Ouderlingen: Is het Te Laat Om Het Juiste Doen?

 

" En Jehovah zelf heeft mij ingelicht, opdat ik het weet.
Toentertijd hebt gij mij hun handelingen doen zien."
- Jeremia 11:18

Jeremia gaf zijn medejoden een goede reden om naar Jehovah te luisteren en Hem te gehoorzamen: "Zie! Een volk komt uit het land van het noorden, en een grote natie zal worden gewekt van de meest afgelegen streken der aarde. Naar de boog en de werpspies zullen zij grijpen. Het is een wreed volk, en zij zullen geen medelijden hebben. Hun stem alleen al zal weerklinken net als de zee, en op paarden zullen zij rijden. Het is in slagorde geschaard als een krijgsman tegen u, o dochter van Sion." (Jeremia 6:22, 23)

De meedogenloze Chaldeeuwse moloch stond klaar om vanuit het noorden naar Jeruzalem op te trekken. Was Jeruzalem tot ondergang gedoemd? Was vernietiging onontkoombaar? Niet noodzakelijkerwijs. Jehovah was de Beschermer van de stad. Geen enkele vijand kon Gods volk ooit overwinnen tenzij God dit zelf zou toestaan. Zelfs nadat de Babylonische legers hun zogenaamde opmars-orders hadden gekregen, bood Jehovah zijn afgedreven natie clementie aan. Wat moesten ze doen om de rampspoed die Jehovah bijna over hen ging brengen af te wenden? Jehovah droeg zijn profeet op "in de poort van het huis van Jehovah te gaan staan" en het volgende te zeggen:

"Hoort het woord van Jehovah, gij allen van Juda, die door deze poorten binnentreedt om u neer te buigen voor Jehovah. Dit heeft Jehovah der legerscharen, de God van Israël, gezegd: "Maakt uw wegen en uw handelingen goed en ik wil ulieden op deze plaats verblijf laten houden. Stelt uw vertrouwen niet in bedrieglijke woorden, doordat gij zegt: 'De tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah zijn zij!' Want indien gij uw wegen en uw handelingen beslist goed zult maken, indien gij beslist gerechtigheid zult betrachten tussen een man en zijn metgezel, indien gij inwonende vreemdeling, vaderloze jongen en weduwe niet zult verdrukken en geen onschuldig bloed zult vergieten op deze plaats en geen andere goden achterna zult lopen, u tot rampspoed, zal ik, op mijn beurt, u stellig op deze plaats verblijf laten houden, in het land dat ik uw voorvaders gegeven heb, van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd."" (Jeremia 7:1-7)

De voorwaarden voor redding waren heel eenvoudig. Het enige wat Jehovah van zijn volk vereiste, was dat ze hun wegen en handelingen goed maakten. Ze mochten de minder bevoorrechten niet misbruiken of verdrukken en ze moesten Jehovah boven alles en iedereen liefhebben. Ze mochten niet veronderstellen dat de tempel van Jehovah één of andere verzekering was. Als ze berouw hadden en zich aan de voorwaarden van het verbond zouden houden, zou Jehovah de Joden goedgunstig toestaan dat ze "verblijf mochten houden" in het land dat hij aan hun voorvaders gegeven had.

Er hoeft weinig geschreven te worden over de historische setting van het boek Jeremia; het Wachttorengenootschap heeft in de afgelopen jaren veel geschreven over de profetie. De hedendaagse vervulling is echter een andere zaak. En het is zeker dat de profetie een grotere vervulling heeft gedurende het "laatst der dagen," zoals wordt gezegd in Jeremia 23:20: "De toorn van Jehovah zal zich niet afwenden, totdat hij volvoerd en totdat hij verwezenlijkt zal hebben de denkbeelden van zijn hart. In het laatst der dagen zult gij met verstand daarop letten."

Net zoals de Joden er door de onheilspellende toestanden van de Chaldeeuwse verovering toe gedwongen werden aandacht te schenken aan Jehovah's woorden, worden wij er ook door God zelf van verzekerd dat "gij met verstand daarop zult letten" in het laatst der dagen. De vraag is: Wie is het volk waarover God spreekt? Het Wachttorengenootschap leert dat de opstandige Joden een afbeelding zijn van valse christenen en dat de tempel van Jehovah een voorafschaduwing is van alle sekten en denominaties van de christenheid met hun veelheid aan tempels, kathedralen enzovoort. En Jeremia zelf voorafschaduwt een "Jeremia-klasse" welke de gezalfde gemeente van Christus vormt.

De Christenheid of
Jehovah's Getuigen?

Commentaar gevend op Jeremia 7:4 zegt De Wachttoren van 15 december 1982 het volgende:

"In deze tijd bestaat er een overeenkomstige situatie, want het afvallige Jeruzalem uit de oudheid en zijn tempel hebben een treffende parallel in de hedendaagse christenheid. Merk op dat de religie van de christenheid er ook aanspraak op maakt "een heilige plaats" te hebben - haar vermeende religieuze rechten en terrein of rijk van werkzaamheden. In de loop der eeuwen heeft ze een door haar geliefd domein opgebouwd waarin ze toezicht uitoefent over de massa. Ze beweert dat dit haar geestelijke recht is. Haar domein omvat ook kostbare kathedralen, met juwelen bezette altaren, uiterst kostbare gebrandschilderde ramen, grondbezittingen en enorme bankrekeningen. Dit alles maakt deel uit van haar vermeende "heilige plaats". Deze is heilig in haar ogen, en laat niemand het wagen deze plaats wederrechtelijk te betreden! Althans dat denkt ze."

Maar, heeft de tempel van Jehovah werkelijk "een treffende parallel in de hedendaagse christenheid"? Realistisch gesproken, waarom zou dat zo zijn? Hebben niet alle religies heilige plaatsen en tempels? Moslims maken bijvoorbeeld hun heilige bedevaart naar Mekka en Medina. En tot op de dag van vandaag beschouwen zowel de Moslims als de Joden de plaats waar Jehovah's tempel eens stond als heilig. De Hindoe religie heeft letterlijk duizenden heilige plaatsen. Shintoïsme en Boedisme hebben ook hun heilige plaatsen en tempels. Heeft de tempel van Jehovah uit Jeremia's profetie ook een "treffende parallel" met de heilige plaatsen van niet-christelijke religies? Zo niet, waarom niet?

In de volgende paragraaf van het Wachttorenartikel dat eerder werd geciteerd, zegt het Genootschap verder:

"Wat is er, als een vervulling van de profetie, echter in 607 v.G.T. en ook in 70 G.T. met het Jeruzalem uit de oudheid en zijn "heilige plaats" gebeurd? En wat toont de Heer Jezus ons in de Openbaring, die hij aan de apostel Johannes heeft gegeven? In het zeventiende hoofdstuk van dit boek lezen wij hoe Gods oordeel voltrokken zal worden aan "Babylon de Grote, de moeder van de hoeren en van de walgelijkheden der aarde" (Openb. 17:5). Dit "Babylon de Grote" is niets anders dan het wereldrijk van valse religie, waarvan de kerken der christenheid het belangrijkste deel vormen. De christenheid, die beweert in een verbondsverhouding tot God te staan, is het hedendaagse afvallige "Jeruzalem"."

Hoe redelijk is het dat de christenheid "het hedendaagse afvallige Jeruzalem" is daar het Genootschap zegt dat de christenheid enkel "beweert in een verbondsverhouding tot God te staan"? Was het zo dat de Joden uit Jeremia's dagen enkel beweerden in een verbondsverhouding tot God te staan? Nee, duidelijk niet. Jehovah hield de Joden niet verantwoordelijk omdat ze enkel beweerden in een verbondsverhouding met God te staan, maar omdat ze zich werkelijk in een verbond bevonden! In Jeremia 11:10 zegt Jehovah eenvoudig: "Het huis van Israël en het huis van Juda hebben mijn verbond dat ik met hun voorvaders gesloten heb, verbroken."

Naast het feit dat ze in een verbondsverhouding met God stonden, waren de Joden ook nauw verbonden aan de naam van God doordat ze bewaarders waren van Jehovah's aardse tempel. Daarom zegt Jehovah's profeet het volgende tot hen, nadat de Joden voor hun dwalingen getuchtigd waren: "En moet gij voor mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover mijn naam is uitgeroepen en moet gij zeggen: 'Wij zullen stellig bevrijd worden', terwijl gij al deze verfoeilijkheden doet? Is dit huis waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen niet meer dan een rovershol geworden? Ziet, ook ikzelf heb het gezien", is de uitspraak van Jehovah." (Jeremia 7:10, 11)

Zoals alle Jehovah's Getuigen weten, is de christenheid heel ver gegaan om de naam van Jehovah uit de geest van mensen te wissen. Hoe kan de hedendaagse parallel van het huis verbonden aan Jehovah's naam dan mogelijkerwijs de christenheid zijn? Net zoals er slechts één tempel was waar Jehovah in oude tijden zijn naam plaatste, is er in hedendaagse tijden ook slechts één "huis" verbonden aan Jehovah's naam. Het is Bethel - het huis van God - het hoofdbureau van Jehovah's zogenoemde "zichtbare organisatie". De naam van Jehovah is duidelijk, onlosmakelijk verbonden aan Jehovah's Getuigen. Elke uitgave van De Wachttoren draagt de naam van God op de voorpagina - Aankondiger van Jehovah's Koninkrijk. Sommige Bethelfaciliteiten zijn zelfs voorzien van grote borden waarop Jehovah's naam wordt genoemd. En ondanks dat Gods tempel geestelijk van natuur is, oefenen Bethel en het Wachttorengenootschap er absolute controle over uit.

Het is interessant dat Jezus het bovenstaande vers van Jeremia citeerde toen hij de geldwisselaars uit het huis van zijn Vader wierp - waarbij hij ze ervan beschuldigde het tot een "rovershol" te maken. Het Wachttorengenootschap erkent inzichtvol dat Jezus een patroon stelde voor de toekomstige reiniging van Jehovah's geestelijke tempel. Commentaar gevend op Jezus' tempelreiniging, zegt De Wachttoren van 15 juni 1987 het volgende:

"Plotseling kwam Jehovah als "de ware Heer" tot zijn geestelijke tempel. Wanneer was dat? De vervulling in de eerste eeuw heeft hiervoor model gestaan. Destijds kwam Jezus drie en een half jaar nadat hij bij de Jordaan tot Koning was gezalfd, tot de tempel en reinigde deze. In overeenstemming met dit model lijkt het redelijk te verwachten dat, aangezien Jezus in de herfst van 1914 als Koning op de troon geplaatst werd, hij drie en een half jaar later "de ware Heer" Jehovah naar de geestelijke tempel zou vergezellen."

Jehovah's Getuigen worden aldus geconfronteerd met een subtiele contradictie in de leerstellingen van het Wachttorengenootschap. Aan de ene kant gelooft men dat Jezus zijn Vaders tempel in 1918-1919 gereinigd heeft, terwijl de profetie van Jeremia, die door de Heer Jezus Christus werd aangehaald toen hij de geldwisselaars uit de tempel wierp, van toepassing wordt gebracht op de christenheid. De interpretaties van het Wachttorengenootschap zijn inconsistent en niet in harmonie met de Schrift.

Het is echter belangrijk dat Jeremia's profetie in harmonie is met de apostolische openbaring dat het oordeel begint bij het huis van God. Jehovah zei zijn profeet Jeremia de symbolische oordeelsbeker onder de natiën te verdelen door te zeggen: "Want ziet! over de stad waarover mijn naam is uitgeroepen, begin ik rampspoed te brengen, en zoudt gíj ook maar in enig opzicht ongestraft blijven? Gij zult niet ongestraft blijven, want een zwaard roep ik op tegen al de bewoners der aarde', is de uitspraak van Jehovah der legerscharen." (Jeremia 25:29)

Het lijkt overbodig om te zeggen, maar "de stad waarover mijn naam (Jehovah) is uitgeroepen" kan onmogelijk de religies van de christenheid vertegenwoordigen. Om eerder genoemde redenen kan de "stad" waarover de naam van Jehovah is uitgeroepen enkel maar de organisatie van Jehovah's Getuigen vertegenwoordigen. Het is ook goed om op te merken dat de context van de profetie aangeeft dat ze een toekomstige vervulling heeft. Dat wordt duidelijk uit het 32ste en 33ste vers die door Jehovah's Getuigen worden bezien als een afschildering van de oorlog van Armageddon. Daar het oordeel over Juda een patroon stelt voor de storm die over de gehele aarde zal zwiepen, welk bewijs bestaat er dan dat Jehovah als inleiding tot Armageddon in 1919 rampspoed bracht over het huis van God? Hoe kunnen we de verbazingwekkende verwoesting van Jeruzalem's tempel en de mishandeling en verbanning van Gods volk naar Babylon mogelijkerwijs vergelijken met de gebeurtenissen die plaatsvonden in verband met een handjevol Bijbelonderzoekers die voor een paar maanden achter slot en grendel gingen in 1918? In alle eerlijkheid bestaat er geen enkel vergelijk.

Met betrekking tot het eindresultaat van de verdraaide, zelfverheffende profetische interpretaties van het Wachttorengenootschap zegt Jeremia 8:8, 9: "Hoe kunt gijlieden zeggen: "Wij zijn wijs, en de wet van Jehovah is bij ons"? Waarlijk, ziet, de leugenstift van de secretarissen heeft niets dan leugen voortgebracht. De wijzen zijn beschaamd geworden. Zij zijn verschrikt geworden en zullen gevangen worden. Ziet! Zij hebben Jehovah's wóórd verworpen, en wat voor wijsheid hebben zij dan?"

Door middel van een "leugenstift" heeft het Wachttorengenootschap vrijwel al Jehovah's oordelen richting de christenheid afgebogen of ze onjuist van toepassing gebracht op 1918-1919. Andere profetieën zoals Jesaja (bijvoorbeeld: "geen enkel wapen dat tegen u gesmeed zal worden, zal succes hebben") worden verkeerd van toepassing gebracht op een aardse organisatie en haar fysieke infrastructuur, terwijl Jehovah in werkelijkheid spreekt over het feitelijke koninkrijk van Christus en de heiligen - nadat de Louteraar de hele gemeente volledig heeft vrijgemaakt van kwaaddoeners.

De ontnuchterende reden voor de verkeerde toepassing van zoveel profetieën door het Wachttorengenootschap is dat het Wachttorengenootschap in werkelijkheid Jeremia's profetie vervult! Dat komt omdat juist de leerstellingen van het Wachttorengenootschap aangaande de blijvendheid en rechtvaardigheid van Jehovah's zogenaamde "zichtbare organisatie" gelijk staan aan "bedrieglijke woorden". Wie kan in alle eerlijkheid ontkennen dat Jehovah's Getuigen "bedrieglijke woorden" zijn laten geloven, zodat de "zichtbare organisatie" een permanente en onfeilbare geestelijke gids is geworden?

De Wachttoren van 15 maart 1951 (engels uitgave) zei bijvoorbeeld:

"Wij behoren tot Gods theocratische organisatie onder zijn koninkrijk. Zijn zichtbare organisatie zal niet voorbij gaan, maar is zo stabiel en permanent als zijn koninkrijk. Daarom, welke opmerkelijke, gewelddadige veranderingen er aan het eind van Satans wereld ook zichtbaar mogen zijn op de fysieke aarde, wij zullen niet bezorgd zijn."

Volgens de bijbel is er slechts één theocratische organisatie. Het wordt de gemeente van Christus genoemd. De natuur ervan is hemels en daarom eeuwigdurend. Door echter de term "zichtbare organisatie" in onze theocratische woordenschat te introduceren, zijn Jehovah's Getuigen langzaam gaan geloven dat de term op het Wachttorengenootschap zelf slaat. Door dus te leren dat "zijn zichtbare organisatie niet voorbij zal gaan, maar zo stabiel en permanent is als zijn koninkrijk" zijn Jehovah's Getuigen er op subtiele wijze toe misleid hun vertrouwen in "bedrieglijke woorden" te stellen die ons overhalen om te geloven dat het Wachttorengenootschap zélf niet voorbij zal gaan. Over de kijk die Jehovah's Getuigen op zulke faciliteiten hebben, zegt het Verkondigers-boek op blz. 339 het volgende:

"Jehovah's Getuigen verrichten bouwwerkzaamheden omdat hier thans door de prediking van het goede nieuws behoefte aan bestaat. Met de hulp van Jehovah's geest willen zij gedurende de tijd die nog vóór Armageddon resteert, het grootst mogelijke getuigenis geven. Zij zijn ervan overtuigd dat Gods nieuwe wereld zeer nabij is en hebben het geloof dat zij die nieuwe wereld, onder de heerschappij van Gods Messiaanse koninkrijk, als een georganiseerd volk zullen binnengaan. Bovendien hopen zij dat misschien vele van de schitterende faciliteiten die zij hebben gebouwd en aan Jehovah hebben opgedragen, ook na Armageddon gebruikt zullen worden als centra van waar uit kennis van de enige ware God verbreid kan worden totdat ze werkelijk de aarde vervult."

Het is opmerkenswaardig dat de gevoelens van Jehovah's Getuigen met betrekking tot de "zichtbare organisatie" vergelijkbaar zijn met de kijk die de apostelen hadden op de fysieke tempel in Jezus' dagen. Bij de gelegenheid waarop de apostelen Jezus de indrukwekkende stenen tempel lieten zien, zei Jezus hen rechtstreeks dat de heilige plaats volledig verwoest zou worden en dat er geen steen op de andere gelaten zou worden.

Daar wij een ingewikkelde profetische leerstelling aanvaarden die de komst van Christus en het oordeel over Gods huis in het verleden plaatst en de toekomstige verwoesting van de "heilige plaats" van toepassing brengt op de christenheid, hebben Jehovah's Getuigen geen bijbelse basis om enig soort van toekomstig oordeel over Gods huis te verwachten. Ja, Jehovah's Getuigen zijn ertoe gebracht de "bedrieglijke woorden" uit Jeremia's profetie aan het Wachttorengenootschap toe te schrijven: "De tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah zijn zij!"

Grondbezittingen en
Enorme Bankrekeningen

Hoe zijn de woorden uit de eerder geciteerde Wachttoren niet evenzo van toepassing op de organisatie? Het artikel zei bijvoorbeeld het volgende over de christenheid: "Haar domein omvat ook kostbare kathedralen, met juwelen bezette altaren, uiterst kostbare gebrandschilderde ramen, grondbezittingen en enorme bankrekeningen. Dit alles maakt deel uit van haar vermeende "heilige plaats". Deze is heilig in haar ogen, en laat niemand het wagen deze plaats wederrechtelijk te betreden! Althans dat denkt ze."

Maar, bezit het Wachttorengenootschap niet evenzo vele waardevolle faciliteiten en diverse eigendommen? Het valt niet te ontkennen dat het Bethel hoofdkantoor in Brooklyn, de Wallkill boerderij en de onderwijsfaciliteit Patterson in New York State als de speciale eigendommen van Jehovah beschouwd worden; zelfs in zoverre dat ieder jaar duizenden Jehovah's Getuigen op bedevaart gaan naar New York om deze faciliteiten te bezoeken. In de afgelopen jaren heeft Bethel vele artikelen geschreven over de bouw, inwijding en functie van diverse bijkantoren, kringhallen en drukkerijen. Bethel heeft het bezichtigen van dit soort faciliteiten vele jaren aangemoedigd en gepromoot. Bethel vereist zelfs dat alle bezoekers formeel gekleed gaan tijdens zulke bezoeken. Wellicht is er geen gebrandschilderd glas te zien, maar wie kan ontkennen dat Jehovah's Getuigen het gevoel hebben dat Bethel heilige grond is? En is het ook niet zo dat het Wachttorengenootschap dezelfde houding uitstraalt als welke ze heeft toegeschreven aan de christenheid - namelijk, dat niemand het in zijn hoofd moet halen de belangen van het Wachttorengenootschap te dwarsbomen?

Met betrekking tot de "enorme bankrekeningen", het Wachttorengenootschap in New York harkt bijna 1 miljard dollar per jaar binnen - belastingvrij - waarbij ze vrijwel geen lonen hoeft te betalen aan duizenden werknemers. De Watchtower Inc. staat in de top 40 van meest winstgevende bedrijven in New York - een stad die de thuishaven is voor de meest prestigieuze bedrijven ter wereld! Op blz. 47 van het jaarlijks gepubliceerde financiële verslag van de J.P. Morgan zakenbank wordt het Wachttorengenootschap genoemd als een groot aandeelhouder van een beleggingsmaatschappij van miljarden dollars. De belegging van het Wachttorengenootschap in J.P. Morgan is bijna $100.000.000! En dat is slechts één fonds. Zonder twijfel heeft het Wachttorengenootschap niet al haar geld op één paard gezet, zoals het spreekwoord zegt.

Dit is wat een Ontwaakt! artikel van 35 jaar geleden te zeggen had over religie en de zakenwereld:

"Er zijn de laatste jaren steeds meer bewijzen dat de kerken, tot ontsteltenis van velen, hevig in zaken zijn verwikkeld. Ze hebben enorme bedragen in vele verschillende zakelijke ondernemingen gestoken. Omdat de winsten die ze uit deze zaken trekken heel vaak belastingvrij zijn, komen er over de hele linie bij de regering minder belastingen binnen. Hierdoor krijgt de gemiddelde belastingbetaler een grotere last te dragen… De Verenigde en Anglicaanse Kerken in Canada hebben meer dan 100 miljoen dollar geïnvesteerd, 100 miljoen dollar in elke denkbare onderneming, ja, zelfs in enkele van de industrieën die wapens en napalm vervaardigen die tegen mensen worden gebruikt." (Ontwaakt 8 juni 1970)

Deze woorden zullen Bethel nu plagen! Het Wachttorengenootschap heeft niet alleen enorme investeringen in zekere fondsen, maar volgens een verslag van de SEC (Securities and Exchange Commission) bezit het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap zelfs 50% van de aandelen van Rand Corporation - een bedrijf met militaire contracten. Hoewel het SEC verslag aangeeft dat de aandelen door de eigenaar van het bedrijf geschonken zijn aan het Wachttorengenootschap, had het Wachttorengenootschap het aanbod desalniettemin niet hoeven aannemen.

En wat betreft "de grotere last voor de gemiddelde belastingbetaler": Het is welbekend dat het Wachttorengenootschap de vrijwillige bijdrageregeling voor de lectuur heeft ingevoerd om geen belasting te hoeven betalen. Verder bezit het Genootschap zoveel grondgebied in Brooklyn dat is vrijgesteld van belasting dat de stad vele miljoenen aan belasting inkomsten misloopt.

Wat kan er worden gezegd over een organisatie die dingen doet waarvan ze anderen beschuldigt en waarvoor ze anderen veroordeelt?

Hoewel het waar kan zijn dat geen van de hoge functionarissen van het Wachttorengenootschap er persoonlijk voordeel van trekken door bijvoorbeeld hoge salarissen, is het misleidend te zeggen dat ze geen persoonlijk belang hebben bij de financiële gezondheid van de organisatie. Hoewel het prijzenswaardig is dat vele broeders en zusters grote persoonlijke offers hebben gebracht bij het doen van wat zij denken dat Gods Wil is, is het echter een feit dat de lang gevestigde leden van de Bethel familie in ruil voor hun diensten goed onderhouden worden door de organisatie. In vrijwel al hun behoeften wordt voorzien.

Naast het hebben van een kamer en voedsel en vele voordeeltjes daarnaast, kunnen ze ook gebruik maken van gratis zorg in geval van ziekte. In deze tijd van de steeds duurder wordende zorgkosten hebben ze wat dat betreft meer dan een groeiend aantal minima Jehovah's Getuigen in de Verenigde Staten. Het zou ons niet moeten ontgaan dat de toestand van de leidende mannen van het Wachttorengenootschap in sterk contrast is met de toestand van de apostelen, over wie Paulus het volgende schreef: "Tot op dit huidige uur blijft het zo dat wij honger en ook dorst lijden en schaars gekleed gaan en toegetakeld worden en dakloos zijn en zwoegen, werkend met onze eigen handen."

Zij Zijn Vet Geworden;
Zij Zijn Glanzend Geworden

Er bestaat natuurlijk geen precedent vanuit de vroegere christelijke gemeente dat het opbouwen en onderhouden van een ingewikkelde miljarden uitgeverij rechtvaardigt. De apostelen en oorspronkelijke christenen wisten niets van grootse bouwprojecten of predikingcampagnes die draaien om het leuren met tijdschriften en boeken. Terwijl het moeilijk is het motief om Bijbels en Bijbelstudie hulpmiddelen te willen publiceren in twijfel te trekken, is het Wachttorengenootschap hierdoor zonder twijfel een op winst gerichte organisatie geworden die compleet een tegenovergestelde richting opgaat als het koninkrijk van God. Hoe gemakkelijk is het voorstaan van koninkrijksbelangen verdraaid tot het beschermen van bedrijfsbelangen! In het 5de hoofdstuk van Jeremia veroordeelt Jehovah zijn nationale organisatie hier juist voor door te zeggen:

"Want onder mijn volk zijn goddelozen gevonden. Zij blijven loeren, zoals wanneer vogelvangers ineenduiken. Zij hebben een verderfelijke val gezet. Mensen vangen zij. Zoals een kooi vol vliegende schepselen is, zo zijn hun huizen vol bedrog. Daarom zijn zij groot geworden en verwerven zij rijkdom. Zij zijn vet geworden; zij zijn glanzend geworden. Zij hebben ook in slechte dingen de maat overschreden. Geen enkel rechtsgeding hebben zij bepleit, zelfs niet het rechtsgeding van de vaderloze jongen, zodat zij succes konden behalen; en voor het recht van de armen hebben zij het niet opgenomen."

Laten alle Jehovah's Getuigen alsjeblieft opmerken dat de schriftplaats de goddeloze mannen "onder mijn volk" plaatst - dat is - onder Jehovah's Getuigen. Volgens de interpretatie van het Wachttorengenootschap van Jeremia moeten we echter concluderen dat Jehovah de menigten van de christenheid als zijn volk aanduidt.

Zoals uit Jeremia hoofdstuk 7 blijkt, heeft het Jehovah's hoogste prioriteit dat zijn volk barmhartigheid en rechtvaardigheid beoefent. Hij verwacht vooral dat de leiders van zijn volk het rechtsgeding van de minder bevoorrechte bepleiten - "zodat zij succes kunnen behalen". Maar, in plaats daarvan zijn goddeloze mensen naar een positie van verantwoordelijkheid geslopen, als ingedoken vogelvangers, om Gods volk te strikken in een koers die zeer onaangenaam is voor Jehovah en zijn veroordeling zeer zeker over de gehele gemeente zal brengen.

Dit aspect van Jehovah's veroordeling tegen zijn volk past heel duidelijk bij de wijze waarop het Wachttorengenootschap geweigerd heeft recht te doen aan duizenden kinderen en tieners die verleid en seksueel misbruikt zijn door mannen die zichzelf Jehovah's Getuigen noemen. Terwijl Bethel volhoudt dat het beleid strikt in overeenstemming is met de Schrift, bepleiten de advocaten van het Wachttorengenootschap nu in de rechtszalen dat christelijke ouderlingen niet de verantwoording dragen om de gemeente tegen seksuele roofdieren te beschermen.

Een veel gelezen online tijdschrift genaamd Law.com deed recentelijk verslag van het advocatenkantoor van ene Kim Norris, wiens cliënten allemaal seksueel misbruikt zijn door Jehovah's Getuigen. Volgens de laatste gegevens is er door meer dan 2000 misbruikslachtoffers contact opgenomen met Norris. In een nu lopende zaak in Texas, waarvan de details in het Law.com artikel staan, heeft de ingehuurde advocaat die het Wachttorengenootschap vertegenwoordigt, gevraagd om een niet ontvankelijkheidverklaring op grond "dat zijn cliënten geen verplichting hebben Amy B. (eiser) te beschermen tegen de misdaad van een gemeentelid".

Zoals alle ouderlingen natuurlijk weten, leert het Wachttorengenootschap dat christelijke opzieners wel degelijk de verplichting hebben Jehovah's kleine schaapjes te beschermen tegen immorele misdaden of roofdieren in de gemeentes. De Wachttoren van 15 september 1995 zei bijvoorbeeld: "Ook moeten de ouderlingen de kudde beschermen tegen het morele verderf van deze op seks georiënteerde wereld. Bovendien waagt Gods volk het niet een Izebel-invloed in de gemeente te tolereren." Wanneer de rijkdommen van het Wachttorengenootschap echter op het spel staan, draait dezelfde organisatie die miljoenen Bijbelverhalen boeken voor kinderen heeft uitgegeven en die ouderlingen dringend aanmoedigt de kudde te beschermen zich om en ontkent ze dat ouderlingen een dergelijke verplichting hebben.

In een zaak die op dit moment voor het Hooggerechtshof van New Hampshire speelt, dragen de advocaten van het Genootschap soortgelijke argumenten aan als in de zaak in Texas, namelijk dat de gemeenteouderlingen niet de verplichting hebben seksuele criminelen in de gemeente bij de politie aan te geven. Ondanks dat een jury en rechter de misdaden van "broeder" Paul Berry zo gruwelijk achtten dat hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 56-112 jaar, vond de gemeente het niet nodig hem uit te sluiten. Ja, verscheidene leden van de gemeenten waren in de rechtszaal aanwezig als "getuige à décharge". Wat zeiden de apostelen ook alweer over het niet delen in de zonden van anderen? De officiële transcriptie van deze wandaad kan verder worden gelezen op de Silentlambs website.

Wellicht zouden de p.r. woordvoerders van het Wachttorengenootschap antwoord willen geven op de volgende serie vragen die door de Almachtige zelf worden gesteld.

"Zou ik wegens deze dingen geen rekenschap vragen," is de uitspraak van Jehovah, "of zou aan een natie als deze mijn ziel zich niet wreken? Een ontzettende toestand, ja, iets afschuwelijks, heeft zich voorgedaan in het land: De profeten zelf profeteren werkelijk op grond van de leugen; en wat de priesters betreft, zij gaan met al hun macht onderwerpen. En mijn eigen volk heeft het graag zo gehad; en wat zult gijlieden bij de afloop ervan doen?" (Jeremia 5:29-31)

Hoeveel beter zou het zijn wanneer de organisatie zou toegeven dat ze gefaald heeft in het adequaat beschermen van de kinderen in de gemeente en ze vrijwillig schadevergoeding zou geven voor de enorme pijn en het enorme lijden dat de slachtoffers is toegebracht, niet alleen door de misbruikers, maar ook door gemeenteouderlingen die onder leiding van het Genootschap staan en die een puinhoop hebben gemaakt van duizenden kindermisbruikzaken.

Door te weigeren het rechtsgeding van de slachtoffers van pedofilie te bepleiten en door op goddeloze wijze te beweren dat de ouderlingen geen verplichting hebben de kinderen tegen duizenden misbruikers in ons midden te beschermen, gaat het Genootschap in werkelijkheid rechtstreeks tegen Jehovah in en heeft ze het christendom zelf verloochend. Hoe passend is daarom Jehovah's veroordeling in Jeremia 5:12, 13: "Zij hebben Jehovah verloochend en zij blijven zeggen: 'Hij is er niet. En over ons zal geen rampspoed komen, en noch zwaard noch hongersnood zullen wij zien.' En de profeten zelf worden tot wind, en het woord is niet in hen. Zó zal hun worden gedaan."

Tot op de dag van vandaag heeft het Wachttorengenootschap vastberaden geweigerd enige verantwoordelijkheid te nemen voor welk onrecht maar ook - inclusief hun 10 jarige geheime verbintenis met de Verenigde Naties. In overeenstemming met Jeremia's profetie volgt het Wachttorengenootschap precies hetzelfde patroon als Juda. Er staat: "Ik ben onschuldig gebleven. Waarlijk, zijn toorn heeft zich van mij afgewend." (Jeremia 2:35)

Vanwege het feit dat de leiders van Gods natie zich weigeren te vernederen en hun fouten toe te geven, zal Jehovah's oordeel zeker komen: "Zie, ik ga met u in het gericht omdat gij zegt: 'Ik heb niet gezondigd.' Waarom neemt gij het als iets zeer onbetekenends op dat gij uw weg verandert?" (Jeremia 2:35, 36)

Het Genootschap is op dwaze wijze toegewijd aan het vasthouden aan het waanidee dat Jehovah's Getuigen in een zorgeloos geestelijk paradijs leven - dit in tegenstelling tot de duidelijke realiteit dat de organisatie lijdt aan een geestelijke ineenstorting. Hoe vooruitziend zijn de volgende woorden van God: "En zij trachten de breuk van mijn volk oppervlakkig te genezen door te zeggen: 'Er is vrede! Er is vrede!' terwijl er geen vrede is. Voelden zij zich beschaamd omdat het iets verfoeilijks was wat zij hadden gedaan?" (Jeremia 6:14)

Jehovah bood goedgunstig vergeving aan de gehele natie Juda aan wanneer er slechts één man gevonden zou worden die voor rechtvaardigheid stond. God nodigde Jeremia aldus uit: "Trekt rond in de straten van Jeruzalem en ziet toch en weet, en zoekt zelf op haar openbare pleinen, of gij iemand kunt vinden, of er één is die gerechtigheid oefent, die getrouwheid zoekt, en ik zal haar vergeven." (Jeremia 5:1)

Hopelijk is de parallel tussen het afvallige Juda en het Wachttorengenootschap door deze korte beschouwing van een deel van de profetie van Jeremia duidelijker geworden. De vraag is: In welke mate ben jij bereid er iets aan te doen? Zul je toestaan dat organisatorische loyaliteit je in een lafaard verandert en medeplichtig maakt aan de goddeloze daden van het Genootschap, of zul je opstaan voor rechtvaardigheid en waarheid? Ben je bereid de geheime daden van het Wachttorengenootschap dat de trieste roep van seksueel misbruikte kinderen verplettert verder te onderzoeken? Is er één broeder binnen het Wachttorengenootschap die bereid is op te staan voor de waarheid?

Broeders, het is niet te laat om het juiste te doen, maar wees ervan overtuigd - binnenkort wel.


Opmerking: De blauw onderstreepte woorden worden hyperlinks genoemd. Door naar de website www.e-watchman.be te surfen en op de hyperlinks te klikken, kun je de informatie lezen waarnaar wordt verwezen. Deze open brief is naar diverse afdelingen op Bethel gestuurd, alsook naar 100 bijkantoren en kringhallen en honderden koninkrijkszalen in de Verenigde Staten.


Gepubliceerd op: 3 Mei 2005