Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

31 Mei 2005

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

Dit is een gedeelte uit het aangekondigde boek getiteld: "Jehovah Zelf Is Koning Geworden" en is genomen uit het hoofdstuk dat over de profetie van Zefanja gaat.

De stad Jeruzalem was niet alleen de hoofdstad van het Judese koninkrijk, het was ook het exclusieve centrum voor de aanbidding van Jehovah God, met Salomo's tempel op de hoogste top van de berg waar Jeruzalem was gesitueerd. Aangezien de heilige naam van Jehovah nauw verbonden was met Jeruzalem en haar tempel, werd Jehovah door ijver voor zijn naam gedreven degenen te straffen die door valse goden te aanbidden zijn naam onteerden en te schande maakten.

Volgens zijn woord, door middel van Zefanja, maakte de vernietiging die Jehovah door middel van de Babyloniërs over de stad bracht voor eens en voor altijd een einde aan de ontaarde aanbidding van Baäl en Malkam. Nooit meer zou Jehovah in zijn herbouwde tempel de gelijken van de walgelijke Kanaänitische god Baäl; of Malkam (Molech) - "het walgelijke ding van de Ammonieten", tolereren.

Zoals bij iedere moderne toepassing veronderstelt het Wachttorengenootschap dat de christenheid het tegenbeeldige ontrouwe Jeruzalem is. Vanzelfsprekend zouden we ons echter af kunnen vragen hoe de geestelijkheid en de gemeenteleden van de christenheid zich schuldig hebben gemaakt aan "het doen van gezworen eden aan Jehovah en het doen van gezworen eden bij Malkam." Aangezien de christenheid nooit de naam of de persoon Jehovah heeft aangenomen, maar in plaats daarvan de voorkeur geeft aan het aanbidden van de gekerstende versie van de mythische Babylonische drieëenheid - met Jezus als het meest prominente deel van de drieëenheid - moeten degenen die zich "terugtrekken van het volgen van Jehovah" (afvallen) díe christenen zijn die op een zeker moment feitelijk Jehovah aanbaden en volgden - zoals Jehovah's Getuigen. Maar, als dat waar is, hoe kan welke christelijke Getuige van Jehovah dan maar mogelijkerwijs Baäl of Molech aanbidden?

Ten aanzien hiervan publiceerde De Wachttoren van 15 februari 2001 een serie studieartikelen over Zefanja. In een commentaar op het bovenstaande vers leert De Wachttoren:

"Jehovah's hand was uitgestrekt tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem. Hij was vastbesloten de aanbidders van de Kanaänitische vruchtbaarheidsgod Baäl in de dood af te snijden… Gods gramschap zou eveneens worden uitgegoten over degenen die de ware aanbidding met valse religie probeerden te vermengen door 'gezworen eden te doen aan Jehovah en bij Malkam'. Malkam is mogelijk een andere naam voor Molech, de voornaamste god van de Ammonieten. De aanbidding van Molech omvatte het brengen van kinderoffers…"

"Dit alles kan ons doen denken aan de christenheid, doortrokken als ze is van valse religie en astrologie. En haar rol in het offeren van miljoenen levens op het altaar van door geestelijken gesteunde oorlogvoering is inderdaad weerzinwekkend! Laten wij nooit als de ontrouwen van Juda zijn, die 'zich terugtrokken van het volgen van Jehovah' doordat zij onverschillig werden en hem niet langer zochten of om zijn leiding vroegen. Laten wij daarentegen onze rechtschapenheid jegens God bewaren."

De duivelse praktijk van kinderoffers vergelijken met de deelname van de christenheid aan het bloedvergieten in oorlogen is niet echt een passende vergelijking. Tenslotte vochten de Israëlieten ook door God geheiligde oorlogen - vaak juist tegen de aanbidders van Baäl en Molech en andere heidense godheden. En bij verschillende gelegenheden heiligde Jehovah zelfs de executie van vrouwen en kinderen als personen die aan de vernietiging werden prijsgegeven. Trouwens, soldaten zijn nauwelijks te vergelijken met hulpeloze baby's die wreed op het altaar van Molech werden geofferd.

Een meer passende vergelijking met het demonische ritueel van kinderoffers is de pedofilie die door enkelen van de geestelijkheid van de christenheid wordt beoefend - in het bijzonder katholieke priesters. Hoewel de jonge slachtoffers niet letterlijk aan de demonen worden geslachtofferd, zoals de arme ongelukkigen uit het verleden, is het alsof dat met hun kinderlijke onschuld wel het geval is.

Tenslotte waren de demonen oorspronkelijk rechtvaardige engelen die hun juiste plaats in de hemel verlieten om seksuele relaties met schepselen van een andere soort te hebben. Het onnatuurlijke seksuele contact tussen een volwassene en een kind is een kopie van die demonische perversie waar een meerdere een mindere domineert.

Het is wel zeker dat de satanische geest, die eens aanspoorde tot het offeren van kinderen aan Baäl en Molech, dezelfde slechte invloed achter de gesel van pedofilie in de huidige tijd is. De schade die het onschuldige slachtoffer van seksueel geweld wordt aangedaan is in zekere opzichten hartverscheurender, en zeker langduriger, dan dat zij werkelijk zouden worden gedood en aan de vlammen op Molech's altaar geofferd zouden worden. Veel slachtoffers van kindermisbruik lijden levenslang aan emotionele en psychologische problemen. Sommige slachtoffers plegen na jaren van verduurde zielepijn zelfs zelfmoord. In dat opzicht is het eindresultaat hetzelfde als waren zij metterdaad aan het vuur geofferd.

"Zij die aan de leer
van Bileam vasthouden"

Maar waar de kerken van de christenheid met zekerheid hun kindermisbruikschandalen hebben gehad, is de organisatie van Jehovah's Getuigen er ook toe verleid te tolereren dat de seksuele onschuld en reinheid van vele van onze jonge kinderen aan de demonen wordt geslachtofferd. (Zie Silentlambs-website) Waarschijnlijk raken veel Jehovah's Getuigen door een dergelijke bewering geschokt maar beschouw eerst Jehovah's kijk op de zaak eens:

De Israëlieten waren al bekend met de Baälaanbidding nog vóór zij het Beloofde Land binnengingen. Dit gebeurde op de Vlakte van Moab door de listigheid van Bileam "de ziener" die koning Balak de raad gaf Moabitische vrouwen als prostituee te gebruiken om de Israëlitische mannen tot seksuele immoraliteit en afgoderij te verleiden.

Tragisch genoeg werkte dat.

Het historische verslag uit Numeri 25:1-3 zegt: "Toen begon het volk immorele betrekkingen te hebben met de dochters van Moab. En de vrouwen kwamen het volk uitnodigen tot de slachtoffers van hun goden, en het volk ging eten en zich voor hun goden neerbuigen. Zo verbond Israël zich aan de Baäl van Peor; en de toorn van Jehovah ontbrandde nu tegen Israël."

Toegegeven, er wordt bij die gelegenheid geen melding gemaakt van kinderoffers; echter, de betekenis van het vervallen tot Baälaanbidding door Israël wordt in het boek Openbaring gevonden. Daar openbaart de door Jezus geïnspireerde brief aan de gemeente van gezalfde christenen in Pergamum dat Bileam een geestelijke tegenhanger, levend en wel, tijdens de dag des Heren in de christelijke gemeente heeft. In Openbaring 2:14 spreekt de Heer Jezus tot de gemeente en zegt: "..dat gij daar sommigen hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak ging leren een struikelblok voor de zonen van Israël te leggen, dat zij dingen zouden eten die aan afgoden ten slachtoffer waren gebracht en hoererij zouden bedrijven."

De historische Bileam was geen gewone man. Hij was een groot man. Bij verscheidene gelegenheden praatte hij met Jehovah God zelf! We lezen bijvoorbeeld: "Toen kwam God tot Bileam en zei: "Wie zijn die mannen bij u?" Bileam zei dus tot de ware God…" (Numeri 22:9-10)

En in het 20ste vers: "Toen kwam God 's nachts tot Bileam en zei tot hem…"

En nogmaals in Numeri 23:16: "Daarop trad Jehovah met Bileam in contact en legde een woord in zijn mond…"

Bileam was op een zeker moment zelfs met Gods heilige geest gezegend zoals er in Numeri 24:2-3 staat: "Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël volgens zijn stammen verblijf zag houden, kwam voorts de geest van God over hem. Derhalve hief hij zijn spreukachtige rede aan…"

Bileam werd zelfs geïnspireerd om over zichzelf te zeggen: "De uitspraak van degene die de woorden van God hoort---Die een visioen van de Almachtige te zien kreeg terwijl hij neerviel met ontsloten ogen…"

Het punt is dat Bileam Jehovah kende. Hij wist op zijn minst dat Jehovah Baälaanbidding onder zijn volk niet zou tolereren. Op listige wijze gaf Bileam aan Balak de raad om Gods volk tot ontrouwheid te verleiden, wel wetend dat Jehovah hierdoor zou worden beledigd. De raad van Bileam was echter niet speciaal bedoeld om iedere mannelijke Israëliet tot ontucht te verlokken.Dat was niet nodig om Jehovah er toe te brengen zijn toorn tegen de natie te brengen. Klaarblijkelijk wist Bileam in zijn listigheid dat Jehovah's toorn kon ontbranden als slechts een relatief klein aantal Israëlitische mannen feitelijk aan het bacchanaal deelnam - zo lang de leiders van het volk de zonde maar passief tolereerden. Dat wordt duidelijk door het feit dat de plaag over Israël pas ophield toen een priester, Pinehas genaamd, actie ondernam en twee ontuchtplegers executeerde.

Net zoals Jezus over degenen in de gemeente Pergamum sprak als "zij die aan de leer van Bileam vasthouden", waarschuwden de christelijke schrijvers Petrus en Judas gelovigen op hun hoede te zijn voor de valse leraren die "zich voor een beloning hals over kop op de dwaalweg van Bileam begeven." Zulke mannen loeren als "onder water verborgen klippen", terwijl hun verraad voor de onoplettenden verborgen blijft. De reden waarom zij zo'n gevaar vormen voor christenen is omdat deze Bileam-achtige dienaren vertrouwde ouderlingen en leiders zijn die samen met Gods volk feest vieren. Dat wordt duidelijk uit Judas' verdere commentaar dat hen identificeert als "herders die zonder vrees zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden heen en weer gedreven; bomen in de late herfst, maar zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld; woeste golven van de zee, die hun eigen oorzaken van schande opschuimen; sterren zonder vaste baan, waarvoor de donkerheid van de duisternis voor eeuwig is weggelegd."

"Herders die zichzelf weiden" zijn duidelijk zichzelf dienende ouderlingen in de gemeente - wellicht zichzelf voordoend als de gezalfde, getrouwe slaaf. Hen te vergelijken met "sterren zonder vaste baan" suggereert dat zij zich voordoen als geestelijke leiders, maar hun "leiding" is net zo onbetrouwbaar als het navigeren op een dwaalster aan de hemel. Net als Jezus aan de Farizeëen vroeg hoe zij aan het oordeel van Gehenna dachten te ontsnappen, moet de wat vreemd aandoende omschrijving dat zij "tweemaal gestorven zijn" wel beduiden dat hun baan van verraad reeds de veroordeling tot de tweede dood over hen heeft gebracht. Aangezien datzelfde oordeel ook is weggelegd voor de slechte slaven uit Christus' illustraties, moet "de leer van Bileam" uiteindelijk wel van hen afkomen.

"U tolereert die vrouw Izébel"

Een andere verstokte Baälaanbidster was koningin Izébel. En ook zij wordt door Jezus als een slechte invloed tijdens de dag des Heren in de gemeente genoemd. In Openbaring 2:20 richt de Heer Jezus zich tot de gemeente als hij zegt: "Niettemin heb ik dit tegen u, dat gij die vrouw Izébel, die zich een profetes noemt, tolereert, en zij leert en misleidt mijn slaven, zodat zij hoererij bedrijven en dingen eten die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht."

In het commentaar op de betekenis van het vers geeft het Wachttorengenootschap vrijuit toe dat er ieder jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen worden uitgesloten uit de gemeenten vanwege het beoefenen van verscheidene vormen van seksuele immoraliteit. Dat is echter wel in overeenstemming met wat Paulus de gemeenten adviseerde te doen met onberouwvolle ontuchtplegers in hun midden, wanneer hij zegt: "verwijder de goddeloze man uit uw midden." Dus het is niet waarschijnlijk dat Jezus Jehovah's Getuigen veroordeelt voor het tolereren van dat specifieke aspect van immoraliteit. Hoe staat het echter met de manier waarop er met kindermisbruikende pedofielen wordt omgegaan? Kan het Wachttorengenootschap er prat op gaan verdorven pedofielen uit de organisatie te hebben verwijderd met dezelfde vastbeslotenheid als waarmee zij tienduizenden jonge volwassenen en tieners die ontucht pleegden heeft uitgesloten?

Jezus ging voort over Izébel te zeggen: "En ik heb haar tijd gegeven om berouw te hebben, maar zij wil geen berouw hebben van haar hoererij. Zie! Ik sta op het punt haar op een ziekbed te werpen, en hen die overspel met haar plegen, in grote verdrukking te brengen, tenzij zij berouw hebben van haar daden. En haar kinderen zal ik met dodelijke plagen doden, zodat alle gemeenten zullen weten dat ik het ben die de nieren en harten doorzoek, en ik zal een ieder van u geven overeenkomstig uw daden."

Gelieve het feit op te merken dat Jezus "Izébel" en haar minnaars niet langer tolereert en haar en haar kinderen "in grote verdrukking" brengt; klaarblijkelijk gedurende de grote verdrukking. Het is dus duidelijk dat er een immorele Izébel-achtige invloed bestaat binnen Gods huisgezin tot het moment dat Christus die definitief zal verwijderen. Zonder twijfel zal dat zijn wanneer Christus zijn Vaders geestelijke tempel reinigt.

Het punt is echter dat Christus niet gewoonweg alleen de ontuchtplegers zelf bestraft. Christus bestraft degenen die "die vrouw Izébel" en de leer van Bileam tolereren. Zou het kunnen zijn dat, aangezien zowel de Bileam- als de Izébelgroep binnen de gemeenten en onder de ware discipelen van Christus een zekere vorm van afgoderij bevorderen (en kennelijk met een mate van succes), de soort van afgoderij die zij voorstaan de verafgoding van het Wachttorengenootschap zélf is? Beschouw eens een paar relevante feiten:

Het is een onloochenbaar feit dat het Wachttorengenootschap er op zowel subtiele als niet-zo-subtiele wijze naar heeft gestreefd de slachtoffers van pedofilie en hun families de mond te snoeren, ten einde de gemeente of de organisatie niet in een slecht daglicht te stellen. De redenering is altijd geweest dat niemand van dergelijke slechtheid hoeft te weten om 'geen smaad op Jehovah's naam te brengen.' Dus is er een sterke neiging tot geheimhouding - wat natuurlijk de belangen van de daders van misdaden tegen kinderen dient. Het is ook een feit dat het Genootschap ouderlingen ontmoedigt de gemeente in te lichten wanneer er een verdacht of zelfs erkend seksueel roofdier in hun midden is - zodoende meer kinderen blootstellend aan het risico slachtoffer te worden. Zelfs wanneer een pedofiel wordt uitgesloten wordt de gemeente niet verteld waarom. (Bij wijze van tegenstelling; de apostel Paulus schreef aan de gemeente van Korinthiërs en beschreef in detail de aard van de ontucht die een man beoefende en wat door de gemeente getolereerd werd.)

Terwijl iedere gemeente van Jehovah's Getuigen de autoriteit heeft vergaderingsonderdelen speciaal te wijden aan "plaatselijke behoeften" nemen ouderlingen die gelegenheden slechts zelden te baat om de gemeente te waarschuwen wanneer een van pedofilie verdachte persoon in hun midden is. Ongetwijfeld is de reputatie van de organisatie als een "geestelijk paradijs" belangrijker om te handhaven dan het welzijn en de veiligheid van onze eigen kinderen.

Het is in het geheel niet ongebruikelijk dat de slachtoffers van kindermisbruik wordt verteld "op Jehovah te wachten" terwijl de boosdoener ongestraft blijft vanwege het gebrek aan twee getuigen van hun misdaad. Wat nog erger is dan het gebrek aan welke straf dan ook voor de boosdoener; andere onschuldige kinderen lopen dankzij dit beleid grote risico's - dit alles vanwege het doel "geen smaad op Jehovah's naam" te willen werpen.

Dergelijke doortrapte redeneringen hebben de gemeenten verstrikt in het tolereren van een vorm van de "leer van Bileam." Door zich op een dergelijke manier op de naam van Jehovah te beroepen, door de slachtoffers te vertellen "op Jehovah te wachten" om gerechtigheid te doen plaatsvinden, is het alsof de gemeenten het slachtofferen van kinderen aan de demonische praktijk van pedofilie heiligen. Kan dan niet worden gezegd dat dergelijke mannen gezworen eden doen aan zowel Jehovah als Malkam (Molech), zoals in Zefanja 1:5 wordt beschreven?

Ironisch genoeg heeft het feitelijke schandaal van kindermisbruik nog bij lange na niet de smaad op Jehovah's naam gebracht als de allerbelabberdste manier waarop de leiding van Jehovah's Getuigen het probleem heeft aangepakt. Misschien is de grootste ironie wel dat degenen die misbruikslachtoffers ter zijde hebben geveegd, met holle platitudes als "wacht maar op Jehovah", zich onder Gods oordeel zullen bevinden als het wachten voorbij is.

Het oordeel dat Jehovah uiteindelijk voltrok tegen Jeruzalem was geheel overeenkomstig hetgeen was vastgelegd in de Wet in Leviticus 20:3-5: "En wat mij betreft, ik zal mijn aangezicht tegen die man keren, en ik wil hem uit het midden van zijn volk afsnijden, omdat hij van zijn nageslacht aan Molech heeft gegeven, om mijn heilige plaats te verontreinigen en mijn heilige naam te ontheiligen. En mocht het volk van het land moedwillig de ogen verbergen voor die man als hij van zijn nageslacht aan Molech geeft, door hem niet ter dood te brengen, dan zal ik, van mijn kant, stellig mijn aangezicht tegen die man en zijn familie richten, en ik zal hem en allen die samen met hem immorele gemeenschap hebben door immorele gemeenschap met Molech te hebben, werkelijk uit het midden van hun volk afsnijden."

In de dagen van Zefanja negeerde het volk kennelijk opzettelijk het offeren van kinderen wat toen plaatsvond. Maar hun tekortkoming in het hooghouden van de Wet bewoog Jehovah de Almachtige ertoe zelf actie te ondernemen. Jehovah's gevoel voor rechtvaardigheid verplichtte hem zelf een menselijk slachtoffer te brengen door de priesters van Baäl te vernietigen. Zefanja 1:7-9 zegt hierover: "Bewaar het stilzwijgen voor het aangezicht van de Soevereine Heer Jehovah; want de dag van Jehovah is nabij, want Jehovah heeft een slachtoffer bereid; hij heeft zijn genodigden geheiligd. "En het moet geschieden op de dag van Jehovah's slachtoffer dat ik aandacht wil schenken aan de vorsten, en aan de zonen van de koning, en aan al degenen die buitenlandse kledij dragen. En ik wil aandacht schenken aan iedereen die op die dag het podium bestijgt, degenen die het huis van hun meesters met geweld en bedrog vullen."

De vorsten en priesters van Baäl in "buitenlandse kledij" moet overeenkomen met de Bileam- en Izébelgroep die tijdens de dag des heren binnen de gemeente bestaat. We kunnen er zeker van zijn dat Jehovah op gelijke wijze actie tegen de dienaren van Baäl binnen de organisatie van Jehovah's Getuigen zal ondernemen ten einde zijn eigen naam te heiligen van de smaad die door hen is toegebracht.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman