|
“Moet gij voor mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover mijn naam is uitgeroepen en moet gij zeggen: ’Wij zullen stellig bevrijd worden’”?
Jeremia 7:10
Het thema van het districtscongres van het Wachttorengenootschap van dit jaar is ”Bevrijding Nabij”. Het is interessant dat het thema niet de vorm van een vraag heeft, zodat er gewezen wordt op de mogelijkheid van een toekomstige bevrijding. Nee, het thema heeft de vorm van een positieve verzekering – zelfs een quasi-profetische aankondiging waarin wordt gesuggereerd dat redding nabij is.
Zonder twijfel is het prikkelende congresthema bedoeld om verwachting te scheppen onder Jehovah’s Getuigen over de nabijheid van het einde van dit huidige, onbevredigende samenstel waarin we leven en aankondiging van de nieuwe wereldorde van Gods makelij.
Maar, hoe weten ze dat het einde van de huidige maatschappij nabij is, buiten de duidelijke omstandigheden waaraan ieder persoon met onderscheidingsvermogen kan zien dat de wereldomstandigheden dreigend zijn? Heeft Bethel wellicht speciale inzichten met betrekking tot de nabijheid van het einde? Heeft Jehovah wellicht zijn vertrouwelijke kwesties aan het Besturend Lichaam onthuld? Zo niet, wat kan dan de reden zijn voor een dergelijk krachtige aankondiging zoals ‘bevrijding [is] nabij’?
Ware bevrijding ontstaat natuurlijk als eindresultaat van een serie van gebeurtenissen die bij Christus’ komst hun aanvang hebben. En Jezus waarschuwde zijn volgelingen voor het belang van de ontwikkelingen in de wereld die de nabijheid van de beloofde bevrijding zouden aantonen, door te zeggen: ”Als nu deze dingen beginnen te geschieden, richt u dan rechtop en heft uw hoofd omhoog, omdat uw bevrijding nabij komt.”
De vraag is: Welke ”dingen beginnen te geschieden”? Jezus voorzei onder andere dat er oorlogen, voedseltekorten, pestilentiën zouden komen en dat mensen mat van vrees zouden worden. Volgens het Wachttorengenootschap zijn ”deze dingen” echter meer dan 90 jaar geleden begonnen, ver terug in 1914.
En het behoeft geen uitleg dat het geslacht dat het zogenaamde ”begin van de weeën der benauwdheid” in 1914-1919 heeft meegemaakt en hun hoofden in hoopvolle verwachting van bevrijding hebben opgeheven, geheel gestorven is zonder dat hun waardevolle hoop gerealiseerd is.
Welke schriftuurlijk basis hebben Jehovah’s Getuigen daarom nu om bevrijding te verwachten?
In beschouwing genomen dat het Wachttorengenootschap vele malen heeft gezegd dat de volgende grote gebeurtenis in de ontvouwing van Gods eeuwige voornemen de vernietiging van de georganiseerde religie is, door wat zij de “gemilitariseerde hoorns” van het wilde beest uit Openbaring noemen (waarvan voorheen gedacht werd dat dit de Verenigde Naties zou zijn) en daar er in werkelijkheid geen basis is om een dergelijk radicale ontwikkeling in het huidige politieke raamwerk te verwachten, moet de conclusie getrokken worden dat het Wachttorengenootschap geen schriftuurlijke basis heeft om aan te kondigen dat bevrijding nabij is – in ieder geval niet binnen het door het Wachttorengenootschap opgetrokken profetische raamwerk.
Het is echter ironisch dat er alle reden is om te geloven dat de werkelijke tegenwoordigheid van Christus nabij is. Oorlogen en burgeroorlogen breken over de gehele wereld uit; een zeer gevaarlijk vogelvirus dreigt te muteren en zich te ontwikkelen tot een verwoestende pandemie, die de verschrikkingen van de Spaanse griep wellicht zal overtreffen. Wat de zaken nog ingewikkelder maakt, is dat het door schulden verzwolgen, casinoachtige wereldwijde financiële stelsel overrijp is voor een catastrofe. En het meest dreigende is nog wel dat de Anglo-Amerikaanse-Israelische triade dreigt met een nieuw “shock and awe” effect als in een preventieve nucleaire oorlogsvoering tegen de vijanden.
Het Wachttorengenootschap bevindt zich echter in een hachelijke situatie. Het kan niet naar hedendaagse, dreigende ontwikkelingen wijzen als bewijs voor de nabijheid van bevrijding, tenzij Bethel bereid is het idee te laten varen dat Christus’ tegenwoordigheid sinds 1914 aan de gang is. Het overboord gooien van 1914 is voor het Wachttorengenootschap natuurlijk een verafschuwing. Bethel zou nog eerder de helft van alle leden uitsluiten die er vraagtekens bij zetten en nog eerder Jehovah’s eigen bestaan ter discussie stellen dan dat ze de leerstelling over 1914 zou wegdoen. De tientallen profetische interpretaties die aan 1914 zijn verbonden zijn tenslotte de basis voor de bewering van het Wachttorengenootschap dat ze reeds is aangesteld over al Christus’ bezittingen op aarde. Door hun eigen spitsvondigheid is de autoriteit van Bethel onlosmakelijk verbonden geraakt aan die datum.
Dus wederom, welke bijbelse basis heeft het Wachttorengenootschap om te beweren dat bevrijding nabij is? Tenzij Bethel van plan is haar eigen witgepleisterde organisatorische muur te slopen en met een frisse lei te beginnen, bestaat er in het bestaande profetische onderricht van het Genootschap geen basis om in de nabije toekomst bevrijding te verwachten.
Maar, is daarmee alles gezegd? Nee, zeker niet.
Zoals de apostel Paulus verklaarde is het woord van God levend. Hoewel Jehovah in geen geval gebonden is aan de aankondigingen van het Wachttorengenootschap of enig onderricht van mensen en God zeker niet verplicht is het Wachttorengenootschap uit de problemen te helpen door een eeuw van onjuiste profetische interpretaties uit te laten komen, heeft zijn bijbel welzeker wat te zeggen over de door het Wachttorengenootschap verwachte bevrijding.
Het meest belangrijke aspect van het opzienbarende congresthema van het Wachttorengenootschap, ja, de meest ironische kant ervan, is dat de aankondiging van het Genootschap wel eens de voorbode kan zijn van Jehovah’s oordeel over een bezoedeld huis van God. Dat komt omdat er een opvallende parallel bestaat tussen het vroegere huis van God, dat verbonden was aan de naam van Jehovah, en haar hedendaagse tegenhanger. Jeremia 7:8-11 doet verslag van Jehovah’s rechterlijke beslissing door te zeggen:
”’Ziet, gij stelt uw vertrouwen in bedrieglijke woorden — het zal stellig niets baten. Wat? Stelen, moorden en overspel plegen en vals zweren en offerrook aan Baäl brengen en andere goden achternalopen die gij niet gekend hadt — en moet gij voor mijn aangezicht komen staan in dit huis waarover mijn naam is uitgeroepen en moet gij zeggen: ’Wij zullen stellig bevrijd worden’, terwijl gij al deze verfoeilijkheden doet? Is dit huis waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen niet meer dan een rovershol geworden? Ziet, ook ikzelf heb het gezien’, is de uitspraak van Jehovah.”
In vroegere tijden was de tempel op de top van de berg Moria te Jeruzalem het huis waarover Jehovah’s naam was uitgeroepen. Vanaf de bouw ervan door koning Salomo stond de tempel bekend als het huis van Jehovah. Ja, de exacte uitdrukking - ”huis van Jehovah” - komt 246 keer voor in de Nieuwe Wereldvertaling.
Bestaat er een hedendaagse tegenhanger voor de plaats waarover God zijn naam heeft uitgeroepen – een hedendaags huis van Jehovah? Dat bestaat er zeker. Het is de instelling die bekend staat als “Jehovah’s organisatie,” met haar Bethel hoofdkantoor, wat letterlijk “huis van God” betekent.
Zelfs degenen die Jehovah’s Getuigen haten, worden ertoe gedwongen toe te geven dat geen enkele andere organisatie op aarde zo onlosmakelijk verbonden is aan de naam en persoon van Jehovah als Jehovah’s Getuigen en het Wachttorengenootschap dat zijn. Het Wachttorengenootschap is onbetwistbaar het tegenbeeldige huis waarover Jehovah God zijn naam heeft uitgeroepen.
Het is daarom ook duidelijk dat profetieën zoals die door Jeremia werden geuit op Jehovah’s Getuigen van toepassing zijn, en vooral op het leiderschap ervan. Net als de vroegere Joden zijn Jehovah’s Getuigen er ook toe gebracht geloof te stellen in “bedrieglijke woorden.” In Jeremia’s dagen waren deze “bedrieglijke woorden” als volgt: ”De tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah zijn zij!”
In plaats van gehoorzaam te zijn aan de voorwaarden van het Wetsverbond vertrouwden de Joden voor hun redding op een instelling. Net als de vroegere Joden die er onverstandig vanuit gingen dat er nooit iets zou gebeuren met de tempel of de stad waarover Jehovah oorspronkelijk zijn naam had uitgeroepen, vertrouwen Jehovah’s Getuigen op soortgelijke wijze op de vermeende rechtvaardige positie van de organisatie voor God.
Het Wachttorengenootschap heeft Jehovah’s Getuigen ervan overtuigd dat het bijbelse oordeel over het huis van God plaats heeft gevonden in 1918-1919 en dat een getrouwe slaaf reeds de toets heeft doorstaan en de onomkeerbare zegen vanuit de hemel ontvangen heeft. De onbezorgde aanname van Jehovah’s Getuigen is dat een toekomstig oordeel van Jehovah gericht zal zijn tegen de christenheid en andere goddeloze “tegenstanders” van Jehovah’s organisatie.
De houding van hedendaagse Jehovah’s Getuigen is identiek aan die van de Joden in Jeremia’s tijd. De heersende gedachte onder Jehovah’s Getuigen over de zogenoemde getrouwe “tempelklasse” wordt het beste uitgedrukt door een kleine variatie aan te brengen in de door Jeremia opgetekende woorden: ’Jehovah’s organisatie, Jehovah’s organisatie, Jehovah’s organisatie zijn zij!’
Werkelijk bedrieglijke woorden!
In Jeremia 7:6 herhaalt Jehovah de voorwaarden waaraan de Joden moesten voldoen om geen rampspoed over zichzelf te brengen. God zei: ”Indien gij inwonende vreemdeling, vaderloze jongen en weduwe niet zult verdrukken en geen onschuldig bloed zult vergieten op deze plaats en geen andere goden achterna zult lopen, u tot rampspoed, zal ik, op mijn beurt, u stellig op deze plaats verblijf laten houden, in het land dat ik uw voorvaders gegeven heb, van onbepaalde tijd, ja, tot onbepaalde tijd.” Het feit dat Juda een verschrikkelijke rampspoed meemaakte, geeft aan dat ze weigerden zich aan Gods eenvoudige geboden te houden.
Vanuit Jehovah’s standpunt bezien, zijn de tegen de tempelbewaarders gerichte oordelen die in Jeremia’s profetie beschreven worden heden ten dage net zo relevant in verband met het Wachttorengenootschap. Zoals in het bijbelboek Jakobus wordt aangegeven, is het zorgen voor wezen en weduwen en zichzelf onbevlekt van de wereld bewaren de fundering van het christendom. En helaas is het Wachttorengenootschap als organisatie haar verplichting om voor de minder bevoorrechten op te komen en onbevlekt van wereldse verdorvenheid te blijven niet nagekomen.
Hoe schokkend en ongelooflijk het ook mag klinken voor sommigen, het Wachttorengenootschap heeft het christendom verworpen. Nee, niet openlijk, maar in het geheim – achter gesloten deuren. Ze hebben dit gedaan door in de rechtszaal te ontkennen dat christelijke ouderlingen enig morele verantwoordelijkheid dragen om kinderen onder hun hoede te beschermen tegen de verwoesting van seksuele roofdieren binnen hun gemeenten. (Lees voor details het commentaar: “Ouderlingen Zullen een Zwaarder Oordeel Ontvangen”)
Het Genootschap is duidelijk van plan haar koninkrijksschatkist tegen rechtszaken te beschermen in plaats van verantwoordelijkheid te nemen voor de duizenden misdaden die door Jehovah’s Getuigen zijn gepleegd tegen kinderen van Jehovah’s Getuigen. Het Genootschap is bereid miljoenen dollars uit te geven aan advocatenloon om de rechtbanken ervan te overtuigen dat de gemeenteouderlingen, die rechtstreeks door het Wachttorengenootschap zijn aangesteld en opgeleid, geen verantwoordelijkheid dragen om Jehovah’s kinderen te beschermen zodat ze niet ten slachtoffer vallen aan pedofielen.
Wat betreft het onbevlekt blijven van de wereld; er hoeft niets meer geschreven te worden over het geestelijk overspelige rendez-vous van het Wachttorengenootschap met de Verenigde Naties. (Zie het essay: “De Diepte van de Prostitutie van het Wachttorengenootschap Doorgronden”)
Dat brengt ons terug naar het thema van het districtscongres van dit jaar: Bevrijding Nabij. In het licht van de recente ontwikkelingen binnen het Wachttorengenootschap is Jehovah’s retorische vraag aan zijn volk in het 7de hoofdstuk van Jeremia vandaag de dag uiterst relevant. Wanneer we de aanklacht iets anders formuleren, zou Jehovah het volgende kunnen vragen aan de leidende mannen van Jehovah’s Getuigen: “Wat? Kindermisbruik en het verwerpen van de wettelijke rechten van wezen, het sluiten van een geheim verbond met de Verenigde Naties en het misleiden van mijn volk met betrekking tot de tegenwoordigheid van Christus in 1914 terwijl gij pocht over ‘Jehovah’s reine organisatie’; en moet gij voor mijn aangezicht komen staan en zeggen: ’Wij zullen stellig bevrijd worden’?”
|