
Satan heeft elk volk dat
God ooit als zijn eigendom heeft bezien verdorven en misleid
- beginnend met de eerste familie in Eden. Als voorbeeld
hoe verraderlijk Satans invloed is: God had de Israëlieten
nog niet op wonderbaarlijke wijze bevrijd uit Egyptische
slavernij en de patriarchale stammen van Israël tot een
natie gemaakt, of Satan misleidde hun hogepriester Aäron
ertoe een gouden kalf te maken dat in de naam van Jehovah
aanbeden werd.
Helaas is veel van de geschiedenis van
Israël en Juda een kroniek van afval, afgoderij en ontrouwheid
van de kant van het Verbondsvolk.
Zelfs de godvrezende Koning David werd
op tragische wijze overmeesterd door Satans kuiperijen
en zijn verkeerde handelwijze bracht daarna rampspoed
over Gods volk. Nee, het was niet Davids geheime immorele
liefdesaffaire met Bathséba die Gods ongunstige oordeel
over de natie bracht - het was iets veel subtielers. Het
21ste hoofdstuk van 1 Kronieken verslaat:
"Toen stond Satan op
tegen Israël en zette David ertoe aan Israël te tellen.
Derhalve zei David tot Joab en de oversten van het volk:
"Gaat, telt Israël van Berséba tot Dan en brengt mij de
uitslag opdat ik hun getal moge weten." Maar Joab zei:
"Moge Jehovah nog honderdmaal zoveel aan zijn volk toevoegen
als het nu is. Behoren zij, o mijn heer de koning, niet
allen als knechten aan mijn heer? Waarom zoekt mijn heer
dit na te gaan? Waarom zou hij een oorzaak van schuld
voor Israël worden?" … Deze zaak nu was kwaad in de ogen
van de ware God, en daarom sloeg hij Israël." (1 Kronieken
21:1-7)
Buiten het boek van Job wordt er in
de Hebreeuwse tekst weinig meer vermeldt over Satan (buiten
het feit dat hij ook verschijnt in het profetische visioen
van Zacharia waarin hij naast Jehovah's net geïnstalleerde
Hogepriester staat), maar het is duidelijk dat de Verleider
achter de vele afvallige en afgodische misstappen van
Israël en Juda zat. De valse goden Molech, Chemosh en
de diverse Baäls waren eenvoudig afgodische façades voor
de demonen, zoals Mozes ook aangaf in het 32ste hoofdstuk
van Deuteronomium, waar hij schreef: "Zij gingen hem
tot jaloezie prikkelen met vreemde goden; Met verfoeilijkheden
bleven zij hem krenken. Zij gingen slachtoffers brengen
aan demonen, niet aan God, Goden die zij niet hadden gekend,
nieuwelingen, die pas opgekomen waren, met wie uw voorvaders
niet bekend waren." (Deuteronomium 32:16, 17)
Toen de tijd voor de Messias kwam om
tot Israël te komen, stelde de Duivel alles in het werk
in een poging Christus zelf iemand anders te laten aanbidden
dan Jehovah. Toen dat niet lukte, zocht het hoofd der
demonen naar een mogelijkheid zichzelf door middel van
de apostelen binnen te dringen in Jezus' intieme gezelschap.
Ja, één van Jezus' zelf verkozen apostelen, Judas, werd
op het cruciale moment tijdens de laatste uren van Christus
een pion van de Duivel.
De glibberige methoden van de Duivel
hebben hem terecht de titel Slang opgeleverd; en ondanks
dat Christus het hoofd van de Christelijke gemeente was,
was geen enkele gemeente volledig gevrijwaard van de listige
invloed van de Duivel. Daarom uitte Paulus, vele jaren
nadat het Christendom gevestigd was, zijn diepe bezorgdheid
dat Satan op één of andere wijze de broeders zou verderven.
De apostel schreef het volgende in het 11de hoofdstuk
van 2 Korinthiërs: "Maar ik ben bevreesd dat op de
een of andere wijze, zoals de slang door haar listigheid
Eva verleid heeft, uw geest verdorven zou kunnen worden
en zou afwijken van de oprechtheid en de eerbaarheid die
de Christus toekomen. Want het is zo gesteld, dat indien
er iemand komt die een andere Jezus predikt dan degene
die wij gepredikt hebben, of gij een andere geest ontvangt
dan gij ontvangen hebt of ander goed nieuws dan gij aanvaard
hebt, dan verdraagt gij hem gemakkelijk." (2 Korinthiërs
11:3, 4)
Hoe zouden de Korinthiërs misleid hebben
kunnen worden door de listigheid van de Duivel? Eén manier
was door middel van vermomde satanische werktuigen die
van binnen de gemeenten opereerden! Inderdaad listig!
Paulus onthulde verder de mate waarin
de Duivel er reeds in was geslaagd de op een maagd gelijkende
Christelijke gemeente van Korinthe binnen te dringen,
door de superfijne apostelen te ontmaskeren en hen te
identificeren als verborgen instrumenten van Satan de
Duivel die op slinkse wijze de gemeente waren binnengedrongen.
Paulus schreef het volgende over hen: "Want zulke mensen
zijn valse apostelen, bedrieglijke werkers, die zich veranderen
in apostelen van Christus. En geen wonder, want Satan
zelf blijft zich veranderen in een engel des lichts. Het
is daarom niets groots indien ook zijn dienaren zich blijven
veranderen in dienaren van rechtvaardigheid. Maar hun
einde zal zijn overeenkomstig hun werken." (2 Korinthiërs
11:13-15)
Dat Paulus naar de veranderde personen
verwees met "valse apostelen" lijkt aan te geven
dat Satans "bedrieglijke werkers" de meest
prominenten waren onder de Korinthiërs - wedijverend met
de apostelen om controle en invloed over de gemeente.
De misleiding was kennelijk zo slim, zo handig, dat de
Korinthische broeders en zusters het gevaar liepen in
het bedrog te trappen. Het is een feit dat Paulus' bezorgdheid
voor zijn geliefde Korinthische broeders en zusters het
gevolg was van het feit dat ze zulke mannen toelieten.
Er wordt ons niets verteld over het
effect dat Paulus' moedige aan de kaak stellen van de
superfijne apostelen wellicht heeft gehad op de Korinthische
gemeente. Paulus was zich er echter terdege van bewust
dat de satanische invloed van zulke mannen enkel toe zou
nemen naarmate de tijd zou vorderen en zich zou uitbreiden
over meer gemeenten dan enkel die van de Korinthiërs.
Onder inspiratie zei de apostel het volgende tegen de
ouderlingen van de gemeente Efeziërs: "Ik weet dat
er na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij u zullen
binnendringen, die de kudde niet teder zullen behandelen,
en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide
dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan
te trekken." (Handelingen 20:29, 30)
Paulus voorzag onder inspiratie dat
de toekomstige tegenwoordigheid van Jezus Christus en
de dag van Jehovah niet zouden komen voordat zich eerst
een afval zou ontwikkelen binnen de gehele gemeente
van Christus.
In 2 Thessalonicenzen 2:1-3 profeteerde
Paulus: "Broeders, met betrekking tot de tegenwoordigheid
van onze Heer Jezus Christus en ons vergaderd worden tot
hem, verzoeken wij u echter uw denken niet vlug in de
war te laten brengen, noch opgewonden te raken, hetzij
door middel van een geïnspireerde uiting of door middel
van een mondelinge boodschap of door middel van een brief
die van ons afkomstig zou zijn, hierop neerkomend, dat
de dag van Jehovah reeds is aangebroken. Laat niemand
u op enigerlei wijze misleiden, want die dag komt niet
tenzij eerst de afval komt en de mens der wetteloosheid
wordt geopenbaard, de zoon der vernietiging."
De afval was reeds aan het werk in de
1ste Eeuw; daar zelfs de apostelen trachtten het van het
lijf te houden - zoals Paulus verder verslaat: "Het
mysterie van deze wetteloosheid is weliswaar reeds aan
het werk, maar alleen totdat hij die op het ogenblik als
een belemmering werkt, niet meer in de weg staat. Want
dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die door de Heer
Jezus weggedaan zal worden door de geest van zijn mond
en tenietgedaan zal worden door de manifestatie van zijn
tegenwoordigheid." (2 Thessalonicenzen 2:7, 8)
De geschiedenis bewijst dat "onderdrukkende wolven",
nadat de apostelen gestorven waren, inderdaad controle
kregen over de kudde van de overgebleven schapen van Christus.
De belemmering die de apostelen hadden opgeworpen was
weg en de afval begon de waarheid te domineren en de aanbidding
van Jehovah te verdraaien. Bijna drie eeuwen later misleidde
de Romeinse keizer Constantijn de machtszieke, afvallige
bisschoppen van de overblijfselen van Christus' volgelingen
en werd de Christenheid-aan-de-Eufraat gevestigd. Er hoeft
weinig anders vermeldt te worden over de verdorven vorm
van het Christendom die door de kerken van de Christenheid
wordt vertegenwoordigd.
Voordat Jezus echter zal terugkeren om zijn heerschappij
over de aarde op te pakken, start hij eerst een geleidelijke
herontwaking van zijn gemeente, in dezelfde omvang als
de oorspronkelijke vestiging van het Christendom. Een
herstel van het vroegere Christendom zou als vanzelf vereisen
dat de zich in eeuwen opgestapelde valse leerstellingen
en praktijken van de Christenheid omvergeworpen zouden
worden. Dat zouden gezalfde Christenen moeten doen. De
feiten wijzen erop dat Charles Taze Russell en de oorspronkelijke
Bijbelonderzoekers dat werk een het eind van de 19de Eeuw
deden, een werk dat tot op de dag van vandaag voortgang
vindt.
Op grond van die geschiedkundige feiten heeft het Wachttorengenootschap
altijd aangenomen dat de mens der wetteloosheid die klasse
der geestelijken is. De Wachttoren van 1 mei 1991
zegt op bladzijde 17 bijvoorbeeld het volgende: "Er
was een grote afval voorzegd, en reeds in de eerste eeuw
G.T. was een 'mysterie der wetteloosheid' aan het werk.
Met het verstrijken van de tijd gingen mannen die de verantwoordelijkheid
aanvaardden - of aan zich trokken - om in de gemeente
onderwijs te geven, vele valse leerstellingen onderwijzen.
Hun taal was verre van zuiver. Zo
ontstond een uit vele leden bestaande "mens der wetteloosheid",
de geestelijken van de christenheid, verknocht
aan vals-religieuze overleveringen, wereldse filosofie
en onschriftuurlijke leringen."
Wanneer dat begrip echter juist is, betekent het dat
de voorzegde afval die "eerst komt," vóór Christus'
tegenwoordigheid, reeds 17 eeuwen zichtbaar is! Is dat
echter redelijk? Natuurlijk is de Christenheid een afvallige
vorm van het Christendom, geen enkele Jehovah's Getuigen
twijfelt daaraan, maar hoe zou dat kunnen dienen als mijlpaal
om de nabijheid van Christus' tegenwoordigheid aan te
duiden wanneer de afval die door Paulus werd voorzegd,
de Parousia bijna twee millennia voorafging?
En wat meer is, wanneer ons begrip juist is, dan betekent
dit dat de mens der wetteloosheid reeds onthuld
is, daar de Wachttoren hem reeds lang geleden heeft
onthuld als de samengestelde klasse der geestelijken?
Maar, is dat het werkelijk? Wordt de sluwe mens der
wetteloosheid echt zo eenvoudig geopenbaard? Eén
vraag die we moeten beschouwen is: Wanneer de geestelijken
een samengestelde mens der wetteloosheid vormen en de
mens der wetteloosheid reeds geopenbaard is op de bladzijden
van de Wachttoren daar Christus' tegenwoordigheid
naar men aanneemt in 1914 begon, waarom heeft Christus
de mens der wetteloosheid dan nog niet tenietgedaan "met
de geest van zijn mond"? Vanwaar de uitstel van bijna
90 jaar en meer?
Verder voorzei de apostel Paulus dat de afvallige mens
der wetteloosheid in de tempel van Jehovah zou zitten.
2 Thessalonicenzen 2:4, 5 luidt specifiek: "Hij verzet
zich en verheft zich boven een ieder die "god"
of een voorwerp van verering wordt genoemd, zodat hij
in de tempel van De God gaat zitten en zich in
het openbaar vertoont als een god. Herinnert gij u niet
dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen meermalen
heb gezegd?"
Zonder twijfel zijn de geestelijken van de Christenheid
"verknocht aan vals-religieuze overleveringen, wereldse
filosofie en onschriftuurlijke leringen" - zoals de
hierboven geciteerde Wachttoren beweert. Daar Jehovah's
Getuigen naar men aanneemt echter reeds bevrijd zijn uit
Babylonische gevangenschap en we nu volledig afgescheiden
en onderscheiden zijn van de Christenheid - hun geestelijken
hebben geen invloed over ons - hoe kan het dan dat de
mens der wetteloosheid kennelijk voordat Christus hem
vernietigt "in de tempel van De God gaat zitten"?
Of, wanneer we ons indenken dat hij op één of andere manier
reeds uit Jehovah's geestelijke tempel geworpen
is, zou zijn oordeel tijdens de komende Dag van Jehovah
dan niet een soort van anticlimax zijn?
Wanneer we echter inzien dat de tempel van De God
de door de geest gezalfde gemeente is, zoals de Griekse
Geschriften op vele plaatsen zeggen, dan betekent dit
dat de mens der wetteloosheid autoriteit en invloed uitoefent
over al Gods ware zonen tot het moment dat Christus hem
uit de tempel werpt. De profeet Paulus zei tenslotte specifiek
dat de mens der wetteloosheid "zich verzet en zich
verheft boven een ieder die "god" of een voorwerp
van verering wordt genoemd."
Volgens de 83ste Psalm noemt Jehovah zijn eigen zonen
"goden". (Zie Commentaar: Het
Wachttorengenootschap Zinkt tot een Ongekend Nieuw Dieptepunt)
Zouden zij niet logischerwijs behoren tot "een
ieder die "god" wordt genoemd," over wie de mens der
wetteloosheid zichzelf verheft? We zullen als vanzelf
verwachten dat de mens der wetteloosheid zich vooral zal
verzetten tegen Jehovah's dienstknechten, daar
de mens der wetteloosheid in "verzet" is tegen
Christus en een aards werktuig van de oorspronkelijke
geestelijke tegenstrever, Satan, is.
Is het dus juist te concluderen dat de tempel waarin
de afvallige mens der wetteloosheid plaats neemt de eigen
gemeente van Christus op dit moment is?
Niet volgens het Wachttorengenootschap.
Het Inzichtboek Deel II zegt het volgende onder het
onderwerp "tempel" en het onderkopje Een
bedrieger.
In zijn waarschuwing voor de komende afval zei de apostel
Paulus dat "de mens der wetteloosheid" zich zou verheffen,
"zodat hij in de tempel van De God gaat zitten en zich
in het openbaar vertoont als een god" (2Th 2:3, 4). Deze
"mens der wetteloosheid" is een afvallige, een valse leraar,
en derhalve gaat hij in werkelijkheid
slechts zitten in wat volgens zijn valse bewering die
tempel is.
Het is verbazingwekkend dat het Wachttorengenootschap
zegt dat de mens der wetteloosheid niet echt plaatsneemt
in de werkelijke geestelijke tempel van "De God",
zoals Paulus duidelijk zegt; in plaats daarvan doet de
mens der wetteloosheid volgens het Wachttorengenootschap
enkel de valse bewering Gods tempel te betrekken.
Vanwaar deze overduidelijke contradictie?
In het licht van de subtiele tegenstrijdigheden tussen
hetgeen Jehovah's Getuigen door het Wachttorengenootschap
over de mens der wetteloosheid geleerd is en wat de Bijbel
werkelijk over hem zegt, moeten we serieus gaan nadenken
over de mogelijkheid dat we reeds ten slachtoffer
zijn gevallen aan een sluwe misleiding die afkomstig is
van de mens der wetteloosheid. Ja, het wordt tijd dat
we serieus beschouwen dat het mogelijk is dat "de afval
eerst komt" binnen de herstelde gezalfde gemeente
van Christus en Jehovah's Getuigen als een onmiddellijke
voorbode van Christus' komst.
Beschouw het volgende eens: Bestaat er enige reden te
geloven dat Satan heden ten dage ook maar iets minder
effectief is in het zichzelf veranderen in een engel des
lichts en zijn werktuigen in dienaren van rechtvaardigheid?
Het Wachttorengenootschap
heeft er dikwijls op gewezen dat Satan en de demonen als
op soortgelijke wijze opereren als criminelen uit de onderwereld,
doordat ze hun eigen bestaan en intenties trachten te
verbergen. Paulus zei eens dat Christenen niet
onwetend zijn van zijn bedoelingen.
Maar, zijn wij onwetend van Satans bedoelingen?
Jehovah's Getuigen weten heel goed dat Satan de god
van deze wereld is en dat zijn boosaardige invloed zich
uitstrekt over alle religieuze stelsels, regeringen, commercie,
de media, enzovoort. Is dat echter alles?
Bedenk dat het één van de trucs van de Duivel is ons
te ervan te overtuigen dat hij niet eens bestaat - of
ons in ieder geval in slaap te sussen met de gedachte
dat we nooit beetgenomen kunnen worden door hem. Een Jehovah's
Getuige kan denken: "Dat zal bij ons nooit werken.
We weten dat de Duivel bestaat." En dat kan heel goed
waar zijn; de paradox is echter dat Jehovah's Getuigen
naïef zijn ten opzichte van het feit dat Satan volledig
in staat is "Jehovah's organisatie," zoals die over het
algemeen wordt genoemd, te beïnvloeden. Sommigen zullen
daarop reageren met: "Oh nee, dat kan nooit gebeuren.
Het Wachttorengenootschap geniet Gods bescherming. Trouwens,
de getrouwe en beleidvolle slaaf heeft de toets reeds
doorstaan en is aangesteld over alle bezittingen van de
meester en tevens leven we in een geestelijk paradijs."
Door zulk soort redeneringen kan dezelfde Christen die
Satans duistere invloed over de wereld heel goed kan herkennen,
blind worden voor de realiteit dat Satan volledig in staat
is aanzienlijke invloed uit te oefenen over de Christelijke
organisatie. In dat opzicht lopen we het gevaar dat we
onder het verblindende juk van de mens der wetteloosheid
van de Duivel terecht komen.
In feite erkennen Jehovah's Getuigen dat we reeds ten
slachtoffer zijn gevallen aan valse broeders die de organisatie
zijn binnengeslopen, we hebben alleen nog geen idee van
de omvang. Het Wachttorengenootschap weet echter zeer
goed dat KGB agenten en andere vijanden zich gedurende
de hoogtijdagen van de Sovjet Unie voordeden als geïnteresseerde
Bijbelonderzoekers om op die manier het vertrouwen van
nietsvermoedende broeders te winnen. Ze hadden vaak succes.
Sommigen van hen werden zelfs aangesteld als ouderlingen
of kringopzieners.
Waarom is dan ondenkbaar dat Satans nepdienaren van
rechtvaardigheid zich niet evenzo op kunnen werken tot
zelfs de top van de organisatie?
Geen wonder dat Paulus de gezalfde Korinthiërs zei dat
hij bang was dat ze misleid zouden worden door bedrog
van de Duivel. Of denken we dat we wijzer zijn dan de
gezalfde Korinthische gemeente die op naïeve wijze de
veranderde apostelen van Satan toelieten?
Het Wachttorengenootschap maakt de valse voorstelling
nog groter door ons ervan te verzekeren dat hedendaagse
Jehovah's Getuigen nooit ten prooi zullen vallen
aan enige grootschalige afval. De Wachttoren van
15 januari 1972 zegt:
"Het is
niet moeilijk in te zien dat de christenheid voornamelijk
uit personen bestaat die slechts belijden christenen te
zijn. Jehovah's getuigen hebben zich echter geheel van
de christenheid afgescheiden en nemen een standpunt in
dat uitsluitend gebaseerd is op Gods Woord en de daarin
opgetekende beginselen van waarheid en rechtvaardigheid.
Ons wordt de verzekering gegeven
dat in deze oogsttijd, waarnaar door Jezus wordt verwezen,
niet wederom een grootscheepse afval zal plaatsvinden."
Er wordt ons niet precies verteld welke verzekeringen
Jezus ons gegeven kan hebben dat er geen "grootscheepse
afval zal plaatsvinden." Integendeel, Jezus voorzei
feitelijk dat er gedurende het besluit "vele valse
profeten zullen opstaan en velen misleiden; en wegens
het toenemen der wetteloosheid zal de liefde van de meesten
verkoelen." (Jezus gebruikte de term "wetteloosheid"
in verband met religieuze wetteloosheid - of afval
- niet criminele wetteloosheid.)
De paragraaf zegt verder echter:
"Maar
wij kunnen het ons niet veroorloven onverschillig te zijn.
Dezelfde vijand, Satan, de draak, is op het oorlogspad,
en hij is woedender dan ooit tevoren. De hedendaagse geschiedenis
van Jehovah's getuigen toont aan dat
sommigen, die een "boze slaaf"-klasse vormden, hebben
getracht de leiding over Jehovah's werk en volk in handen
te nemen. Dit bleek vooral gedurende de periode
van de Eerste Wereldoorlog het geval te zijn. Jehovah
heeft zijn organisatie echter gereinigd en deze geheel
theocratisch gemaakt. De eer komt hem toe, niet
een mens. Individueel moet er echter zorgvuldig worden
gewaakt. Het verslag toont aan dat sommigen in onze gemeenten
gewaarschuwd moeten worden, terwijl anderen onder voorwaarden
moeten worden geplaatst en weer anderen uitgesloten moeten
worden. Waarom? Omdat zij, terwijl zij beweren in de waarheid
te zijn, de waarheid niet beoefenen. Dit begint vaak heel
klein, maar als zij erin volharden, drijft dit hen weg
van de waarheid in de duisternis buiten."
Het Wachttorengenootschap erkent dat een wetteloos element
gedurende WOI invloed trachtte te krijgen over de organisatie.
Wellicht is de boze slaaf sinds die tijd echter succesvoller
dan we denken. Zou het geen slimme list zijn van de Duivel
de bewering te promoten dat de boze slaven reeds lang
geleden verwijderd zijn en dat de vijand nu niet bij machte
is de leiding in handen te krijgen?
Wanneer we willen vaststellen of dat werkelijk het geval
is, hoeven we onszelf enkel de volgende vraag te stellen:
Heeft Jehovah werkelijk zijn organisatie gereinigd
en het theocratisch aan zichzelf onderworpen zoals de
Wachttoren beweert? Zo ja, waarom zijn er dan duizenden
personen binnen de gemeente die de waarheid niet beoefenen
zoals het artikel hierboven juist opmerkt?
Nogmaals, zou het doel van de Duivel niet gediend worden
met het promoten van de leugen dat God zijn gemeente reeds
gereinigd heeft wanneer dat niet het geval is? Wat zou
er bedrieglijker zijn dan te veronderstellen dat de organisatie
onkwetsbaar is voor Satans verderfelijke invloed en dat
God de absolute leiding heeft? Vraag jezelf af: Wanneer
we geloven dat we in een gereinigd geestelijk paradijs
leven, zijn we dan meer of minder kwetsbaar
voor de kuiperijen van de Duivel?
Met betrekking tot het onderwerp 'het geestelijk paradijs,'
houdt het Wachttorengenootschap zelfs in de recente Wachttoren
van 1 mei 2004 vol dat Jehovah's Getuigen in een geprofeteerd
probleemloos geestelijk paradijs leven, ondanks al het
tegengestelde bewijs.
Het 1ste studieartikel begint met te zeggen: "Jehovah's
Getuigen bevinden zich in een geestelijk paradijs
(Jesaja 11:6-9). In deze wereld vol narigheid delen ze
een uniek geestelijk milieu met medechristenen, die
in vrede met Jehovah God en elkaar leven."
Niet om de slang van Eden na te praten of een gerespecteerde
en betrouwbare autoriteit als Jehovah in twijfel te trekken,
maar is het werkelijk zo? Wat is er toch gebeurd
met de apostolische vermaning: "Vergewist u van alles"?
Daarom, leven Jehovah's Getuigen op dit moment
in de vervulling van Jesaja's profetie of niet? Wat is
de waarheid?
Het lijkt voor Jehovah's Getuigen in het geheel niet
gepast of bescheiden te zijn te pochen over vrede hebben
met God. We worden herinnerd aan de enge overeenkomst
met een soortgelijke valse voorstelling van zaken die
de Joodse leiders uit Jeremia's tijd aan Gods volk gaven:
"En zij trachten de breuk van mijn volk oppervlakkig
te genezen door te zeggen: 'Er is vrede! Er is vrede!'
terwijl er geen vrede is." (Jeremia 6:14)
Ondanks dat de Wachttoren Jesaja 11:6-9 citeert als
een bewijstekst dat Jehovah's Getuigen ten volle genieten
in een geestelijk paradijs, leggen ze op geen enkele wijze
uit hoe dit op ons van toepassing zou kunnen zijn. Laten
we daarom de ogenschijnlijk geïnspireerde uiting
beproeven om te bezien of ze werkelijk van God afkomstig
is, zoals de apostel Johannes ons aanmoedigt.
Jesaja 11:6-9 luidt: "En de wolf zal werkelijk een
poosje bij het mannetjeslam vertoeven, en bij het bokje
zal de luipaard zelf zich neerleggen, en het kalf en de
jonge leeuw met manen en het weldoorvoede dier alle bij
elkaar; en een kleine jongen nog maar zal leider over
ze zijn. Ja, de koe en de beer zullen weiden; samen zullen
hun jongen neerliggen. En zelfs de leeuw zal stro eten
net als de stier. En de zuigeling zal stellig spelen bij
het hol van de cobra; en op de lichtopening van een giftige
slang zal een gespeend kind werkelijk zijn eigen hand
leggen. Men zal generlei kwaad doen noch enig verderf
stichten op heel mijn heilige berg; want de aarde zal
stellig vervuld zijn van de kennis van Jehovah, zoals
de wateren ook de zee bedekken."
De profetie voorzegt dat een kind zelfs door een gevaarlijk,
giftig reptiel geen kwaad zal worden gedaan. Hoe is dat
echter mogelijk? Het is interessant dat een ogenschijnlijk
onschadelijke slang het werktuig was waardoor Satan schade
toebracht aan de onschuldige bewoners van het oorspronkelijke
paradijs in Eden. De profetische beeltenis van een getemde,
doch gewoonlijk gifspuitende cobra, lijkt af te beelden
dat Satan geen invloed of stem meer heeft in het geestelijke
paradijs van Jehovah's hand.
Laten we de context van de bovenstaande verzen eens
bekijken. Het 11de hoofdstuk van Jesaja wordt bezien als
een messiaanse profetie. Het begint met te zeggen:
"En er moet een rijsje voortkomen uit de tronk van
Isaï; en uit zijn wortels zal een spruit vruchtbaar zijn.
En op hem moet de geest van Jehovah komen te rusten, de
geest van wijsheid en van verstand, de geest van raad
en van kracht, de geest van kennis en van de vrees voor
Jehovah; en hij zal vreugde scheppen in de vrees voor
Jehovah. En hij zal niet richten naar wat zijn ogen alleen
maar zien, noch terechtwijzen naar wat zijn oren slechts
horen. En met rechtvaardigheid moet hij de geringen richten,
en met oprechtheid moet hij terechtwijzing geven ten behoeve
van de zachtmoedigen der aarde. En hij moet de aarde slaan
met de roede van zijn mond; en met de geest van zijn lippen
zal hij de goddeloze ter dood brengen. En rechtvaardigheid
moet de gordel van zijn heupen blijken te zijn, en getrouwheid
de gordel van zijn lendenen."
We weten dat de tronk van Isaï een verwijzing is naar
het Davidische koninkrijk - daar Jesse Davids vader is.
En Jezus erfde het recht op Davids troon natuurlijk vanuit
het feit dat hij uit de genealogische lijn van David was.
Jehovah's Getuigen geloven dat Jezus reeds in 1914 op
zijn troon is gaan zitten en sindsdien over de wereld
regeert. Volgens de context van de profetie zijn de voorzegde
vredige omstandigheden van het paradijs echter het directe
gevolg van Jezus' gunstige oordeel van de geringen en
de zachtmoedigen en zijn ter dood brenging van de goddeloze.
Het is onnodig te benadrukken dat dit nog niet gebeurd
is - zelfs niet symbolisch.
Het moet ook duidelijk zijn dat er in de oorspronkelijke
Christelijke gemeenten ook niet een dergelijk geestelijk
paradijs bestond. Dat blijkt uit de vele problemen waarmee
ze te maken hadden. Paulus zei bijvoorbeeld dat hij zo
nu en dan in gevaar was door valse broeders, wat ook de
superfijne apostelen waren. Hij verwees naar andere mannen
die de gemeente binnenslopen "om onze vrijheid te bespieden."
Op een andere plaats waarschuwde Paulus de Galaten ervoor
dat wanneer ze elkaar zouden blijven bijten ze door elkaar
verdelgd zouden worden. Zijn dat omstandigheden voor een
geestelijk paradijs? Nauwelijks. De aanwezigheid van valse
broeders en trouweloze werktuigen van de Duivel binnen
de gemeenten is het tegengestelde van een veilig, probleemloos
geestelijk paradijs.
Paulus kwam nog het meest nabij het geestelijke paradijs
toen hem een meeslepend visioen werd gegeven van iets
wat hij het paradijs noemde en de "derde hemel."
Het moge duidelijk zijn, wanneer de apostelen geen geestelijk
paradijs genoten, doen wij dat ook niet.
We beseffen dat de beschrijving van een leeuw die neerligt
met het lam in werkelijkheid een afbeelding is van de
vredige relaties tussen personen die gezegend zijn door
Jehovah. Personen met beestachtige neigingen zullen getemd
worden zodat ze anderen geen kwaad doen. Zonder enige
twijfel kan de waarheid een krachtige veranderende werking
hebben op allen die de beginselen uit Gods Woord in hun
leven van toepassing brengen. Maar, maakt dat op zichzelf
een geestelijk paradijs? Wat gebeurt er wanneer niet allen
in de gemeente veranderd worden?
Het is bijvoorbeeld een onmiskenbaar feit dat vele duizenden
onschuldige kinderen van Jehovah's Getuigen seksueel misbruikt
zijn door beestachtige roofdieren binnen de gemeenten
en families van Jehovah's Getuigen. Een ieder met een
sterke maag kan de levensechte, hartverscheurende ervaringen
van de zogenaamde Silentlambs
lezen; personen die onschuldige slachtoffers zijn geworden
van seksueel misbruik door sommigen van Jehovah's Getuigen.
Wat de bewering van het Wachttorengenootschap omtrent
een geestelijk paradijs daarom nog ongeloofwaardiger maakt,
is dat er vele lammeren verkracht en verslonden worden
wanneer de leeuwen en lammeren in onze weide neerliggen!
In de 60'er jaren, toen de voortdurende morele ineenstorting
van de Westerse maatschappij werkelijk begon, had er wellicht
enige rechtvaardiging bestaan voor het geloof dat
Jehovah's Getuigen in dat opzicht van andere mensen verschilden.
In recente decennia hebben we te maken gekregen met hetzelfde
morele verval die zo algemeen is in de Christenheid. Het
Wachttorengenootschap geeft zelfs vrijelijk toe dat er
elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen worden uitgesloten
voor allerlei soorten van immoraliteit. Vele anderen leven
een zogenaamd dubbelleven. Wanneer het Wachttorengenootschap
daarom jaar na jaar en ondanks al het tegengestelde bewijsmateriaal
blijft volhouden dat de gemeenten van Jehovah's Getuigen
beschutting hebben in een geestelijk paradijs - niet gestoord
door moreel verderf en de beestachtige geest die anderen
teistert - ontkent ze eenvoudigweg de realiteit.
De vraag is: Waarom geloven we klakkeloos iets dat zo
haaks op de waarheid staat? Satan de Duivel, de vader
van de leugen, moet de onzichtbare kracht achter zulke
koppige waarheidsverdraaiende verdorvenheid zijn.
Beschouw eens een recent
persbericht van het Wachttorengenootschap met betrekking
tot de Silentlambs als voorbeeld van de wijze waarop hardnekkige
waarheidsverdraaiende geest in de organisatie werkt. Na
er regelingen voor getroffen te hebben dat de broeders
en zusters die met de media gesproken hebben over de problemen
met betrekking tot kindermisbruik uit de organisatie gesloten
werden, zegt de woordvoerder van het Wachttorengenootschap,
J.R. Brown, dat Jehovah's Getuigen zulke verdedigers van
slachtoffers niet als vijanden beschouwen. Nu beweert
het Wachttorengenootschap ongeloofwaardig genoeg zelfs
dat ze het eens zijn met de doelen van de Silentlambs
organisatie!
|
J.R.
Brown, woordvoerder publieke zaken op het hoofdkantoor
van het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap
van de Getuigen in New York, zei dat de religie
het eens is met het doel van de Silentlambs "het
seksueel misbruik van kinderen te minimaliseren
of uit te bannen," maar ontkent de specifieke
beschuldigingen van de organisatie. "We bezien
hen niet als onze vijanden," zei Brown.
|
Als dat echter het geval is, dient de volgende vraag
zich aan: Hoe kan het Wachttorengenootschap aan de ene
kant toegeven dat er een serieus probleem van kindermisbruik
in de organisatie is en aan de andere kant blijven vasthouden
aan de overtuiging dat Jehovah's Getuigen op één of andere
manier in een geestelijk paradijs leven? Het tart elke
redelijkheid. Wanneer Jehovah's Getuigen zich echt in
het glorieuze geestelijke paradijs van vrede en absolute
zekerheid bevinden dat Jehovah heeft beloofd, zouden we
dan werkelijk ouderlingen hebben die trachten "het
seksueel misbruik van kinderen te minimaliseren of uit
te bannen"? Natuurlijk niet!
Het Wachttorengenootschap heeft veel inspanningen gedaan
de waarheid aangaande deze zaken te verbergen. Geen wonder
dat Jehovah door middel van Jesaja het volgende zegt tegen
de leiders van zijn volk: "Wee hun die zeer diep gaan
in het verbergen van raad voor Jehovah zelf, en wier daden
in een duistere plaats zijn geschied, terwijl zij zeggen:
"Wie ziet ons, en wie weet van ons?" O die verkeerdheid
van u!" (Jesaja 29:15, 16)
Jezus zei dat aardse vaders niet zo slecht zouden zijn
om hun kinderen een slang te geven wanneer ze om een stuk
brood zouden vragen, maar dat is wel hetgeen wij zouden
moeten denken over Jehovah ten opzichte van ons. We zijn
namelijk gaan geloven dat onze liefdevolle hemelse Vader
ons een onbevredigend geestelijk paradijs heeft gegeven,
waar duizenden onschuldige kinderen verkracht en misbruikt
worden en waarin de daders voor het grootste deel ongestraft
blijven, terwijl het Wachttorengenootschap de ongehoorde
bewering doet: "Er is vrede, er is vrede. We leven
in een geestelijk paradijs!"
De waarheid is: Het werkelijke geestelijke paradijs
uit de profetieën wordt niet gekenmerkt door enkel organisatorische
uniformiteit of zelfs maar leerstellige zuiverheid, of
wat maar ook. Het werkelijke geestelijke paradijs
van Gods makelij gelijkt op het oorspronkelijke paradijs
in Eden voordat het werd verdorven, daar er in het geestelijke
paradijs geen slechte, schadelijke, beestachtige mensen
zullen zijn - niet eens één! Je kunt ervan verzekerd zijn,
geliefde lezer, dat er in het werkelijke geestelijke paradijs
van Jehovah's makelij zelfs niet één kind verkracht of
seksueel misbruikt zal worden door een vertrouwde christen.
Het 35ste hoofdstuk van Jesaja beschrijft het christelijke,
geestelijke paradijs verder met deze woorden:
"In die tijd zullen de ogen der blinden geopend worden,
en zelfs de oren der doven zullen ontsloten worden. In
die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert, en
de tong van de stomme zal een vreugdegeroep aanheffen.
Want in de wildernis zullen bruisende wateren zijn opgeweld,
en stromen in de woestijnvlakte. En de door de hitte verschroeide
bodem zal als een rietpoel zijn geworden, en de dorstige
bodem als waterbronnen. In de verblijfplaats van jakhalzen,
een rustplaats voor ze, zal groen gras zijn met riet en
papyrusplanten. En daar zal stellig een hoofdweg komen,
ja, een weg, en de Weg der Heiligheid zal die worden genoemd.
De onreine zal er niet langs trekken. En hij zal zijn
voor degene die op de weg wandelt, en geen dwazen zullen
erop ronddolen. Geen leeuw zal daar blijken te zijn, en
het roofdierachtige wild gedierte zal er niet op komen.
Niet één zal er aangetroffen worden; en de teruggekochten
moeten daarop wandelen. En het zijn de door Jehovah losgekochten
die zullen terugkeren en stellig naar Sion zullen komen
met vreugdegeroep, en verheuging tot onbepaalde tijd zal
op hun hoofd zijn. Tot uitbundige vreugde en verheuging
zullen zij geraken, en droefheid en zuchten moeten wegvlieden."
(Jesaja 35:5-10)
Het geestelijke paradijs is een toestand die Jehovah
in de toekomst op wonderbaarlijke wijze tot stand zal
brengen. Het geestelijke paradijs zal alleen toegankelijk
zijn voor degenen die Jehovah werkelijk liefhebben. Alle
anderen zullen geen toegang krijgen. Net zo zeker als
de veroordeelde Adam en Eva geen toegang meer kregen tot
het paradijs doordat de ingang bewaakt werd door een cherub
met een draaiend, brandend zwaard, zo zullen ook alle
niet-geestelijke, ongelovige en beestachtige mannen en
vrouwen door Gods engelen verwijderd worden en geen toegang
krijgen tot de teruggekochte organisatie van God. Zei
Jezus niet dat de engelen in het besluit van het samenstel
van dingen alle wettelozen uit Gods koninkrijk zouden
verwijderen?
Nogmaals, wanneer er in het geestelijke paradijs geen
moreel onreine personen zullen zijn, geen dwaze
personen die ons kunnen irriteren, noch enig roofdier
dat ons welzijn kan bedreigen, waarom blijven Jehovah's
Getuigen dan stug geloven in de leugen dat zulke toestanden
reeds bestaan in de organisatie? Wanneer we veronderstellen
dat zulke gezegende toestanden reeds bestaan, wanneer
de realiteit het tegenovergestelde schreeuwt, geeft dat
dan niet aan dat we gebukt gaan onder een krachtig waanidee?
En niet alleen dat, Jehovah's Getuigen zijn ook ten
slachtoffer gevallen aan een soortgelijk waanidee, namelijk,
dat Christus reeds "gekomen" is en zijn getrouwe
slaaf reeds over al zijn bezittingen heeft aangesteld.
Het studieartikel uit de Wachttoren van 1 mei 2004
getiteld: "De
Getrouwe Slaaf Doorstaat de Toets!" bekrachtigt
die leugen met overreding door middel van valse redeneringen.
Het kader op bladzijde 16 zegt bijvoorbeeld dat het
onredelijk is dat het oordeel van de getrouwe en ontrouwe
slaven "plaats
zal vinden wanneer Jezus "komt" bij de grote verdrukking."
Hun redenering? Het artikel vervolgt met te zeggen: "Dat
zou impliceren dat veel van de gezalfden dan ontrouw worden
bevonden en dus vervangen moeten worden. Uit
Openbaring 7:3 blijkt echter dat al Christus' gezalfde
slaven tegen die tijd blijvend "verzegeld" zullen zijn."
Maar, blijkt uit Openbaring 7:3 werkelijk dat al Christus'
gezalfde slaven verzegeld zullen zijn voor de verdrukking?
Dat blijkt er zeker niet uit! Integendeel, de voorgaande
verzen in het 6de hoofdstuk van Openbaring beschrijven
de verdrukking als volgt: "En ik zag, toen hij het
zesde zegel opende, en er geschiedde een grote aardbeving;
en de zon werd zwart als een haren zak, en de gehele maan
werd als bloed, en de sterren van de hemel vielen naar
de aarde, zoals wanneer een vijgeboom, door een krachtige
wind geschud, zijn onrijpe vijgen afwerpt. En de hemel
week terug als een boekrol die wordt opgerold, en elke
berg en elk eiland werd van zijn plaats verwijderd. En
de koningen van de aarde en de hooggeplaatste personen
en de militaire bevelhebbers en de rijken en de sterken
en iedere slaaf en iedere vrije verborgen zich in de holen
en in de rotsen van de bergen. En zij blijven tot de bergen
en tot de rotsen zeggen: "Valt op ons en verbergt ons
voor het aangezicht van Degene die op de troon zit en
voor de gramschap van het Lam, want de grote dag van hun
gramschap is gekomen, en wie kan dan standhouden?""
(Openbaring 6:12-17)
De verzen die hierboven staan bevatten duidelijk apocalyptische
taal die gebruikt wordt in verband met de verdrukking.
Het volgende vers, Openbaring 7:1, begint hierna met het
woord: "Hierna."
Wanneer Johannes "hierna" zegt, wat moeten we
dan anders concluderen dan dat er een opeenvolging is
van gebeurtenissen in een bepaalde volgorde? En wat voorzag
Johannes dan "hierna"? De apostel verslaat verder:
"Hierna zag ik aan de vier hoeken van de aarde vier
engelen staan, die de vier winden van de aarde stevig
vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde
of over de zee of over enige boom. En ik zag een andere
engel opstijgen van de opgang der zon, die een zegel van
de levende God had; en hij riep met een luide stem tot
de vier engelen aan wie het gegeven was schade toe te
brengen aan de aarde en de zee, en hij zei: "Brengt geen
schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen
tot nadat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofd
verzegeld hebben.""
De "vier winden van de aarde" zijn niet de verwoestende
winden van de verdrukking, zoals ons is geleerd. De engelen
houden de symbolische winden van Jehovah's definitieve
oordeel tegen dat tot een hoogtepunt komt in de oorlog
van Armageddon. Dat betekent dat de verzegeling tijdens
de verdrukking plaatsvindt, wellicht nadat de verdrukking
is "verkort," zoals Jezus op een andere plaats
voorzei, maar voor Armageddon.
De leerstelling dat Christus zijn getrouwe en beleidvolle
slaaf reeds zijn onomkeerbare goedkeuring heeft gegeven,
gaat elk gezond verstand te boven. In de context van Christus'
illustratie over de getrouwe slaaf waarschuwde Jezus:
"Maar weet één ding, dat indien de heer des huizes
had geweten in welke nachtwake de dief zou komen, hij
wakker zou zijn gebleven en niet in zijn huis zou hebben
laten inbreken. Toont ook gij u daarom gereed, want de
Zoon des mensen komt op een uur waarvan gij het niet hebt
gedacht." (Mattheüs 24:43, 44)
Dezelfde uitgave van de eerder aangehaalde Wachttoren
zegt dat de vroegere Bijbelstudenten "berekenden" dat
1914 het exacte jaar van de aankomst van de meester was.
Hoe kan dat echter in overeenstemming worden gebracht
met Jezus' serieuze waarschuwing dat zijn komst zou zijn
als een dief - "op een uur waarvan gij het niet hebt
gedacht"? Het valt niet uit te leggen en het Wachttorengenootschap
geniet op dit moment de luxe het ook niet te hoeven
uitleggen. Maar één ding is zeker: Door de vrijwel wereldomvattende
aanvaarding van de onjuiste leerstelling dat Christus
in 1914 gekomen is, is het toneel nu in gereedheid, zodat
het vrijwel zeker is dat Christus' toekomstige
komst als de meester van het huis zo onverwachts zal zijn
als een dief in de nacht.
Sommigen kunnen echter redeneren: "Wat maakt het
nou uit of het Wachttorengenootschap de verkeerde timing
heeft?"
Het gevaar is dat de leerstelling - dat Christus reeds
gekomen is en zijn getrouwe slaaf over al zijn bezittingen
heeft aangesteld - de perfecte beschutting biedt die de
mens der wetteloosheid nodig heeft om te kunnen opereren.
Wanneer we tenslotte in een geestelijk paradijs leven
en de getrouwe slaaf die verbonden is aan het Wachttorengenootschap
reeds de volledige zegening van Christus heeft, dan heeft
het Wachttorengenootschap als het ware een blanco cheque
die ze kunnen gebruiken zoals zij dat passend achten.
Het kan niet fout gaan. Het komt zeer dichtbij de leerstelling
van pauselijke onfeilbaarheid.
Als één van de voorbeelden waarop het voor het Wachttorengenootschap
mogelijk is haar aanzien onder Jehovah's Getuigen uit
te buiten, hoeven we niet verder te kijken dan de wijze
waarop het leiderschap van de organisatie Jehovah's Getuigen
schaamteloos heeft bedrogen met betrekking tot haar lidmaatschap
als NGO. Zelfs toen ze geconfronteerd werd met de onweerlegbare
feiten die aantonen dat het Wachttorengenootschap de Verenigde
Naties als een NGO ijverig heeft ondersteund, lijken de
meeste Jehovah's Getuigen die de feiten onder ogen krijgen
zo geconditioneerd te zijn door organisatorische loyaliteit
dat ze niets verkeerds zien in de schaamteloze huichelarij
en misleiding van het Wachttorengenootschap.
Realiteit en waarheid zijn volledig op zijn kop gezet.
Iets wat zonder twijfel een afval is in Jehovah's ogen
wordt afgedaan als louter beschuldigingen van tegenstanders
van het Wachttorengenootschap. We moeten ons niet indenken
dat Jehovah's veroordeling van toepassing is op de Christenheid:
"Wee hun die zeggen dat goed slecht is en slecht goed,
die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis,
die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitter!"
(Jesaja 5:20)
De realiteit is nu dat iedere Jehovah's Getuige die
het waagt de leerstellingen of praktijken van het Wachttorengenootschap
in twijfel te trekken automatisch als een niet geestelijke
afvallige wordt bezien.
Het is ironisch dat een dergelijke atmosfeer van onbetwistbare
autoriteit juist de voedingsbodem voor afval is. Nee,
niet een afval die afkomstig is van de gewone leden, maar
eerder van degenen die de leiding hebben, doordat ze een
leerstelling bedacht hebben die hen in staat stelt om
te handelen zonder ervoor ter verantwoording te worden
geroepen. De enige redelijke verklaring voor de neiging
van het Wachttorengenootschap de hierboven beschreven
waanideeën te behouden, wordt het beste weergegeven in
de volgende woorden van Paulus: "Het mysterie van deze
wetteloosheid is weliswaar reeds aan het werk." (2
Thessalonicenzen 2:7)
"Zijn
Hart Zelf Zal Werken...
Aan Afval"
Op vele, vele plaatsen in profetiën voorzegt Jehovah
een verlichting die gelijk valt met de feitelijke komst
van Christus. Zoals reeds besproken, houdt het Wachttorengenootschap
consequent vol dat de voorzegde opening van blinde ogen
door middel van het Wachttorengenootschap reeds plaatsgevonden
heeft in 1919. Echter, een nauwkeurige beschouwing van
de Schriften onthult dat De Verlichting tot stand komt
door een wonderbaarlijke uitstorting van Jehovah geest
gedurende het besluit van het samenstel.
Het 29ste hoofdstuk van Jesaja voorzegt bijvoorbeeld
wee voor Gods organisatie: "Omdat dit volk genaderd
is met zijn mond en zij mij slechts met hun lippen verheerlijkt
hebben en hun hart zelf ver van mij verwijderd hebben
en hun vrees ten opzichte van mij een gebod van mensen
wordt dat wordt onderwezen, daarom, hier ben ik, Degene
die wederom wonderlijk met dit volk zal handelen, op
een wonderlijke wijze en met iets wonderlijks; en de
wijsheid van hun wijze mannen moet vergaan, en zelfs
het verstand van hun beleidvolle mannen zal schuilgaan."
(Jesaja 29:13, 14)
Met zekerheid kan Jehovah's oordeel enkel van toepassing
zijn op Jehovah's Getuigen. Jehovah's Getuigen vormen
tenslotte de enige religie die Jehovah door openbare
prediking verheerlijkt - God naderend met onze monden.
Zoals Jehovah's priemende visioen echter onthult, is
onze aanbidding afgeweken door organisatorische loyaliteit
- onze gehoorzaamheid aan God is verworden tot geboden
van mensen. In plaats van onze Schepper met een volledig
hart te aanbidden, is onze aanbidding subtiel verlaagd
tot aanbidding van het Wachttorengenootschap, het Besturend
Lichaam en de zogenoemde getrouwe en beleidvolle slaaf.
Daarom belooft Jehovah "iets wonderlijks" te
doen.
De "beleidvolle mannen" wiens wijsheid en verstand
schuilgaat, kunnen niemand anders zijn dan de anders
getrouwe en beleidvolle slaaf. Echter, ook al is dat
het geval, ze zijn blind en geestelijk dronken en niet
in staat Jehovah's oordelen te bevatten, zoals Jesaja
voorzegt. Jehovah's wonderbaarlijke voornemen is de
bekrompen tirannen, die de controle over de geesten
en harten van zijn volk hebben gegrepen, te verwijderen.
Dat is hetgeen Jesaja vervolgens onthult in de verzen
18-21: "En op die dag zullen de doven stellig de
woorden van het boek horen, en uit het donker en uit
de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden zien.
En de zachtmoedigen zullen hun verheuging in Jehovah
zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de
mensheid zullen blij zijn in de Heilige Israëls zelf,
want de tiran moet aan zijn eind komen en met de snoever
moet het gedaan zijn, en allen die er voortdurend op
uit zijn kwaad te doen, moeten worden afgesneden, zij
die een mens doen zondigen door zijn woord, en zij die
zelfs strikken spannen voor degene die terechtwijst
in de poort, en zij die de rechtvaardige terzijde dringen
met nietszeggende argumenten."
In vers 11 wordt ons gezegd dat de profeten en visionairs
van God niet in staat zullen zijn het boek van de profeten
met intelligentie te lezen, omdat het verzegeld zou
zijn. Het tweedelige commentaar van het Wachttorengenootschap
op Jesaja is het bewijs van een dergelijke ongeletterde
interpretatie. Wanneer Jehovah "op die dag" echter
wonderbaarlijk handelt met zijn volk, opent God de dove
oren en blinde ogen onmiddellijk zodat de woorden van
het boek begrepen worden. Zonder twijfel is de
ontzegeling van alle profetische boeken het gevolg van
de openbaring van Christus.
We kunnen terecht concluderen dat het onderwijzingswerk
van het Wachttorengenootschap de profetie niet
vervuld heeft, omdat Jehovah, gelijktijdig met de zegening
van de zachtmoedigen en de armen van de mensheid, tevens
de tirannen en de snoevers tot een einde laat
komen. Als de voorzegde verlichting reeds heeft plaatsgevonden,
waarom heeft Jehovah de tirannen en de snoevers dan
nog niet weggedaan?
We mogen tevens terecht concluderen dat de tirannen
en de snoevers zich onder de leiders van Gods volk bevinden
die pochen over hun eigen rechtvaardigheid en geestelijke
reinheid, terwijl ze de organisatie in afval leiden
- waarbij elke terechtwijzer wordt weggestuurd met "nietszeggende
argumenten." (Het is interessant dat het Wachttorengenootschap
niets eens commentaar geeft op de bovenstaande profetie,
zelfs niet in hun vers-voor-vers bespreking van Jesaja.)
Zefanja bevestigt dat Jehovah "de volken" pas
"tot een zuivere taal" van onvervalste waarheid
zal "doen overgaan" wanneer het feitelijke oordeel
wordt uitgestort. Het is karakteristiek voor onze blindheid
dat Jehovah's Getuigen op verbazingwekkende wijze de
leerstelling van het Wachttorengenootschap hebben aanvaard,
dat "de overgang" reeds heeft plaatsgevonden
- wat zogenaamd bewezen wordt door ons organisatorisch
conformisme op het gebied van theocratisch jargon -
terwijl de profetie, die we ongetwijfeld vele malen
hebben gelezen, ons duidelijk zegt de dag van Jehovah
te blijven verwachten, want "dan" zal Jehovah
de volken "doen overgaan tot een zuivere taal."
"De overgang" komt als gevolg van Jehovah's
vurige verwijdering van de zelfverheerlijkende afvalligen
in het midden van zijn organisatie. Daarom voorzegt
het volgende vers in Zefanja: "Op die dag zult gij
niet beschaamd staan wegens al uw handelingen waarmee
gij tegen mij in overtreding zijt geweest, want dan
zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen
verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn
op mijn heilige berg. En ik zal stellig in uw midden
een nederig en gering volk doen overblijven, en zij
zullen werkelijk hun toevlucht zoeken bij de naam van
Jehovah. Wat de overgeblevenen van Israël betreft, zij
zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, noch
zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden;
want zijzelf zullen weiden en zich werkelijk uitgestrekt
neerleggen, en er zal niemand zijn die hen doet beven."
Als de "hoogmoedige uitgelatenen" de geestelijkheid
voorstellen, waarom zou het voor Jehovah dan noodzakelijk
zijn hen uit het midden van zijn volk te verwijderen
gedurende het definitieve oordeel?
Geen wonder dat het 33ste hoofdstuk van Jesaja voorzegt
dat Jehovah's verterende woede de afvalligen in zijn
organisatie zal beangstigen: "Nu wil ik opstaan,"
zegt Jehovah, "nu wil ik mij verhogen, nu wil ik mij
verheffen. Gijlieden gaat zwanger van gedroogd gras,
gij zult stoppels baren. uw eigen geest, als een vuur,
zal u verteren. En volken moeten worden als het branden
van kalk. Als afgehouwen doornen zullen ze zelfs met
vuur in vlam worden gezet. Hoort, gij die ver weg zijt,
wat ik moet doen! En kent, gij die dichtbij zijt, mijn
macht. In Sion zijn de zondaars in angst komen te verkeren,
huivering heeft de afvalligen aangegrepen: 'Wie
van ons kan voor enige tijd bij een verslindend vuur
vertoeven? Wie van ons kan voor enige tijd bij langdurige
branden vertoeven?'" (Jesaja 33:10-14)
Zonder twijfel is Jesaja's profetie tevens de basis
voor Christus' illustratie van de oogst, wanneer de
op onkruid gelijkende zonen van de goddeloze met wortel
en al vanuit het midden van de op tarwe gelijkende zonen
van het koninkrijk getrokken worden en in de vurige
smeltoven van Jehovah's veroordeling worden geworpen.
Het 32ste hoofdstuk van Jesaja herhaalt hetzelfde
thema: Jehovah verwijdert de afvalligen en zegent vervolgens
de getrouwen door middel van een uitstorting van geest
als nooit tevoren. Het 32ste hoofdstuk van Jesaja verbindt
de komst van Christus echter aan het komende oordeel.
Dit bewijst wederom dat Jezus niet wedergekomen is in
1914.
Jesaja 32 opent met de woorden: "Zie! Een koning
zal regeren voor louter rechtvaardigheid; en wat vorsten
betreft, zij zullen als vorsten heersen voor louter
gerechtigheid. En een ieder moet als een wijkplaats
voor de wind blijken te zijn en een schuilplaats voor
de slagregen, als waterstromen in een waterloos land,
als de schaduw van een zware, steile rots in een uitgeput
land."
Het Wachttorengenootschap leert dat de vorsten uit
die profetie Christelijke ouderlingen zijn die sinds
1914 onder Christus hebben gediend en dat hun raad een
schuilplaats is voor de harde realiteit van het leven.
Is dat echter de juiste interpretatie?
Niet volgens het 4de hoofdstuk van Jesaja, waar we
lezen: "Wanneer Jehovah de uitwerpselen van de dochters
van Sion zal hebben weggewassen en hij zelfs het bloedvergieten
van Jeruzalem uit haar midden zal wegspoelen door de
geest van gericht en door de geest van verbranding,
dan zal Jehovah stellig over elke vaste plaats van de
berg Sion en over haar plaats van samenkomst een wolk
bij dag en een rook scheppen, en het schijnsel van een
vlammend vuur bij nacht; want over alle heerlijkheid
zal een beschutting zijn. En er zal een hut komen tot
schaduw des daags tegen de droge hitte, en tot een toevlucht
en tot een schuilplaats tegen de slagregen en tegen
de neerslag."
Volgens de context verschaft Jehovah een wijkplaats
voor vervolging nadat God zijn organisatie geoordeeld
en volledig gereinigd heeft. Zoals eerder opgemerkt
is het voor het Wachttorengenootschap niet alleen onbescheiden
en aanmatigend te beweren dat ze in Gods ogen reeds
geestelijke reinheid heeft verworven - het is onschriftuurlijk.
"De geest van verbranding" is de "langdurige
brand" die de afvalligen in Sion laat huiveren -
zoals het 33ste hoofdstuk van Jesaja zegt. De vorsten
die de schuilplaats verschaffen zijn daarom niet de
gemeenteouderlingen. In plaats daarvan zijn zij de 144.000
vorsten die beginnen te regeren met de Vorst der vorsten
- Christus. En in plaats dat ze een schuilplaats bieden
tegen de wereld, wijst de profetie erop dat de vorsten
van Christus een geestelijke schuilplaats zullen bieden
tegen goddeloze mensen die verantwoordelijk zijn voor
de geestelijk uitgehongerde toestand.
Verder in het 32ste hoofdstuk lezen we: "En de
ogen der zienden zullen niet dichtgestreken zijn, en
zelfs de oren der horenden zullen aandacht schenken.
En zelfs het hart der voorbarigen zal acht geven
op kennis, en zelfs de tong der stamelenden zal vaardig
zijn in het spreken van duidelijke dingen. De onzinnige
zal niet langer edelmoedig worden genoemd; en wat de
beginselloze man betreft, van hem zal niet worden gezegd
dat hij edel is; want de onzinnige zal van zijn kant
louter onzinnigheid spreken, en zijn hart zelf zal werken
aan wat schadelijk is, om te werken aan afval en tegen
Jehovah te spreken wat eigenzinnig is, om de ziel van
de hongerige ledig te doen gaan, en hij doet zelfs de
dorstige zonder drinken gaan. Wat de beginselloze man
betreft, zijn werktuigen zijn slecht; hijzelf heeft
raad gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen,
om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten,
zelfs wanneer een arme spreekt wat recht is." (Vers
3-7)
Alle Jehovah's Getuigen zijn "voorbarig" geweest
door aan te nemen dat Gods koninkrijk in 1914 aan de
macht is gekomen. We zijn "voorbarig" geweest
door vele profetieën als reeds vervuld aan te merken,
terwijl dat in het geheel niet het geval is. Wanneer
we ter verantwoording worden geroepen voor onze vele
interpretatieve discrepanties, zullen we met onze mond
vol tanden staan te "stamelen." Tot op dit moment
storten Jehovah's Getuigen lofprijzingen uit over "de
slaaf" voor al zijn "edelmoedige" voorzieningen
van geestelijk voedsel. We zijn echter blind en doof
voor het feit dat bepaalde "edele" mannen, over
wie goed wordt gedacht, ons evenzo een flinke portie
complete nonsens hebben gegeven en de organisatie op
gladde wijze in afval hebben geleid.
We hebben bijvoorbeeld al veel te lang de onnauwkeurige
algebraïsche formule gekoesterd waarmee het precieze
jaar van de komst van Christus' koninkrijk wordt berekend.
(607 + 2520 = 1913 + 1) (7 tijden = 3,5 x 2 (3,5 = 1260)
dagen = jaren) We veronderstellen dat het Genootschap
edelmoedig is geweest in het delen van zulke Einstein-achtige
inzichten in chronologische mysteries. Hun meet"werktuigen
zijn slecht" (wat aantoonbaar is) zoals Jesaja beschrijft.
Zonder het punt uitvoerig te behandelen, vrijwel het
gehele pakket van profetische interpretatie van het
Wachttorengenootschap leiden ons óf verkeerd naar vermeende
vervullingen in 1914-1919 en andere tijdstippen in de
vorige eeuw óf ze worden ten onrechte van toepassing
gebracht op de Christenheid. In werkelijkheid zijn onze
interpretaties louter "onzinnigheid" en staan
ze, wanneer Christus' tegenwoordigheid werkelijk begint,
als een enorm struikelblok op de weg van alle Jehovah's
Getuigen. Vele tienduizenden Jehovah's Getuigen zijn
reeds gestruikeld over de slechte behartiging door het
Wachttorengenootschap en zijn volledig gestopt met het
voeden aan onze tafel. In overeenstemming met de profetie
is het eindresultaat van datgene wat overeenkomt met
afval "om de ziel van de hongerige ledig te doen
gaan, en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan."
Laat de lezer zich herinneren dat het eerste vers
van het 32ste hoofdstuk van Jesaja de komst van Jezus
Christus als koning voorzegt en het werk dat Christus
gedurende de verdrukking zal volbrengen met betrekking
tot Jehovah's volk. Daarom moeten Jehovah's Getuigen
nog volledig de harde realiteit ervaren van het ten
slachtoffer vallen aan een "beginselloze man"
van afval, die kennelijk reeds "raad [heeft] gegeven
met betrekking tot losbandige gedragingen," wat
bijvoorbeeld bewezen wordt door de jammerlijke behandeling
van kindermisbruik in de organisatie, en nu klaar staat
"om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te
richten."
Daar de profetie van Jesaja geen eerdere vervulling
heeft gehad, om het simpele feit dat de Joden nooit
weer een koning hebben gehad, laat staan een rechtvaardige
koning, is de profetie, ondanks dat hij versleuteld
is in een vroegere setting, een essentiële profetische
openbaring van toekomstige gebeurtenissen. In plaats
van een ervaring van een geestelijk paradijs, beschrijft
Jehovah's profeet hoe het verheven geestelijke rijk
van Gods volk vervloekt wordt - net zoals het land buiten
Eden. Jesaja 32:12, 13 voorzegt: "Slaat u jammerend
op de borst om de begeerlijke velden, om de vruchtdragende
wijnstok. Op de grond van mijn volk schieten
slechts doornen, stekelige struiken op, want ze zijn
op alle huizen van uitbundige vreugde, ja, op de uitgelaten
stad."
"Alle huizen van uitbundige vreugde" kan heel
goed een verwijzing zijn naar de vele koninkrijkszalen
van Jehovah's Getuigen - daar we onszelf zonder twijfel
verheven hebben. "De uitgelaten stad" is evenzo
een passende beschrijving van het Brooklyn Bethel hoofdkantoor
van Jehovah's Getuigen. Het Wachttorengenootschap dient
een zelfde functie als het oude Jeruzalem - als zijnde
het grote centrum voor alle aanbidders van Jehovah God.
Het is door Jehovah's Getuigen beschreven als het middelpunt
van Jehovah's zichtbare organisatie en het aardse centrum
van ware aanbidding van de hele wereld. Net als het
oude Jeruzalem, met Ofel als hoogste punt, is Bethel
zonder twijfel onlosmakelijk verbonden aan de naam van
Jehovah.
Jesaja's profetie zegt verder:
"Want zelfs de woontoren is verlaten, zelfs het
tumult van de stad is uitgestorven; ja, Ofel en de
wachttoren zijn kale velden geworden, voor onbepaalde
tijd de uitbundige vreugde van zebra's, de weide van
kudden; totdat over ons de geest wordt uitgestort van
omhoog, en de wildernis een boomgaard geworden zal zijn
en de boomgaard zelf een waar woud wordt geacht. En
in de wildernis zal stellig gerechtigheid verblijf houden,
en in de boomgaard zal louter rechtvaardigheid wonen."
(Vers 14-16)
Laat de lezer de precieze volgorde van gebeurtenissen
in deze essentiële apocalyptische profetie opmerken.
Eerst worden Jehovah's hoofdstad en wachttoren
onbewoond gemaakt. Daarna stort Jehovah zijn
verlevendigende geest uit, waardoor de geestelijk dorre
toestand van zijn volk vergelijkbaar wordt met een groen
woud.
Zoals de lezer waarschijnlijk al vermoed, is de interpretatie
van het Wachttorengenootschap volledig tegengesteld.
Volgens het commentaar op Jesaja (deel I) symboliseren
Ofel en de wachttoren, die kale velden
worden, zogenaamd de komende ontvolking van de
Christenheid, terwijl de geest zogenaamd in 1919 is
uitgestort.
Op bladzijde 340 geeft het Wachttorengenootschap commentaar
op het vers in kwestie: "Gelukkig is sinds 1919 Jehovah's
geest in overvloed uitgestort op zijn volk, zodat er
als het ware een vruchtdragende boomgaard van gezalfde
Getuigen is hersteld, gevolgd door een uitdijend woud
van andere schapen. Voorspoed en groei karakteriseren
zijn huidige aardse organisatie. In het herstelde geestelijke
paradijs wordt "de heerlijkheid van Jehovah, de pracht
van onze God," door zijn volk weerspiegeld nu zij wereldwijd
zijn komende koninkrijk verkondigen."
De profetie geeft echter duidelijk aan dat Ofel en
de wachttoren - waardoor Gods organisatie wordt afgebeeld
- eerst neergeveld worden. Pas daarna
"wordt de geest uitgestort van omhoog." Als het
gaat om wat de "woontoren" en "wachttoren"
van de stad van Ofel uit Jesaja's profetie in werkelijkheid
vertegenwoordigen, lijkt het meer dan enkel toevallig
te zijn dat Jehovah in die context naar de wachttoren
verwijst. Gezien het feit dat de context over de terugkeer
van Christus spreekt en de verbanden met vele andere
profetieën, lijkt het einde van Ofel en haar woontoren,
of wachttoren, vrijwel zeker het einde van Bethel en
van hetgeen nu over het algemeen "Jehovah's zichtbare
organisatie" wordt genoemd te voorzeggen. Geen wonder
dat Jehovah zijn eigen oordeel als "vreemd" en
"ongewoon" benoemt.
Het 32ste hoofdstuk van Jesaja werpt licht op Paulus'
profetie over de mens der wetteloosheid. Volgens Paulus
richt de mens der wetteloosheid schade aan in de tempel
van De God tot het moment dat Jezus Christus hem persoonlijk
openbaart en onttroont. Jesaja's profetie wijst erop
dat mensen die door Gods volk gewoonlijk als "edelmoedig"
worden bezien, zullen "werken aan afval en tegen
Jehovah [zullen] spreken wat eigenzinnig is" tot
het moment waarop de messiaanse koning hen vernietigt.
Maar, waarom zou God überhaupt toestaan dat zijn volk
ten slachtoffer valt aan een satanische mens der wetteloosheid?
Paulus antwoord: "Maar de tegenwoordigheid van de
wetteloze is overeenkomstig de werking van Satan met
elk krachtig werk en leugenachtige tekenen en wonderen
en met elk onrechtvaardig bedrog voor degenen die vergaan,
als een vergelding omdat zij de liefde voor de waarheid
niet hebben aanvaard, opdat zij gered zouden worden.
Daarom laat God dus een werking van dwaling tot hen
gaan, zodat zij geloof gaan hechten aan de leugen, opdat
zij allen geoordeeld worden omdat zij de waarheid niet
hebben geloofd maar behagen hebben geschept in onrechtvaardigheid."
(2 Thessalonicenzen 2:9-12)
De zuivere waarheid is heel eenvoudig. Jehovah is
God. Jezus is zijn eerstgeboren zoon die zijn leven
gaf voor de mensheid. Gods koninkrijk gaat over de wereld
regeren en de Duivel en zijn samenstel vernietigen.
De aarde wordt een paradijs. De "werking van dwaling"
zit hem in de details. Om onze liefde voor de waarheid
te beproeven, staat God daarom toe dat Satan zijn misleidende
invloed op ons uitoefent.
De leerstelling van Jehovah's Getuigen aangaande Christus'
tegenwoordigheid die begonnen zou zijn in 1914 lijkt
de voornaamste "werking van dwaling" te zijn
die ons op dit moment kwelt. Vrijwel alle profetische
interpretaties van het Wachttorengenootschap zijn op
één of andere manier verbonden aan 1914. De misleiding
is zo krachtig dat de gewoonlijk inzichtvolle dienstknechten
van Jehovah erdoor misleid zijn. En wat nog erger is,
we zijn ons door misleiding in gaan beelden dat Satans
"krachtige werk en leugenachtige tekenen en wonderen"
alleen de Christenheid kwellen. Maar, wanneer de zogenaamde
tijden der heidenen niet eindigden in 1914, hoe kunnen
Jehovah's Getuigen het dan zo bij het verkeerde eind
hebben en toch de ware religie zijn?
Satan had het zonder twijfel direct door toen Jehovah
Christenen in de 1870'er jaren begon te zalven. Zoals
Jezus' illustratie aangeeft, staat Satan altijd klaar
om het tarweveld te bezaaien met onkruid. Als gezalfde
Jehovah's Getuigen de ware zonen van het koninkrijk
zijn, is het onmogelijk dat Satans op onkruid gelijkende
werktuigen niet evenzo prominent onder ons aanwezig
zijn - zonder dat iemand het doorheeft. De bewering
dat het tarwe in 1919 verzameld is uit het onkruid van
de Christenheid is niets minder dan een satanische werking
van dwaling die tot doel heeft ons te ontwapenen.
Het is ontnuchterend dat de Duivel rechtstreeks de
Schrift citeerde toen hij Christus op de proef stelde.
De demonen zijn zonder twijfel zeer goed op de hoogte
van de Bijbel. Als de god van deze wereld heeft vooral
de Duivel de intentie de ware zonen van het koninkrijk
met gebruikmaking van de Schrift te misleiden. We zouden
er niet aan moeten twijfelen dat de slechte opperheer
van dit samenstel niet alleen de neiging heeft de verwarring
te scheppen die verbonden is aan de periode van 1914-1919
en ons op te zadelen met een "leugenachtig teken"
van de vermeende tegenwoordigheid van Christus', maar
daar ook zeer wel toe in staat is. Jezus waarschuwde
ons zelfs specifiek waakzaam te zijn voor degenen die
zeggen: "De bestemde tijd is nabij gekomen."
(Lukas 21:8)
De ware beproeving zal komen wanneer Christus' tegenwoordigheid
werkelijk begint. Dan zal er van ons verlangd worden
dat we een keuze maken tussen de waarheid die dan geopenbaard
wordt of organisatorisch dogmatisme, ofwel datgene wat
op dat moment een "onrechtvaardig bedrog" zal
zijn. Het is een beproeving waarop het Wachttorengenootschap
ons niet bepaald voorbereid heeft. De universele strijdvraag
die beslecht zal worden, heeft ermee te maken of we
God zullen vertrouwen - wat er ook gebeurt. Er bestaat
geen twijfel over dat Jehovah's Getuigen het Wachttorengenootschap
vertrouwen. Loyaliteit aan het Wachttorengenootschap
moet echter niet verward worden met loyaal zijn aan
God. De laatste beproeving zal waarschijnlijk van alle
Jehovah's Getuigen vereisen dat ze hun geloof in God
rechtstreekser bewijzen, zonder het Wachttorengenootschap
- wellicht zelfs in weerwil van het Wachttorengenootschap.
Net als Paulus en Jezus, voorzegt Daniël 11:32 onmiddellijk
voor de tijd van het einde een afval onder Jehovah's
volk. Daar lezen we: "En degenen die goddeloos handelen
tegen [het] verbond, zal hij door middel van gladde
woorden tot afval brengen. Maar wat het volk betreft
dat zijn God kent, zij zullen zegevieren en doeltreffend
handelen."
Gezond verstand vertelt ons dat de Christenheid niet
goddeloos kan handelen tegen een verbond waar het geen
partij in is. Alleen gezalfde christenen in het nieuwe
verbond met God kunnen goddeloos handelen tegen dat
verbond. Trouwens, zoals het Wachttorengenootschap heel
goed weet is de Christenheid altijd afvallig
geweest. Hoe kan het nog meer dan nu in afval worden
geleid?
Zelfs volgens de eigen redenering van het Wachttorengenootschap
heeft de Christenheid haar ontrouwheid aan God kenbaar
gemaakt door de Verenigde Naties te ondersteunen. Het
Wachttorengenootschap heeft zich aan hetzelfde schuldig
gemaakt, hoe fel Jehovah's Getuigen de NGO-affaire ook
mogen ontkennen. Ja, degenen die door de gladde woorden
van de koning van het noorden misleid zijn tot afval
zijn gezalfde Jehovah's Getuigen. Zonder twijfel is
de NGO-ondersteuning van het Wachttorengenootschap van
de beginselen en idealen van de Verenigde Naties een
manifestatie van die afval. Hoe de mens der wetteloosheid
zich ook zal manifesteren in de organisatie, één ding
lijkt duidelijk: De afval die eerst komt is hier - nu!