevinden; waarom kan niemand dan wijzen op enig bewijsmateriaal
dat de tirannen en snoevers van deze wereld reeds tot hun einde
zijn gekomen?
De tirannen en snoevers uit Jesaja's profetie zijn degenen die
in de context beschreven worden als geestelijk bedwelmd, waardoor
ze niet in staat zijn de boekrol die aan hen overhandigd is te
begrijpen. Dit is een volmaakte beschrijving van het leiderschap
van Jehovah's Getuigen. Het is werkelijk ongelooflijk dat het
Besturend Lichaam in De Wachttoren van 15 oktober die we
hier bespreken zelfs ons zogenaamde begrip van Jesaja aanhaalt
als bewijs voor ons geestelijke paradijs. Het is echter duidelijk
dat het Besturend Lichaam van Jehovah's Getuigen geen enkel begrip
heeft omtrent Jehovah's oordelen in Jesaja. Wanneer dat namelijk
wel het geval zou zijn, zouden ze niet onbescheiden pochen over
het leven in een geestelijk paradijs. De ogen van de zachtaardigen
zullen voor dat feit geopend worden.
Dus, wat is het geestelijke paradijs?
Het geestelijke paradijs is de gezegende toestand die Jehovah
zal brengen nadat hij zijn volk terugkoopt uit de gevangen toestand
waarin ze zich zullen bevinden gedurende de verdrukking. Dat paradijs
zal gekenmerkt worden door absolute afwezigheid van elke vorm
van goddeloosheid.
Jezus zei dat een dergelijke toestand tot stand zal worden gebracht
gedurende het besluit van het samenstel van dingen, wanneer Gods
machtige engelen "alle dingen die aanleiding tot struikelen
geven en degenen die wetteloosheid bedrijven, uit zijn koninkrijk
[zullen] verzamelen, en zij zullen hen in de vuuroven werpen."
Het resultaat zal zijn dat er zelfs niet één goddeloos
persoon onder Jehovah's zachtaardigen aanwezig zal zijn. Jesaja
35:8-10 luidt: "En daar zal stellig een hoofdweg komen, ja,
een weg, en de Weg der Heiligheid zal die worden genoemd. De onreine
zal er niet langs trekken. En hij zal zijn voor degene die op
de weg wandelt, en geen dwazen zullen erop ronddolen. Geen leeuw
zal daar blijken te zijn, en het roofdierachtige wild gedierte
zal er niet op komen. Niet één zal er aangetroffen worden; en
de teruggekochten moeten daarop wandelen. En het zijn de door
Jehovah losgekochten die zullen terugkeren en stellig naar Sion
zullen komen met vreugdegeroep, en verheuging tot onbepaalde tijd
zal op hun hoofd zijn. Tot uitbundige vreugde en verheuging zullen
zij geraken, en droefheid en zuchten moeten wegvlieden."
In het werkelijke paradijs dat Jehovah voor de zachtaardigen
onder zijn volk zal scheppen, als voorbode van hun binnengaan
in de nieuwe wereld, zullen er geen onreine, smerige kindermisbruikers
meer zijn - zelfs niet één! Er zullen geen ongelovige afvalligen
of overspelers meer zijn in het paradijs - geen één! Er zullen
geen snoevers meer zijn die pochen over hun status als "grote
bomen der rechtvaardigheid," terwijl ze op tirannieke wijze een
ieder uitsluiten die vraagtekens zet bij hun absurde interpretaties
van profetie.
Jehovah's engelen zullen roofzuchtige personen net zo zeker
verhinderen de Weg der Heiligheid op te gaan als dat de cherubs
aan de poorten van het paradijs voorkwamen dat Adam en Eva en
hun nageslacht Eden weer inslopen.
Het feit dat het Besturend Lichaam, ondanks alle Godonterende
problemen waardoor de organisatie geplaagd wordt, pocht over het
leiding geven over een geestelijk paradijs, identificeert hen
als de snoevers uit de profetie.
Zij gelijken op het Joodse bestel ten tijde van Jehovah's oordelen
in Jeremia's tijd, tegen wie Jehovah zei: "En zij trachten
de breuk van mijn volk oppervlakkig te genezen door te zeggen:
'Er is vrede! Er is vrede!' terwijl er geen vrede is."
Ondank dat Jehovah's Getuigen zich heden ten dage duidelijk
niet in het geestelijke paradijs bevinden, is het stugge volhouden
van de kant van het Besturend Lichaam dat alles goed is ironisch
genoeg een zekere indicatie dat Jehovah's aanstormende oordeel,
dat het aanhoudende lawaai van hun zelfingenomen gesnoef zal verstommen,
nabij is.
In de tijd na de uitvoering van Jehovah's geweldige oordeel
zal het geestelijke paradijs een realiteit worden! Zefanja 3:11,
12 verzekert ons ervan dat de hoogmoedige pochers Jehovah's organisatie
nimmer meer zullen domineren - alleen de zachtmoedigen en de nederigen
zullen het werkelijke paradijs beërven.
"Want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen
verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige
berg. En ik zal stellig in uw midden een nederig en gering volk
doen overblijven, en zij zullen werkelijk hun toevlucht zoeken
bij de naam van Jehovah."
|