|
Dit
is een gedeelte uit het aangekondigde boek getiteld: "Jehovah
Zelf Is Koning Geworden" en is genomen uit het hoofdstuk dat over
de profetie van Zefanja gaat.
De stad Jeruzalem was niet alleen de hoofdstad van het Judese
koninkrijk, het was ook het exclusieve centrum voor de aanbidding
van Jehovah God, met Salomo's tempel op de hoogste top van de
berg waar Jeruzalem was gesitueerd. Aangezien de heilige naam
van Jehovah nauw verbonden was met Jeruzalem en haar tempel, werd
Jehovah door ijver voor zijn naam gedreven degenen te straffen
die door valse goden te aanbidden zijn naam onteerden en te schande
maakten.
Volgens zijn woord, door middel van Zefanja, maakte de vernietiging
die Jehovah door middel van de Babyloniërs over de stad bracht
voor eens en voor altijd een einde aan de ontaarde aanbidding
van Baäl en Malkam. Nooit meer zou Jehovah in zijn herbouwde tempel
de gelijken van de walgelijke Kanaänitische god Baäl; of Malkam
(Molech) - "het walgelijke ding van de Ammonieten", tolereren.
Zoals bij iedere moderne toepassing veronderstelt het Wachttorengenootschap
dat de christenheid het tegenbeeldige ontrouwe Jeruzalem is. Vanzelfsprekend
zouden we ons echter af kunnen vragen hoe de geestelijkheid en
de gemeenteleden van de christenheid zich schuldig hebben gemaakt
aan "het doen van gezworen eden aan Jehovah en het doen van gezworen
eden bij Malkam." Aangezien de christenheid nooit de naam of de
persoon Jehovah heeft aangenomen, maar in plaats daarvan de voorkeur
geeft aan het aanbidden van de gekerstende versie van de mythische
Babylonische drieëenheid - met Jezus als het meest prominente
deel van de drieëenheid - moeten degenen die zich "terugtrekken
van het volgen van Jehovah" (afvallen) díe christenen zijn die
op een zeker moment feitelijk Jehovah aanbaden en volgden - zoals
Jehovah's Getuigen. Maar, als dat waar is, hoe kan welke christelijke
Getuige van Jehovah dan maar mogelijkerwijs Baäl of Molech aanbidden?
Ten aanzien hiervan publiceerde De Wachttoren van 15
februari 2001 een serie studieartikelen over Zefanja. In een commentaar
op het bovenstaande vers leert De Wachttoren:
"Jehovah's hand
was uitgestrekt tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem. Hij
was vastbesloten de aanbidders van de Kanaänitische vruchtbaarheidsgod
Baäl in de dood af te snijden… Gods gramschap zou eveneens worden
uitgegoten over degenen die de ware aanbidding met valse religie
probeerden te vermengen door 'gezworen eden te doen aan Jehovah
en bij Malkam'. Malkam is mogelijk een andere naam voor Molech,
de voornaamste god van de Ammonieten. De aanbidding van Molech
omvatte het brengen van kinderoffers…"
"Dit alles kan
ons doen denken aan de christenheid, doortrokken als ze is van
valse religie en astrologie. En haar rol in het offeren van
miljoenen levens op het altaar van door geestelijken gesteunde
oorlogvoering is inderdaad weerzinwekkend! Laten wij nooit als
de ontrouwen van Juda zijn, die 'zich terugtrokken van het volgen
van Jehovah' doordat zij onverschillig werden en hem niet langer
zochten of om zijn leiding vroegen. Laten wij daarentegen onze
rechtschapenheid jegens God bewaren."
De duivelse praktijk van kinderoffers vergelijken met de deelname
van de christenheid aan het bloedvergieten in oorlogen is niet
echt een passende vergelijking. Tenslotte vochten de Israëlieten
ook door God geheiligde oorlogen - vaak juist tegen de aanbidders
van Baäl en Molech en andere heidense godheden. En bij verschillende
gelegenheden heiligde Jehovah zelfs de executie van vrouwen en
kinderen als personen die aan de vernietiging werden prijsgegeven.
Trouwens, soldaten zijn nauwelijks te vergelijken met hulpeloze
baby's die wreed op het altaar van Molech werden geofferd.
Een meer passende vergelijking met het demonische ritueel van
kinderoffers is de pedofilie die door enkelen van de geestelijkheid
van de christenheid wordt beoefend - in het bijzonder katholieke
priesters. Hoewel de jonge slachtoffers niet letterlijk
aan de demonen worden geslachtofferd, zoals de arme ongelukkigen
uit het verleden, is het alsof dat met hun kinderlijke onschuld
wel het geval is.
Tenslotte waren de demonen oorspronkelijk rechtvaardige engelen
die hun juiste plaats in de hemel verlieten om seksuele relaties
met schepselen van een andere soort te hebben. Het onnatuurlijke
seksuele contact tussen een volwassene en een kind is een kopie
van die demonische perversie waar een meerdere een mindere
domineert.
Het is wel zeker dat de satanische geest, die eens aanspoorde
tot het offeren van kinderen aan Baäl en Molech, dezelfde slechte
invloed achter de gesel van pedofilie in de huidige tijd is. De
schade die het onschuldige slachtoffer van seksueel geweld wordt
aangedaan is in zekere opzichten hartverscheurender, en
zeker langduriger, dan dat zij werkelijk zouden worden gedood
en aan de vlammen op Molech's altaar geofferd zouden worden. Veel
slachtoffers van kindermisbruik lijden levenslang aan emotionele
en psychologische problemen. Sommige slachtoffers plegen na jaren
van verduurde zielepijn zelfs zelfmoord. In dat opzicht is het
eindresultaat hetzelfde als waren zij metterdaad aan het vuur
geofferd.
"Zij
die aan de leer
van Bileam vasthouden"
Maar waar de kerken van de christenheid met zekerheid hun kindermisbruikschandalen
hebben gehad, is de organisatie van Jehovah's Getuigen er ook
toe verleid te tolereren dat de seksuele onschuld en reinheid
van vele van onze jonge kinderen aan de demonen wordt geslachtofferd.
(Zie Silentlambs-website)
Waarschijnlijk raken veel Jehovah's Getuigen door een dergelijke
bewering geschokt maar beschouw eerst Jehovah's kijk op de zaak
eens:
De Israëlieten waren al bekend met de Baälaanbidding nog vóór
zij het Beloofde Land binnengingen. Dit gebeurde op de Vlakte
van Moab door de listigheid van Bileam "de ziener" die koning
Balak de raad gaf Moabitische vrouwen als prostituee te gebruiken
om de Israëlitische mannen tot seksuele immoraliteit en afgoderij
te verleiden.
Tragisch genoeg werkte dat.
Het historische verslag uit Numeri 25:1-3 zegt: "Toen begon
het volk immorele betrekkingen te hebben met de dochters van Moab.
En de vrouwen kwamen het volk uitnodigen tot de slachtoffers van
hun goden, en het volk ging eten en zich voor hun goden neerbuigen.
Zo verbond Israël zich aan de Baäl van Peor; en de toorn van Jehovah
ontbrandde nu tegen Israël."
Toegegeven, er wordt bij die gelegenheid geen melding gemaakt
van kinderoffers; echter, de betekenis van het vervallen tot Baälaanbidding
door Israël wordt in het boek Openbaring gevonden. Daar openbaart
de door Jezus geïnspireerde brief aan de gemeente van gezalfde
christenen in Pergamum dat Bileam een geestelijke tegenhanger,
levend en wel, tijdens de dag des Heren in de christelijke gemeente
heeft. In Openbaring 2:14 spreekt de Heer Jezus tot de gemeente
en zegt: "..dat gij daar sommigen hebt die aan de leer van
Bileam vasthouden, die Balak ging leren een struikelblok voor
de zonen van Israël te leggen, dat zij dingen zouden eten die
aan afgoden ten slachtoffer waren gebracht en hoererij zouden
bedrijven."
De historische Bileam was geen gewone man. Hij was een groot
man. Bij verscheidene gelegenheden praatte hij met Jehovah God
zelf! We lezen bijvoorbeeld: "Toen kwam God tot Bileam en zei:
"Wie zijn die mannen bij u?" Bileam zei dus tot de ware God…"
(Numeri 22:9-10)
En in het 20ste vers: "Toen kwam God 's nachts tot Bileam
en zei tot hem…"
En nogmaals in Numeri 23:16: "Daarop trad Jehovah met Bileam
in contact en legde een woord in zijn mond…"
Bileam was op een zeker moment zelfs met Gods heilige geest
gezegend zoals er in Numeri 24:2-3 staat: "Toen Bileam zijn
ogen opsloeg en Israël volgens zijn stammen verblijf zag houden,
kwam voorts de geest van God over hem. Derhalve hief hij zijn
spreukachtige rede aan…"
Bileam werd zelfs geïnspireerd om over zichzelf te zeggen: "De
uitspraak van degene die de woorden van God hoort---Die een visioen
van de Almachtige te zien kreeg terwijl hij neerviel met ontsloten
ogen…"
Het punt is dat Bileam Jehovah kende. Hij wist op zijn minst
dat Jehovah Baälaanbidding onder zijn volk niet zou tolereren.
Op listige wijze gaf Bileam aan Balak de raad om Gods volk tot
ontrouwheid te verleiden, wel wetend dat Jehovah hierdoor zou
worden beledigd. De raad van Bileam was echter niet speciaal bedoeld
om iedere mannelijke Israëliet tot ontucht te verlokken.Dat
was niet nodig om Jehovah er toe te brengen zijn toorn tegen de
natie te brengen. Klaarblijkelijk wist Bileam in zijn listigheid
dat Jehovah's toorn kon ontbranden als slechts een relatief klein
aantal Israëlitische mannen feitelijk aan het bacchanaal deelnam
- zo lang de leiders van het volk de zonde maar passief tolereerden.
Dat wordt duidelijk door het feit dat de plaag over Israël pas
ophield toen een priester, Pinehas genaamd, actie ondernam en
twee ontuchtplegers executeerde.
Net zoals Jezus over degenen in de gemeente Pergamum sprak als
"zij die aan de leer van Bileam vasthouden", waarschuwden de christelijke
schrijvers Petrus en Judas gelovigen op hun hoede te zijn voor
de valse leraren die "zich voor een beloning hals over kop
op de dwaalweg van Bileam begeven." Zulke mannen loeren als
"onder water verborgen klippen", terwijl hun verraad voor
de onoplettenden verborgen blijft. De reden waarom zij zo'n gevaar
vormen voor christenen is omdat deze Bileam-achtige dienaren vertrouwde
ouderlingen en leiders zijn die samen met Gods volk feest vieren.
Dat wordt duidelijk uit Judas' verdere commentaar dat hen identificeert
als "herders die zonder vrees zichzelf weiden; waterloze wolken,
door winden heen en weer gedreven; bomen in de late herfst, maar
zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld; woeste golven van
de zee, die hun eigen oorzaken van schande opschuimen; sterren
zonder vaste baan, waarvoor de donkerheid van de duisternis voor
eeuwig is weggelegd."
"Herders die zichzelf weiden" zijn duidelijk zichzelf dienende
ouderlingen in de gemeente - wellicht zichzelf voordoend als de
gezalfde, getrouwe slaaf. Hen te vergelijken met "sterren zonder
vaste baan" suggereert dat zij zich voordoen als geestelijke leiders,
maar hun "leiding" is net zo onbetrouwbaar als het navigeren op
een dwaalster aan de hemel. Net als Jezus aan de Farizeëen vroeg
hoe zij aan het oordeel van Gehenna dachten te ontsnappen, moet
de wat vreemd aandoende omschrijving dat zij "tweemaal gestorven
zijn" wel beduiden dat hun baan van verraad reeds de veroordeling
tot de tweede dood over hen heeft gebracht. Aangezien datzelfde
oordeel ook is weggelegd voor de slechte slaven uit Christus'
illustraties, moet "de leer van Bileam" uiteindelijk wel van hen
afkomen.
"U
tolereert die vrouw Izébel"
Een andere verstokte Baälaanbidster was koningin Izébel. En
ook zij wordt door Jezus als een slechte invloed tijdens de dag
des Heren in de gemeente genoemd. In Openbaring 2:20 richt de
Heer Jezus zich tot de gemeente als hij zegt: "Niettemin heb
ik dit tegen u, dat gij die vrouw Izébel, die zich een profetes
noemt, tolereert, en zij leert en misleidt mijn slaven, zodat
zij hoererij bedrijven en dingen eten die aan afgoden ten slachtoffer
zijn gebracht."
In het commentaar op de betekenis van het vers geeft het Wachttorengenootschap
vrijuit toe dat er ieder jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen
worden uitgesloten uit de gemeenten vanwege het beoefenen van
verscheidene vormen van seksuele immoraliteit. Dat is echter wel
in overeenstemming met wat Paulus de gemeenten adviseerde te doen
met onberouwvolle ontuchtplegers in hun midden, wanneer hij zegt:
"verwijder de goddeloze man uit uw midden." Dus het is
niet waarschijnlijk dat Jezus Jehovah's Getuigen veroordeelt voor
het tolereren van dat specifieke aspect van immoraliteit. Hoe
staat het echter met de manier waarop er met kindermisbruikende
pedofielen wordt omgegaan? Kan het Wachttorengenootschap er prat
op gaan verdorven pedofielen uit de organisatie te hebben verwijderd
met dezelfde vastbeslotenheid als waarmee zij tienduizenden jonge
volwassenen en tieners die ontucht pleegden heeft uitgesloten?
Jezus ging voort over Izébel te zeggen: "En ik heb haar
tijd gegeven om berouw te hebben, maar zij wil geen berouw hebben
van haar hoererij. Zie! Ik sta op het punt haar op een ziekbed
te werpen, en hen die overspel met haar plegen, in grote verdrukking
te brengen, tenzij zij berouw hebben van haar daden. En haar kinderen
zal ik met dodelijke plagen doden, zodat alle gemeenten zullen
weten dat ik het ben die de nieren en harten doorzoek, en ik zal
een ieder van u geven overeenkomstig uw daden."
Gelieve het feit op te merken dat Jezus "Izébel" en haar minnaars
niet langer tolereert en haar en haar kinderen "in grote verdrukking"
brengt; klaarblijkelijk gedurende de grote verdrukking.
Het is dus duidelijk dat er een immorele Izébel-achtige invloed
bestaat binnen Gods huisgezin tot het moment dat Christus die
definitief zal verwijderen. Zonder twijfel zal dat zijn wanneer
Christus zijn Vaders geestelijke tempel reinigt.
Het punt is echter dat Christus niet gewoonweg alleen de ontuchtplegers
zelf bestraft. Christus bestraft degenen die "die vrouw Izébel"
en de leer van Bileam tolereren. Zou het kunnen zijn dat, aangezien
zowel de Bileam- als de Izébelgroep binnen de gemeenten en onder
de ware discipelen van Christus een zekere vorm van afgoderij
bevorderen (en kennelijk met een mate van succes), de soort van
afgoderij die zij voorstaan de verafgoding van het Wachttorengenootschap
zélf is? Beschouw eens een paar relevante feiten:
Het is een onloochenbaar feit dat het Wachttorengenootschap
er op zowel subtiele als niet-zo-subtiele wijze naar heeft gestreefd
de slachtoffers van pedofilie en hun families de mond te snoeren,
ten einde de gemeente of de organisatie niet in een slecht daglicht
te stellen. De redenering is altijd geweest dat niemand van dergelijke
slechtheid hoeft te weten om 'geen smaad op Jehovah's naam te
brengen.' Dus is er een sterke neiging tot geheimhouding - wat
natuurlijk de belangen van de daders van misdaden tegen kinderen
dient. Het is ook een feit dat het Genootschap ouderlingen ontmoedigt
de gemeente in te lichten wanneer er een verdacht of zelfs erkend
seksueel roofdier in hun midden is - zodoende meer kinderen blootstellend
aan het risico slachtoffer te worden. Zelfs wanneer een pedofiel
wordt uitgesloten wordt de gemeente niet verteld waarom. (Bij
wijze van tegenstelling; de apostel Paulus schreef aan de gemeente
van Korinthiërs en beschreef in detail de aard van de ontucht
die een man beoefende en wat door de gemeente getolereerd werd.)
Terwijl iedere gemeente van Jehovah's Getuigen de autoriteit
heeft vergaderingsonderdelen speciaal te wijden aan "plaatselijke
behoeften" nemen ouderlingen die gelegenheden slechts zelden te
baat om de gemeente te waarschuwen wanneer een van pedofilie verdachte
persoon in hun midden is. Ongetwijfeld is de reputatie
van de organisatie als een "geestelijk paradijs" belangrijker
om te handhaven dan het welzijn en de veiligheid van onze eigen
kinderen.
Het is in het geheel niet ongebruikelijk dat de slachtoffers
van kindermisbruik wordt verteld "op Jehovah te wachten" terwijl
de boosdoener ongestraft blijft vanwege het gebrek aan twee getuigen
van hun misdaad. Wat nog erger is dan het gebrek aan welke straf
dan ook voor de boosdoener; andere onschuldige kinderen lopen
dankzij dit beleid grote risico's - dit alles vanwege het doel
"geen smaad op Jehovah's naam" te willen werpen.
Dergelijke doortrapte redeneringen hebben de gemeenten verstrikt
in het tolereren van een vorm van de "leer van Bileam." Door zich
op een dergelijke manier op de naam van Jehovah te beroepen, door
de slachtoffers te vertellen "op Jehovah te wachten" om gerechtigheid
te doen plaatsvinden, is het alsof de gemeenten het slachtofferen
van kinderen aan de demonische praktijk van pedofilie heiligen.
Kan dan niet worden gezegd dat dergelijke mannen gezworen eden
doen aan zowel Jehovah als Malkam (Molech), zoals in Zefanja 1:5
wordt beschreven?
Ironisch genoeg heeft het feitelijke schandaal van kindermisbruik
nog bij lange na niet de smaad op Jehovah's naam gebracht als
de allerbelabberdste manier waarop de leiding van Jehovah's Getuigen
het probleem heeft aangepakt. Misschien is de grootste ironie
wel dat degenen die misbruikslachtoffers ter zijde hebben geveegd,
met holle platitudes als "wacht maar op Jehovah", zich onder Gods
oordeel zullen bevinden als het wachten voorbij is.
Het oordeel dat Jehovah uiteindelijk voltrok tegen Jeruzalem
was geheel overeenkomstig hetgeen was vastgelegd in de Wet in
Leviticus 20:3-5: "En wat mij betreft, ik zal mijn aangezicht
tegen die man keren, en ik wil hem uit het midden van zijn volk
afsnijden, omdat hij van zijn nageslacht aan Molech heeft gegeven,
om mijn heilige plaats te verontreinigen en mijn heilige naam
te ontheiligen. En mocht het volk van het land moedwillig de ogen
verbergen voor die man als hij van zijn nageslacht aan Molech
geeft, door hem niet ter dood te brengen, dan zal ik, van mijn
kant, stellig mijn aangezicht tegen die man en zijn familie richten,
en ik zal hem en allen die samen met hem immorele gemeenschap
hebben door immorele gemeenschap met Molech te hebben, werkelijk
uit het midden van hun volk afsnijden."
In de dagen van Zefanja negeerde het volk kennelijk opzettelijk
het offeren van kinderen wat toen plaatsvond. Maar hun tekortkoming
in het hooghouden van de Wet bewoog Jehovah de Almachtige ertoe
zelf actie te ondernemen. Jehovah's gevoel voor rechtvaardigheid
verplichtte hem zelf een menselijk slachtoffer te brengen door
de priesters van Baäl te vernietigen. Zefanja 1:7-9 zegt hierover:
"Bewaar het stilzwijgen voor het aangezicht van de Soevereine
Heer Jehovah; want de dag van Jehovah is nabij, want Jehovah heeft
een slachtoffer bereid; hij heeft zijn genodigden geheiligd. "En
het moet geschieden op de dag van Jehovah's slachtoffer dat ik
aandacht wil schenken aan de vorsten, en aan de zonen van de koning,
en aan al degenen die buitenlandse kledij dragen. En ik wil aandacht
schenken aan iedereen die op die dag het podium bestijgt, degenen
die het huis van hun meesters met geweld en bedrog vullen."
De vorsten en priesters van Baäl in "buitenlandse kledij" moet
overeenkomen met de Bileam- en Izébelgroep die tijdens de dag
des heren binnen de gemeente bestaat. We kunnen er zeker van zijn
dat Jehovah op gelijke wijze actie tegen de dienaren van Baäl
binnen de organisatie van Jehovah's Getuigen zal ondernemen ten
einde zijn eigen naam te heiligen van de smaad die door hen is
toegebracht.
|