De Afval Komt Eerst

 

Satan heeft elk volk dat God ooit als zijn eigendom heeft bezien verdorven en misleid - beginnend met de eerste familie in Eden. Als voorbeeld hoe verraderlijk Satans invloed is: God had de Israëlieten nog niet op wonderbaarlijke wijze bevrijd uit Egyptische slavernij en de patriarchale stammen van Israël tot een natie gemaakt, of Satan misleidde hun hogepriester Aäron ertoe een gouden kalf te maken dat in de naam van Jehovah aanbeden werd.

Helaas is veel van de geschiedenis van Israël en Juda een kroniek van afval, afgoderij en ontrouwheid van de kant van het Verbondsvolk.

Zelfs de godvrezende Koning David werd op tragische wijze overmeesterd door Satans kuiperijen en zijn verkeerde handelwijze bracht daarna rampspoed over Gods volk. Nee, het was niet Davids geheime immorele liefdesaffaire met Bathséba die Gods ongunstige oordeel over de natie bracht - het was iets veel subtielers. Het 21ste hoofdstuk van 1 Kronieken verslaat:

"Toen stond Satan op tegen Israël en zette David ertoe aan Israël te tellen. Derhalve zei David tot Joab en de oversten van het volk: "Gaat, telt Israël van Berséba tot Dan en brengt mij de uitslag opdat ik hun getal moge weten." Maar Joab zei: "Moge Jehovah nog honderdmaal zoveel aan zijn volk toevoegen als het nu is. Behoren zij, o mijn heer de koning, niet allen als knechten aan mijn heer? Waarom zoekt mijn heer dit na te gaan? Waarom zou hij een oorzaak van schuld voor Israël worden?" … Deze zaak nu was kwaad in de ogen van de ware God, en daarom sloeg hij Israël." (1 Kronieken 21:1-7)

Buiten het boek van Job wordt er in de Hebreeuwse tekst weinig meer vermeldt over Satan (buiten het feit dat hij ook verschijnt in het profetische visioen van Zacharia waarin hij naast Jehovah's net geïnstalleerde Hogepriester staat), maar het is duidelijk dat de Verleider achter de vele afvallige en afgodische misstappen van Israël en Juda zat. De valse goden Molech, Chemosh en de diverse Baäls waren eenvoudig afgodische façades voor de demonen, zoals Mozes ook aangaf in het 32ste hoofdstuk van Deuteronomium, waar hij schreef: "Zij gingen hem tot jaloezie prikkelen met vreemde goden; Met verfoeilijkheden bleven zij hem krenken. Zij gingen slachtoffers brengen aan demonen, niet aan God, Goden die zij niet hadden gekend, nieuwelingen, die pas opgekomen waren, met wie uw voorvaders niet bekend waren." (Deuteronomium 32:16, 17)

Toen de tijd voor de Messias kwam om tot Israël te komen, stelde de Duivel alles in het werk in een poging Christus zelf iemand anders te laten aanbidden dan Jehovah. Toen dat niet lukte, zocht het hoofd der demonen naar een mogelijkheid zichzelf door middel van de apostelen binnen te dringen in Jezus' intieme gezelschap. Ja, één van Jezus' zelf verkozen apostelen, Judas, werd op het cruciale moment tijdens de laatste uren van Christus een pion van de Duivel.

De glibberige methoden van de Duivel hebben hem terecht de titel Slang opgeleverd; en ondanks dat Christus het hoofd van de Christelijke gemeente was, was geen enkele gemeente volledig gevrijwaard van de listige invloed van de Duivel. Daarom uitte Paulus, vele jaren nadat het Christendom gevestigd was, zijn diepe bezorgdheid dat Satan op één of andere wijze de broeders zou verderven. De apostel schreef het volgende in het 11de hoofdstuk van 2 Korinthiërs: "Maar ik ben bevreesd dat op de een of andere wijze, zoals de slang door haar listigheid Eva verleid heeft, uw geest verdorven zou kunnen worden en zou afwijken van de oprechtheid en de eerbaarheid die de Christus toekomen. Want het is zo gesteld, dat indien er iemand komt die een andere Jezus predikt dan degene die wij gepredikt hebben, of gij een andere geest ontvangt dan gij ontvangen hebt of ander goed nieuws dan gij aanvaard hebt, dan verdraagt gij hem gemakkelijk." (2 Korinthiërs 11:3, 4)

Hoe zouden de Korinthiërs misleid hebben kunnen worden door de listigheid van de Duivel? Eén manier was door middel van vermomde satanische werktuigen die van binnen de gemeenten opereerden! Inderdaad listig!

Paulus onthulde verder de mate waarin de Duivel er reeds in was geslaagd de op een maagd gelijkende Christelijke gemeente van Korinthe binnen te dringen, door de superfijne apostelen te ontmaskeren en hen te identificeren als verborgen instrumenten van Satan de Duivel die op slinkse wijze de gemeente waren binnengedrongen. Paulus schreef het volgende over hen: "Want zulke mensen zijn valse apostelen, bedrieglijke werkers, die zich veranderen in apostelen van Christus. En geen wonder, want Satan zelf blijft zich veranderen in een engel des lichts. Het is daarom niets groots indien ook zijn dienaren zich blijven veranderen in dienaren van rechtvaardigheid. Maar hun einde zal zijn overeenkomstig hun werken." (2 Korinthiërs 11:13-15)

Dat Paulus naar de veranderde personen verwees met "valse apostelen" lijkt aan te geven dat Satans "bedrieglijke werkers" de meest prominenten waren onder de Korinthiërs - wedijverend met de apostelen om controle en invloed over de gemeente. De misleiding was kennelijk zo slim, zo handig, dat de Korinthische broeders en zusters het gevaar liepen in het bedrog te trappen. Het is een feit dat Paulus' bezorgdheid voor zijn geliefde Korinthische broeders en zusters het gevolg was van het feit dat ze zulke mannen toelieten.

Er wordt ons niets verteld over het effect dat Paulus' moedige aan de kaak stellen van de superfijne apostelen wellicht heeft gehad op de Korinthische gemeente. Paulus was zich er echter terdege van bewust dat de satanische invloed van zulke mannen enkel toe zou nemen naarmate de tijd zou vorderen en zich zou uitbreiden over meer gemeenten dan enkel die van de Korinthiërs. Onder inspiratie zei de apostel het volgende tegen de ouderlingen van de gemeente Efeziërs: "Ik weet dat er na mijn heengaan onderdrukkende wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet teder zullen behandelen, en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan die verdraaide dingen zullen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken." (Handelingen 20:29, 30)

Paulus voorzag onder inspiratie dat de toekomstige tegenwoordigheid van Jezus Christus en de dag van Jehovah niet zouden komen voordat zich eerst een afval zou ontwikkelen binnen de gehele gemeente van Christus.

In 2 Thessalonicenzen 2:1-3 profeteerde Paulus: "Broeders, met betrekking tot de tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus en ons vergaderd worden tot hem, verzoeken wij u echter uw denken niet vlug in de war te laten brengen, noch opgewonden te raken, hetzij door middel van een geïnspireerde uiting of door middel van een mondelinge boodschap of door middel van een brief die van ons afkomstig zou zijn, hierop neerkomend, dat de dag van Jehovah reeds is aangebroken. Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden, want die dag komt niet tenzij eerst de afval komt en de mens der wetteloosheid wordt geopenbaard, de zoon der vernietiging."

De afval was reeds aan het werk in de 1ste Eeuw; daar zelfs de apostelen trachtten het van het lijf te houden - zoals Paulus verder verslaat: "Het mysterie van deze wetteloosheid is weliswaar reeds aan het werk, maar alleen totdat hij die op het ogenblik als een belemmering werkt, niet meer in de weg staat. Want dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die door de Heer Jezus weggedaan zal worden door de geest van zijn mond en tenietgedaan zal worden door de manifestatie van zijn tegenwoordigheid." (2 Thessalonicenzen 2:7, 8)

De geschiedenis bewijst dat "onderdrukkende wolven", nadat de apostelen gestorven waren, inderdaad controle kregen over de kudde van de overgebleven schapen van Christus. De belemmering die de apostelen hadden opgeworpen was weg en de afval begon de waarheid te domineren en de aanbidding van Jehovah te verdraaien. Bijna drie eeuwen later misleidde de Romeinse keizer Constantijn de machtszieke, afvallige bisschoppen van de overblijfselen van Christus' volgelingen en werd de Christenheid-aan-de-Eufraat gevestigd. Er hoeft weinig anders vermeldt te worden over de verdorven vorm van het Christendom die door de kerken van de Christenheid wordt vertegenwoordigd.

Voordat Jezus echter zal terugkeren om zijn heerschappij over de aarde op te pakken, start hij eerst een geleidelijke herontwaking van zijn gemeente, in dezelfde omvang als de oorspronkelijke vestiging van het Christendom. Een herstel van het vroegere Christendom zou als vanzelf vereisen dat de zich in eeuwen opgestapelde valse leerstellingen en praktijken van de Christenheid omvergeworpen zouden worden. Dat zouden gezalfde Christenen moeten doen. De feiten wijzen erop dat Charles Taze Russell en de oorspronkelijke Bijbelonderzoekers dat werk een het eind van de 19de Eeuw deden, een werk dat tot op de dag van vandaag voortgang vindt.

Op grond van die geschiedkundige feiten heeft het Wachttorengenootschap altijd aangenomen dat de mens der wetteloosheid die klasse der geestelijken is. De Wachttoren van 1 mei 1991 zegt op bladzijde 17 bijvoorbeeld het volgende: "Er was een grote afval voorzegd, en reeds in de eerste eeuw G.T. was een 'mysterie der wetteloosheid' aan het werk. Met het verstrijken van de tijd gingen mannen die de verantwoordelijkheid aanvaardden - of aan zich trokken - om in de gemeente onderwijs te geven, vele valse leerstellingen onderwijzen. Hun taal was verre van zuiver. Zo ontstond een uit vele leden bestaande "mens der wetteloosheid", de geestelijken van de christenheid, verknocht aan vals-religieuze overleveringen, wereldse filosofie en onschriftuurlijke leringen."

Wanneer dat begrip echter juist is, betekent het dat de voorzegde afval die "eerst komt," vóór Christus' tegenwoordigheid, reeds 17 eeuwen zichtbaar is! Is dat echter redelijk? Natuurlijk is de Christenheid een afvallige vorm van het Christendom, geen enkele Jehovah's Getuigen twijfelt daaraan, maar hoe zou dat kunnen dienen als mijlpaal om de nabijheid van Christus' tegenwoordigheid aan te duiden wanneer de afval die door Paulus werd voorzegd, de Parousia bijna twee millennia voorafging?

En wat meer is, wanneer ons begrip juist is, dan betekent dit dat de mens der wetteloosheid reeds onthuld is, daar de Wachttoren hem reeds lang geleden heeft onthuld als de samengestelde klasse der geestelijken?

Maar, is dat het werkelijk? Wordt de sluwe mens der wetteloosheid echt zo eenvoudig geopenbaard? Eén vraag die we moeten beschouwen is: Wanneer de geestelijken een samengestelde mens der wetteloosheid vormen en de mens der wetteloosheid reeds geopenbaard is op de bladzijden van de Wachttoren daar Christus' tegenwoordigheid naar men aanneemt in 1914 begon, waarom heeft Christus de mens der wetteloosheid dan nog niet tenietgedaan "met de geest van zijn mond"? Vanwaar de uitstel van bijna 90 jaar en meer?

Verder voorzei de apostel Paulus dat de afvallige mens der wetteloosheid in de tempel van Jehovah zou zitten. 2 Thessalonicenzen 2:4, 5 luidt specifiek: "Hij verzet zich en verheft zich boven een ieder die "god" of een voorwerp van verering wordt genoemd, zodat hij in de tempel van De God gaat zitten en zich in het openbaar vertoont als een god. Herinnert gij u niet dat ik, toen ik nog bij u was, u deze dingen meermalen heb gezegd?"

Zonder twijfel zijn de geestelijken van de Christenheid "verknocht aan vals-religieuze overleveringen, wereldse filosofie en onschriftuurlijke leringen" - zoals de hierboven geciteerde Wachttoren beweert. Daar Jehovah's Getuigen naar men aanneemt echter reeds bevrijd zijn uit Babylonische gevangenschap en we nu volledig afgescheiden en onderscheiden zijn van de Christenheid - hun geestelijken hebben geen invloed over ons - hoe kan het dan dat de mens der wetteloosheid kennelijk voordat Christus hem vernietigt "in de tempel van De God gaat zitten"? Of, wanneer we ons indenken dat hij op één of andere manier reeds uit Jehovah's geestelijke tempel geworpen is, zou zijn oordeel tijdens de komende Dag van Jehovah dan niet een soort van anticlimax zijn?

Wanneer we echter inzien dat de tempel van De God de door de geest gezalfde gemeente is, zoals de Griekse Geschriften op vele plaatsen zeggen, dan betekent dit dat de mens der wetteloosheid autoriteit en invloed uitoefent over al Gods ware zonen tot het moment dat Christus hem uit de tempel werpt. De profeet Paulus zei tenslotte specifiek dat de mens der wetteloosheid "zich verzet en zich verheft boven een ieder die "god" of een voorwerp van verering wordt genoemd."

Volgens de 83ste Psalm noemt Jehovah zijn eigen zonen "goden". (Zie Commentaar: Het Wachttorengenootschap Zinkt tot een Ongekend Nieuw Dieptepunt) Zouden zij niet logischerwijs behoren tot "een ieder die "god" wordt genoemd," over wie de mens der wetteloosheid zichzelf verheft? We zullen als vanzelf verwachten dat de mens der wetteloosheid zich vooral zal verzetten tegen Jehovah's dienstknechten, daar de mens der wetteloosheid in "verzet" is tegen Christus en een aards werktuig van de oorspronkelijke geestelijke tegenstrever, Satan, is.

Is het dus juist te concluderen dat de tempel waarin de afvallige mens der wetteloosheid plaats neemt de eigen gemeente van Christus op dit moment is?

Niet volgens het Wachttorengenootschap.

Het Inzichtboek Deel II zegt het volgende onder het onderwerp "tempel" en het onderkopje Een bedrieger. In zijn waarschuwing voor de komende afval zei de apostel Paulus dat "de mens der wetteloosheid" zich zou verheffen, "zodat hij in de tempel van De God gaat zitten en zich in het openbaar vertoont als een god" (2Th 2:3, 4). Deze "mens der wetteloosheid" is een afvallige, een valse leraar, en derhalve gaat hij in werkelijkheid slechts zitten in wat volgens zijn valse bewering die tempel is.

Het is verbazingwekkend dat het Wachttorengenootschap zegt dat de mens der wetteloosheid niet echt plaatsneemt in de werkelijke geestelijke tempel van "De God", zoals Paulus duidelijk zegt; in plaats daarvan doet de mens der wetteloosheid volgens het Wachttorengenootschap enkel de valse bewering Gods tempel te betrekken. Vanwaar deze overduidelijke contradictie?

In het licht van de subtiele tegenstrijdigheden tussen hetgeen Jehovah's Getuigen door het Wachttorengenootschap over de mens der wetteloosheid geleerd is en wat de Bijbel werkelijk over hem zegt, moeten we serieus gaan nadenken over de mogelijkheid dat we reeds ten slachtoffer zijn gevallen aan een sluwe misleiding die afkomstig is van de mens der wetteloosheid. Ja, het wordt tijd dat we serieus beschouwen dat het mogelijk is dat "de afval eerst komt" binnen de herstelde gezalfde gemeente van Christus en Jehovah's Getuigen als een onmiddellijke voorbode van Christus' komst.

Beschouw het volgende eens: Bestaat er enige reden te geloven dat Satan heden ten dage ook maar iets minder effectief is in het zichzelf veranderen in een engel des lichts en zijn werktuigen in dienaren van rechtvaardigheid?

Het Wachttorengenootschap heeft er dikwijls op gewezen dat Satan en de demonen als op soortgelijke wijze opereren als criminelen uit de onderwereld, doordat ze hun eigen bestaan en intenties trachten te verbergen. Paulus zei eens dat Christenen niet onwetend zijn van zijn bedoelingen.

Maar, zijn wij onwetend van Satans bedoelingen?

Jehovah's Getuigen weten heel goed dat Satan de god van deze wereld is en dat zijn boosaardige invloed zich uitstrekt over alle religieuze stelsels, regeringen, commercie, de media, enzovoort. Is dat echter alles?

Bedenk dat het één van de trucs van de Duivel is ons te ervan te overtuigen dat hij niet eens bestaat - of ons in ieder geval in slaap te sussen met de gedachte dat we nooit beetgenomen kunnen worden door hem. Een Jehovah's Getuige kan denken: "Dat zal bij ons nooit werken. We weten dat de Duivel bestaat." En dat kan heel goed waar zijn; de paradox is echter dat Jehovah's Getuigen naïef zijn ten opzichte van het feit dat Satan volledig in staat is "Jehovah's organisatie," zoals die over het algemeen wordt genoemd, te beïnvloeden. Sommigen zullen daarop reageren met: "Oh nee, dat kan nooit gebeuren. Het Wachttorengenootschap geniet Gods bescherming. Trouwens, de getrouwe en beleidvolle slaaf heeft de toets reeds doorstaan en is aangesteld over alle bezittingen van de meester en tevens leven we in een geestelijk paradijs."

Door zulk soort redeneringen kan dezelfde Christen die Satans duistere invloed over de wereld heel goed kan herkennen, blind worden voor de realiteit dat Satan volledig in staat is aanzienlijke invloed uit te oefenen over de Christelijke organisatie. In dat opzicht lopen we het gevaar dat we onder het verblindende juk van de mens der wetteloosheid van de Duivel terecht komen.

In feite erkennen Jehovah's Getuigen dat we reeds ten slachtoffer zijn gevallen aan valse broeders die de organisatie zijn binnengeslopen, we hebben alleen nog geen idee van de omvang. Het Wachttorengenootschap weet echter zeer goed dat KGB agenten en andere vijanden zich gedurende de hoogtijdagen van de Sovjet Unie voordeden als geïnteresseerde Bijbelonderzoekers om op die manier het vertrouwen van nietsvermoedende broeders te winnen. Ze hadden vaak succes. Sommigen van hen werden zelfs aangesteld als ouderlingen of kringopzieners.

Waarom is dan ondenkbaar dat Satans nepdienaren van rechtvaardigheid zich niet evenzo op kunnen werken tot zelfs de top van de organisatie?

Geen wonder dat Paulus de gezalfde Korinthiërs zei dat hij bang was dat ze misleid zouden worden door bedrog van de Duivel. Of denken we dat we wijzer zijn dan de gezalfde Korinthische gemeente die op naïeve wijze de veranderde apostelen van Satan toelieten?

Het Wachttorengenootschap maakt de valse voorstelling nog groter door ons ervan te verzekeren dat hedendaagse Jehovah's Getuigen nooit ten prooi zullen vallen aan enige grootschalige afval. De Wachttoren van 15 januari 1972 zegt:

"Het is niet moeilijk in te zien dat de christenheid voornamelijk uit personen bestaat die slechts belijden christenen te zijn. Jehovah's getuigen hebben zich echter geheel van de christenheid afgescheiden en nemen een standpunt in dat uitsluitend gebaseerd is op Gods Woord en de daarin opgetekende beginselen van waarheid en rechtvaardigheid. Ons wordt de verzekering gegeven dat in deze oogsttijd, waarnaar door Jezus wordt verwezen, niet wederom een grootscheepse afval zal plaatsvinden."

Er wordt ons niet precies verteld welke verzekeringen Jezus ons gegeven kan hebben dat er geen "grootscheepse afval zal plaatsvinden." Integendeel, Jezus voorzei feitelijk dat er gedurende het besluit "vele valse profeten zullen opstaan en velen misleiden; en wegens het toenemen der wetteloosheid zal de liefde van de meesten verkoelen." (Jezus gebruikte de term "wetteloosheid" in verband met religieuze wetteloosheid - of afval - niet criminele wetteloosheid.)

De paragraaf zegt verder echter:

"Maar wij kunnen het ons niet veroorloven onverschillig te zijn. Dezelfde vijand, Satan, de draak, is op het oorlogspad, en hij is woedender dan ooit tevoren. De hedendaagse geschiedenis van Jehovah's getuigen toont aan dat sommigen, die een "boze slaaf"-klasse vormden, hebben getracht de leiding over Jehovah's werk en volk in handen te nemen. Dit bleek vooral gedurende de periode van de Eerste Wereldoorlog het geval te zijn. Jehovah heeft zijn organisatie echter gereinigd en deze geheel theocratisch gemaakt. De eer komt hem toe, niet een mens. Individueel moet er echter zorgvuldig worden gewaakt. Het verslag toont aan dat sommigen in onze gemeenten gewaarschuwd moeten worden, terwijl anderen onder voorwaarden moeten worden geplaatst en weer anderen uitgesloten moeten worden. Waarom? Omdat zij, terwijl zij beweren in de waarheid te zijn, de waarheid niet beoefenen. Dit begint vaak heel klein, maar als zij erin volharden, drijft dit hen weg van de waarheid in de duisternis buiten."

Het Wachttorengenootschap erkent dat een wetteloos element gedurende WOI invloed trachtte te krijgen over de organisatie. Wellicht is de boze slaaf sinds die tijd echter succesvoller dan we denken. Zou het geen slimme list zijn van de Duivel de bewering te promoten dat de boze slaven reeds lang geleden verwijderd zijn en dat de vijand nu niet bij machte is de leiding in handen te krijgen?

Wanneer we willen vaststellen of dat werkelijk het geval is, hoeven we onszelf enkel de volgende vraag te stellen: Heeft Jehovah werkelijk zijn organisatie gereinigd en het theocratisch aan zichzelf onderworpen zoals de Wachttoren beweert? Zo ja, waarom zijn er dan duizenden personen binnen de gemeente die de waarheid niet beoefenen zoals het artikel hierboven juist opmerkt?

Nogmaals, zou het doel van de Duivel niet gediend worden met het promoten van de leugen dat God zijn gemeente reeds gereinigd heeft wanneer dat niet het geval is? Wat zou er bedrieglijker zijn dan te veronderstellen dat de organisatie onkwetsbaar is voor Satans verderfelijke invloed en dat God de absolute leiding heeft? Vraag jezelf af: Wanneer we geloven dat we in een gereinigd geestelijk paradijs leven, zijn we dan meer of minder kwetsbaar voor de kuiperijen van de Duivel?

Met betrekking tot het onderwerp 'het geestelijk paradijs,' houdt het Wachttorengenootschap zelfs in de recente Wachttoren van 1 mei 2004 vol dat Jehovah's Getuigen in een geprofeteerd probleemloos geestelijk paradijs leven, ondanks al het tegengestelde bewijs.

Het 1ste studieartikel begint met te zeggen: "Jehovah's Getuigen bevinden zich in een geestelijk paradijs (Jesaja 11:6-9). In deze wereld vol narigheid delen ze een uniek geestelijk milieu met medechristenen, die in vrede met Jehovah God en elkaar leven."

Niet om de slang van Eden na te praten of een gerespecteerde en betrouwbare autoriteit als Jehovah in twijfel te trekken, maar is het werkelijk zo? Wat is er toch gebeurd met de apostolische vermaning: "Vergewist u van alles"?

Daarom, leven Jehovah's Getuigen op dit moment in de vervulling van Jesaja's profetie of niet? Wat is de waarheid?

Het lijkt voor Jehovah's Getuigen in het geheel niet gepast of bescheiden te zijn te pochen over vrede hebben met God. We worden herinnerd aan de enge overeenkomst met een soortgelijke valse voorstelling van zaken die de Joodse leiders uit Jeremia's tijd aan Gods volk gaven: "En zij trachten de breuk van mijn volk oppervlakkig te genezen door te zeggen: 'Er is vrede! Er is vrede!' terwijl er geen vrede is." (Jeremia 6:14)

Ondanks dat de Wachttoren Jesaja 11:6-9 citeert als een bewijstekst dat Jehovah's Getuigen ten volle genieten in een geestelijk paradijs, leggen ze op geen enkele wijze uit hoe dit op ons van toepassing zou kunnen zijn. Laten we daarom de ogenschijnlijk geïnspireerde uiting beproeven om te bezien of ze werkelijk van God afkomstig is, zoals de apostel Johannes ons aanmoedigt.

Jesaja 11:6-9 luidt: "En de wolf zal werkelijk een poosje bij het mannetjeslam vertoeven, en bij het bokje zal de luipaard zelf zich neerleggen, en het kalf en de jonge leeuw met manen en het weldoorvoede dier alle bij elkaar; en een kleine jongen nog maar zal leider over ze zijn. Ja, de koe en de beer zullen weiden; samen zullen hun jongen neerliggen. En zelfs de leeuw zal stro eten net als de stier. En de zuigeling zal stellig spelen bij het hol van de cobra; en op de lichtopening van een giftige slang zal een gespeend kind werkelijk zijn eigen hand leggen. Men zal generlei kwaad doen noch enig verderf stichten op heel mijn heilige berg; want de aarde zal stellig vervuld zijn van de kennis van Jehovah, zoals de wateren ook de zee bedekken."

De profetie voorzegt dat een kind zelfs door een gevaarlijk, giftig reptiel geen kwaad zal worden gedaan. Hoe is dat echter mogelijk? Het is interessant dat een ogenschijnlijk onschadelijke slang het werktuig was waardoor Satan schade toebracht aan de onschuldige bewoners van het oorspronkelijke paradijs in Eden. De profetische beeltenis van een getemde, doch gewoonlijk gifspuitende cobra, lijkt af te beelden dat Satan geen invloed of stem meer heeft in het geestelijke paradijs van Jehovah's hand.

Laten we de context van de bovenstaande verzen eens bekijken. Het 11de hoofdstuk van Jesaja wordt bezien als een messiaanse profetie. Het begint met te zeggen:

"En er moet een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï; en uit zijn wortels zal een spruit vruchtbaar zijn. En op hem moet de geest van Jehovah komen te rusten, de geest van wijsheid en van verstand, de geest van raad en van kracht, de geest van kennis en van de vrees voor Jehovah; en hij zal vreugde scheppen in de vrees voor Jehovah. En hij zal niet richten naar wat zijn ogen alleen maar zien, noch terechtwijzen naar wat zijn oren slechts horen. En met rechtvaardigheid moet hij de geringen richten, en met oprechtheid moet hij terechtwijzing geven ten behoeve van de zachtmoedigen der aarde. En hij moet de aarde slaan met de roede van zijn mond; en met de geest van zijn lippen zal hij de goddeloze ter dood brengen. En rechtvaardigheid moet de gordel van zijn heupen blijken te zijn, en getrouwheid de gordel van zijn lendenen."

We weten dat de tronk van Isaï een verwijzing is naar het Davidische koninkrijk - daar Jesse Davids vader is. En Jezus erfde het recht op Davids troon natuurlijk vanuit het feit dat hij uit de genealogische lijn van David was. Jehovah's Getuigen geloven dat Jezus reeds in 1914 op zijn troon is gaan zitten en sindsdien over de wereld regeert. Volgens de context van de profetie zijn de voorzegde vredige omstandigheden van het paradijs echter het directe gevolg van Jezus' gunstige oordeel van de geringen en de zachtmoedigen en zijn ter dood brenging van de goddeloze. Het is onnodig te benadrukken dat dit nog niet gebeurd is - zelfs niet symbolisch.

Het moet ook duidelijk zijn dat er in de oorspronkelijke Christelijke gemeenten ook niet een dergelijk geestelijk paradijs bestond. Dat blijkt uit de vele problemen waarmee ze te maken hadden. Paulus zei bijvoorbeeld dat hij zo nu en dan in gevaar was door valse broeders, wat ook de superfijne apostelen waren. Hij verwees naar andere mannen die de gemeente binnenslopen "om onze vrijheid te bespieden." Op een andere plaats waarschuwde Paulus de Galaten ervoor dat wanneer ze elkaar zouden blijven bijten ze door elkaar verdelgd zouden worden. Zijn dat omstandigheden voor een geestelijk paradijs? Nauwelijks. De aanwezigheid van valse broeders en trouweloze werktuigen van de Duivel binnen de gemeenten is het tegengestelde van een veilig, probleemloos geestelijk paradijs.

Paulus kwam nog het meest nabij het geestelijke paradijs toen hem een meeslepend visioen werd gegeven van iets wat hij het paradijs noemde en de "derde hemel." Het moge duidelijk zijn, wanneer de apostelen geen geestelijk paradijs genoten, doen wij dat ook niet.

We beseffen dat de beschrijving van een leeuw die neerligt met het lam in werkelijkheid een afbeelding is van de vredige relaties tussen personen die gezegend zijn door Jehovah. Personen met beestachtige neigingen zullen getemd worden zodat ze anderen geen kwaad doen. Zonder enige twijfel kan de waarheid een krachtige veranderende werking hebben op allen die de beginselen uit Gods Woord in hun leven van toepassing brengen. Maar, maakt dat op zichzelf een geestelijk paradijs? Wat gebeurt er wanneer niet allen in de gemeente veranderd worden?

Het is bijvoorbeeld een onmiskenbaar feit dat vele duizenden onschuldige kinderen van Jehovah's Getuigen seksueel misbruikt zijn door beestachtige roofdieren binnen de gemeenten en families van Jehovah's Getuigen. Een ieder met een sterke maag kan de levensechte, hartverscheurende ervaringen van de zogenaamde Silentlambs lezen; personen die onschuldige slachtoffers zijn geworden van seksueel misbruik door sommigen van Jehovah's Getuigen.

Wat de bewering van het Wachttorengenootschap omtrent een geestelijk paradijs daarom nog ongeloofwaardiger maakt, is dat er vele lammeren verkracht en verslonden worden wanneer de leeuwen en lammeren in onze weide neerliggen!

In de 60'er jaren, toen de voortdurende morele ineenstorting van de Westerse maatschappij werkelijk begon, had er wellicht enige rechtvaardiging bestaan voor het geloof dat Jehovah's Getuigen in dat opzicht van andere mensen verschilden. In recente decennia hebben we te maken gekregen met hetzelfde morele verval die zo algemeen is in de Christenheid. Het Wachttorengenootschap geeft zelfs vrijelijk toe dat er elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen worden uitgesloten voor allerlei soorten van immoraliteit. Vele anderen leven een zogenaamd dubbelleven. Wanneer het Wachttorengenootschap daarom jaar na jaar en ondanks al het tegengestelde bewijsmateriaal blijft volhouden dat de gemeenten van Jehovah's Getuigen beschutting hebben in een geestelijk paradijs - niet gestoord door moreel verderf en de beestachtige geest die anderen teistert - ontkent ze eenvoudigweg de realiteit.

De vraag is: Waarom geloven we klakkeloos iets dat zo haaks op de waarheid staat? Satan de Duivel, de vader van de leugen, moet de onzichtbare kracht achter zulke koppige waarheidsverdraaiende verdorvenheid zijn.

Beschouw eens een recent persbericht van het Wachttorengenootschap met betrekking tot de Silentlambs als voorbeeld van de wijze waarop hardnekkige waarheidsverdraaiende geest in de organisatie werkt. Na er regelingen voor getroffen te hebben dat de broeders en zusters die met de media gesproken hebben over de problemen met betrekking tot kindermisbruik uit de organisatie gesloten werden, zegt de woordvoerder van het Wachttorengenootschap, J.R. Brown, dat Jehovah's Getuigen zulke verdedigers van slachtoffers niet als vijanden beschouwen. Nu beweert het Wachttorengenootschap ongeloofwaardig genoeg zelfs dat ze het eens zijn met de doelen van de Silentlambs organisatie!

 
J.R. Brown, woordvoerder publieke zaken op het hoofdkantoor van het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap van de Getuigen in New York, zei dat de religie het eens is met het doel van de Silentlambs "het seksueel misbruik van kinderen te minimaliseren of uit te bannen," maar ontkent de specifieke beschuldigingen van de organisatie. "We bezien hen niet als onze vijanden," zei Brown.

Als dat echter het geval is, dient de volgende vraag zich aan: Hoe kan het Wachttorengenootschap aan de ene kant toegeven dat er een serieus probleem van kindermisbruik in de organisatie is en aan de andere kant blijven vasthouden aan de overtuiging dat Jehovah's Getuigen op één of andere manier in een geestelijk paradijs leven? Het tart elke redelijkheid. Wanneer Jehovah's Getuigen zich echt in het glorieuze geestelijke paradijs van vrede en absolute zekerheid bevinden dat Jehovah heeft beloofd, zouden we dan werkelijk ouderlingen hebben die trachten "het seksueel misbruik van kinderen te minimaliseren of uit te bannen"? Natuurlijk niet!

Het Wachttorengenootschap heeft veel inspanningen gedaan de waarheid aangaande deze zaken te verbergen. Geen wonder dat Jehovah door middel van Jesaja het volgende zegt tegen de leiders van zijn volk: "Wee hun die zeer diep gaan in het verbergen van raad voor Jehovah zelf, en wier daden in een duistere plaats zijn geschied, terwijl zij zeggen: "Wie ziet ons, en wie weet van ons?" O die verkeerdheid van u!" (Jesaja 29:15, 16)

Jezus zei dat aardse vaders niet zo slecht zouden zijn om hun kinderen een slang te geven wanneer ze om een stuk brood zouden vragen, maar dat is wel hetgeen wij zouden moeten denken over Jehovah ten opzichte van ons. We zijn namelijk gaan geloven dat onze liefdevolle hemelse Vader ons een onbevredigend geestelijk paradijs heeft gegeven, waar duizenden onschuldige kinderen verkracht en misbruikt worden en waarin de daders voor het grootste deel ongestraft blijven, terwijl het Wachttorengenootschap de ongehoorde bewering doet: "Er is vrede, er is vrede. We leven in een geestelijk paradijs!"

De waarheid is: Het werkelijke geestelijke paradijs uit de profetieën wordt niet gekenmerkt door enkel organisatorische uniformiteit of zelfs maar leerstellige zuiverheid, of wat maar ook. Het werkelijke geestelijke paradijs van Gods makelij gelijkt op het oorspronkelijke paradijs in Eden voordat het werd verdorven, daar er in het geestelijke paradijs geen slechte, schadelijke, beestachtige mensen zullen zijn - niet eens één! Je kunt ervan verzekerd zijn, geliefde lezer, dat er in het werkelijke geestelijke paradijs van Jehovah's makelij zelfs niet één kind verkracht of seksueel misbruikt zal worden door een vertrouwde christen.

Het 35ste hoofdstuk van Jesaja beschrijft het christelijke, geestelijke paradijs verder met deze woorden:

"In die tijd zullen de ogen der blinden geopend worden, en zelfs de oren der doven zullen ontsloten worden. In die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert, en de tong van de stomme zal een vreugdegeroep aanheffen. Want in de wildernis zullen bruisende wateren zijn opgeweld, en stromen in de woestijnvlakte. En de door de hitte verschroeide bodem zal als een rietpoel zijn geworden, en de dorstige bodem als waterbronnen. In de verblijfplaats van jakhalzen, een rustplaats voor ze, zal groen gras zijn met riet en papyrusplanten. En daar zal stellig een hoofdweg komen, ja, een weg, en de Weg der Heiligheid zal die worden genoemd. De onreine zal er niet langs trekken. En hij zal zijn voor degene die op de weg wandelt, en geen dwazen zullen erop ronddolen. Geen leeuw zal daar blijken te zijn, en het roofdierachtige wild gedierte zal er niet op komen. Niet één zal er aangetroffen worden; en de teruggekochten moeten daarop wandelen. En het zijn de door Jehovah losgekochten die zullen terugkeren en stellig naar Sion zullen komen met vreugdegeroep, en verheuging tot onbepaalde tijd zal op hun hoofd zijn. Tot uitbundige vreugde en verheuging zullen zij geraken, en droefheid en zuchten moeten wegvlieden." (Jesaja 35:5-10)

Het geestelijke paradijs is een toestand die Jehovah in de toekomst op wonderbaarlijke wijze tot stand zal brengen. Het geestelijke paradijs zal alleen toegankelijk zijn voor degenen die Jehovah werkelijk liefhebben. Alle anderen zullen geen toegang krijgen. Net zo zeker als de veroordeelde Adam en Eva geen toegang meer kregen tot het paradijs doordat de ingang bewaakt werd door een cherub met een draaiend, brandend zwaard, zo zullen ook alle niet-geestelijke, ongelovige en beestachtige mannen en vrouwen door Gods engelen verwijderd worden en geen toegang krijgen tot de teruggekochte organisatie van God. Zei Jezus niet dat de engelen in het besluit van het samenstel van dingen alle wettelozen uit Gods koninkrijk zouden verwijderen?

Nogmaals, wanneer er in het geestelijke paradijs geen moreel onreine personen zullen zijn, geen dwaze personen die ons kunnen irriteren, noch enig roofdier dat ons welzijn kan bedreigen, waarom blijven Jehovah's Getuigen dan stug geloven in de leugen dat zulke toestanden reeds bestaan in de organisatie? Wanneer we veronderstellen dat zulke gezegende toestanden reeds bestaan, wanneer de realiteit het tegenovergestelde schreeuwt, geeft dat dan niet aan dat we gebukt gaan onder een krachtig waanidee?

En niet alleen dat, Jehovah's Getuigen zijn ook ten slachtoffer gevallen aan een soortgelijk waanidee, namelijk, dat Christus reeds "gekomen" is en zijn getrouwe slaaf reeds over al zijn bezittingen heeft aangesteld. Het studieartikel uit de Wachttoren van 1 mei 2004 getiteld: "De Getrouwe Slaaf Doorstaat de Toets!" bekrachtigt die leugen met overreding door middel van valse redeneringen.

Het kader op bladzijde 16 zegt bijvoorbeeld dat het onredelijk is dat het oordeel van de getrouwe en ontrouwe slaven "plaats zal vinden wanneer Jezus "komt" bij de grote verdrukking." Hun redenering? Het artikel vervolgt met te zeggen: "Dat zou impliceren dat veel van de gezalfden dan ontrouw worden bevonden en dus vervangen moeten worden. Uit Openbaring 7:3 blijkt echter dat al Christus' gezalfde slaven tegen die tijd blijvend "verzegeld" zullen zijn."

Maar, blijkt uit Openbaring 7:3 werkelijk dat al Christus' gezalfde slaven verzegeld zullen zijn voor de verdrukking? Dat blijkt er zeker niet uit! Integendeel, de voorgaande verzen in het 6de hoofdstuk van Openbaring beschrijven de verdrukking als volgt: "En ik zag, toen hij het zesde zegel opende, en er geschiedde een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de gehele maan werd als bloed, en de sterren van de hemel vielen naar de aarde, zoals wanneer een vijgeboom, door een krachtige wind geschud, zijn onrijpe vijgen afwerpt. En de hemel week terug als een boekrol die wordt opgerold, en elke berg en elk eiland werd van zijn plaats verwijderd. En de koningen van de aarde en de hooggeplaatste personen en de militaire bevelhebbers en de rijken en de sterken en iedere slaaf en iedere vrije verborgen zich in de holen en in de rotsen van de bergen. En zij blijven tot de bergen en tot de rotsen zeggen: "Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Degene die op de troon zit en voor de gramschap van het Lam, want de grote dag van hun gramschap is gekomen, en wie kan dan standhouden?"" (Openbaring 6:12-17)

De verzen die hierboven staan bevatten duidelijk apocalyptische taal die gebruikt wordt in verband met de verdrukking. Het volgende vers, Openbaring 7:1, begint hierna met het woord: "Hierna."

Wanneer Johannes "hierna" zegt, wat moeten we dan anders concluderen dan dat er een opeenvolging is van gebeurtenissen in een bepaalde volgorde? En wat voorzag Johannes dan "hierna"? De apostel verslaat verder: "Hierna zag ik aan de vier hoeken van de aarde vier engelen staan, die de vier winden van de aarde stevig vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde of over de zee of over enige boom. En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang der zon, die een zegel van de levende God had; en hij riep met een luide stem tot de vier engelen aan wie het gegeven was schade toe te brengen aan de aarde en de zee, en hij zei: "Brengt geen schade toe aan de aarde noch aan de zee noch aan de bomen tot nadat wij de slaven van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben.""

De "vier winden van de aarde" zijn niet de verwoestende winden van de verdrukking, zoals ons is geleerd. De engelen houden de symbolische winden van Jehovah's definitieve oordeel tegen dat tot een hoogtepunt komt in de oorlog van Armageddon. Dat betekent dat de verzegeling tijdens de verdrukking plaatsvindt, wellicht nadat de verdrukking is "verkort," zoals Jezus op een andere plaats voorzei, maar voor Armageddon.

De leerstelling dat Christus zijn getrouwe en beleidvolle slaaf reeds zijn onomkeerbare goedkeuring heeft gegeven, gaat elk gezond verstand te boven. In de context van Christus' illustratie over de getrouwe slaaf waarschuwde Jezus: "Maar weet één ding, dat indien de heer des huizes had geweten in welke nachtwake de dief zou komen, hij wakker zou zijn gebleven en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken. Toont ook gij u daarom gereed, want de Zoon des mensen komt op een uur waarvan gij het niet hebt gedacht." (Mattheüs 24:43, 44)

Dezelfde uitgave van de eerder aangehaalde Wachttoren zegt dat de vroegere Bijbelstudenten "berekenden" dat 1914 het exacte jaar van de aankomst van de meester was. Hoe kan dat echter in overeenstemming worden gebracht met Jezus' serieuze waarschuwing dat zijn komst zou zijn als een dief - "op een uur waarvan gij het niet hebt gedacht"? Het valt niet uit te leggen en het Wachttorengenootschap geniet op dit moment de luxe het ook niet te hoeven uitleggen. Maar één ding is zeker: Door de vrijwel wereldomvattende aanvaarding van de onjuiste leerstelling dat Christus in 1914 gekomen is, is het toneel nu in gereedheid, zodat het vrijwel zeker is dat Christus' toekomstige komst als de meester van het huis zo onverwachts zal zijn als een dief in de nacht.

Sommigen kunnen echter redeneren: "Wat maakt het nou uit of het Wachttorengenootschap de verkeerde timing heeft?"

Het gevaar is dat de leerstelling - dat Christus reeds gekomen is en zijn getrouwe slaaf over al zijn bezittingen heeft aangesteld - de perfecte beschutting biedt die de mens der wetteloosheid nodig heeft om te kunnen opereren. Wanneer we tenslotte in een geestelijk paradijs leven en de getrouwe slaaf die verbonden is aan het Wachttorengenootschap reeds de volledige zegening van Christus heeft, dan heeft het Wachttorengenootschap als het ware een blanco cheque die ze kunnen gebruiken zoals zij dat passend achten. Het kan niet fout gaan. Het komt zeer dichtbij de leerstelling van pauselijke onfeilbaarheid.

Als één van de voorbeelden waarop het voor het Wachttorengenootschap mogelijk is haar aanzien onder Jehovah's Getuigen uit te buiten, hoeven we niet verder te kijken dan de wijze waarop het leiderschap van de organisatie Jehovah's Getuigen schaamteloos heeft bedrogen met betrekking tot haar lidmaatschap als NGO. Zelfs toen ze geconfronteerd werd met de onweerlegbare feiten die aantonen dat het Wachttorengenootschap de Verenigde Naties als een NGO ijverig heeft ondersteund, lijken de meeste Jehovah's Getuigen die de feiten onder ogen krijgen zo geconditioneerd te zijn door organisatorische loyaliteit dat ze niets verkeerds zien in de schaamteloze huichelarij en misleiding van het Wachttorengenootschap.

Realiteit en waarheid zijn volledig op zijn kop gezet. Iets wat zonder twijfel een afval is in Jehovah's ogen wordt afgedaan als louter beschuldigingen van tegenstanders van het Wachttorengenootschap. We moeten ons niet indenken dat Jehovah's veroordeling van toepassing is op de Christenheid: "Wee hun die zeggen dat goed slecht is en slecht goed, die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitter!" (Jesaja 5:20)

De realiteit is nu dat iedere Jehovah's Getuige die het waagt de leerstellingen of praktijken van het Wachttorengenootschap in twijfel te trekken automatisch als een niet geestelijke afvallige wordt bezien.

Het is ironisch dat een dergelijke atmosfeer van onbetwistbare autoriteit juist de voedingsbodem voor afval is. Nee, niet een afval die afkomstig is van de gewone leden, maar eerder van degenen die de leiding hebben, doordat ze een leerstelling bedacht hebben die hen in staat stelt om te handelen zonder ervoor ter verantwoording te worden geroepen. De enige redelijke verklaring voor de neiging van het Wachttorengenootschap de hierboven beschreven waanideeën te behouden, wordt het beste weergegeven in de volgende woorden van Paulus: "Het mysterie van deze wetteloosheid is weliswaar reeds aan het werk." (2 Thessalonicenzen 2:7)

"Zijn Hart Zelf Zal Werken...
Aan Afval"

Op vele, vele plaatsen in profetiën voorzegt Jehovah een verlichting die gelijk valt met de feitelijke komst van Christus. Zoals reeds besproken, houdt het Wachttorengenootschap consequent vol dat de voorzegde opening van blinde ogen door middel van het Wachttorengenootschap reeds plaatsgevonden heeft in 1919. Echter, een nauwkeurige beschouwing van de Schriften onthult dat De Verlichting tot stand komt door een wonderbaarlijke uitstorting van Jehovah geest gedurende het besluit van het samenstel.

Het 29ste hoofdstuk van Jesaja voorzegt bijvoorbeeld wee voor Gods organisatie: "Omdat dit volk genaderd is met zijn mond en zij mij slechts met hun lippen verheerlijkt hebben en hun hart zelf ver van mij verwijderd hebben en hun vrees ten opzichte van mij een gebod van mensen wordt dat wordt onderwezen, daarom, hier ben ik, Degene die wederom wonderlijk met dit volk zal handelen, op een wonderlijke wijze en met iets wonderlijks; en de wijsheid van hun wijze mannen moet vergaan, en zelfs het verstand van hun beleidvolle mannen zal schuilgaan." (Jesaja 29:13, 14)

Met zekerheid kan Jehovah's oordeel enkel van toepassing zijn op Jehovah's Getuigen. Jehovah's Getuigen vormen tenslotte de enige religie die Jehovah door openbare prediking verheerlijkt - God naderend met onze monden. Zoals Jehovah's priemende visioen echter onthult, is onze aanbidding afgeweken door organisatorische loyaliteit - onze gehoorzaamheid aan God is verworden tot geboden van mensen. In plaats van onze Schepper met een volledig hart te aanbidden, is onze aanbidding subtiel verlaagd tot aanbidding van het Wachttorengenootschap, het Besturend Lichaam en de zogenoemde getrouwe en beleidvolle slaaf.

Daarom belooft Jehovah "iets wonderlijks" te doen.

De "beleidvolle mannen" wiens wijsheid en verstand schuilgaat, kunnen niemand anders zijn dan de anders getrouwe en beleidvolle slaaf. Echter, ook al is dat het geval, ze zijn blind en geestelijk dronken en niet in staat Jehovah's oordelen te bevatten, zoals Jesaja voorzegt. Jehovah's wonderbaarlijke voornemen is de bekrompen tirannen, die de controle over de geesten en harten van zijn volk hebben gegrepen, te verwijderen.

Dat is hetgeen Jesaja vervolgens onthult in de verzen 18-21: "En op die dag zullen de doven stellig de woorden van het boek horen, en uit het donker en uit de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden zien. En de zachtmoedigen zullen hun verheuging in Jehovah zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de mensheid zullen blij zijn in de Heilige Israëls zelf, want de tiran moet aan zijn eind komen en met de snoever moet het gedaan zijn, en allen die er voortdurend op uit zijn kwaad te doen, moeten worden afgesneden, zij die een mens doen zondigen door zijn woord, en zij die zelfs strikken spannen voor degene die terechtwijst in de poort, en zij die de rechtvaardige terzijde dringen met nietszeggende argumenten."

In vers 11 wordt ons gezegd dat de profeten en visionairs van God niet in staat zullen zijn het boek van de profeten met intelligentie te lezen, omdat het verzegeld zou zijn. Het tweedelige commentaar van het Wachttorengenootschap op Jesaja is het bewijs van een dergelijke ongeletterde interpretatie. Wanneer Jehovah "op die dag" echter wonderbaarlijk handelt met zijn volk, opent God de dove oren en blinde ogen onmiddellijk zodat de woorden van het boek begrepen worden. Zonder twijfel is de ontzegeling van alle profetische boeken het gevolg van de openbaring van Christus.

We kunnen terecht concluderen dat het onderwijzingswerk van het Wachttorengenootschap de profetie niet vervuld heeft, omdat Jehovah, gelijktijdig met de zegening van de zachtmoedigen en de armen van de mensheid, tevens de tirannen en de snoevers tot een einde laat komen. Als de voorzegde verlichting reeds heeft plaatsgevonden, waarom heeft Jehovah de tirannen en de snoevers dan nog niet weggedaan?

We mogen tevens terecht concluderen dat de tirannen en de snoevers zich onder de leiders van Gods volk bevinden die pochen over hun eigen rechtvaardigheid en geestelijke reinheid, terwijl ze de organisatie in afval leiden - waarbij elke terechtwijzer wordt weggestuurd met "nietszeggende argumenten." (Het is interessant dat het Wachttorengenootschap niets eens commentaar geeft op de bovenstaande profetie, zelfs niet in hun vers-voor-vers bespreking van Jesaja.)

Zefanja bevestigt dat Jehovah "de volken" pas "tot een zuivere taal" van onvervalste waarheid zal "doen overgaan" wanneer het feitelijke oordeel wordt uitgestort. Het is karakteristiek voor onze blindheid dat Jehovah's Getuigen op verbazingwekkende wijze de leerstelling van het Wachttorengenootschap hebben aanvaard, dat "de overgang" reeds heeft plaatsgevonden - wat zogenaamd bewezen wordt door ons organisatorisch conformisme op het gebied van theocratisch jargon - terwijl de profetie, die we ongetwijfeld vele malen hebben gelezen, ons duidelijk zegt de dag van Jehovah te blijven verwachten, want "dan" zal Jehovah de volken "doen overgaan tot een zuivere taal."

"De overgang" komt als gevolg van Jehovah's vurige verwijdering van de zelfverheerlijkende afvalligen in het midden van zijn organisatie. Daarom voorzegt het volgende vers in Zefanja: "Op die dag zult gij niet beschaamd staan wegens al uw handelingen waarmee gij tegen mij in overtreding zijt geweest, want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg. En ik zal stellig in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven, en zij zullen werkelijk hun toevlucht zoeken bij de naam van Jehovah. Wat de overgeblevenen van Israël betreft, zij zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden; want zijzelf zullen weiden en zich werkelijk uitgestrekt neerleggen, en er zal niemand zijn die hen doet beven."

Als de "hoogmoedige uitgelatenen" de geestelijkheid voorstellen, waarom zou het voor Jehovah dan noodzakelijk zijn hen uit het midden van zijn volk te verwijderen gedurende het definitieve oordeel?

Geen wonder dat het 33ste hoofdstuk van Jesaja voorzegt dat Jehovah's verterende woede de afvalligen in zijn organisatie zal beangstigen: "Nu wil ik opstaan," zegt Jehovah, "nu wil ik mij verhogen, nu wil ik mij verheffen. Gijlieden gaat zwanger van gedroogd gras, gij zult stoppels baren. uw eigen geest, als een vuur, zal u verteren. En volken moeten worden als het branden van kalk. Als afgehouwen doornen zullen ze zelfs met vuur in vlam worden gezet. Hoort, gij die ver weg zijt, wat ik moet doen! En kent, gij die dichtbij zijt, mijn macht. In Sion zijn de zondaars in angst komen te verkeren, huivering heeft de afvalligen aangegrepen: 'Wie van ons kan voor enige tijd bij een verslindend vuur vertoeven? Wie van ons kan voor enige tijd bij langdurige branden vertoeven?'" (Jesaja 33:10-14)

Zonder twijfel is Jesaja's profetie tevens de basis voor Christus' illustratie van de oogst, wanneer de op onkruid gelijkende zonen van de goddeloze met wortel en al vanuit het midden van de op tarwe gelijkende zonen van het koninkrijk getrokken worden en in de vurige smeltoven van Jehovah's veroordeling worden geworpen.

Het 32ste hoofdstuk van Jesaja herhaalt hetzelfde thema: Jehovah verwijdert de afvalligen en zegent vervolgens de getrouwen door middel van een uitstorting van geest als nooit tevoren. Het 32ste hoofdstuk van Jesaja verbindt de komst van Christus echter aan het komende oordeel. Dit bewijst wederom dat Jezus niet wedergekomen is in 1914.

Jesaja 32 opent met de woorden: "Zie! Een koning zal regeren voor louter rechtvaardigheid; en wat vorsten betreft, zij zullen als vorsten heersen voor louter gerechtigheid. En een ieder moet als een wijkplaats voor de wind blijken te zijn en een schuilplaats voor de slagregen, als waterstromen in een waterloos land, als de schaduw van een zware, steile rots in een uitgeput land."

Het Wachttorengenootschap leert dat de vorsten uit die profetie Christelijke ouderlingen zijn die sinds 1914 onder Christus hebben gediend en dat hun raad een schuilplaats is voor de harde realiteit van het leven. Is dat echter de juiste interpretatie?

Niet volgens het 4de hoofdstuk van Jesaja, waar we lezen: "Wanneer Jehovah de uitwerpselen van de dochters van Sion zal hebben weggewassen en hij zelfs het bloedvergieten van Jeruzalem uit haar midden zal wegspoelen door de geest van gericht en door de geest van verbranding, dan zal Jehovah stellig over elke vaste plaats van de berg Sion en over haar plaats van samenkomst een wolk bij dag en een rook scheppen, en het schijnsel van een vlammend vuur bij nacht; want over alle heerlijkheid zal een beschutting zijn. En er zal een hut komen tot schaduw des daags tegen de droge hitte, en tot een toevlucht en tot een schuilplaats tegen de slagregen en tegen de neerslag."

Volgens de context verschaft Jehovah een wijkplaats voor vervolging nadat God zijn organisatie geoordeeld en volledig gereinigd heeft. Zoals eerder opgemerkt is het voor het Wachttorengenootschap niet alleen onbescheiden en aanmatigend te beweren dat ze in Gods ogen reeds geestelijke reinheid heeft verworven - het is onschriftuurlijk.

"De geest van verbranding" is de "langdurige brand" die de afvalligen in Sion laat huiveren - zoals het 33ste hoofdstuk van Jesaja zegt. De vorsten die de schuilplaats verschaffen zijn daarom niet de gemeenteouderlingen. In plaats daarvan zijn zij de 144.000 vorsten die beginnen te regeren met de Vorst der vorsten - Christus. En in plaats dat ze een schuilplaats bieden tegen de wereld, wijst de profetie erop dat de vorsten van Christus een geestelijke schuilplaats zullen bieden tegen goddeloze mensen die verantwoordelijk zijn voor de geestelijk uitgehongerde toestand.

Verder in het 32ste hoofdstuk lezen we: "En de ogen der zienden zullen niet dichtgestreken zijn, en zelfs de oren der horenden zullen aandacht schenken. En zelfs het hart der voorbarigen zal acht geven op kennis, en zelfs de tong der stamelenden zal vaardig zijn in het spreken van duidelijke dingen. De onzinnige zal niet langer edelmoedig worden genoemd; en wat de beginselloze man betreft, van hem zal niet worden gezegd dat hij edel is; want de onzinnige zal van zijn kant louter onzinnigheid spreken, en zijn hart zelf zal werken aan wat schadelijk is, om te werken aan afval en tegen Jehovah te spreken wat eigenzinnig is, om de ziel van de hongerige ledig te doen gaan, en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan. Wat de beginselloze man betreft, zijn werktuigen zijn slecht; hijzelf heeft raad gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen, om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten, zelfs wanneer een arme spreekt wat recht is." (Vers 3-7)

Alle Jehovah's Getuigen zijn "voorbarig" geweest door aan te nemen dat Gods koninkrijk in 1914 aan de macht is gekomen. We zijn "voorbarig" geweest door vele profetieën als reeds vervuld aan te merken, terwijl dat in het geheel niet het geval is. Wanneer we ter verantwoording worden geroepen voor onze vele interpretatieve discrepanties, zullen we met onze mond vol tanden staan te "stamelen." Tot op dit moment storten Jehovah's Getuigen lofprijzingen uit over "de slaaf" voor al zijn "edelmoedige" voorzieningen van geestelijk voedsel. We zijn echter blind en doof voor het feit dat bepaalde "edele" mannen, over wie goed wordt gedacht, ons evenzo een flinke portie complete nonsens hebben gegeven en de organisatie op gladde wijze in afval hebben geleid.

We hebben bijvoorbeeld al veel te lang de onnauwkeurige algebraïsche formule gekoesterd waarmee het precieze jaar van de komst van Christus' koninkrijk wordt berekend. (607 + 2520 = 1913 + 1) (7 tijden = 3,5 x 2 (3,5 = 1260) dagen = jaren) We veronderstellen dat het Genootschap edelmoedig is geweest in het delen van zulke Einstein-achtige inzichten in chronologische mysteries. Hun meet"werktuigen zijn slecht" (wat aantoonbaar is) zoals Jesaja beschrijft.

Zonder het punt uitvoerig te behandelen, vrijwel het gehele pakket van profetische interpretatie van het Wachttorengenootschap leiden ons óf verkeerd naar vermeende vervullingen in 1914-1919 en andere tijdstippen in de vorige eeuw óf ze worden ten onrechte van toepassing gebracht op de Christenheid. In werkelijkheid zijn onze interpretaties louter "onzinnigheid" en staan ze, wanneer Christus' tegenwoordigheid werkelijk begint, als een enorm struikelblok op de weg van alle Jehovah's Getuigen. Vele tienduizenden Jehovah's Getuigen zijn reeds gestruikeld over de slechte behartiging door het Wachttorengenootschap en zijn volledig gestopt met het voeden aan onze tafel. In overeenstemming met de profetie is het eindresultaat van datgene wat overeenkomt met afval "om de ziel van de hongerige ledig te doen gaan, en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan."

Laat de lezer zich herinneren dat het eerste vers van het 32ste hoofdstuk van Jesaja de komst van Jezus Christus als koning voorzegt en het werk dat Christus gedurende de verdrukking zal volbrengen met betrekking tot Jehovah's volk. Daarom moeten Jehovah's Getuigen nog volledig de harde realiteit ervaren van het ten slachtoffer vallen aan een "beginselloze man" van afval, die kennelijk reeds "raad [heeft] gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen," wat bijvoorbeeld bewezen wordt door de jammerlijke behandeling van kindermisbruik in de organisatie, en nu klaar staat "om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten."

Daar de profetie van Jesaja geen eerdere vervulling heeft gehad, om het simpele feit dat de Joden nooit weer een koning hebben gehad, laat staan een rechtvaardige koning, is de profetie, ondanks dat hij versleuteld is in een vroegere setting, een essentiële profetische openbaring van toekomstige gebeurtenissen. In plaats van een ervaring van een geestelijk paradijs, beschrijft Jehovah's profeet hoe het verheven geestelijke rijk van Gods volk vervloekt wordt - net zoals het land buiten Eden. Jesaja 32:12, 13 voorzegt: "Slaat u jammerend op de borst om de begeerlijke velden, om de vruchtdragende wijnstok. Op de grond van mijn volk schieten slechts doornen, stekelige struiken op, want ze zijn op alle huizen van uitbundige vreugde, ja, op de uitgelaten stad."

"Alle huizen van uitbundige vreugde" kan heel goed een verwijzing zijn naar de vele koninkrijkszalen van Jehovah's Getuigen - daar we onszelf zonder twijfel verheven hebben. "De uitgelaten stad" is evenzo een passende beschrijving van het Brooklyn Bethel hoofdkantoor van Jehovah's Getuigen. Het Wachttorengenootschap dient een zelfde functie als het oude Jeruzalem - als zijnde het grote centrum voor alle aanbidders van Jehovah God. Het is door Jehovah's Getuigen beschreven als het middelpunt van Jehovah's zichtbare organisatie en het aardse centrum van ware aanbidding van de hele wereld. Net als het oude Jeruzalem, met Ofel als hoogste punt, is Bethel zonder twijfel onlosmakelijk verbonden aan de naam van Jehovah.

Jesaja's profetie zegt verder:

"Want zelfs de woontoren is verlaten, zelfs het tumult van de stad is uitgestorven; ja, Ofel en de wachttoren zijn kale velden geworden, voor onbepaalde tijd de uitbundige vreugde van zebra's, de weide van kudden; totdat over ons de geest wordt uitgestort van omhoog, en de wildernis een boomgaard geworden zal zijn en de boomgaard zelf een waar woud wordt geacht. En in de wildernis zal stellig gerechtigheid verblijf houden, en in de boomgaard zal louter rechtvaardigheid wonen." (Vers 14-16)

Laat de lezer de precieze volgorde van gebeurtenissen in deze essentiële apocalyptische profetie opmerken. Eerst worden Jehovah's hoofdstad en wachttoren onbewoond gemaakt. Daarna stort Jehovah zijn verlevendigende geest uit, waardoor de geestelijk dorre toestand van zijn volk vergelijkbaar wordt met een groen woud.

Zoals de lezer waarschijnlijk al vermoed, is de interpretatie van het Wachttorengenootschap volledig tegengesteld. Volgens het commentaar op Jesaja (deel I) symboliseren Ofel en de wachttoren, die kale velden worden, zogenaamd de komende ontvolking van de Christenheid, terwijl de geest zogenaamd in 1919 is uitgestort.

Op bladzijde 340 geeft het Wachttorengenootschap commentaar op het vers in kwestie: "Gelukkig is sinds 1919 Jehovah's geest in overvloed uitgestort op zijn volk, zodat er als het ware een vruchtdragende boomgaard van gezalfde Getuigen is hersteld, gevolgd door een uitdijend woud van andere schapen. Voorspoed en groei karakteriseren zijn huidige aardse organisatie. In het herstelde geestelijke paradijs wordt "de heerlijkheid van Jehovah, de pracht van onze God," door zijn volk weerspiegeld nu zij wereldwijd zijn komende koninkrijk verkondigen."

De profetie geeft echter duidelijk aan dat Ofel en de wachttoren - waardoor Gods organisatie wordt afgebeeld - eerst neergeveld worden. Pas daarna "wordt de geest uitgestort van omhoog." Als het gaat om wat de "woontoren" en "wachttoren" van de stad van Ofel uit Jesaja's profetie in werkelijkheid vertegenwoordigen, lijkt het meer dan enkel toevallig te zijn dat Jehovah in die context naar de wachttoren verwijst. Gezien het feit dat de context over de terugkeer van Christus spreekt en de verbanden met vele andere profetieën, lijkt het einde van Ofel en haar woontoren, of wachttoren, vrijwel zeker het einde van Bethel en van hetgeen nu over het algemeen "Jehovah's zichtbare organisatie" wordt genoemd te voorzeggen. Geen wonder dat Jehovah zijn eigen oordeel als "vreemd" en "ongewoon" benoemt.

Het 32ste hoofdstuk van Jesaja werpt licht op Paulus' profetie over de mens der wetteloosheid. Volgens Paulus richt de mens der wetteloosheid schade aan in de tempel van De God tot het moment dat Jezus Christus hem persoonlijk openbaart en onttroont. Jesaja's profetie wijst erop dat mensen die door Gods volk gewoonlijk als "edelmoedig" worden bezien, zullen "werken aan afval en tegen Jehovah [zullen] spreken wat eigenzinnig is" tot het moment waarop de messiaanse koning hen vernietigt.

Maar, waarom zou God überhaupt toestaan dat zijn volk ten slachtoffer valt aan een satanische mens der wetteloosheid? Paulus antwoord: "Maar de tegenwoordigheid van de wetteloze is overeenkomstig de werking van Satan met elk krachtig werk en leugenachtige tekenen en wonderen en met elk onrechtvaardig bedrog voor degenen die vergaan, als een vergelding omdat zij de liefde voor de waarheid niet hebben aanvaard, opdat zij gered zouden worden. Daarom laat God dus een werking van dwaling tot hen gaan, zodat zij geloof gaan hechten aan de leugen, opdat zij allen geoordeeld worden omdat zij de waarheid niet hebben geloofd maar behagen hebben geschept in onrechtvaardigheid." (2 Thessalonicenzen 2:9-12)

De zuivere waarheid is heel eenvoudig. Jehovah is God. Jezus is zijn eerstgeboren zoon die zijn leven gaf voor de mensheid. Gods koninkrijk gaat over de wereld regeren en de Duivel en zijn samenstel vernietigen. De aarde wordt een paradijs. De "werking van dwaling" zit hem in de details. Om onze liefde voor de waarheid te beproeven, staat God daarom toe dat Satan zijn misleidende invloed op ons uitoefent.

De leerstelling van Jehovah's Getuigen aangaande Christus' tegenwoordigheid die begonnen zou zijn in 1914 lijkt de voornaamste "werking van dwaling" te zijn die ons op dit moment kwelt. Vrijwel alle profetische interpretaties van het Wachttorengenootschap zijn op één of andere manier verbonden aan 1914. De misleiding is zo krachtig dat de gewoonlijk inzichtvolle dienstknechten van Jehovah erdoor misleid zijn. En wat nog erger is, we zijn ons door misleiding in gaan beelden dat Satans "krachtige werk en leugenachtige tekenen en wonderen" alleen de Christenheid kwellen. Maar, wanneer de zogenaamde tijden der heidenen niet eindigden in 1914, hoe kunnen Jehovah's Getuigen het dan zo bij het verkeerde eind hebben en toch de ware religie zijn?

Satan had het zonder twijfel direct door toen Jehovah Christenen in de 1870'er jaren begon te zalven. Zoals Jezus' illustratie aangeeft, staat Satan altijd klaar om het tarweveld te bezaaien met onkruid. Als gezalfde Jehovah's Getuigen de ware zonen van het koninkrijk zijn, is het onmogelijk dat Satans op onkruid gelijkende werktuigen niet evenzo prominent onder ons aanwezig zijn - zonder dat iemand het doorheeft. De bewering dat het tarwe in 1919 verzameld is uit het onkruid van de Christenheid is niets minder dan een satanische werking van dwaling die tot doel heeft ons te ontwapenen.

Het is ontnuchterend dat de Duivel rechtstreeks de Schrift citeerde toen hij Christus op de proef stelde. De demonen zijn zonder twijfel zeer goed op de hoogte van de Bijbel. Als de god van deze wereld heeft vooral de Duivel de intentie de ware zonen van het koninkrijk met gebruikmaking van de Schrift te misleiden. We zouden er niet aan moeten twijfelen dat de slechte opperheer van dit samenstel niet alleen de neiging heeft de verwarring te scheppen die verbonden is aan de periode van 1914-1919 en ons op te zadelen met een "leugenachtig teken" van de vermeende tegenwoordigheid van Christus', maar daar ook zeer wel toe in staat is. Jezus waarschuwde ons zelfs specifiek waakzaam te zijn voor degenen die zeggen: "De bestemde tijd is nabij gekomen." (Lukas 21:8)

De ware beproeving zal komen wanneer Christus' tegenwoordigheid werkelijk begint. Dan zal er van ons verlangd worden dat we een keuze maken tussen de waarheid die dan geopenbaard wordt of organisatorisch dogmatisme, ofwel datgene wat op dat moment een "onrechtvaardig bedrog" zal zijn. Het is een beproeving waarop het Wachttorengenootschap ons niet bepaald voorbereid heeft. De universele strijdvraag die beslecht zal worden, heeft ermee te maken of we God zullen vertrouwen - wat er ook gebeurt. Er bestaat geen twijfel over dat Jehovah's Getuigen het Wachttorengenootschap vertrouwen. Loyaliteit aan het Wachttorengenootschap moet echter niet verward worden met loyaal zijn aan God. De laatste beproeving zal waarschijnlijk van alle Jehovah's Getuigen vereisen dat ze hun geloof in God rechtstreekser bewijzen, zonder het Wachttorengenootschap - wellicht zelfs in weerwil van het Wachttorengenootschap.

Net als Paulus en Jezus, voorzegt Daniël 11:32 onmiddellijk voor de tijd van het einde een afval onder Jehovah's volk. Daar lezen we: "En degenen die goddeloos handelen tegen [het] verbond, zal hij door middel van gladde woorden tot afval brengen. Maar wat het volk betreft dat zijn God kent, zij zullen zegevieren en doeltreffend handelen."

Gezond verstand vertelt ons dat de Christenheid niet goddeloos kan handelen tegen een verbond waar het geen partij in is. Alleen gezalfde christenen in het nieuwe verbond met God kunnen goddeloos handelen tegen dat verbond. Trouwens, zoals het Wachttorengenootschap heel goed weet is de Christenheid altijd afvallig geweest. Hoe kan het nog meer dan nu in afval worden geleid?

Zelfs volgens de eigen redenering van het Wachttorengenootschap heeft de Christenheid haar ontrouwheid aan God kenbaar gemaakt door de Verenigde Naties te ondersteunen. Het Wachttorengenootschap heeft zich aan hetzelfde schuldig gemaakt, hoe fel Jehovah's Getuigen de NGO-affaire ook mogen ontkennen. Ja, degenen die door de gladde woorden van de koning van het noorden misleid zijn tot afval zijn gezalfde Jehovah's Getuigen. Zonder twijfel is de NGO-ondersteuning van het Wachttorengenootschap van de beginselen en idealen van de Verenigde Naties een manifestatie van die afval. Hoe de mens der wetteloosheid zich ook zal manifesteren in de organisatie, één ding lijkt duidelijk: De afval die eerst komt is hier - nu!


Gepubliceerd op: 30 April 2004