|
Afgoderij
is altijd een strik geweest voor Gods volk. Daarom lezen
we in de Bijbelse historie over Aäron die een gouden
kalf maakte dat Jehovah voor de afgodendienaars moest vertegenwoordigen.
Ondanks Jehovah's duidelijke bevel begonnen de Joden kort
na het binnengaan van het Beloofde Land Baäl-beelden
en heilige palen te aanbidden. De wijste man uit die tijd,
Salomo, bouwde tegen het einde van zijn leven dwaas genoeg
tempels voor zijn buitenlandse vrouwen waar zij hun godheden
konden aanbidden. Nadat Israël was opgesplitst in twee
natiën, werd afgoderij geinstitutionaliseerd in het
Noordelijke Koninkrijk toen Jeroboam op twee plaatsen kalfaanbidding
opzette voor het gemak van zijn onderdanen, zodat ze zich
niet verplicht voelden naar Jeruzalem te reizen voor aanbidding.
Naarmate de tijd vorderde werd zelfs Jehovah's tempel in
Jeruzalem verontreinigd met allerlei afgodische beelden.
De vroege Christenen was ook bevolen zich te onthouden
van afgoderij; afgoderij kan echter heel subtiele vormen
aannemen. Paulus schreef bijvoorbeeld aan de Kolossenzen
en spoorde hen aan hun ledematen te doden zodat ze zich
zouden onthouden van immorele seksuele begeerte wat door
Paulus afgoderij werd genoemd. Het Christendom heeft
ons in laten zien dat afgoderij niet beperkt is tot knielen
voor één of ander beeld, maar dat het in plaats
daarvan ook te maken heeft met menselijke verlangens vóór
Gods wil te plaatsen. Voor Christenen is alles wat
tussen hen en hun absolute toewijding aan God komt, afgoderij.
Een enkele keer werden de apostelen of andere prominente
dienaren objecten van verering. Door de wonderbaarlijke
kracht die de apostelen soms uitoefenden, werden ze soms
vereerd als goden. Mensen volgen kan een vorm van afgoderij
zijn. Paulus moest de gemeente Korinthe terechtwijzen, omdat
ze teveel nadruk legde op mensen. Sommigen beweerden bij
Paulus te horen; anderen bij Apollos; en weer anderen beweerden
bij Petrus te horen.
Zelfs heden ten dage is aanbidding van heiligen aanwezig
binnen de Christenheid. Christenen zijn in gebreke gebleven
het laatste vers van het boek 1 Johannes ter harte te nemen.
Het luidt: "Kindertjes, hoedt uvoor de afgoden."
Ironisch genoeg trachtte zelfs de schrijver van die geïnspireerde
waarschuwing, Johannes zelf, te buigen voor een engel en
deze te aanbidden nadat hij de Openbaring had ontvangen.
De engel waarschuwde hem op niet mis te verstane wijze dit
niet te doen.
Door slechts oppervlakkig diverse Bijbelse verslagen door
te nemen, moet het duidelijk worden dat afgoderij werkelijk
een valstrik is waarin Christenen gemakkelijk kunnen vallen.
Het lijkt zelfs zo dat we als gevolg van onze zondige toestand
van nature geneigd zijn tot afgoderij.
Is het beoefenen van afgoderij uitgeroeid in de recente
geschiedenis van Jehovah's Getuigen? Nee, zo'n conclusie
kunnen we niet trekken. Terwijl de Bijbelstudenten de verering
van de bekende heiligen en beelden van de Christenheid afwezen
(met uitzondering van het gebruik van het kruis in de vroege
dagen van de Bijbelstudenten), werd de charismatische grondlegger
van de Wachttoren voor velen een cultfiguur. Velen van de
vroege Bijbelstudenten dachten dat Charles Russell de "getrouwe
en beleidvolle slaaf" was, ondanks dat hij dat zelf
nooit heeft beweerd. Als gevolg hiervan weigerde ongeveer
de helft van degenen die verbonden waren met de Wachttoren
het leiderschap van J.F. Rutherford te accepteren nadat
Russell plotseling was overleden. Tot op de dag van vandaag
zijn er personen die beweren bij Charles Russell te horen.
Sinds de dood van Charles Russell heeft geen enkele persoon
zo'n stempel gedrukt op Jehovah's Getuigen - zelfs de strijdlustige
"Rechter" Rutherford niet. Sinds de dood van de
wetenschappelijke Fred Franz in 1992, heeft het Wachttorengenootschap
zich onderscheiden door de afwezigheid van een dominante
persoonlijkheid. Het lijkt alsof de persoonsverheerlijking
uiteindelijk overwonnen is.
Maar, kunnen we, in het licht van de neiging die we allemaal
hebben ten opzichte van afgoderij, werkelijk beweren dat
we zo'n geneigdheid overwonnen hebben? Ondanks dat er geen
charismatische leidende figuur meer is, zoals dat vroeger
het geval was, lijkt het erop alsof de neiging om mensen
te bewonderen veranderd is in een meer arglistige en subtielere
vorm van afgoderij. In plaats van een herkenbare persoonlijkheid,
lijkt het er nu op dat het Wachttorengenootschap zélf
zo langzamerhand een prominentere plaats in het hart en
de geest van Jehovah's Getuigen is in gaan nemen dan Jehovah
zelf. Dat komt neer op afgoderij.
Het valt niet te ontkennen dat de
Wachttoren alle aspecten van ons geloof bepaalt. Evenzo
valt het niet te ontkennen dat conformisme aan een groeiend
organisatorisch beleid en procedures in de loop van de tijd
de maatstaf van onze aanbidding is geworden. En terwijl
de Bijbelse leerstellingen de basis van ons geloof vormen,
heeft de Wachttoren als enige het recht te bepalen hoe Gods
Woord door alle Jehovah's Getuigen moet worden begrepen.
Zaken die aan het individuele geweten worden overgelaten,
lijkt een begrip te zijn dat weinig wordt begrepen.
Terwijl de getrouwe en beleidvolle slaaf verantwoordelijk
is voor het terechtertijd voeden van Gods huisgezin met
geestelijke voedsel, lijkt het alsof het Wachttorengenootschap
veel verder is gegaan dan de opdracht die Christus zijn
slaven gaf. Toen Pastor Russell de Wachttoren in 1879 oprichtte,
was het enkel een publikatie die studerende Christenen wat
stof tot nadenken trachtte te geven. De gemeenten die in
de Verenigde Staten en elders ontstonden, waren enkel losjes
met elkaar verbonden doordat ze, net als de eerste eeuwse
gemeenten, geestelijk met elkaar waren verbonden. Nu is
de organisatie een miljarden-genootschap geworden met aanzienlijke
bezittingen en een klein legertje van advocaten die de belangen
van het Genootschap wereldwijd moeten verdedigen. Gedurende
de laatste jaren zijn het hoofdkantoor van de Wachttoren,
Brooklyn Bethel, en andere bijkantoren op de wereld bijna
Mekka's geworden waarnaar de getrouwen op bedevaart gaan.
Beschouw bijvoorbeeld eens het volgende over hoe zwaar
geloof in de organisatie weegt: Wanneer één
van Jehovah's Getuigen aan de ouderlingen zou toegeven dat
hij/zij het geloof in God en de Bijbel verloren heeft, zal
er waarschijnlijk alles aan gedaan worden om het geloof
van zo'n persoon te herstellen. Wanneer dezelfde persoon
echter zou toegeven dat hij/zij niet langer gelooft dat
de Wachttoren Gods organisatie is, of dat hij/zij niet langer
gelooft in enkele leerstellingen van de getrouwe slaaf,
zal hij/zij waarschijnlijk worden beschuldigd van afvalligheid
en wellicht uit de gemeente gesloten worden, ook al gelooft
de persoon misschien nog wel in de Bijbel.
De heersende gedachte dat het Genootschap geen fout kan
doen werd eens in een kort gesprekje door een zuster tot
uiting gebracht. Zij liet haar afkeur blijken over een geloofsgenote
die twijfel geuit had over de juistheid van een bepaalde
leerstelling van de Wachttoren. Ze zei toen: "Wat,
twijfelen aan de Wachttoren is als twijfelen aan Jehovah."
Wat deze zuster blijkbaar niet besefte, was dat ze met haar
onschuldige opmerking de Wachttoren niet slechts met Jehovah
gelijkstelde, maar dat ze de Wachttoren zelfs boven
God verhief. Hoe dat zo? Omdat Jehovah het namelijk wel
toestaat dat hij ondervraagd wordt door zijn aanbidders.
Denk maar eens aan de situatie toen Jehovah in al zijn nederigheid
het goed vond dat Abraham hem ondervroeg over de juistheid
van zijn oordeel tegen Sodom en Gomorra. Ook Jezus liet
zich voortdurend ondervragen door zowel zijn discipelen
als de Farizeeën. Is de Wachttoren dan superieur aan
Jehovah en Jezus Christus?
De mening die onder Jehovah's Getuigen is ontstaan, is
dat de Wachttoren ons alles wat Jehovah wil dat we weten
zal uitleggen. We zijn de Wachttoren zodanig gaan vertrouwen
dat we geloven dat we Jehovah met heel ons hart, verstand
en ziel dienen wanneer we het programma dat door het Genootschap
is uitgestippeld volgen. Daarom is de houding ontstaan dat
alles wat het imago van de Wachttoren doet tanen ten alle
tijde moet worden vermeden. Dat heersende gevoel heeft er
bijvoorbeeld toe geleid dat de Wachttoren de omvang van
kindermisbruik geheim heeft gehouden om zodoende het imago
van de organisatie als zijnde een geestelijk paradijs te
beschermen. Het is bewezen dat de broeders op andere gebieden
bereid zijn geweest hun toevlucht te nemen tot misleiding
om de Wachttoren als een onfeilbaar lichtbaken te presenteren.
Als gevolg daarvan worden privé-websites zoals e-watchman
als onjuist beschouwd, niet omdat er onwaarheid wordt
geschreven, maar omdat ze in de ogen van Jehovah's Getuigen
afbreuk doen aan de heerlijkheid van de Wachttoren. In plaats
van verheugd te zijn dat Jehovah iets aan één
van zijn dienaren heeft onthuld, vinden sommigen het wellicht
verontrustend dat nieuwe waarheden niet via het Wachttorengenootschap
komen.
Het is echter vreemd, zo niet verontrustend, dat terwijl
de Wachttoren krachtig de afgoderij van de Christenheid
aan de kaak heeft gesteld en ons attent heeft gemaakt op
de geestelijke gevaren die kleven aan het vereren van nationale
symbolen en dergelijke, we niet éénmaal gewaarschuwd
zijn voor het teveel belangrijkheid toekennen aan de Wachttoren
zelf. Het lijkt erop dat het model voor het laatste oordeel
reeds gevormd is, teneinde al Jehovah's Getuigen uit te
dagen meer rechtstreeks hun loyaliteit aan Jehovah God te
tonen.
Wanneer Jehovah zelf zegt dat elk verheven ding
neergebogen moet worden voordat zijn heerlijkheid wordt
onthuld, wat moeten we dan concluderen ten aanzien van de
toekomst van de imposante Wachttoren-organisatie? Of, anders
gezegd: Wat zal er gebeuren met het geloof van Jehovah's
Getuigen wanneer de Wachttoren blootgesteld wordt aan publiekelijke
schande en misschien vernietigd wordt? Hoe zal de individuele
Getuigen reageren wanneer duidelijk wordt dat de Wachttoren
ons in bepaalde opzichten heeft misleid? Zal ons geloof
in Jehovah daardoor verwoest worden? Dit zijn zware testen
die in het verschiet liggen en waar de Wachttoren ons niet
op heeft voorbereid. De beproevingen die ons onontkoombaar
zullen treffen kunnen niet worden overwonnen door enkel
vast te houden aan beleid van de organisatie, maar alleen
door een persoonlijke demonstratie van iemands onbreekbare
geloof in de reddende kracht van Jehovah en Christus Jezus.
Helaas heerst er tot op de dag van vandaag nog steeds afgoderij
onder Jehovah's volk. Jehovah heeft in de Schrift echter
voorzegd op welke wijze hij eens en voor altijd het aloude
probleem van afgoderij zal genezen.
Het 48ste hoofdstuk van Jesaja legt uit dat Jehovah een
aanzienlijk gedeelte van Schriftuurlijke waarheden verborgen
houdt voor zijn geestelijk natie tot een toekomstige tijd.
Jesaja 48:6, 7 spreekt als vanuit een toekomende tijd tot
ons, wanneer God datgene wat hij tot dan toe heeft opgespaard,
onthult. Het luidt: "Gij hebt gehoord. Aanschouw
het alles. Wat ulieden betreft, zult gij het niet vertellen?
Ik heb u nieuwe dingen doen horen vanaf de tegenwoordige
tijd, ja, opgespaarde dingen, die gij niet hebt geweten.
In de tegenwoordige tijd moeten ze geschapen worden, en
niet van die tijd af, ja, dingen die gij vóór
vandaag niet hebt gehoord, opdat gij niet zegt: 'Zie! Ik
heb ze al geweten.'"
Welk doel zou het kunnen dienen wanneer Jehovah zaken voor
zijn dienaren verbergt? Het 5de vers legt uit dat het is
"opdat gij niet zoudt zeggen: 'Mijn eigen afgod
heeft ze gedaan, en mijn eigen gesneden beeld en mijn eigen
gegoten beeld hebben ze bevolen.'"
Daar kan worden beredeneerd dat de bovenstaande oordelen
uit Jesaja nog niet hebben plaatsgevonden, omdat ze zullen
komen tijdens de tijd van Jehovah's woede wanneer Zijn dienaren
in de brandende vuuroven van ellende worden geworpen, moet
de afgod waar Jehovah naar verwijst het
Wachttorengenootschap zijn. God heeft het juist geacht
essentiële openbaringen achter te houden, omdat de
Wachttoren veronderstelt dat ze al Gods waarheden
onthult aan Jehovah's huisgezin. Gedurende de periode van
benauwdheid en ellende, wordt Jehovah zowel God en Koning
in de volledigste zin door zijn vernederde dienstknechten
terug te kopen en de opgespaarde dingen rechtstreeks aan
hen te onthullen.
Dat Jehovah licht achterhoudt voor zijn volk om zodoende
onze Wachttoren-afgod tot schande te maken, wordt duidelijk
uit het 11de vers, waar staat: "Om mijnentwil, om
mijnentwil zal ik handelen, want hoe zou men zich kunnen
laten ontwijden? En aan geen ander zal ik mijn eigen heerlijkheid
geven."
Het 30ste hoofdstuk van Jesaja bespreekt de oordelen van
Jehovah in dit opzicht wat gedetailleerder. Dit zal worden
besproken in Deel Twee getiteld: "De
Komende Ineenstorting van de Wachttoren"
|