|
Ondanks dat de vroegere Israëlieten niet beroemd waren voor hun
technische vaardigheden, was Salomo's tempel één van de schitterendste
gebouwen uit de geschiedenis. Terwijl hij van de buitenkant misschien
niet zo ontzagwekkend was als andere gebouwen dat wellicht zijn
geweest, was de binnenkant van de tempel werkelijk ontzag inboezemend.
Het binnenste van de tempel was opgedeeld in twee hoofdafdelingen
van het Heilige en Allerheiligste. In het Allerheiligste werden
de originele stenen tafelen in de Ark van het Verbond bewaard
samen met een pot die een beetje van het originele manna bevatte.
In de hele tempel waren muren bekleed met cederhouten panelen
overdekt met bladgoud en versierd met allerlei soorten kostbare
edelstenen. Al het tempelgerei en alle lampenstandaarden waren
gemaakt van puur goud. De twee massieve, schitterend uitgesneden
deuren van olijfbomenhout waren ook bedekt met goud. Wat een aanblik
moet het gegeven hebben wanneer de stralen van de opkomende zon
op de flonkerende gouden deuren van de naar het oosten gerichte
ingang van de tempel schenen.
Maar wat het meest indrukwekkende aan de tempel was die Koning
Salomo op de berg Moria in Jeruzalem had gebouwd, wat hem zo speciaal,
ja, zelfs heilig maakte, was dat Jehovah er werkelijk woonde,
in ieder geval op symbolische wijze.
Dat feit werd kenbaar gemaakt toen de tempel voor het eerst
door Salomo werd ingewijd. 1 Koningen 8:10-13 beschrijft wat er
gebeurde toen de priesters de heilige Ark van het Verbond naar
binnen droegen en hem in het Allerheiligste plaatsten: Nu geschiedde
het toen de priesters uit de heilige plaats naar buiten traden,
dat de wolk het huis van Jehovah vervulde. En de priesters konden
vanwege de wolk niet blijven staan om hun dienst te verrichten,
want de heerlijkheid van Jehovah vervulde het huis van Jehovah.
In die tijd zei Salomo: "Jehovah zelf heeft gezegd in de dikke
donkerheid te willen verblijven. Ik heb met succes een huis als
verheven woning voor u gebouwd, een vaste plaats waar gij tot
onbepaalde tijd kunt wonen."
Niet alleen vulde Jehovah's heerlijkheid het huis op die dag,
maar alle Israëlieten die aanwezig waren, waren getuige van een
geweldig schouwspel toen een vlammend vuur uit de hemel viel dat
de offers op het altaar verteerde.
2 Kronieken 7:1-3 verslaat die verbazingwekkende gebeurtenis:
Zodra Salomo nu geëindigd had te bidden, daalde er vúúr uit
de hemel neer en verteerde vervolgens het brandoffer en de slachtoffers,
en Jehovah's heerlijkheid vervulde het huis. En de priesters konden
het huis van Jehovah niet binnengaan, omdat Jehovah's heerlijkheid
het huis van Jehovah had vervuld. En alle zonen van Israël waren
toeschouwers toen het vuur neerdaalde en de heerlijkheid van Jehovah
op het huis was, en zij bogen zich onmiddellijk diep met hun aangezicht
ter aarde op het plaveisel en wierpen zich neer en dankten Jehovah,
"want hij is goed, want zijn liefderijke goedheid duurt tot onbepaalde
tijd".
Daar de tempel Gods tegenwoordigheid vertegenwoordigde onder
zijn volk en de goddelijke aangestelde koningen van Juda ook vanuit
Jeruzalem regeerden, werd de gehele stad Jeruzalem en de Berg
Sion voor de toenmalige omliggende natiën onlosmakelijk geassociëerd
met de naam van Jehovah. Daarom zegt Psalm 48:2 het volgende:
"Schoon door zijn verhevenheid, de uitbundige vreugde van heel
de aarde, is de berg Sion aan de afgelegen zijden van het noorden,
de stad van de grote Koning." Evenzo luidt de 9de Psalm: "Bezingt
Jehovah, die te Sion woont, met melodieën; Vertelt onder
de volken zijn daden." (vers 11) Psalm 99:2 zegt: "Jehovah
is groot in Sion, en hij is hoog boven alle volken." Psalm
132 zegt evenzo: " Want Jehovah heeft Sion uitgekozen; hij
heeft ernaar verlangd als een woning voor zichzelf."
(vers 13) Tot slot zegt Psalm 135:21: "Gezegend zij Jehovah
vanuit Sion, die verblijf houdt in Jeruzalem. Looft Jah!"
Maar, helaas eerden en respecteerden de Joden niet altijd de
God die Jeruzalem en zijn tempel zijn huis noemde. Als gevolg
van hun herhaalde dwaling tot afgoderij en afvalligheid, veroorzaakte
Jehovah uiteindelijk dat de schitterende tempel en de gehele stad
van Jeruzalem grondig vernietigd werden door koning Nebukadnezar;
en de overlevende Joden werden onhoffelijk uit hun thuisland naar
het verre Babylon verbannen.
Dit was niet alleen een enorme ramp voor de Joodse natie, maar
het feit dat de stad en tempel van Jehovah veroverd werden door
de Chaldeeuwse aanbidders van Marduk was een enorme schande voor
Jehovah God - tenminste wat de natiën aanging. De implicatie was
dat Jehovah een mindere God was dan het Babylonische godendom.
Natuurlijk stemde Jehovah feitelijk in met de omverwerping van
zijn natie door de Babyloniërs en had Hij het vele jaren van tevoren
door middel van zijn profeten aangekondigd. Jehovah noemde Nebukadnezar
zelfs "mijn knecht," omdat hij enkel op Jehovah's aanwijzing
handelde tegen de Joden.
Desalniettemin leek uit alles te blijken dat Gods voornemen
om de wereldoverwinnende Messias uit de natie Juda voort te brengen
permanent ontspoord was. De Messias zou tenslotte uit de koninklijke
lijn van David komen, terwijl de koningen en vorsten van Juda
hulpeloze gevangenen waren geworden in het land der Chaldeeën
en de koninklijke Stad van David enkel een hoop puin was geworden.
Geen wonder dat de vernederde aanbidders van Jehovah weenden
over hun trieste toestand die door hun eigen dwaasheid was veroorzaakt.
De 137ste Psalm beweent hun situatie, door te zeggen:
Aan de rivieren van Babylon - daar zaten wij.
Ook weenden wij als wij aan Sion dachten.
Aan de populierbomen in haar midden hingen wij onze harpen
op.
Want daar vroegen zij die ons gevangen hielden, ons om de
woorden van een lied,
En zij die de spot met ons dreven - om vreugdebetoon
"Zingt voor ons een van de liederen van Sion."
Hoe kunnen wij het lied van Jehovah zingen op vreemde grond?
Jeremia, die meer dan 40 jaar een profeet en priester voor het
koninkrijk van Juda was, maakte persoonlijk het eindresultaat
van zijn profeteren mee, namelijk, de volledige vernietiging van
Jeruzalem. Jeremia werd echter niet gedeporteerd naar Babylon
zoals eerder was gebeurd met zijn tijdgenoten Ezechiël en Daniël.
Maar, nadat de overgebleven Joden in de boeien weggesleept waren,
werd Jeremia enige tijd achtergelaten in de puinhopen van de ruïne
van Jeruzalem om te treuren en te weeklagen over de ramp die over
Jehovah's eens glorieuze stad en tempel was gekomen.
Een inleiding op Klaagliederen in de Septuaginta luidt: "En
het geschiedde nadat Israël gevangengenomen en Jeruzalem verwoest
was, dat Jeremia wenend neerzat en met dit klaaglied weeklaagde
over Jeruzalem en zei."
Heden ten dage is Jehovah niet langer verbonden aan enige stenen
tempel. De Christelijke apostel Paulus legde in het boek Hebreeën
uitvoerig uit hoe de vroegere verplaatsbare tabernakel en de latere
tempel enkel een voorafbeelding en schaduw waren van geestelijke
werkelijkheden.
Eén van de vele gelijkenissen die het waard is opgemerkt te
worden: Net zoals Salomo's tempel ingewijd werd toen een verschijnende
wolk de tempel vulde en vuur voor het aangezicht van vele getuigen
uit de hemel knetterde om de offers te verteren, zo wijdde Jezus
ook een geestelijke tempel in toen hij in een wolk opsteeg
naar de hemel, terwijl een schare van zijn met ontzag vervulde
discipelen in de lucht bleven staren.
En kort na Christus' hemelvaart zweefden wonderbaarlijke op
tongen gelijkende vuurvlammen boven de hoofden van zijn eerste
discipelen toen zij bij elkaar waren in een bovenkamer, en zij
begonnen op Pinksteren plotseling in voorheen onbekende talen
tegen de samengekomen menigte te spreken. Op die manier uitte
Jehovah zijn goedkeuring over de geestelijke tempel, op dezelfde
wijze waarop God daarvoor zijn goedkeuring over Salomo's tempel
liet blijken.
De apostel Paulus verklaarde op diverse plaatsen dat gezalfde
Christenen juist zo'n geestelijk tempel vormen. Efeziërs 2:20-22
zegt bijvoorbeeld: "Gij zijt opgebouwd op het fundament van
de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de fundamenthoeksteen
is. In eendracht met hem groeit het gehele gebouw, harmonisch
samengevoegd, uit tot een heilige tempel voor Jehovah.
In eendracht met hem wordt ook gij mede opgebouwd tot een plaats
waarin God door geest woont."
Een andere belangrijke parallel is dat zowel de fysieke als
geestelijke tempel geïnspecteerd of geoordeeld worden. Het laatste
boek van de Hebreeuwse Geschriften voorzeggen dat een speciale
boodschapper naar Gods tempel zal komen. Maleachi 3:1 luidt: "Ziet!
Ik zend mijn boodschapper, en hij moet een weg voor mijn aangezicht
banen. En plotseling zal tot Zijn tempel komen de ware
Heer, die gijlieden zoekt, en de boodschapper van het verbond,
in wie gij behagen hebt. Ziet! Hij zal stellig komen", heeft Jehovah
der legerscharen gezegd.
Als de voorzegde boodschapper van het verbond reinigde Jezus
de Joodse tempel bij twee verschillende gelegenheden; eenmaal
aan het begin van zijn bediening en wederom aan het einde
ervan. Bij beide gelegenheden smeet Christus de geldwisselaars
eruit. Kort na zijn laatste inspectie kondigde Jezus tot verbazing
van zijn discipelen het volgende aan: "Er zullen dagen komen
waarin hier geen steen op de andere gelaten zal worden die niet
afgebroken zal worden." (Lukas 21:6) Jezus vertelde verder
in detail hoe een profetisch "walgelijk ding" wederom verwoesting
zou brengen over Gods heilige plaats.
Het is interessant dat de stad Jeruzalem en haar tempel exact
veertig jaar na die dag, tellend vanaf zijn eerste inspectie
op het Pascha van 30 G.T., werden vernietigd door de Romeinen.
De profetie van Maleachi draagt echter in zich dat Christus
nogmaals komt als een inspecteerder en reiniger van de
geestelijke tempel, waarvan hij zelf het Tempelhoofd is.
En niet alleen dat: Christus' profetie die de verwoesting van
Jeruzalem en haar tempel door een "walgelijk ding" voorzei,
was ver voorbij de 1ste eeuw van toepassing.
De vraag die we zouden moeten stellen is: Is er íets geweest
in de bijna 2000-jarige historie van het Christendom wat de verwoestende
calamiteit die in Jeremia's dagen of in de 1ste eeuw over Jehovah's
volk kwam, toen Jeruzalem en haar tempel vernietigd werden door
buitenlandse imperialistische krachten, evenaart of zelfs maar
benadert? Het antwoord is nee.
Het Wachttorengenootschap interpreteert diverse profetieën op
een wijze dat het ware Christendom gedurende de eeuwen min of
meer geleidelijk opgeslokt en overschaduwd werd door de babylonische
Christenheid; tot het herstel van de ware gemeente in de organisatie
van Jehovah's Getuigen in moderne tijden.
Het probleem met die leerstelling is dat het geen ruimte laat
voor het duidelijke feit dat het herstel van de ware gemeente
komt nadat God heeft toegestaan dat een onverwachte ramp
over zijn volk komt. Volgens het Wachttorengenootschap vindt de
vernietiging van Jeruzalem en de tempel zijn parallel in de vernietiging
van de Christenheid - in de toekomst. Dus is het spreekwoordelijke
paard achter de wagen gespannen, daar we veronderstellen dat een
herstel heeft plaatsgevonden voordat de noodzaak voor terugwinning
en redding zelfs maar gerezen is!
Het is mijn taak de lezer uit te leggen dat de profetieën absoluut
voorzeggen dat Jehovah's geestelijke tempel en het volk van God
een soortgelijke onvoorziene ramp te wachten staat.
Ronduit gezegd, de moeilijkheden van de Bijbelonderzoekers in
de periode van 1916-1919 kunnen in de verste verten niet vergeleken
worden met de verschrikkelijke calamiteit die Jeremia's Sion door
de hand van de Babyloniërs moest ondergaan, hoe beangstigend ze
toen ook geleken mogen hebben. Wanneer we de profetieën
geloven, en wanneer de Bijbelse patronen enige betekenisvolle
vergelijking hebben met de moderne werkelijkheid, kunnen we geen
andere redelijke conclusie trekken dan dat Jehovah's volk een
calamiteit van onvoorstelbare omvang te wachten staat in de toekomst.
Hoe kunnen we daar zeker van zijn?
Het overige gedeelte van dit essay zal zich vooral richten op
geselecteerde passages uit Klaagliederen. Ondanks dat Klaagliederen
niet bezien wordt als een profetisch boek, zal een nauwkeurige
beschouwing ervan, gespiegeld aan de achtergrond van andere
profetische boeken, onthullen dat Jeremia's boek met Klaagliederen
een patroon verschaft van de dingen die komen gaan.
"Sions
Wegen Treuren
Al Haar Poorten Liggen Woest"
Het eerste hoofdstuk van Klaagliederen, vers vier zegt: "Sions
wegen treuren, omdat er niemand naar het feest komt. Al haar poorten
liggen woest en verlaten; haar priesters zuchten. Haar
maagden zijn met droefheid geslagen, en zijzelf heeft bitterheid."
Op vele, vele plaatsen in profetie voorzegt Jehovah dat hij
zijn eigen heilige plaats een verwoest voorwerp van ontzetting
zou maken. Eén profetisch boek dat in overeenstemming is met Klaagliederen
is het boek van Joël. Joël beschrijft het gehele "land," alsook
Gods heilige plaats, als zijnde verwoest door een invasie vanuit
het noorden van op insecten gelijkende indringers.
De profetie van Joël houdt echter enkel in de verte verband
met Nebukadnezar's verwoesting van Jeruzalem. Er zijn enkele zaken
die interessant genoeg verschillen. Jehovah roept zijn
volk bijvoorbeeld op om te gaan rouwen gedurende een tijd van
onheil, waarbij de priesters en dienaren van God geboden wordt
in Jehovah's huis bijeen te komen om God te smeken om zijn gunst.
Het is echter duidelijk dat het voor de Joodse priesters niet
mogelijk was in Salomo's tempel samen te komen nadat die verwoest
was of terwijl hij belegerd werd. Desondanks lezen we in Joël
1:13, 14: "Omgordt u en slaat u op de borst, gij priesters.
Jammert, gij dienaren van het altaar. Komt binnen, brengt de nacht
in een zak door, gij dienaren van mijn God; want aan het huis
van uw God zijn graanoffer en drankoffer onthouden. Heiligt een
vastentijd. Roept een plechtige vergadering bijeen. Vergadert
de oudere mannen, alle bewoners van het land, tot het huis van
Jehovah, uw God, en roept luid tot Jehovah om hulp."
Klaagliederen is in harmonie met de roep voor Gods volk om te
gaan rouwen over de verwoesting. Er staat: "Hun hart heeft
tot Jehovah geschreeuwd, o muur van de dochter van Sion. Laat
tranen neervlieten net als een stroom, dag en nacht. Gun u geen
verslapping. Moge de pupil van uw oog zich niet stilhouden. Sta
op! Jammer in de nacht bij het begin van de morgenwaken. Stort
uw hart uit net als water voor het aangezicht van Jehovah. Hef
tot hem uw handpalmen op wegens de ziel van uw kinderen, die wegens
de hongersnood bezwijken aan het boveneinde van alle straten."
Gedurende ongeveer de afgelopen 70 jaar heeft het Wachttorengenootschap
de sprinkhanen uit Joël geïnterpreteerd als een afbeelding van
Jehovah's Getuigen; terwijl van de priesters en "dienaren van
het altaar" gedacht wordt dat ze een afbeelding zijn van de
hedendaagse geestelijkheid van het Christenheid. Dat is echter
eenvoudig een onhoudbare interpretatie die, wanneer er met gezond
verstand over nagedacht wordt, niet overeind kan blijven. "Het
huis van Jehovah uw God" is duidelijk bedoeld als afbeelding
van Christus' gemeente en de priesters en de "dienaren van
het altaar" kunnen enkel de gezalfde broeders van Christus
zijn. Elke interpretatie die dat niet erkent, moet als waardeloos
verworpen worden!
Verder geeft de profetie ronduit aan dat God tussenbeide komt
ten gunste van zijn belegerde volk en de op sprinkhanen gelijkende
indringers vernietigt. Het eindresultaat van Jehovah's ingreep
en ommekeer in de situatie wordt beschreven in Joël 3:17, waar
staat: "En gijlieden zult moeten weten dat ik Jehovah, uw God,
ben, die verblijf houdt op Sion, mijn heilige berg. En Jeruzalem
moet een heilige plaats worden; en wat vreemden betreft,
zij zullen er niet meer doortrekken." Voor elke nuchtere lezer
van Joël zou het duidelijk moeten zijn dat de symbolische sprinkhanen
de "vreemden" zijn die Jehovah's geestelijke heilige plaats
verwoesten en ontheiligen.
Daar de apostel Petrus op de dag van Pinksteren citeerde uit
de profetie van Joël en het van toepassing bracht op de Christelijke
gemeente, is het duidelijk dat de "heilige plaats" en "Jeruzalem"
tevens van belang zijn voor de Christelijke gemeente, echter gedurende
een latere periode van oordeel. En, zoals reeds eerder vermeld,
daar er tot op heden niet een dergelijke verwoesting van de gezalfde
gemeente heeft plaatsgevonden, wacht de profetie van Joël, alsook
alle andere profeten, een toekomstige verwezenlijking. (Voor een
meer gedetailleerde bespreking van de profetie van Joël, zie het
essay: Dag van de Sprinkhanen
Aanval.)
Terugkerend naar Klaagliederen, verderop in het 16de vers spreekt
Jeremia in de vrouwelijke vorm voor Jeruzalem, wat in overeenstemming
is met diverse andere profetieën die Gods organisatie als een
vrouw personifiëren. "Over deze dingen ween ik als een vrouw.
Mijn oog, mijn oog stroomt van water. Want een trooster is ver
van mij verwijderd, iemand die mijn ziel verkwikt. Mijn zonen
zijn eenzaam en verlaten geworden, want de vijand heeft
een groot air aangenomen.
Klaagliederen 1:13 zegt evenzo: "Hij heeft mij gemaakt tot
een vrouw die eenzaam en verlaten is. De gehele dag ben ik ziek."
Heeft dit aspect van Klaagliederen enige toepassing op de verwoesting
van de Christenheid?
In Galaten 4:27 citeerde Paulus uit Jesaja 54:1 aangaande de
onvruchtbare en verwoeste toestand van Gods op een vrouw
gelijkende organisatie, en de apostelen pasten die profetie rechtstreeks
toe op de Christelijke gemeente. In het 54ste hoofdstuk van Jesaja,
waaruit de apostel citeerde, spreekt Jehovah echter geruststellend
tot zijn "gekwelde, door stormen heen en weer geslingerde en
ongetrooste" vrouw. De reden dat Jehovah haar vertroost, wordt
gegeven in het 7de en 8ste vers, waar staat: "Voor een klein
ogenblik heb ik u geheel verlaten, maar met grote barmhartigheden
zal ik u bijeenbrengen. In een vloed van verontwaardiging heb
ik mijn aangezicht slechts een ogenblik voor u verborgen, maar
met liefderijke goedheid tot onbepaalde tijd wil ik u barmhartig
zijn", heeft uw Terugkoper, Jehovah, gezegd.
Onmiskenbaar is dat aspect van de profetie niet van toepassing
op het 1ste eeuwse Christendom. In erkenning van de relevantie
voor Christenen, past het Wachttorengenootschap het toe op de
moeilijkheden die de Internationale Bijbelonderzoekers meemaakten
terug in 1916-1919. Zonder dit punt uitvoerig te behandelen, de
feiten uit de geschiedenis en profetie zijn eenvoudig niet in
overeenstemming met de interpretatie van het Wachttorengenootschap.
Beschouw wat Jesaja 54:16 te zeggen heeft: "Zie! Ikzelf heb
de handwerksman geschapen, die het houtskoolvuur aanblaast en
een wapen als zijn werk te voorschijn brengt. Ikzelf heb ook de
verderver geschapen voor te gronde richtend werk."
In de 5de eeuw v.G.T. diende Nebukadnezar als "de verderver
geschapen voor te gronde richtend werk" toen hij leed en verwoesting
bracht over de op een vrouw gelijkende stad Jeruzalem en een groot
deel van de wereld aan hem onderwierp. Hij is een voorafschaduwing
van de 8ste koning in zijn door God toegewezen rol als uitvoerder
van oordelen. De moderne "verderver" wordt in Daniël ook
afgebeeld door de zogenoemde "koning met bars gelaat."
Het belang van deze connectie is dat de koning met bars gelaat
zijn verdervingwerk verricht gedurende de tijd van het einde.
Ja, hij brengt zoveel verderf dat hij Christus tot een rechtstreekse
confrontatie tergt.
Zijn verdervingwerk wordt als volgt door Daniël beschreven:
"En op verwonderlijke wijze zal hij verderf stichten,
en hij zal stellig succesvol blijken te zijn en doeltreffend handelen.
En hij zal machtigen werkelijk in het verderf storten,
ook het volk dat uit de heiligen bestaat." (Daniël 8:24)
Wanneer we ernaar streven profetie juist te interpreteren, is
het punt dat we moeten erkennen dat de verderving en verwoesting
die over de op een vrouw gelijkende Christelijke organisatie komt,
dient als een onmiddellijke voorbode van Jehovah's redding
van zijn volk en het definitieve oordeel te Armageddon. Het is
daarom niet mogelijk dat de voorzegde kwelling en verwoesting
van Jehovah's organisatie reeds heeft plaatsgevonden.
Beschouw verder in het kort de verbazingwekkende onderlinge
verbanden met enkele bekende profetieën: In het 12de hoofdstuk
van Openbaring wordt de symbolische vrouw, die het koninkrijk
baart, afgebeeld terwijl ze het uitschreeuwt van pijn en kwelling
en ze wordt voor een periode van 1260 dagen, of drie en een half
jaar, naar een eenzame plaats in een symbolische wildernis verdreven.
In het 11de hoofdstuk van Openbaring worden de twee getuigen
van God verlaagd tot het in zakken gehuld prediken (een
symbool van vernedering en rouw), als gevolg van de vertreding
van Gods heilige stad door de natiën voor eenzelfde periode van
42 maanden.
Klaagliederen 2:10 beschrijft evenzo de oudere mannen van Sion
die zich omgorden met zakken terwijl zij rouwen over de
verwoesting van Jehovah's stad: "De oudere mannen van de dochter
van Sion zitten ter aarde, waar zij het stilzwijgen bewaren. Zij
hebben stof op hun hoofd gedaan. Zij hebben zich omgord met een
zak. Ter aarde hebben de maagden van Jeruzalem hun hoofd
laten hangen."
Het visioen van Openbaring geeft verder een beschrijving van
de twee op priesters gelijkende profeten terwijl ze gedood worden
door hun vervolgers. Klaagliederen vraagt passend: "Of moeten
dan in het heiligdom van Jehovah priester en profeet gedood worden?"
Openbaring beschrijft tevens de mensen der aarde die zich verheugen
over de dood van Gods twee symbolische gezalfde dienaren; terwijl
Klaagliederen 2:16 zegt: "Over u hebben al uw vijanden hun
mond geopend. Zij hebben gefloten en bleven knarsetanden. Zij
hebben gezegd: "Wij willen haar verzwelgen. Waarlijk, dit is de
dag waarop wij gehoopt hebben. Wij hebben hem gevonden! Wij hebben
hem gezien!"
Vers 17 luidt gedeeltelijk: "En over u laat hij de vijand
zich verheugen. Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders verhoogd."
Klaagliederen 1:21: "Men heeft gehoord hoe ikzelf zucht als
een vrouw. Er is geen trooster voor mij. Ja, al mijn vijanden
hebben van mijn rampspoed gehoord. Zij hebben zich uitbundig verheugd,
omdat gijzelf het hebt gedaan."
Klaagliederen 1:7b: "Toen haar volk in de hand van de tegenstander
viel en zij geen helper had, zagen de tegenstanders haar. Zij
lachten om haar ineenstorting."
Klaagliederen 3:46 luidt: "Tegen ons hebben al onze vijanden
hun mond geopend."
Het eerder geciteerde vers van Klaagliederen 1:16 beschrijft
tevens de zonen van de op een vrouw gelijkende organisatie die
verwoest worden door een vijand die een groot air aanneemt.
Klaagliederen 1:9b luidt soortgelijk door te zeggen: "O Jehovah,
zie mijn ellende aan, want de vijand heeft een groot air
aangenomen."
Terugkerend tot de profeet Daniël, het 8ste hoofdstuk voorzegt
dat de heilige plaats van Christus' heiligdom en de zonen van
God vetreden zullen worden door een koning met bars gelaat, die
ook "een groot air zal aannemen."
Klaagliederen 1:10 beschrijft evenzo dat natiën, meervoud,
dus niet enkel het Babylon van Nebukadnezar, Jehovah's heiligdom
en gemeente zullen vertreden: "De tegenstander heeft zijn eigen
hand uitgestrekt naar al haar begeerlijke dingen. Want zij heeft
natiën gezien die in haar heiligdom zijn gekomen, Aan wie
gij hadt geboden dat ze niet in de gemeente zouden komen die u
toebehoort."
Lezers met onderscheidingsvermogen zouden ook moeten opmerken
dat Christus Jezus ook voorzei dat de heidense natiën en
hun politieke "walgelijke ding" verwoesting zouden veroorzaken
en Gods heilige plaats zouden vertreden "totdat de bestemde
tijden der natiën zijn vervuld."
Het is duidelijk dat het boek Klaagliederen bedoeld is als een
geïnspireerd klaaglied, dat niet spreekt over de komende vernietiging
van de Christenheid, noch over de relatief onbeduidende vervolging
van de gezalfde Bijbelonderzoekers terug in 1918, maar in plaats
daarvan spreekt over de volledige verwoesting van de organisatie
die bestaat uit de aarde gezalfde zonen van Sion ten tijde van
de komst van Christus, gedurende de komende grote verdrukking.
Daarom treurt Jeremia over de gezalfde zonen van Sion door te
zeggen: "Wat de kostbare zonen van Sion betreft, zij
die afgewogen werden tegen gelouterd goud, O hoe zijn zij geacht
als grote kruiken van aardewerk, het werk van de handen van een
pottenbakker!" (Klaagliederen 4:2)
En wederom, in Klaagliederen 4:20: "Zelfs de adem van onze
neusgaten, de gezalfde van Jehovah, is gevangen in hun grote kuil."
"Angst
en de Groeve
Zijn Ons Deel Geworden"
Met het risico de lezer te overweldigen, lijkt het toch belangrijk
nog enkelen van de vele parallellen en connecties op te merken
die Klaagliederen heeft met de diverse apocalyptische profetieën.
De lezer kan vervolgens zijn of haar eigen conclusie trekken met
betrekking tot de belangrijkheid hiervan.
Het boek Klaagliederen staat ook in verband met Habakuk. Klaagliederen
4:19 zegt bijvoorbeeld: "Sneller dan de arenden van de hemel
zijn onze achtervolgers gebleken."
Habakuk 1:8b beschrijft op soortgelijke wijze de verslindende
Chaldeeuwse aanvalskracht als een arend die neerduikt op zijn
prooi, door te zeggen: "Ze vliegen als de arend die toeschiet
om te verslinden."
Het belang van deze parallel is dat, terwijl Habakuk duidelijk
een oorspronkelijke vervulling had toen de troepen van Nebukadnezar
neerstreken op Juda, de belangrijkste vervulling van het visioen
van Habakuk verband houdt voor de toekomst. Jehovah herinnerde
Habakuk hier zelfs aan toen hij zei: "Want het visioen is nog
voor de bestemde tijd, en het blijft voorthijgen naar het einde,
en het zal geen leugen vertellen. Zelfs al zou het op zich laten
wachten, blijf er vol verwachting naar uitzien; want het zal zonder
mankeren uitkomen. Het zal niet te laat komen." (Habakuk 2:3)
(Voor een meer gedetailleerde bespreking van Habakuk, zie het
essay: De Ultieme
Eindoplossing.)
Alleen al het visioen van de dag van smart over Gods volk zorgde
er voor dat Habakuk extreem fysiek ongemak en benauwdheid ervoer.
De profeet schrijft in Habakuk 3:16: "Ik hoorde het, en mijn
buik kwam in beroering; bij het geluid trilden mijn lippen; verrotting
drong voorts in mijn beenderen; en in mijn toestand was ik in
beroering, dat ik rustig de dag der benauwdheid moest afwachten,
wanneer hij optrekt tegen het volk, om een overval op hen te plegen."
Klaagliederen 2:11 uit de realiteit van Habakuk's afschuwelijke
visioen, waar we lezen: "Mijn ogen zijn aan hun eind gekomen
in louter tranen. Mijn ingewanden zijn in gisting. Ter aarde is
mijn lever uitgestort, wegens de ineenstorting van de dochter
van mijn volk."
Beschouw verder eens de connecties met Jesaja. Klaagliederen
3:47 zegt: "Angst en de groeve zijn ons deel geworden, verlatenheid
en verbreking."
Jesaja 24:17, 18 gebruikt dezelfde taal om Sion's verdrukking
te beschrijven, door te zeggen: "Angst en de groeve
en de valstrik zijn over u, gij bewoner van het land. En het moet
geschieden dat al wie vlucht voor het geluid van dat wat angst
verwekt, in de groeve zal vallen, en al wie uit het binnenste
van de groeve opklimt, in de valstrik gevangen zal worden. Want
zelfs de sluizen daarboven zullen werkelijk geopend worden en
de grondvesten van het land zullen schudden."
Jesaja's profetie is met zekerheid ver na bijbelse tijden
van toepassing, zoals duidelijk wordt uit de volgende verzen,
die zonder twijfel in verband staan met Jehovah's oordeel en het
in de afgrond werpen van het leger demonische vorsten in de hemelse
plaatsen wanneer Jehovah's koninkrijk alleen regeert.
Jesaja 24:21-23: "En het moet geschieden op die dag, dat
Jehovah zijn aandacht zal richten op het leger der hoogte in de
hoogte, en op de koningen des aardbodems op de aardbodem. En zij
zullen stellig bijeengedreven worden zoals men gevangenen in de
kuil bijeendrijft, en opgesloten worden in de kerker; en na een
overvloed van dagen zal er aandacht aan hen worden geschonken.
En de volle maan is schaamrood geworden en de gloeiende zon is
beschaamd geworden, want Jehovah der legerscharen is koning geworden
op de berg Sion en in Jeruzalem en ten aanschouwen van zijn oudere
mannen met heerlijkheid."
Er bestaan nog andere belangrijke connecties tussen Klaagliederen
en Jesaja. Klaagliederen 2:21 zegt bijvoorbeeld: "Knaap en
grijsaard hebben ter aarde gelegen op de straten." Klaagliederen
1:13 zegt evenzo: "Vanuit den hoge heeft hij vuur in mijn beenderen
gezonden, en hij onderwerpt iedereen. Hij heeft een net uitgespreid
voor mijn voeten. Hij heeft mij achterwaarts doen keren."
Jesaja 51:20 gebruikt precies dezelfde taal om de geestelijke
gevangenschap van de zonen van het hemelse Sion tijdens het oordeel
te beschrijven. Er staat: "Uw eigen zonen zijn bezwijmd. Zij
hebben neergelegen aan het boveneinde van alle straten, als het
wilde schaap in het net, als degenen die vol zijn van de woede
van Jehovah, de bestraffing van uw God."
We merken nog een parallel op tussen Klaagliederen en Jesaja.
Klaagliederen 3:28, 29 zegt dat Gods woordvoerders in het stof
tot zwijgen zullen worden gebracht. Er staat: "Laat hij eenzaam
zitten en blijven zwijgen, omdat hij hem iets heeft opgelegd.
Laat hij zijn mond regelrecht in het stof steken. Misschien bestaat
er hoop."
In het 29ste hoofdstuk van Jesaja zegt Jehovah dat zijn geestelijke
natie treurnis en jammerklacht zal ervaren en dat de stem van
"Ariël" als enkel een fluistering zal opstijgen uit het stof.
Jesaja 29:2-4 luidt: "En er moet getreur en jammerklacht
blijken te zijn, en ze moet mij worden als de altaarhaard van
God. En ik moet mij aan alle kanten tegen u legeren, en ik moet
het beleg voor u slaan met een palissade, en belegeringswerken
tegen u oprichten. En gij moet neergehaald worden, zodat gij als
het ware vanuit de aarde zult spreken, en als uit het stof zal
uw woord gedempt klinken. En als een geestenmedium moet uw stem
worden, ja, uit de aarde, en uit het stof zal uw eigen woord piepen."
Het is verbazingwekkend dat zelfs het Wachttorengenootschap
40 jaar geleden erkende dat dit gedeelte van Jesaja een toekomstige
vervulling heeft in het gezalfde overblijfsel. In een op de achtergrond
verdwenen antwoord op een vragen van lezers in de Wachttoren van
15 Juli 1961, merkte het Genootschap op:
"Deze woorden tonen
aan dat Gods aardse organisatie door de vijanden van Gods koninkrijk
aangevallen en tot een zeer lage staat vernederd zou worden.
Ten tijde dat Gog de leden van Gods volk aanvalt, zouden zij
als het ware neergedrukt tot de aarde zijn zodat hetgeen zij
zouden spreken en het stemgeluid dat zij zouden voortbrengen,
vanuit de diepte in hun vernederde toestand zou komen. Het geluid
zou als het ware uit het stof of zand der aarde komen. Het zou
zijn alsof een geestenmedium sprak met een stemgeluid dat uit
het stof der aarde kwam."
Het is echter duidelijk dat het bovenstaande krachtige commentaar
op Jesaja een tijdelijk moment van helderheid in interpretatie
was. Meer recentelijk, in het commentaar Jesaja's Profetie:
Licht voor de Hele Mensheid, uitgegeven in 2000, een boek
dat een vermeend gedetailleerde vers-voor-vers bespreking
van Jesaja is, heeft het Wachttorengenootschap elke verwijzing
naar de moderne organisatie die op een dergelijke wijze vernederd
zal worden los gelaten. Het is volledig verbloemd door het gegoochel
van het Wachttorengenootschap om de lezer te laten denken dat
de val van Ariël enkel van toepassing is op de tijd van Jeruzalems
vernietiging in 607 v.G.T.
Het 29ste hoofdstuk van Jesaja is echter meer dan relevant
voor ons heden ten dage; het is zelfs cruciaal om de betekenis
van hetgeen Jezus de zogenoemde "tijden der heidenen" noemde te
achterhalen. Het geeft ook aan dat de krachtige stem van de getrouwe
slaaf, welke op dit moment wereldwijd in honderden talen weerklinkt,
voorbestemd is om gedempt te worden. (Voor een meer gedetailleerde
bespreking van Jesaja 29, zie het essay: Was
1914 het Einde van de Tijden der Heidenen?)
Wat kan echter een verklaring zijn voor het opvallende gebrek
aan inzicht van het Wachttorengenootschap met betrekking tot deze
waarheden die hier voor de lezer gelegd worden? Wel, hetzelfde
29ste hoofdstuk van Jesaja beschrijft verder de geestelijke bedwelming
en hopeloze blindheid van de zogenaamde interpreteerders van Jehovah's
woord, door het volgende te zeggen over Gods hedendaagse profeten:
"Want over ulieden heeft Jehovah een geest van diepe slaap
uitgestort, en hij sluit uw ogen, de profeten, en hij heeft zelfs
uw hoofden, de visionairs, omhuld. En voor ulieden wordt het visioen
van alles gelijk de woorden van het boek dat is verzegeld, dat
men geeft aan iemand die het schrift kent en zegt: "Lees dit alstublieft
voor", en hij moet zeggen: "Dat kan ik niet, want het is verzegeld";
en het boek moet gegeven worden aan iemand die geen schrift kent,
terwijl iemand zegt: "Lees dit alstublieft voor", en hij moet
zeggen: "Ik ken in het geheel geen schrift.""
In overeenstemming met de profetische woorden hebben Jehovah's
Getuigen inderdaad de woorden van het boek Jesaja hardop voorgelezen
op onze wekelijkse boekstudiebijeenkomsten die over de gehele
wereld gehouden worden. Toch heeft geen enkele visionair die onderlegd
is in de bijbel of institutionele profeet Jehovah's gecodeerde
profetie aangaande zijn "vreemde" en "ongewone werk"
begrijpelijk kunnen maken. Het is alsof het boek verzegeld is
en de lezers ongeletterd zijn.
We kunnen ons daarom terecht afvragen dat wanneer Jehovah's
Getuigen werkelijk Gods volk zijn, zoals we beweren, en
we toch binnenkort overrompeld en belaagd worden door compleet
onverwachte oordelen van Jehovah, of de hopeloze blindheid van
het Wachttorengenootschap in dit opzicht niet uitsluit dat we
het volk van God zijn? Wederom bevestigt Klaagliederen de woorden
van de profeten.
"Maar
Zij Bleven Voor U
Waardeloze en Misleidende
Formele Uitspraken Schouwen"
Sprekend over Sion's instorting weeklaagde Jeremia over de stand
van zaken, waarbij Jeruzalem's eigen profeten waardeloze en onbevredigende
uitingen deden. Klaagliederen 2:14 luidt: "Uw eigen profeten
hebben voor u waardeloze en onbevredigende dingen geschouwd, en
zij hebben uw dwaling niet blootgelegd, om een keer te brengen
in uw gevangenschap, maar zij bleven voor u waardeloze en misleidende
formele uitspraken schouwen."
Jehovah had eerder alle connecties met Jeruzalems egocentrische
profeten verbroken, door tot zijn ware profeet Jeremia het volgende
te zeggen: "Leugen profeteren de profeten in mijn naam.
Ik heb hen niet gezonden, noch heb ik hun bevel gegeven of tot
hen gesproken. Een leugenvisioen en waarzeggerij en iets van nul
en gener waarde en de bedriegerij van hun hart spreken zij profetisch
tot ulieden." (Jeremia 14:14)
Ironisch genoeg sprak Jeremia de waarheid met betrekking tot
Jeruzalems vernietiging. Zo ook Jesaja, Micha, Habakuk, Ezechiël
en Zefanja. Zij waren ware profeten. De Joden, vooral hun
leiders, weigerden echter te luisteren naar Gods boodschappers.
De Joden gaven er de voorkeur aan te luisteren naar de profeten
die bedrieglijk Jehovah's vrede en goede wil voor de stad verkondigden.
Jeremia's klaaglied is zeker een beschrijving van het huidige
Wachttorengenootschap! Spreekt het Wachttorengenootschap niet
profetisch tot ons in Jehovah's naam? Dat doen ze zeker. Ironisch
genoeg beschuldigen zelfs onze religieuze vijanden het Wachttorengenootschap
van het zijn van een valse profeet. Jehovah's ware profeten zijn
het daarmee eens, zij het voor andere redenen.
We realiseren ons natuurlijk dat niemand onder hedendaagse Jehovah's
Getuigen beweert een profeet te zijn in de zin van het ontvangen
van rechtstreekse openbaringen van God. Het Wachttorengenootschap
spreekt echter met autoriteit over Jehovah's Getuigen door de
Bijbelse profeten voor ons te interpreteren. Ze verwijst
naar zichzelf als de stem van de Jeremia-klasse en Ezechiël-klasse,
enzovoort. Het Wachttorengenootschap heeft de boodschappen van
de vroegere bijbelse profeten echter verdraaid, wat geresulteerd
heeft in een misleidend en waardeloos beeld van de toekomstige
dingen.
Zoals al Jehovah's Getuigen weten, centreren de meeste profetische
interpretaties van het Wachttorengenootschap zich rondom 1914
- een datum die elk voorbijgaand jaar meer en meer irrelevant
wordt. Een ander groot gedeelte van profetie is op de Christenheid
of Babylon de Grote van toepassing gebracht, in plaats van op
het geestelijk Israël. Als gevolg daarvan hebben Jehovah's Getuigen
geen gegronde schriftuurlijke basis om enig soort van goddelijke
veroordeling te verwachten die wellicht aanstaande is. Het is
voor de gemiddelde Getuige eenvoudig ondenkbaar dat we het fout
zouden kunnen hebben en dat wij Jehovah op één of andere manier
niet welgevallig zouden kunnen zijn.
Door middel van ontelbare lezingen, artikelen en grafische illustraties
toont het Wachttorengenootschap een visioen van een overwinnende
organisatie van lachende Jehovah's Getuigen die de nieuwe wereld
binnenwandelen. Maar het op de Bijbel gebaseerde visioen van het
Wachttorengenootschap is waardeloos en misleidend,
omdat het Gods Woord van oordeel dat onontkoombaar eerst moet
komen, volledig ontkracht.
Net zoals de Joodse koningen en hun onderdanen dachten dat Jehovah
nooit toe zou staan dat Jeruzalem verwoest zou worden, zijn Jehovah's
Getuigen er evenzo door misleiding in gaan geloven dat de Wachttoreninstelling
altijd voort zal blijven marcheren tot grotere en grotere heerlijkheid
als "Jehovah's zichtbare organisatie." Net als de boodschap van
de valse profeten van het oude Jeruzalem heeft het Wachttorengenootschap
Jehovah's oordelen sussend weggenomen, alsof ze zeggen: "Er
is vrede, er is vrede."
Het is alsof onze valse profeten de organisatie die zij vereren
hebben bedrogen, zoals Klaagliederen 1:19 ook zegt: "Ik heb
geroepen tot hen die mij intens liefhadden. Zelfs zij hebben mij
bedrogen."
Er is ons zelfs gesuggereerd dat veel van de fysieke infrastructuur
en eigendommen van het Wachttorengenootschap intact zullen blijven
gedurende de oorlog van Armageddon heen. We zijn ertoe misleid
te geloven dat de vele Bethel bijkantoren over de gehele wereld
en in het bijzonder de grote hoofdkantoorfaciliteiten op Patterson,
Wallkill en Brooklyn de verrukkelijke veilige middelpunten van
de komende nieuwe wereld zullen zijn.
De vererende houding van Jehovah's Getuigen ten opzichte van
deze faciliteiten en de Wachttoreninstelling vertoont grote gelijkenissen
met de wijze waarop de Joden Salomo's tempel bezagen. Dat een
dergelijke houding bestaat valt niet te ontkennen. Daarom doen
we er goed aan de volgende raad van Jehovah door middel van Jeremia
op te merken: "Stelt uw vertrouwen niet in bedrieglijke woorden,
doordat gij zegt: 'De tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah,
de tempel van Jehovah zijn zij!'" (Jeremia 7:4)
Het ontnuchterende is echter dat Jehovah Salomo's tempel ook
erkende als zijn eigendom. Dat weerhield hem er echter niet van
hem te verwerpen. Toch denken we ons in dat dit nooit zal gebeuren
met de Wachttorenorganisatie. Kan het zijn dat Jehovah's Getuigen
een diepe geloofsschok te wachten staat wanneer datgene waarvan
wij denken dat het heilig is voor Jehovah vernederd wordt?
Jeremia's profetische klaaglied lijkt het rampzalige einde van
de huidige wijd verspreide arrogantie in de organisatie volmaakt
te beschrijven, wanneer er wordt gezegd: "De koningen der aarde
en al de bewoners van het produktieve land hadden niet geloofd
dat de tegenstander en de vijand de poorten van Jeruzalem zouden
binnenkomen." (Klaagliederen 2:4)
Klaagliederen 2:15 beschrijft de overweldigende verbazing over
de val van de stad die eens bezien werd als "de volmaakte schoonheid,"
door te zeggen: "Over u hebben allen die langs de weg voorbijgingen,
in de handen geklapt. Zij hebben gefloten en bleven hun hoofd
schudden over de dochter van Jeruzalem, zeggend: "Is dit de stad
waarvan men placht te zeggen: 'Het is de volmaakte schoonheid,
een uitbundige vreugde voor de gehele aarde'?"
Nemen Jehovah's Getuigen niet aan dat de wereldwijde Wachttorenorganisatie
een onvernietigbare "stad" is en nagenoeg "de volmaakte schoonheid"?
In plaats van aan te nemen dat Jehovah's hedendaagse geestelijke
tempel en altaar verwoest werden gedurende de vervolgingen van
de Eerste Wereldoorlog, of dat Jehovah's tempel op één of andere
manier een afbeelding is van de Christenheid, wordt de lezer uitgenodigd
hun verbeelding te gebruiken en zich voor te stellen dat Jehovah's
zogenoemde zichtbare organisatie in de nabije toekomst vernietigd
wordt, zelfs in zoverre dat Jeremia in Klaagliederen 2:7 weeklaagt
over de vernietiging van Gods tempel, toen hij schreef: "Jehovah
heeft zijn altaar verstoten. Hij heeft zijn heiligdom
vol verachting verworpen. In de hand van de vijand heeft hij de
muren van haar woontorens overgeleverd."
De hedendaagse situatie is precies hetzelfde als die in Jeremia's
dagen. Elke heldere waarschuwingsstem, welke schriftuurlijke autoriteit
die ook mag hebben, die zelfs maar iets anders suggereert dan
wat het Wachttorengenootschap voor onze toekomst heeft voorzien,
wordt onredelijk van de hand gewezen.
In het 3de hoofdstuk van Ezechiël wordt de profeet door Jehovah
opgedragen om als zijn wachter voor het Huis van Israël te dienen.
Het is interessant dat Jehovah tegen Ezechiël zei dat hij zich
in zijn eigen huis moest opsluiten om de beperkingen te
demonstreren die de Joodse organisatie elke profeet zou opleggen
die Jehovah's oordelen tegen hen uitsprak.
Ezechiël 3:24b-26 luidt: "Kom, sluit u op in uw huis.
En gij, o mensenzoon, zie! zij zullen u stellig koorden aanleggen
en u ermee binden zodat gij niet kunt uitgaan onder hen. En zelfs
uw tong wil ik aan uw gehemelte doen kleven, en gij zult stellig
stom worden, en gij zult voor hen geen man worden die terechtwijzing
toedient, want zij zijn een weerspannig huis."
De bovenstaande profetische bepaling door Ezechiël is een goede
beschrijving van de wijze waarop het Wachttorengenootschap elk
individu die als wachter kan dienen, door openlijk onder Jehovah's
Getuigen te spreken, monddood heeft gemaakt. Hen als het ware
te binden met koorden en zelfs maar een fluistering binnen de
gemeente over wat komen gaat te onderdrukken, waardoor diegene
gedwongen wordt om als het ware vanuit de begrenzing van zijn
eigen huis te spreken over Jehovah's komende oordelen.
Het leiderschap van het Wachttorengenootschap weigert eenvoudig
te erkennen dat wie dan ook onder Jehovah's Getuigen, die geen
deel uitmaakt van de kleine groep ingewijden op Bethel, enige
geestelijke inzichten kan hebben. Als gevolg van het feit dat
zij de ware stemmen van de profeten van de schriften verstomd
hebben, welke in werkelijkheid Jehovah's stem zijn, moet het eindresultaat
onvermijdelijk hetzelfde zijn als Jeremia's klaaglied: "In
de aarde zijn haar poorten gezonken. Hij heeft haar grendels vernietigd
en aan stukken gebroken. Haar koning en haar vorsten zijn onder
de natiën. Er is geen wet. Ook hebben haar eigen profeten geen
visioen van de zijde van Jehovah gevonden." (Klaagliederen
2:9)
Als Jehovah's Getuigen Jehovah's organisatie zijn, zoals we
geloven, kunnen we gezien het patroon uit de oudheid niet verwachten
dat het Wachttorengenootschap haar eigen komende ondergang zal
aankondigen. Ja, de onverwachte ineenstorting van het Wachttorengenootschap
zal het ongetwijfeld doen lijken alsof alles verloren is. Jeremia
geeft in Klaagliederen 3:18 uiting aan de verpletterende teleurstelling
die Jehovah's Getuigen in de nabije toekomst zouden kunnen ervaren:
"En ik blijf zeggen: "Mijn uitnemendheid is vergaan, en mijn
verwachting van de zijde van Jehovah.""
"Jehovah
Is Rechtvaardig,
Want Tegen Zijn Mond
Ben Ik Weerspannig Geweest"
Sommigen kunnen zich echter afvragen waarom de vernietiging van
Jeruzalem voor ons heden ten dage van enig belang is. Dat komt
omdat, net zoals de Joden en de tempel in de stad Jeruzalem in
de vroegere wereld een vertegenwoordiging waren van Jehovah, het
niet valt te ontkennen dat de wereldwijde organisatie van Jehovah's
Getuigen en het Wachttorengenootschap Jehovah in de hedendaagse
wereld vertegenwoordigen.
Ten eerste is de naam van Jehovah geen gewone naam. Ongeacht
de wijze waarop hij in onze moedertaal uitgesproken wordt, het
is de terechte naam van God. Ondanks dat de Christenheid de heilige
naam van God uit de meeste van hun Bijbels verwijderd heeft
en de babylonische Jezus-is-God Drie-eenheid gepromoot heeft,
waardoor de unieke naam van God verder in de vergetelheid geschoven
is, hebben Jehovah's Getuigen de kostbare naam van God in de Bijbel
hersteld en zijn ze door middel van ons wereldwijde predikingwerk
onafscheidelijk verbonden aan de Naam.
En niet alleen dat, maar net zoals de Joden door bemiddeling
van Mozes in een verbondsverhouding met Jehovah stonden, staan
gezalfde Jehovah's Getuigen in een speciale verbondsverhouding
met Jehovah door bemiddeling van hun Middelaar, Christus. Dat
betekent dat Jehovah's Getuigen een compromisloze verplichting
voor Jehovah hebben om altijd de eer van Gods naam hoog
te houden. Maar, moeten we ons indenken dat wanneer we de naam
van Jehovah onteren, we er beter vanaf zullen komen dat
de oude natie van Jehovah's getuigen die zichzelf onder Gods oordeel
brachten? Daar Jehovah rechtvaardig is, heeft hij geen keus dan
degene die tegen hem in opstand komen te straffen.
Dat wij Jehovah's Getuigen zijn sluit niet noodzakelijkerwijs
uit dat we in de toekomst te weten gaan komen dat Jehovah
God is. Wat betekent dat? Het betekent dat, terwijl we Jehovah
wellicht op een intellectuele, leerstellige wijze kennen, we hem
nog moeten leren kennen zoals de Joden hem kenden - als
een God die zijn dwalende zonen straft en tuchtigt en die de eer
van zijn eigen naam beslist verdedigt. Verder hebben we Jehovah
nog niet leren kennen als een genadige en machtige Redder van
zijn dwalende, maar berouwvolle gemeente.
Het Wachttorengenootschap heeft erop gewezen dat de profetie
van Ezechiël meer dan 60 maal de zinsnede 'en zij zullen moeten
weten dat ik Jehovah ben' bevat. Soms gebruikt de profeet
de uitdrukking dat 'de natiën zullen moeten weten dat
ik Jehovah ben.' Op andere plaatsen zei Ezechiël echter dat
het huis van Israël ook te weten moest komen dat "ik
Jehovah ben." Neem bijvoorbeeld Ezechiël 36:20-23. Daar wordt
uitgelegd dat de natiën Jehovah zullen leren kennen door de wijze
waarop hij de zaken onder zijn eigen volk rechtzet. Die
verzen luiden:
"Zo kwamen zij bij de natiën waar zij kwamen, en men ontheiligde
voorts mijn heilige naam door met betrekking tot hen te zeggen:
'Dezen zijn het volk van Jehovah, en uit zijn land zijn zij uitgegaan.'
En ik zal mededogen hebben met mijn heilige naam, die door het
huis van Israël ontheiligd is onder de natiën waar zij zijn gekomen."
"Daarom, zeg tot het huis van Israël: 'Dit heeft de Soevereine
Heer Jehovah gezegd: "Niet ter wille van u doe ik het, o huis
van Israël, maar voor mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt
onder de natiën waar gij zijt gekomen."' 'En ik zal mijn grote
naam stellig heiligen, die onder de natiën werd ontheiligd, die
gij in hun midden hebt ontheiligd; en de natiën zullen moeten
weten dat ik Jehovah ben', is de uitspraak van de Soevereine Heer
Jehovah, 'wanneer ik voor hun ogen onder u word geheiligd.'"
Zoals in het begin al werd opgemerkt, was de val van het Judeese
koninkrijk en de vernietiging van Jeruzalem en Jehovah's tempel
door de Babyloniërs niet enkel een geweldige vernedering voor
de Joden zelf, maar het ergste was dat het schande bracht over
de naam van Jehovah, daar waarnemers de indruk kregen dat Jehovah
niet bij machte was zijn eigen positie te bewaken. Daarom veroorzaakte
Jehovah de plotselinge val van Babylon en de bevrijding van zijn
volk, zodat zijn meesterschap over de zogenaamde goden van de
natiën bevestigd werd.
De Bijbel verslaat hoe de omverwerping van Babylon en het herstel
van de aanbidding van Jehovah op de Berg Sion als een permanent
getuigenis staat voor Gods overwicht. De strijd aangaande wereldwijde
suprematie tussen God en de goden, ja, de strijdvraag omtrent
universele soevereiniteit zoals het Wachttorengenootschap
het verwoordt, was toen geenszins definitief beslecht. Noch was
hij in 1918 in de verste verte beslecht, of welke tijd daarna
maar ook. Er wacht nog een definitieve confrontatie tussen de
moderne entiteiten die worden afgebeeld door Sion en Babylon en
hun respectievelijke godheden, wat consistent is met het schriftuurlijke
patroon.
Laat de lezer zich de vele keren in herinnering brengen, die
opgetekend staan in Rechters en de Kronieken van Israël, waarbij
Jehovah toestond dat de vele vijanden van Israël hen verdrukten
en Jehovah een grootse bevrijding bewerkstelligde. Het lijkt daarom
een integraal onderdeel van Jehovah's wil te zijn om toe te staan
dat zijn volk valt voor hun vijanden als een disciplinaire maatregel,
waarbij van God vereist wordt dat hij een daad van redding verricht
als middel om zichzelf te rechtvaardigen.
In het licht van het diepgeëtste Bijbelse patroon waarbij Jehovah
keer op keer zijn eigen naam luister geeft door zijn dwalende
volk terug te kopen en hen uit de klauwen van hun vijanden te
bevrijden, kunnen we het als een uitgemaakte zaak beschouwen dat
het hoogtepunt van dingen met zich zal brengen dat Jehovah's Getuigen
schande over onszelf en over de naam van God zullen brengen door
te vallen voor onze Babylonische vijanden.
Jehovah's Getuigen zitten heden ten dage echter opgescheept
met een groots probleem in verband met interpretatie, namelijk
dat het Wachttorengenootschap de profetieën waarin gesproken wordt
over het uitgaan uit Babylon de Grote toepast op de huidige periode;
waarbij Gods ontzagwekkende oordeel ontkracht wordt, niet alleen
de mogelijkheid voor een toekomstige gevangen toestand
voor de organisatie, maar waarbij ook Jehovah's uiteindelijke
wonderbaarlijke bevrijding geminimaliseerd wordt. Met andere woorden:
de bevrijding van Jehovah's volk uit Babylon is één van de gewichtigste
gebeurtenissen in profetie. Onze interpretaties hebben Sion's
redding uit Babylon de Grote echter tot een anticlimax en irrelevant
voor toekomstige gebeurtenissen gemaakt.
Een ander aspect van de verkeerde interpretatie van het Wachttorengenootschap
heeft te maken met het scharlakengekleurde beest dat opstijgt
uit de afgrond met de hoer van Babylon op de rug. Ondanks dat
dit besproken wordt in andere essays, lijkt het een geschikt moment
te zijn om een recentelijke aankondiging van de paus
van Rome te benadrukken, waarbij hij oproept tot een nieuwe
internationale orde; een nieuwe orde waarin de Verenigde Naties
een grotere rol als vredesbewaarder vervult.
Deze ontwikkeling lijkt belangrijk te zijn, omdat het voor ons
mogelijk is te zien hoe Babylon de Grote, wanneer de 8ste koning
uiteindelijk tot leven komt om de wereld gedurende een ongekende
wereldwijde opschudding voor één uur te overheersen, een machtig
instrument zal zijn die de zaken achter de schermen bestuurt.
Wanneer de koning van de nieuwe wereldorde de zonen van het koninkrijk
gedurende de verdrukking onderdrukt, kan er worden gezegd dat
Sion in ballingschap aan Babylon gaat, omdat valse religie nog
steeds de leiding zal hebben.
Uit Babylon gaan houdt niet enkel in dat we onze religieuze
verwantschap veranderen, zoals we nu denken. Het betekent dat
we een redding uit verpletterende tirannie accepteren die God
aanbiedt aan zijn anders hulpeloze volk. Het zou duidelijk moeten
zijn dat een dergelijke redding nog niet geopend is, omdat Jehovah
zijn naam nog niet geheiligd heeft voor de natiën. Ter voorbeeld:
Hoe kan het dat wanneer Babylon de Grote terug in 1919 gevallen
is, de naam van Jehovah sindsdien niet ver verheven is boven de
andere goden van de natiën? Is Jehovah's naam wereldwijd bekend
geworden enkel omdat de Bijbelonderzoekers de Christenheid in
de 1920'er jaren aan de kaak gesteld hebben? Niet echt.
En wederom, als Babylon reeds gevallen is, waarom paradeert
de drie-enige god van de Christenheid dan nog steeds rond alsof
hij de ware God van de Bijbel is? Of, waarom onderdrukt
en vermoordt de Moslim god, Allah, nog steeds Jehovah's Getuigen
en ieder ander die een Bijbel bij zich draagt in de landen waar
zijn aanbidders de overhand hebben? Is Jehovah, de God van Jehovah's
Getuigen, en dezelfde God die de Rode Zee spleet en het machtige
koninkrijk van Babylon in één beslissende nacht omverwierp, enkel
een onbeduidende persoon in het pantheon van goden van de natiën?
Als Babylon de Grote reeds gevallen is en Gods volk de machtige
bevrijding uit de hand van tirannen reeds heeft meegemaakt, wat
aangekondigd en voorzegd is in profetie, dan moeten we inderdaad
zeggen "Ja, Jehovah is niet machtiger dan elke andere god." Als
de diepgaande voorafschaduwing in profetie in 1919 in vervulling
is gegaan, zoals Jehovah's Getuigen door misleiding zijn gaan
geloven, kunnen we ondubbelzinnig zeggen dat Gods voornemen gefaald
heeft, doordat de naam van Jehovah in geen geval geheiligd is
door onze vermeende bevrijding uit Babylon de Grote.
Waar Jehovah's Getuigen in onze prediking wel geslaagd
zijn, is de bekendmaking van de naam van God voor de natiën, zodat
Jehovah geen onbekende vreemde godheid is. Dat is iets.
In het licht van al het voorgaande, betekent het echter dat de
naam van God als gevolg van de transgressie en daarop volgende
val van degenen die de naam van Jehovah dragen nog ontheiligd
moet worden.
Beschouw Klaagliederen 2:2 eens in het licht van diverse andere
profetieën. Er staat: "Jehovah heeft verzwolgen, hij
heeft geen mededogen getoond met welke verblijfplaatsen van Jakob
maar ook. In zijn verbolgenheid heeft hij de versterkte plaatsen
van de dochter van Juda omvergehaald. Hij heeft in aanraking gebracht
met de aarde, hij heeft het koninkrijk en haar vorsten ontwijd."
Beschouw nu eens Jesaja 43:25-28: "Ik - ik ben het die uw
overtredingen uitwist om mijnentwil, en uw zonden zal ik niet
gedenken. Maak mij indachtig; laten wij samen in het gericht gaan;
laat uw eigen relaas horen, opdat gij gelijk moogt hebben. Uw
eigen vader, de eerste, heeft gezondigd, en uw eigen woordvoerders
hebben overtredingen tegen mij begaan. Daarom zal ik de vorsten
van de heilige plaats ontwijden, en ik wil Jakob overgeven als
een man die aan de vernietiging prijsgegeven is en Israël aan
woorden van beschimping."
Zoals we mochten verwachten, zwijgt het laatste commentaar van
het Wachttorengenootschap op het boek Jesaja volledig over enige
moderne vervulling van dit gedeelte van Jesaja. Toch zouden we
ons de volgende vraag moeten stellen: Heeft de profetie van Jesaja
een grotere toepassing dat enkel op de Joden uit de Bijbelse geschiedenis?
En, zo ja, op wie is de profetie dan van toepassing? Wie zijn
"de vorsten van de heilige plaats"?
Jesaja 43:5-7 geeft antwoord: "Wees niet bevreesd, want ik
ben met u. Van de opgang der zon zal ik uw zaad brengen, en van
de ondergang der zon zal ik u bijeenbrengen. Ik zal tot het noorden
zeggen: 'Geef hier!' en tot het zuiden: 'Houd niet terug. Breng
mijn zonen van verre en mijn dochters van het uiteinde der aarde,
ieder die naar mijn naam genoemd is en die ik tot mijn
eigen heerlijkheid geschapen heb, die ik geformeerd heb, ja, die
ik gemaakt heb.'"
Wie zijn de bijeengebrachte zonen en dochters die naar de naam
van Jehovah genoemd zijn? Wel, het Genootschap had vroeger een
onderschrift op de voorpagina van de Wachttoren staan waar uit
ditzelfde 43ste hoofdstuk van Jesaja geciteerd werd en waar Gods
volk als de getuigen van Jehovah beschreven worden. Het
valt daarom niet te betwisten dat degenen die bij Gods naam genoemd
worden, die dienen als zijn getuigen voor de natiën, enkel Jehovah's
Getuigen kunnen zijn; of specifieker, de gezalfden worden
door Jehovah beschouwd als zijn zonen en dochters. Bovendien kunnen
"de vorsten van de heilige plaats" die Jehovah ontwijdt,
enkel de zonen van het koninkrijk zijn - de heiligen.
Ook zijn degenen die door Jehovah verzwolgen en ontwijd worden
tevens degenen die hij zijn getuigen noemt; dezelfden die Jehovah
tevens goedgunstig vergeeft en terugkoopt.
Op een bepaald moment, wat ongetwijfeld gedurende onze tuchtiging
zal zijn, zullen we ons realiseren dat het 43ste hoofdstuk van
Jesaja een boodschap in een tijdcapsule is die nog gegeven moet
worden aan degenen die Gods hevige pak slaag en gevangenschap
aan een tegenbeeldig Babylon verduren en die nadien de sublieme
vertroosting en redding genieten die in de Schriften voorzegd
worden. Hierdoor worden de bevrijde personen in de volledige betekenis
getuigen van Jehovah.
Om ons verder te situeren in relatie tot de timing van Gods
aangelegenheden: Wanneer vindt de voorzegde bijeenbrenging die
Jesaja voorzegt plaats? Ja, wanneer worden Gods zonen en dochters,
die naar de heilige naam van Jehovah genoemd worden, vanaf de
"uiteinden der aarde" tot hem gebracht worden?
Volgens Jezus vindt de bijeenbrenging van Jehovah's uitverkorenen
plaats gedurende de verdrukking; ongetwijfeld nadat
de heilige plaats verwoest is door een walgelijk ding. Dat is
wanneer Christus "zijn engelen [zal] uitzenden met een luid
trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen
van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen
tot het andere uiteinde daarvan."
Daar Jehovah's oorspronkelijke bijeenvergadering van de verstrooide
Israëlieten na hun verbanning naar Babylon plaatsvond, betekent
de definitieve bijeenvergadering van de uitverkorenen gedurende
de verdrukking dat ze nog in ballingschap aan Babylon de Grote
moeten gaan in de toekomst.
Zou er iets rampspoediger of vernederender voor Jehovah's Getuigen
kunnen zijn dan de gehele organisatie die ineenstort, terwijl
onze grootste vijand, de Christenheid, in blijdschap op ons neerkijkt?
Dat lijkt niet te kunnen.
Dat is echter de prijs die Jehovah's Getuigen en ons Wachttorengenootschap
moeten betalen voor het onteren van de naam van Jehovah.
"Uw Dwaling,
O Dochter
Van Sion, is Ten Einde"
Vergeving is een iets schitterends. Het is echter een fundamenteel
principe dat er eerst belijdenis en berouw van zonden moet zijn
om Gods vergeving en genade te verkrijgen. Dan - en alleen dan
- vergeeft God.
De apostel Johannes schrijft het volgende aan zijn gezalfde
broeders: "Indien wij de bewering uiten: "Wij hebben geen zonde",
misleiden wij onszelf, en de waarheid is niet in ons. Indien wij
onze zonden belijden, dan is hij getrouw en rechtvaardig, zodat
hij ons onze zonden vergeeft en ons van alle onrechtvaardigheid
reinigt. Indien wij de bewering uiten: "Wij hebben niet gezondigd",
maken wij hem tot een leugenaar, en zijn woord is niet in ons."
De vaderlijke apostel Johannes dringt er bij ons op aan eerlijk
met onszelf en God te zijn en te erkennen dat we zondaars zijn
- wellicht geen grove zondaars - niettemin zondaars. De meeste
personen zullen toegeven dit te zijn. Het is echter duidelijk
dat God de intentie heeft een afrekening te houden, niet alleen
met individuele personen, maar ook met gehele natiën. Jehovah
heeft Israël en Juda zeker als natiën geoordeeld. Alle profetische
schriften bevatten Jehovah's rechterlijke beslissingen die vooral
tegen die twee natiën gericht waren.
Toen Jehovah Israël's zonde bijvoorbeeld vergeleek als zijnde
scharlakengekleurd, maar dat hij hun bloedrode zonden goedgunstig
zo wit als glinsterende sneeuw zou laten worden, sprak God tot
de gehele natie van mensen en niet slechts tot individuele personen
die berouw moesten tonen. En het is zeker dat Jehovah de natie
op grootse wijze vergaf toen hij de poorten van Babylon liet openzwaaien
en toestond dat de Joden de heilige stad weer in bezit konden
nemen en de tempel konden herbouwen. We zouden ons echter moeten
afvragen: Wanneer het afvallige Israël de Christenheid vertegenwoordigt,
wat betekent het dan dat Jehovah de gehele natie goedgunstig vergeeft?
Jehovah's Getuigen beweren "Jehovah's organisatie" te
zijn. En als we dat zijn, wat deze schrijver ook gelooft, zijn
we dan niet rekenschap verschuldigd aan God, niet alleen als individuele
personen, maar ook als een organisatie en geestelijke natie?
Natuurlijk zijn we dat. En daar dit het geval is, waarom gaan
we dan voort alsof we geen zonde hebben? Waarom weigert het Wachttorengenootschap
consistent iedere fout of dwaling van haar kant te erkennen? Hoe
kan het Wachttorengenootschap ons als individuele personen
leren het juiste te doen met betrekking tot het toegeven van onze
zonden, terwijl het leiderschap van onze organisatie hypocriet
een dergelijk afgrijselijk voorbeeld hierin geeft? Of overdrijven
we wanneer we zeggen dat het Wachttorengenootschap nooit
verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar eigen fouten en dwalingen?
Als voorbeeld: Waarom is er, elke keer wanneer er een verandering
in het lapwerk van profetische interpretatie van het Wachttorengenootschap
plaatsvindt, nooit enige soort van bijkomende erkenning geweest
dat de losgelaten interpretatie zelfs maar verkeerd was? Het Besturend
Lichaam moet toch zeker weten dat vele Jehovah's Getuigen verward,
ontstemd en zelfs gestruikeld zijn over zulke zaken. Is het voor
de getrouwe slaaf van Christus daarom niet passend om op zijn
minst verontschuldigingen aan te bieden voor het tot struikelen
brengen van duizenden van Jehovah's schapen? Zouden de leiders
niet de eersten moeten zijn in het tonen van berouw en
nederigheid?
Het Wachttorengenootschap heeft eens een ontmaskerde immorele
televangelist bespot voor de krokodillentranen die hij er voor
zijn kijkers uitperste, en toegegeven hebben we allemaal spottend
gelachen om die hansworst toen de media zijn opvoering uitzond,
maar is een onoprechte verontschuldiging niet beter dan geen
beschuldiging? Dat lijkt inderdaad een wanhopige redenering te
zijn, maar vele gekwetste Jehovah's Getuigen hebben het vreselijk
nodig om in ieder geval enige vorm van een verontschuldiging
te horen. De stilte is dodelijk voor velen.
Waarom hebben de officiële woordvoerders van het Wachttorengenootschap
bijvoorbeeld niet eenvoudigweg toegegeven dat ze een grove beoordelingsfout
hebben gemaakt toen het Wachttorengenootschap zich tien jaar lang
jaarlijks heeft geregistreerd bij de VN als een politieke NGO-bondgenoot,
en dat de schrijversafdeling ondersteunende artikelen heeft geschreven
waarin de entiteit die Jehovah een "walgelijk ding" noemt, schaamteloos
geprezen wordt? Waarom niet gewoon zeggen: 'We hebben het verkeerd
gedaan. Het spijt ons. We hebben tegen Jehovah gezondigd'? In
plaats daarvan hebben vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap
Jehovah's Getuigen en het publiek voorgelogen en misleid - zoals
Jehovah's bovenstaande aanklacht zegt: "Uw eigen woordvoerders
hebben overtredingen tegen mij begaan. "
Het gezalfde leiderschap van Jehovah's Getuigen zou zich het
nederige voorbeeld dat Daniël ons gegeven heeft te binnen moeten
brengen. Hij was tenslotte door een engel beschreven als een zeer
begeerlijke man - geestelijk. En ondanks dat Daniël geen deel
uitmaakte van het verderf in Jeruzalem, betrok hij zichzelf er
ook nederig bij toen hij de zonden beleed voor God en smeekte
om Jehovah's vergeving en het herstel van de verwoeste natie.
Je kunt dit opgetekende gebed lezen in het 9de hoofdstuk van Daniël.
En het is niet toevallig dat Jehovah's verheerlijkte boodschapper,
Gabriël genaamd, enkel bij Daniël kwam ná zijn belijden van zonden.
Het is zeker dat dit een voorteken is van het enige middel waardoor
Jehovah's Getuigen uiteindelijk toegang zullen krijgen tot de
hiervoor cryptisch verzegelde profetie van Daniël.
Wat echter nog verontrustender is dan onze oneerlijkheid met
betrekking tot het NGO schandaal, is het feit dat vele duizenden
kinderen in onze gemeenten seksueel misbruikt zijn. En ondanks
een massale publiekelijke noodkreet door middel van de media,
heeft het Wachttorengenootschap onwrikbaar beweerd dat het niet
verantwoordelijk is voor enig onrecht.
Schaamteloos hebben woordvoerders van het Wachttorengenootschap
toegegeven dat enkele ouderlingen wellicht niet de organisatorische
procedures juist hebben opgevolgd. Al met al hebben degenen die
de opdracht hebben het geestelijke welzijn van Jehovah's kinderen
te bewaken de lijdende slachtoffers van misbruik tot dusver elk
woord van verontschuldigende troost onthouden. Dat is werkelijk
een schande!
Is het grove gebrek aan nederigheid wellicht te wijten aan het
feit dat, ondanks dat Jehovah dagelijks in ons midden is, de onrechtvaardige
leiders van Gods volk "geen schaamte kennen," zoals Jehovah's
profeet zegt? De profetie van Zefanja slaat de spijker op zijn
kop, wanneer er wordt gezegd: "Jehovah was rechtvaardig in
haar midden; hij placht geen onrecht te doen. Morgen na morgen
bleef hij zijn eigen rechterlijke beslissing geven. Bij daglicht
bleek ze niet te ontbreken. Maar de onrechtvaardige kende geen
schaamte." (Zefanja 3:5)
Het is echter niet mijn bedoeling een beschuldiger van mijn
broeders te worden, maar enkel vast te stellen waarom Jehovah's
woede tegen de organisatie die zijn naam draagt volledig
gerechtvaardigd is. Of zoals Jeremia het zegt: "Wie is de man
die wijs is, dat hij dit kan verstaan, ja, degene tot wie de mond
van Jehovah gesproken heeft, dat hij het kan vertellen? Op grond
waarvan zou het land werkelijk vergaan, werkelijk verbrand worden
als de wildernis zonder dat er iemand doortrekt?" (Jeremia
9:12)
Laten we nu verder redeneren. Het laatste schriftuurlijke onderkopje,
genomen uit Klaagliederen 4:22, luidt voluit: "Uw dwaling,
o dochter van Sion, is ten einde. Hij zal u niet weer in ballingschap
voeren. Hij heeft zijn aandacht op uw dwaling gericht, o dochter
van Edom. Hij heeft uw zonden blootgelegd."
Toen Jehovah de zonen van Jakob uit ballingschap aan Babylon
leidde, in welke zin werd hun dwaling dan tot een einde gebracht?
Veroorzaakte God niet dat Jeruzalem in de 1ste eeuw nogmaals vernietigd
werd? Werden de Joden niet opnieuw door de Romeinen uit Jeruzalem
verbannen? Jazeker. Maar, waarom zegt de schriftplaats dan dat
God ze "niet weer in ballingschap zou voeren"? De reden
is dat Jehovah in werkelijkheid spreekt tegen het geestelijk Israël,
zoals met al de vele profetieën die aangehaald zijn het geval
is.
Daarom, daar we geloven dat God het geestelijk Israël in 1919
uit Babylon de Grote bevrijd heeft, kunnen we dan zeggen dat God
heeft veroorzaakt dat de dwaling van het geestelijk Israël toen
"ten einde" is gekomen? In het licht van onze vele fouten
en dwalingen in recente tijden, alsook de schaamteloze weigering
van het Wachttorengenootschap ze toe te geven, is het eenvoudig
uitgesloten dat God reeds zijn vergeving geschonken heeft. En
wanneer dat het geval is, dan moet eerst onze trotse ineenstorting,
vernedering en ballingschap aan Babylon de Grote komen, vervolgens
schuldbewustheid en belijdenis, gevolgd door berouw en pas dan
Jehovah's vergeving en bevrijding - in die volgorde.
Tot slot, in het tweede
essay is beredeneerd dat Babylon de Grote niet als eerste
ten onder gaat aan het begin van de verdrukking. Er bestaat geen
enkele deugdelijke schriftuurlijke ondersteuning voor de
volgorde van gebeurtenissen die volgens het Wachttorengenootschap
plaats zal vinden. Het Wachttorengenootschap presenteert echter
een bepaalde redenering. Welke is dat?
Volgens de profeten Jeremia en Ezechiël was de verwoesting van
Juda het begin van Gods oordelen tegen al de toenmalige natiën.
En daar het Wachttorengenootschap onjuist veronderstelt dat het
afvallige Juda de Christenheid afbeeldt, is dat de basis voor
onze aanname dat de Christenheid, en feitelijk geheel Babylon
de Grote, als eerste zal vallen gedurende het laatste oordeel.
Het is zeker dat de Bijbel met betrekking hiermee een patroon
stelt. Maar, houdt in gedachte dat de apostel Petrus voor ons
bevestigt dat het patroon in verband met Gods oordeel eerst
begint bij zijn eigen huisgezin van gezalfde dienaren. Bestaat
er een discrepantie? Ja, en wel omdat Jehovah's Getuigen zich
indenken dat God zijn oordeel ver terug in 1919 reeds begonnen
is en tegelijkertijd denken we ook dat Gods oordeel begint wanneer
de Christenheid vernietigd wordt. Overtuigende bijbelse interpretatie
moet ons echter duidelijk maken dat dit niet beiden mogelijk is.
In feite bevestigen de profeten dat het oordeel bij het huis
van God begint. Het 9de hoofdstuk van Ezechiël wordt regelmatig
geciteerd door het Wachttorengenootschap met betrekking tot het
merkteken voor redding. Maar, volgens de profetie begint
de executie in het heiligdom van Jehovah. Vers 6 en 7 luiden:
""Maar nadert geen enkele man op wie het kenteken is, en bij
mijn heiligdom dient gij te beginnen." Dus begonnen zij bij
de oude mannen die vóór het huis waren. En hij zei verder tot
hen: "Verontreinigt het huis en vult de voorhoven met de verslagenen.
Gaat uit!" En zij gingen uit en sloegen neer in de stad."
Nu de vraag: Is Jeruzalems verontreinigde heiligdom een afbeelding
van de Christenheid? Volgens het Wachttorengenootschap wel. Maar,
volgens gezond verstand is dat niet mogelijk. Waarom niet?
Omdat Jehovah zijn engel instrueert tot geen enkele man op wie
het kenteken is te naderen in "mijn heiligdom". Merk op
dat Jehovah het "mijn heiligdom" noemt. En tevens, wanneer
het tempelheiligdom gedurende het oordeel de Christenheid afbeeldt,
waarom zijn er dan nog steeds getrouwe aanbidders van Jehovah
in het heiligdom die gered worden uit de door engelen uitgevoerde
reiniging? De interpretatie van het Wachttorengenootschap is onlogisch.
Trouwens, de profeet Daniël verwijst naar het "heiligdom"
en het "bestendige kenmerk" in verband met Christus' gemeente,
en in die context erkent het Wachttorengenootschap dat
het vertreden heiligdom geen afbeelding is van de Christenheid.
De interpretaties van het Wachttorengenootschap zijn dus niet
consistent en staan niet toe dat de Schriften volledig in harmonie
in onze oren klinken, zoals dat zou moeten.
Natuurlijk is de ondenkbare implicatie van het op die manier
interpreteren van de profetieën dat Jehovah, gedurende het oordeel
over het huis van God, kennelijk sommigen van degenen in ons midden
die nu erkend worden als respectabele oudere mannen, zal terechtstellen!
Geen wonder dat Petrus zegt dat wanneer het oordeel begint bij
het huis van God zelfs de rechtvaardige met moeite gered zal worden.
In overeenstemming met Petrus' bewering over het oordeel dat
begint bij het huis van God, wijst Jeremia 25:29 erop dat het
wereldwijde oordeel eerst begint bij de stad waarover Gods
naam is uitgeroepen. Er staat: "Want ziet! over de stad waarover
mijn naam is uitgeroepen, begin ik rampspoed te brengen,
en zoudt gij ook maar in enig opzicht ongestraft blijven?" - "gij
zult niet ongestraft blijven, want een zwaard roep ik op tegen
al de bewoners der aarde", is de uitspraak van Jehovah der legerscharen.
Een studieartikel in de Wachttoren van 1 maart 1994 citeerde
het bovenstaande vers uit Jesaja ter ondersteuning van de bewering
dat: "Satans hele
wereldstelsel, te beginnen met de christenheid, moet uit Jehovah's
beker van wraak drinken."
De vraag die nadenkende lezers zich echter zouden moeten stellen,
is: Daar de Christenheid zichzelf verstoten heeft van elke connectie
met de naam van Jehovah, hoe kan dit aspect van Gods oordeel dan
van toepassing op hen zijn? Welke connectie kan de Christenheid
mogelijkerwijs hebben met de enige tegenbeeldige stad waarover
Jehovah's naam is uitgeroepen?
Wat meer is, de profetieën kunnen enkel in overeenstemming met
elkaar gebracht worden wanneer we erkennen dat, ondanks dat God
zijn volk als eerste straft, hij daarna de genadeloze vervolgers
van degenen die hem toebehoren straft. Daarom bestaat een aanzienlijk
deel van profetie uit Jehovah's oordelen tegen Babylon en andere
natiën die delen in het verslinden van Israël.
Klaagliederen bevestigt de volgorde van Jehovah's oordelen,
doordat God, nadat Jeruzalem vernietigd is en betaald heeft voor
haar zonden, zijn oordelen vervolgens richt tegen Edom.
Klaagliederen 4:22, die reeds eerder geciteerd werd, luidt:
"Uw dwaling, o dochter van Sion, is ten einde. Hij zal u niet
weer in ballingschap voeren. Hij heeft zijn aandacht op uw dwaling
gericht, o dochter van Edom. Hij heeft uw zonden blootgelegd."
Als de vernietiging van Juda en de tempel het einde van de Christenheid
afbeeldt, wat wordt er dan voorafschaduwd door het feit dat God
nadien zijn aandacht op andere natiën richt? Welke parallellen
zou dit aspect van de profetische woorden voor ons kunnen hebben
in verband met Jehovah's toekomstige oordelen tegen Babylon de
Grote? Die vraag zal verder worden beantwoord in Deel IV.
|