Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

28 September 2005

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Commentaar
Download Commentaar *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

 

“Zeg tot degenen die met witkalk pleisteren, dat hij zal vallen.

Een overstromende stortregen zal stellig plaatsvinden en gij, o hagelstenen, zult vallen,

en zelfs het geblaas van stormwinden zal hem doen splijten.

En zie! de muur moet vallen.”

 


Het is een gewichtige zaak in de naam van Jehovah te spreken en te onderwijzen, wat dan ook de reden is waarom de geïnspireerde brief van Jakobus christelijke mannen waarschuwt dat niet velen onderwijzers moeten worden …”wetende dat wij een zwaarder oordeel zullen ontvangen.”

Maar de ontnuchterende vraag die hier wordt gesteld is: wanneer onderwijzers binnen de gemeenten al onontkoombaar een zwaarder oordeel ontvangen voor zelfs het onopzettelijk laten struikelen van anderen, wat betekent dat dan niet voor de onderwijzers van de onderwijzers; zij die als de profeten van de organisatie dienen; die de profetieën voor de hele gemeente interpreteren; maar die Gods volk misleiden door Jehovah's oordelen voor hen te verbergen?

Hun oordeel zal werkelijk heel zwaar zijn!

Het 13de hoofdstuk van Ezechiël bevat de rechterlijke beslissingen van Jehovah waarover besloten is ze te voltrekken aan degenen die de “verstandeloze profeten” worden genoemd. Dat de profetie betekenis heeft voor het christelijke tijdperk wordt duidelijk door het feit dat het oordeel zich voordoet tijdens “Jehovah's Dag.” (vers 5) Maar wie worden dan wel afgebeeld door de “verstandeloze profeten” en waarom worden zij ongunstig beoordeeld? Volgens het Wachttorengenootschap beelden de “verstandeloze profeten” de geestelijkheid van de hedendaagse christenheid af. Als dat echter waar is, hoe komt het dan dat de “verstandeloze profeten” worden veroordeeld voor het misleiden van Gods volk? In Ezechiël 13:10 maakt Jehovah de reden voor hun openlijke veroordeling bekend: “omdat, ja, omdat zij mijn volk op een dwaalspoor gebracht hebben.” Méér nog dan dat gaat de profetie verder te zeggen: “In de intieme groep van mijn volk zullen zij niet blijven…” Maar hoe is het voor de geestelijkheid van de christenheid mogelijk “in de intieme groep van mijn (Jehovah's) volk te wonen”, tot Jehovah's dag - wanneer Gods oordeel tegen hen wordt geopenbaard?

Het ligt voor de hand dat dat niet kan.

Om Jehovah's volk te misleiden is het voor de valse zieners noodzakelijk directe zeggenschap over de organisatie te hebben.

Bovendien spreekt de geestelijkheid niet in de naam van Jehovah. Toch doen de “verstandeloze profeten” dat wel. Volgens de profetie betrekken zij Jehovah's naam bij hun leugenachtige visioenen door te zeggen: “De uitspraak van Jehovah is…”

De “verstandeloze profeten” uit Ezechiëls profetie kunnen alleen maar Bethels eigen, veilig in het instituut genestelde, visionairs zijn; zij die in de naam van Jehovah spreken en die tegenwoordig in Gods huisgezin het monopolie op bijbelse interpretatie hebben. Zíj zijn het die Jehovah's Getuigen er toe leiden te geloven dat „er vrede is, terwijl er geen vrede is” - zoals de profetie treffend beschrijft.

Dit wordt nog het meest duidelijk als het gaat om de vaak herhaalde veronderstelling dat het Wachttorengenootschap een grazig “geestelijk paradijs” is - naar wordt verondersteld volkomen vrij van beestachtige roofdieren - zoals in de profetie wordt voorzegd. (Dit ondanks het feit dat duizenden kinderen van ouders, die Jehovah's Getuigen zijn, aangerand, tot ontucht verleid of anderszins seksueel gemolesteerd en zelfs enkelen vermoord zijn door Jehovah's Getuigen.)

Nog een aspect van hoe Bethel in de naam van Jehovah ten onrechte vrede heeft uitgeroepen heeft te maken met de leerstelling dat het oordeel over het huis van God in 1918 is begonnen en dat een beleidvolle slaafklasse al sinds 1919 over al Christus' bezittingen is aangesteld. Door het oordeel over het huis van God in het verre verleden te plaatsen, heeft het Wachttorengenootschap Jehovah's Getuigen er toe verleid te geloven dat er geen toekomstige dag van afrekening voor de organisatie is. Zodoende “profeteren de profeten van [het geestelijke] Israël…tot Jeruzalem…en schouwen voor haar een visioen van vrede, terwijl er geen vrede is”

Ontegenzeggelijk is de leerstelling dat Jehovah's koninkrijk in 1914 aan de macht kwam de centrale leerstelling van het Wachttorengenootschap. In dat opzicht is 1914 de basis van wat op een witgepleisterde muur is gaan lijken. Al die tijd sinds 1914 “hebben zij gewacht op het uitkomen van een woord” - zoals de profetie van Ezechiël scherpzinnig voorzegt - maar tevergeefs. Ten einde Bethels onvermogen de dag en het uur van Christus' aankomst te voorspellen te verbergen, hebben de “verstandeloze profeten” hun toevlucht genomen tot jaar na jaar meer profetische witkalk op hun organisatiemuur te pleisteren. (Bijvoorbeeld: het herdefiniëren van “dit geslacht.”)

Het boek Jehovah Zelf Is Koning Geworden onderzoekt de “geïnspireerde uitspraken” van het Wachttorengenootschap dat Jehovah in 1914, en nog eens in 1919, koning is geworden; daarmee “de profeten die onwaarheid schouwen en die een leugen waarzeggen” aan de kaak stellend; en tegelijkertijd Jehovah's komende oordelen aankondigend, die gedeeltelijk in Ezechiël 13:14 tot uitdrukking worden gebracht: “En ik wil de muur die gijlieden met witkalk hebt bepleisterd, omverhalen en hem in aanraking brengen met de aarde, en zijn fundament moet blootgelegd worden. En ze zal stellig vallen en gij moet midden in haar uw einde vinden; en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben.” (Zie het hoofdstuk “Ineenstorting van het Wachttorengenootschap”)

Net zoals Ezechiël, Jehovah's oorspronkelijke wachter voor het huis van Israël uit de oudheid, de “verstandeloze profeten” de wacht aanzegde dat hun witgepleisterde muur op het punt stond in te storten, is deze campagne bedoeld om als waarschuwing voor Bethel en het Wachttorengenootschap te dienen dat hun witgepleisterde organisatiemuur gedoemd is in elkaar te storten bij de allereerste openbaring van de nu aanstormende dag van Jehovah.

Deze open brief, samen met een exemplaar van het boek Jehovah Zelf Is Koning Geworden - Een Aankondiging van Jehovah's Oordelen is naar verscheidene broeders en afdelingen van Bethel Brooklyn, Patterson en Wallkill, alsook naar Engelstalige bijkantoren van het Wachttorengenootschap wereldwijd en tientallen koninkrijkszalen en willekeurig gekozen gemeenten in de Verenigde Staten gestuurd. Het is tevens gratis beschikbaar via internet op http://jehovah-has-become-king.com

Robert King

512 S. Washington St. #137

Royal Oak, Michigan 48067

Email: watchman@e-watchman.com


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman