|
Op 2 oktober 1914 kwam
de stichter en president van het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap
de eetzaal van Bethel binnen en deed een opzienbarende aankondiging
aan de medewerkers van het hoofdkantoor: "De Tijden der
Heidenen zijn geëindigd, de dagen van hun koningen zijn geteld."
Sinds de jaren '20 heeft de Wachttoren geleerd dat in 1914 het
koninkrijk van de wereld aan Christus is gegeven, en dat, als
gevolg daarvan, Satan en al zijn demonische engelen ook dat jaar
zijn neergeslingerd, wat een periode van ongekende moeilijkheden
voor de wereld aankondigde.
In de tijd dat Charles
Russell de Bijbelstudenten informeerde dat de tijden der Heidenen
geëindigd waren, waren zijn ideeën hoofdzakelijk gebaseerd
op een interpretatie van chronologie. Helaas was Pastor Russell,
zoals hij werd genoemd, ook gefascineerd en zwaar beïnvloed
door piramidologie.
Sinds 1914 hebben diverse oorlogen, voedseltekorten, aardbevingen,
evenals de algemene morele ineenstorting van de beschaving, velen
er echter van overtuigd dat we werkelijk in de kritieke laatste
dagen van het huidige samenstel van dingen leven.
Zonder twijfel was
1914 een strategisch keerpunt in de geschiedenis. De Eerste Wereldoorlog,
of de Grote Oorlog zoals hij in eerste instantie werd genoemd,
was een catastrofe voor Europa die tot in deze tijd zijn nagalm
heeft. Maar was die datum, nu bijna een eeuw geleden, de aankondiging
van de meest belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van de
wereld? Die vraag moet niet voortkomen uit een gebrek aan geloof
in de heilige belofte van God. Integendeel, het zou ons diepste
verlangen moeten zijn te weten te komen of 1914 het begin was
van de regering van Gods koninkrijk, of dat die belangrijke gebeurtenis
nog in de toekomst ligt, in zoverre dat menselijkerwijs mogelijk
is.
In ieder geval kan
de eigenlijke oordeelsdag van Jehovah niet eens één
uur voor- of achteruit geschoven worden door óf onze acceptatie
óf onze afwijzing van de leerstelling omtrent 1914. Ongeacht
onze huidige interpretatie van profetieën, Jehovah's grote
dag zal komen, waarschijnlijk eerder dan verwacht, en niet exact
op de manier waarop wij het verwachten. Onze onbegrip aangaande
Jehovah's komende oordelen, kan ons duur komen te staan en zal
vrijwel zeker resulteren in een omvangrijke zifting en loutering
van de gehele organisatie.
Wat ons zorgen moet
baren is dat er, in het verleden, altijd een aantal personen "gewond"
zijn geraakt wanneer er relatief onbelangrijke "aanpassingen"
werden gedaan aan bepaalde leerstellingen van de Wachttoren; personen
die de verandering niet konden accepteren en als gevolg daarvan
gestruikeld zijn uit de Waarheid. Het is werkelijk beangstigend
na te denken over de mate van verwarring die in de organisatie
zal ontstaan wanneer we snel de realiteit onder ogen moeten zien
die onze langgekoesterde interpretatie aangaande Christus' tegenwoordigheid
en 1914 teniet zal doen. Het zou daarom beter zijn dat we onze
geest erop voorbereiden door de apostolische aansporing na te
volgen: "Vergewist U van alles, houdt vast aan dat wat
voortreffelijk is."
De apostolische verslagen
sporen Christenen aan niet alleen acht te slaan op leerstellingen,
maar ook op profetie. 2 Petrus 1:19 zegt bijvoorbeeld: "Dientengevolge
is het profetische woord voor ons des te vaster gemaakt, en gij
doet goed er acht op te geven als op een lamp die schijnt in een
duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en er een dagster opgaat,
in uw hart."
In Openbaring 2:26-28
belooft Jezus aan zijn getrouwe en overwinnende gezalfde broeders
een aandeel in de uitoefening van zijn koninklijke autoriteit
wanneer hij de natien zal vertreden, en vers 28 zegt dan specifiek:
"En ik zal hem de morgenster geven." Daar Jezus
en zijn 144.000 mede-koningen de natiën nog niet hebben geweidt
met een ijzeren staf als waren ze lemen vaten, moet hieruit volgen
dat Christus zijn broeders ook nog niet de "morgenster"
van onsterfelijkheid en volledige verlichting heeft gegeven.
Daar dit nu het geval
is, moet onze aandacht voor profetie meer inhouden dan enkel een
oppervlakkige studie van de vermeende vervulling in het verleden;
het moet ons doen uitzien naar de toekomst voor de vervulling
van de tegenwoordigheid van Christus. Dat was ten slotte wat de
transfiguratie benadrukte - Christus' tegenwoordigheid.
Petrus verwees naar het visioen van de transfiguratie toen hij
zei dat het profetische woord des te vaster werd gemaakt, en dat
we daarop onze aandacht moeten blijven vestigen totdat Christus
tegenwoordig is.
Ons verlangen moet
altijd zijn de waarheid te bepalen, ongeacht de offers of moeilijkheden
die we ondervinden als gevolg van het moeten afwijzen van bepaalde
gedachten waarvan we nu overtuigd zijn dat ze bijbels bezien kloppen.
Alles wat daar buiten valt, staat gelijk aan het uit het oog verliezen
van het enige licht wat in deze donkere wereld schijnt en het
risico nemen onvoorbereid en ontsteld te zijn bij Jezus' onverwachte
aankomst als een dief in de nacht.
Vol geloof in de Bijbel
en zijn betrouwbare Auteur moeten we de moed hebben onszelf de
volgende vraag te stellen: Is Jezus werkelijk in 1914 begonnen
te regeren over deze wereld? Om een volkomen bevredigend antwoord
hierop te krijgen, moeten we nu enkele vragen behandelen om er
zodoende achter te komen wat de tegenwoordigheid van Christus
en de tijden der Heidenen nu precies inhouden.
Wat
Zijn "de Tijden der
Heidenen?"
De exacte uitdrukking
"tijden der Heidenen," of "bestemde tijden der
natiën," wordt slechts op één plaats in
de Bijbel teruggevonden, en wel in Lukas 21:24, waar Jezus het
volgende zei: "En zij zullen vallen door de scherpte des
zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen,
en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden
der heidenen zullen vervuld zijn." (GNB)
Toegewijde Bijbelstudenten
hebben al heel lang erkend dat Jezus' profetie een toepassing
op de lange termijn heeft in plaats van enkel op de oude stad
Jeruzalem, welke bij meer dan één gelegenheid door
indringers werd verwoest. Volgens de profeten en apostelen zou
"Jeruzalem" een afbeelding worden van het koninkrijk
Gods daar de Davidische dynastie in de letterlijke stad Jeruzalem
werd opgericht. Christus Jezus presenteerde zichzelf als Gods
messiaanse koning aan de inwoners van Jeruzalem. Jeruzalem werd
dus beschouwd als de hoofdstad van Jehovah's koninkrijk. De stad
Jeruzalem wordt daarom in profetieën gebruikt om de diverse
aspecten van Gods hemelse koninkrijk af te beelden.
Jehovah's Getuigen
hebben begrepen dat het huidige politieke systeem dat de aarde,
met inbegrip van Gods volk, heeft gedomineerd, op een zeker moment
zal moeten wijken voor de regering van Gods koninkrijk. De laatste
dagen zijn in feite een tijdsperiode die wordt gekenmerkt door
het wisselen van de wacht, waarbij menselijke regeringen in een
tumultueuze opschudding zullen verkeren wanneer ze uiteindelijk
plaats zullen moeten maken voor Jehovah's glorieuze hemelse Messias.
Nu moeten we ons enkele
vragen stellen: Als de wereldregering daadwerkelijk plaats heeft
gemaakt voor Christus' koninkrijk in 1914, waarom hebben de natiën
van deze wereld dan, bijna negentig jaar later, nog steeds complete
dominantie over de aarde? Wat is er veranderd sinds 1914? Wat
betreft de politieke natiën van deze wereld moge het duidelijk
zijn dat er niets is veranderd.
Duidt enkel het groeien
van het Wachttorengenootschap erop dat Christus nu de volledige
controle over de wereldse aangelegenheden heeft? Waarom zou dat?
In de 1ste eeuw, verspreidden de apostelen en dicipelen van Jezus
evenzo het evangelie overal waar mogelijk, en toch was dat geen
indicatie dat zoiets als de bestemde tijden der natiën toen
zou zijn geëindigd. Zoals de Schrift zegt, heeft Christus
inderdaad geregeerd in zijn koninkrijk sinds zijn advent in het
jaar 33 GT, en als koning heeft Christus zijn gemeente sinds haar
begin geleid.
Wat in dit licht nog
verbazingwekkender is, is onze interpretatie van de profetie in
het 7de hoofdstuk van Daniël. Die profetie voorzegt dat in
de tijd dat God het koninkrijk aan de Zoon des mensen en de heiligen
geeft, er daarna een korte verlenging van tijd aan het op een
beest gelijkend politiek systeem gegeven wordt, met een lengte
van een raadselachtige "drie en een halve tijden," waarin
van de beestachige koning wordt gezegd dat hij de heiligen continue
bestookt. Ja, meer dan enkel bestoken, Daniël 12:7 maakt
melding van dezelfde "bestemde tijd, tijden en een half,"
en zegt: "En zodra er een eind zal zijn gemaakt aan
het verpletteren van de macht van het heilige volk, zullen al
deze dingen een einde nemen."
"Al deze dingen"
waarnaar de profeet verwijst, hebben te maken met het einde
van het menselijke samenstel van dingen. Nu, als de heiligen,
naar men verondersteld, zijn verpletterd tijdens de periode van
1916-1919, waarom hebben "al deze dingen" dan geen einde
genomen?
En niet alleen dat,
maar het 8ste hoofdstuk van Daniël voorzegt evenzo hoe de
heiligen verruïneerd en onder voet worden gelopen voor een
periode van 2300 "avonden en morgens," welke door de
Wachttoren worden toegepast op een periode tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Nogmaals stellen we de vraag: Als het symbolische Jeruzalem in
1914 niet meer vertreden werd door de natiën, zoals we nu
veronderstellen, waarom gaan de natiën dan voort de heiligen
van het koninkrijk te vertreden voor een bestemde tijd nadat
de tijd voor zulk een vertreding volgens ons is geëindigd?
Wat we hier hebben
is een condradicterend en verwarrend lapwerk van profetie waarbij
de bestemde tijden der natiën waarin ze Gods koninkrijk hebben
vertreden eindigde in 1914. Dan hebben we een bijkomende periode
van drie en een half jaar tijdens WWI waar de natiën Gods
volk opnieuw bestoken en vertreden. De Wachttoren heeft ook nog
een andere profetie toegepast op een periode tijdens WWII, welke
voorzegt dat Gods heiligen zullen worden vertreden door politieke
machten.
En niet alleen dat,
maar we moeten ook het feit in aanmerking nemen dat veel profetieën
vooruit wijzen naar een toekomstige tijd van verdrukking, wanneer
Gods volk door de natiën zullen worden onteerd en vertreden.
Door zulke willekeurige
interpretatie van profetie maken we de woorden van Christus aangaande
de tijden der Heidenen feitelijk zinloos. Als de bestemde tijden
der natiën in 1914 geëindigd zijn en het de natiën
sindsdien toch toegestaan is voort te gaan zoals normaal,
moeten we óf concluderen dat het koninkrijk van Christus
een instituut zonder macht is, óf dat het koninkrijk van
de wereld nog niet aan Christus is gegeven, wat een redelijkere
conclusie is. En dat zou onvermijdelijk betekenen dat de hierboven
genoemde profetieën van Daniël ook nog niet vervuld
zijn en dat Gods volk opgewacht wordt door gebeurtenissen die
zich nog moeten ontwikkelen. Met dat onderscheidingsvermogen kan
iemand uiteindelijk bevatten hoe ongelooflijk belangrijk het is
dat we heronderzoeken wat de zogenoemde tijden der Heidenen nu
precies zullen inhouden.
Wat
is "de Heilige Plaats"
die Verwoest zal Worden?
Wanneer we de context
van de profetie aangaande de vertreding van Jeruzalem totdat de
bestemde tijden der natiën zijn geëindigd bestuderen,
zullen we opmerken dat er geen verwijzing is naar de verwoesting
van Jeruzalem door de Babyloniërs zo'n 5 eeuwen eerder. Het
is er gewoon niet. Er is daarom geen Schriftuurlijke rechtvaardiging
voor het toepassen van de zeven tijden van Daniël op de de
bestemde tijden der natiën waarover Christus sprak. Jezus
waarschuwde zijn dicipelen daarom in plaats daarvan voor een toekomstige
tijd wanneer de tempel en de heilige stad van Jeruzalem verwoest
zou worden door de Romeinse legioenen. Er is echter geen Schriftuurlijke
of historische aanduiding dat zo'n soort bestemde tijd der natiën
is begonnen in 66 CE toen de Romeinse keizerlijke legioenen voor
het eerst voet zette in de heilige plaats.
Bekwame Bijbelstudenten
kunnen bewijzen dat de profetie aangaande Jeruzalem's vernietiging
een vervulling op veel grotere schaal zou hebben, een voorafschaduwing
van een hedendaags walgelijk ding dat zou "staan waar
het niet hoort." We kunnen dus concluderen dat "de
bestemde tijden" te maken hebben met de periode waarin God
het toelaat dat zijn symbolische Jeruzalem en zijn heilige plaats
vertreden en woestgelegd zal worden.
Eén probleem
dat ons heden ten dage parten speelt bij het komen tot een nauwkeurige
interpretatie van deze essentiële profetie is dat de Wachttoren
Gods huishouden heeft geleerd dat de heilige plaats waarnaar Jezus
verwees de Christenheid is. De profetie in kwestie zegt: "Wanneer
gij daarom het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, waarover
door bemiddeling van de profeet Daniël gesproken is, in een
heilige plaats ziet staan (de lezer gebruike onderscheidingsvermogen),
laten dan zij die in Judéa zijn, naar de bergen vluchten."
(Mattheüs 24:15, 16).
We geloven dat de Christenheid
de hedendaagse heilige plaats is, omdat Jeruzalem ongehoorzaam
was aan God, met als gevolg dat God uitvaardigde dat ze vernietigd
moest worden. Als dat echter zo is, waarom zegt de profetie dan
dat het walgelijke ding zal staan waar het niet hoort te staan?
Als de heilige plaats werkelijk de onheilige plaats van de vele
contradicterende afscheidingen en sekten van de Christenheid voorstelt,
zou het logisch zijn dat het walgelijke ding daar juist op zijn
plaats zou zijn, in plaats dat het daar staat waar het niet zou
moeten staan.
De veronderstelling
van veel van Jehovah's Getuigen, en in feite de overheersende
houding van het Wachttorengenootschap, is dat we als organisatie
in een goedgekeurde positie voor God staan. Omdat Christus voorzei
dat de heilige plaats verlaten zou worden als gevolg van Gods
uitoefening van rechtvaardigheid, verkeren we in de naïviteit
dat de heilige plaats iets anders moet betekenen dat de
geestelijke tempel die bestaat uit Gods heiligen. En toch spreekt
Jezus een paar verzen later in dezelfde context ook over Jeruzalem
die voor een bestemde tijd vertreden zou worden, waarbij we dat
Jeruzalem wél interpreteren als Gods hemelse koninkrijk.
We hebben dus twee definities voor wat Jeruzalem en zijn heilige
plaats nu precies inhouden die elkaar tegenspreken.
Wat we moeten beseffen
is dat Christus zelf Jeruzalem erkende als de heilige stad.
Hij noemde Jeruzalem "de stad van de grote Koning."
Verder reinigde Jezus Jehovah's tempel bij twee verschillende
gebeurtenissen waarbij hij het "het huis van mijn Vader"
noemde. Dus, ondanks dat het Joodse geloof verdorven was in
die tijd, beschouwde Jezus de tempel zelf niet als iets onheiligs.
Waarom zou Jezus anders de moeite hebben genomen de geldwisselaars
uit zijn Vaders huis te gooien? Als een getrouwe Jood, toonde
Jezus eerbied voor Gods tempel. Het betreurde hem zeer de wee
op Jeruzalem en de mooie tempelaan te kondigen. Het was zelfs
zo dat toen Jezus de heilige stad voor zijn laatste triomferende
intocht door zijn poorten naderde, Jezus huilde toen hij de stad
vanuit de verte zag liggen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat
Jezus met zijn verwijzingen naar de heilige plaats en Jeruzalem
de bedoeling had de Christenheid te symboliseren.
De lezer moet bij de
gebeurtenis waarbij Jezus huilde om Jeruzalem ook in aanmerking
nemen dat Jezus verder voorzei dat "er dagen over u zullen
komen waarin uw vijanden een versterking rondom u zullen bouwen
met puntige palen en u zullen omsingelen en u van alle kanten
zullen benauwen, ... omdat gij de tijd waarin gij werdt geïnspecteerd,
niet hebt onderscheiden."
Laten we nu eens de
Hebreeuwse profeet Jesaja raadplegen. Jesaja begint in het 29ste
hoofdstuk met een aankondiging van een wee over Gods dienaar Ariël.
Vers één zegt: "Wee Ariël, Ariël,
de stad waar David zich legerde!" De stad waar David
zich legerde is geen ander dan de stad Jeruzalem zelf, welke David
innam van de Jebusieten. Jeruzalem werd zelfs "de stad van
David" genoemd. Vers 3 zegt verder: "En ik moet mij
aan alle kanten tegen u legeren, en ik moet het beleg voor u slaan
met een palissade, en belegeringswerken tegen u oprichten."
De definitie van palissade in het woordenboek is "een
rij van puntige palen." Interessant genoeg is dat precies
wat Christus voorzei over wat de vijanden Jeruzalem zouden aandoen,
namelijk: "uw vijanden zullen een versterking rondom u
zullen bouwen met puntige palen en zullen u omsingelen en zullen
u van alle kanten benauwen."
De vraag die rijst
is: Voorzei Jesaja de vernietiging van Jeruzalem door de Romeinen?
Nee, dat deed hij niet. Verwees Jesaja's profetie naar de vernietiging
van Jeruzalem door Nebukadnezar? Nee, ook dat deed hij niet. De
reden hiervoor vinden we enkele verzen verder in vers 7 en 8 waarin
de profetie verwijst naar de aanvallers als zijnde meerdere
natien. De verzen vermelden: "En het moet geschieden net
als in een droom, in een nachtvisioen, met betrekking tot de menigte
van alle natiën die oorlog voeren tegen Ariël, ja, allen
die oorlog voeren tegen haar ... zo zal het geschieden met de
menigte van alle natiën die oorlog voeren tegen de berg Sion."
Op een andere plaats bevestigt de profeet dat een vereniging
van alle natiën het geestelijke Jeruzalem zullen plunderen.
Zacharia 14:2 zegt bijvoorbeeld: " En ik zal stellig alle
natiën tegen Jeruzalem ten oorlog vergaderen; en de stad
zal werkelijk ingenomen worden..." Deze profetie werd
pas gegeven nadat de Babyloniërs Jeruzalem hadden
verwoest.
De gruwelijkheden die
worden begaan tegen Gods volk tijdens die aanval op "Jeruzalem"
zijn datgene wat Jehovah's vreselijke woede zal doen ontbranden
en zal resulteren in de uiteindelijke vernietiging van alle natiën
op het symbolische slagveld van Armageddon.
Jesaja 29:5, 6 onthult
ook dat Jehovah's antwoord op de aanval van Ariël een ogenblikkelijke
en plotselinge vernietiging voor de aanvallers zal betekenen.
Babylon was zeker niet plotseling verwoest door een stormachtig
en verslindend vuur, noch deden de Romeinen dat in 70 G.T.
Daar Jezus vrijwel
woordelijk de profetie van Jesaja citeerde toen hij het wee over
Jeruzalem uitsprak en daar God het Romeinse rijk of zijn keizerlijke
legioenen niet vernietigde in antwoord op hun vernietiging van
Jeruzalem, is het duidelijk dat beide profetieën van toepassing
zijn op geestelijk Israël. Dat betekent dat de heilige plaats
die verwoest wordt tijdens de komende wereldomvattende verdrukking,
Jehovah's organisatie is en niet de Christenheid, zoals
we nu aannemen.
We zijn nu op het punt
aangekomen dat we kunnen begrijpen wat de bestemde tijden der
natiën nu werkelijk zijn. Daar "geen profetie der
Schrift door enige eigen uitlegging ontstaat," moeten
we Gods eigen woord raadplegen dat zichzelf interpreteert. Als
we op een andere plaats dezelfde fraseologie die Christus gebruikte
met betrekking tot Gods heilige plaats en Jeruzalem (dat voor
een specifieke periode vertreden zou worden door de natiën)
terug kunnen vinden, zou het passend zijn te concluderen dat dat
de tijden der Heidenen waren waarover Jesus sprak in het 21ste
hoofdstuk van Lukas.
In het boek Openbaring,
Jezus' laatste directe communicatie met zijn volgelingen, onthult
Christus dat de bestemde tijden der natiën waarin Gods heilige
plaats vertreden zal worden, 42 maanden zou bedragen. Openbaring
11:2 zegt: "Maar wat het voorhof buiten het tempelheiligdom
betreft, werp dat volledig buiten en meet het niet, want het is
aan de natiën gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden,
tweeënveertig maanden lang."
Ironisch genoeg geloven
we dat de tweeënveertig maanden durende periode van vertreden
plaatsvond direct nadat de bestemde tijden der natiën, waarin
"Jeruzalem" vertreden zou worden, naar men verondersteld
geëindigd waren.
Daar de enige ware
Schriftuurlijk interpretatie van de bestemde tijden der Heidenen
wijst op deze drie en een half jaar durende periode, en niet naar
de veel langere 2520 jarige periode, lijkt het niet waar te zijn
dat de bestemde tijden eindigden in 1914. Aangezien dat het geval
is, is het ook niet waar dat Gods heiligen tweeënveertig
maanden lang vertreden zijn in de periode van 1916-1919. Klaarblijkelijk
is de waarheid dat de bestemde tijden, en tijd en een halve tijd
nog niet eens begonnen zijn.
Waar we voor staan
is Gods ophanden zijnde oordeel over zijn eigen huis. Het zal
de ontberingen en tuchtigingen die Jehovah zijn zonen en dochters
toediende tijdens de Eerste Wereldoorlog ver overtreffen. Met
de nieuw gevonden mogelijkheden voor de mens om de kracht van
het atoom te gebruiken door middel van nucleaire wapens, hun vergaring
van biologische wapens in hun voorraadschuren en hun door de geschiedenis
geverifiëerde geringschattingde houding met betrekking tot
de waarde van een mensenleven, zou er weinig twijfel moeten rijzen
bij de uitspraak dat de wereld letterlijk leeft op het randje
van zelf-vernietiging en klaar is om zich in een tumultueuze uitbraak
van oorlog en chaos te storten welke nog nooit is voorgekomen
of zelfs maar voorgesteld.
In de laatste, beslissende
en wanhopige poging van de wereld de controle opnieuw in handen
te krijgen of te behouden (controle die ze in werkelijkheid nooit
heeft gehad), zal ook het Wachttorengenootschap op een manier
getroffen worden die we ons niet kunnen voorstellen, omdat we
ervan overtuigd zijn geraakt dat we op één of andere
manier immuum zijn voor de barensweeën die ons spoedig
zullen treffen, terwijl de realiteit is dat exact het tegenovergestelde
het geval zal zijn. Werkelijk een bestemde tijden der natiën!
|