|
Denkt u zich eens in welk geweldig voorrecht de apostelen hadden
in het dagelijks vergezellen van Jezus; in het samen reizen met
hem; in het samen met hem aanwezig zijn op gezellige bijeenkomsten
en in het luisteren naar hem terwijl hij de Farizeeën en
andere critici tot zwijgen bracht. Ze konden Jezus elke vraag
stellen die in hen opkwam - wat een voorrecht! Toen Jezus de meest
aanmoedigende rede ooit gaf - de Bergrede - waren zij daar
aanwezig. Ze waren aanwezig toen Jezus wakker werd in de kleine
vissersboot die door de storm heen en weer geslingerd werd, en
toen hij met een enkel woord de onstuimige wind en golven tot
bedaren bracht! Toen Jezus' woord de demonen liet sidderen van
angst, de oren van de doven opende, zicht gaf aan de blinden en
zelfs doden liet opstaan uit hun slaap, waren de apostelen aan
zijn zijde. Ze waren ooggetuigen van zoveel wonderbaarlijke dingen
die Jezus zei en deed, dat Johannes later schreef dat zelfs alle
boeken in de wereld het gedetailleerde verslag van het leven en
de bediening van Jezus Christus niet zouden kunnen bevatten.
Het moet de hedendaagse lezer van de Evangelieën ongetwijfeld
opvallen dat de apostelen op sommige momenten niet geestelijk
verlicht leken, ondanks het
feit dat ze Jezus als persoonlijke leraar hadden. Ja, ze hadden
het voorrecht rechtstreeks met Jezus te spreken, maar toen ze
spraken alsof ze alle kennis en begrip bezaten omtrent Gods voornemen
en hoe dit uitgevoerd zou moeten worden, ontvingen ze ook streng
onderricht als terechtwijzing voor hun gedeeltelijke kennis.
Jezus sprak bijvoorbeeld bij diverse gelegenheden duidelijk
tot zijn dicipelen over zijn naderende dood en opstanding en toch
konden ze niet begrijpen waarover hij het had. In het 16de hoofdstuk
van Mattheüs vroeg Jezus aan zijn dicipelen wie ze dachten
dat hij was. Petrus antwoordde en zei dat Jezus de Zoon van de
levende God was. Hierop maakte Jezus kenbaar dat zijn Vader dit
aan hen had onthuld.
Kort daarna wordt het volgende gezegd: "Van die tijd
af begon Jezus Christus zijn discipelen duidelijk te maken dat
hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden van de
zijde van de oudere mannen en overpriesters en schriftgeleerden,
en dat hij gedood en op de derde dag opgewekt zou worden. Hierop
nam Petrus hem terzijde en begon hem te bestraffen en zei: "Wees
goed voor uzelf, Heer; gij zult deze bestemming geenszins hebben."
Hoe genânt voor Petrus te veronderstellen Jezus in deze
raad te kunnen geven, alsof Jezus niet wist waar hij over sprak
toen hij het had over zijn naderende dood. Wij, als Christenen
die zo'n 2000 jaar na Christus leven, erkennen dat de dood en
opstanding van Jezus de hoeksteen van ons geloof is. De volgende
vraag is echter voor ons van belang: Hoe konden de apostelen in
die tijd zo blind zijn voor de waarheid? Het antwoord op die vraag
is zeer relevant met betrekking tot het geloof van hedendaagse
Jehovah's Getuigen.
De apostelen konden niet begrijpen waarover Jezus het had toen
hij zo duidelijk sprak over zijn dood en opstanding, omdat het
niet Jehovah's Wil was dat ze dat op dat moment begrepen. Beschouw
eens wat er in dit verband staat geschreven in Lukas 9:43-45:
"Terwijl nu allen zich verwonderden over al de dingen
die hij deed, zei hij tot zijn discipelen: "Knoopt deze woorden
in uw oren, want de Zoon des mensen zal stellig in de handen der
mensen worden overgeleverd." Zij begrepen dit woord echter
nog steeds niet. Ja, het was voor hen verborgen, opdat zij het
niet konden vatten, en zij waren bevreesd hem over dit woord
te vragen."
Er zijn twee belangrijke vragen die beantwoord moeten worden.
1) Waarom konden de apostelen iets wat voor ons zo eenvoudig en
logisch lijkt niet begrijpen? 2) Waarom verborg God deze essentiële
waarheid klaarblijkelijk voor hen, terwijl Jezus had gezegd dat
zijn Vader aan hen had onthuld dat hij de Christus was? Welk doel
diende hun gedwongen onwetendheid?
De hoofdreden waarom de apostelen niet konden begrijpen waarover
Jezus sprak, was ongetwijfeld omdat ze bevooroordeelde gedachten
hadden die gebaseerd waren op hun beperkte kennis van profetieën
die te maken hadden met de Messias. Ze begrepen dat Jezus op Davids
troon in Jeruzalem zou gaan regeren, en daarom was het voor hen
onmogelijk te begrijpen dat de erfgenaam van de troon van David
vanuit een hemels Jeruzalem zou gaan regeren en niet vanuit
de letterlijke stad. Het enige wat de apostelen wisten, is dat
Jezus de erfgenaam en rechtmatige koning was en dat hij in levende
lijve bij hen was. Dat was voor hen het enige wat er toen toe
deed. Daar de Hebreeuwse profeten hadden voorzegd dat de koning
tot in alle eeuwigheid zou regeren, begrepen ze niets van Jezus'
toespraak over zijn dood en heengaan. Het waren dus hun eigen
vooringenomen gedachten over bepaalde messiaanse profetieën
in de Schriften die hen blind maakten voor de echte betekenis
van de profetieën die op Jezus betrekking hadden. Pas nadat
Jezus was opgestaan opende hij hun ogen volledig. Lukas 24:27
zegt in verband hiermee: "En beginnend bij Mozes en al
de Profeten legde hij hun uit wat in al de Schriften op hem betrekking
had."
Uiteindelijk nam Jezus de sluier weg en opende hun geest zodat
zij de waarheid konden vatten. De vraag blijft echter: Waarom
lichtte Jezus hen hier niet voor zijn dood over in? Jezus
legde tenslotte veel van zijn illustraties aan zijn dicipelen
uit, dus waarom werden sommige essentiële waarheden voor
hen verborgen gehouden tot na Jezus' dood?
Eén reden had te maken met het gebrek aan geloof van de
apostelen. Daarom berispte Jezus hen wederom in de verzen die
voorafgaan aan de hierboven geciteerde schriftplaats, door te
zeggen: "O onverstandigen, die traag van hart zijt om
alle dingen te geloven die de profeten hebben gesproken! Moest
de Christus deze dingen niet lijden en in zijn heerlijkheid binnengaan?"
Mattheüs 28:17 onthult dat sommige apostelen zelfs twijfelden
terwijl zij in het bijzijn van hun opgestane Heer zelf waren!
Het feit is dat Christus zijn meest nabije dicipelen beschreef
als zijnde "onverstandig en traag van hart om alle dingen
te geloven die de profeten hebben gesproken." Petrus
was iemand die meer dan elke andere dicipel werd terechtgewezen
door Jezus en later schreef hij in 1 Petrus 1:7 het volgende over
Christenen: "door velerlei beproevingen wordt bedroefd,
opdat de beproefde hoedanigheid van uw geloof een reden
tot lof en heerlijkheid en eer bevonden moge worden bij de openbaring
van Jezus Christus." En het geloof van Petrus werd zeer
zeker getest, evenals het geloof van zijn mede-apostelen. Het
was feitelijk Satan die zo'n test eiste voor degenen die door
Jehovah verkozen zijn om met Christus over de aarde te regeren.
Daarom legde Jezus in de nacht van zijn verraad en arrestatie
aan Petrus uit dat Satan had geëist dat de apostelen werden
'gezift als tarwe.' Jezus verzekerde Petrus echter dat hij Jehovah
voor hen gesmeekt had, dat hun geloof niet zou bezwijken.
De reden dat Jehovah de realiteit omtrent de dood van Christus
verborg voor de normaliter geestelijk verlichte apostelen, had
dus te maken met de grote overkoepelende strijdvraag tussen God
en Satan. Sedert de grondlegging van het Christendom is de hoedanigheid
van ons geloof en onze voortdurende loyaliteit aan God het mikpunt
van de beschuldigingen van de Beschuldiger geworden. Elke
dienstknecht van God moet een geestschokkende en geloofsondermijnende
ervaring ondergaan die alleen kan worden overwonnen door ons duurzame
geloof in Jehovah, zodat hiermee ondersteuning wordt gegeven aan
Gods kant van het verhaal. Het geloof van de apostelen werd getest
toen Jezus geweldadig uit hun midden werd weggenomen, waarbij
ze snel hun verkeerde begrip omtrent de Messias, dat hen was geïndoctrineerd
vanuit het Judaïsme, moesten laten varen. Zouden ze de bewijzen
voor Christus' opstanding verwerpen, omdat het tegengesteld was
aan wat ze hadden geleerd? In het begin was het voor hen moeilijk
te accepteren, maar uiteindelijk geloofden ze.
Als Jehovah het gepast achtte op deze manier een geloofstest
voor de eerste volgelingen van Christus toe te staan, waarom zouden
we dan veronderstellen dat wij op één of andere
manier van zulke testen gevrijwaard zijn, of dat we zelfs na een
vervulling niet zullen twijfelen? Dit kan alleen op grond
van het feit dat Jehovah's Getuigen over algemeen aannemen dat
we nu al min of meer geestelijk verlicht zijn; toch zou
zo'n aanmatigende houding ons grote reden tot bezorgheid moeten
geven. Petrus verwees in het 11de hoofdstuk van zijn tweede brief
aan de Korinthiërs naar "deze zelfbewustheid die
aan roemen eigen is." Wij roemen ook onverstandig over
het spreken van een verheven 'zuivere taal der waarheid,' en over
leven in een 'geestelijk paradijs.' Door ons zelfbewuste dogmatisme
hebben we geen ruimte gelaten voor de mogelijkheid tot enig aanmerkelijke
fout in onze interpretatie van zaken. Ondanks dat de Wachttoren
herhaaldelijk heeft erkend dat de "getrouwe slaaf" niet
geïnspireerd of onfeilbaar is, logenstraffen we deze bewering
door de belangrijkheid die we toekennen aan de dingen die door
de Wachttoren worden geschreven. Wij moeten de nederigmakende
les van de apostelen nog leren. Net zoals het voor de apostelen
onbegrijpelijk was dat het volgens de profetieën de bedoeling
was dat Jezus zou sterven, is het voor ons niet te bevatten
dat veel van wat we hebben geleerd over profetieën niet in
vervulling zal gaan op de manier waarop wij dat zijn gaan geloven.
Wat een grote geloofsbeproevingen liggen er voor ons in het verschiet!
"Hij
heeft Zelfs Uw Hoofden, de Visionairs, Omhuld"
Net zoals bepaalde essentiële waarheden verborgen waren
voor de apostelen, heeft het ook Jehovahs doel gediend een
soortgelijke foutenmarge toe te staan om ten aanzien van het Israël
van God, helemaal tot de tijd van het oordeel, zijn werk te voltooien.
Jesaja 29:10 luidt: "Want over ulieden heeft Jehovah een
geest van diepe slaap uitgestort, en hij sluit uw ogen, de profeten,
en hij heeft zelfs uw hoofden, de visionairs, omhuld."
De context van het bovenstaande vers spreekt over Jehovah die
toestaat dat de dingen moeilijk worden voor zijn dienstknecht
Ariël, door middel van getreur en jammerklacht voordat hij
gered wordt. Zoals beredeneerd in de Tijden
der Heidenen is Ariël het geestelijk Israël. Het
feit dat de Wachttoren zich niet bewust is van Jehovah's komende
oordeel, is er het bewijs van dat onze eigen leiders passen in
de beschrijving van personen waarvan het hoofd omhuld is, en niet
de geestelijken van de Christenheid zoals sommige denken.
De reden waarom God zo'n oordeel toestaat, wordt vermeld in het
13de vers, waar staat: "En Jehovah zegt: "Omdat dit
volk genaderd is met zijn mond en zij mij slechts met hun lippen
verheerlijkt hebben en hun hart zelf ver van mij verwijderd hebben
en hun vrees ten opzichte van mij een gebod van mensen wordt dat
wordt onderwezen."
Alleen God kan de geheimen van het menselijke hart lezen. En
alleen God kan terecht zeggen wat hij wel of niet aangenaam of
volgens zijn maatstaven vindt. Het maakt niet uit hoe we onszelf
oordelen: het is Gods oordeel dat telt. Paulus zei iets
soortgelijks in 1 Korinthiërs 4:4: "Want ik ben mij
er niet van bewust dat er iets tegen mij is. Toch is daardoor
nog niet bewezen dat ik rechtvaardig ben, maar hij die mij onderzoekt,
is Jehovah."
God kan niet alleen de geheime schuilplaatsen van ons hart onderscheiden,
maar nog verbazingwekkender is het dat Jehovah ze duizenden jaren
voordat zulke harten nog moeten gaan kloppen, kan lezen! Feitelijk
weet God dat wij mensen een voorspelbaar patroon volgen, net als
koeien die het veel betreden pad terug naar de stallen volgen.
Als voorbeeld van Jehovah's scherpzinnige vooruitziende blik haalde
Jezus het bovenstaande vers aan en paste het toe op de Joden toen
hij zei: "Huichelaars, treffend heeft Jesaja over u geprofeteerd,
toen hij zei: 'Dit volk eert mij met hun lippen, maar hun hart
is ver van mij verwijderd.'" De Joden verdierven Gods
wet door het om te vormen naar menselijke traditie. Het punt is
echter dat de Joden Gods volk waren. Ze hadden zijn geboden ontvangen,
maar God voorzag reeds lang van te voren dat hun harten hyprocriet
zouden worden en Christus kon zien dat dat reeds ingeworteld was
tegen de tijd dat hij op het aardse toneel verscheen, en paste
de schriftplaats juist op hen toe.
Toch is de profetie, zoals eerder opgemerkt, in de eerste
plaats van toepassing op het geestelijk Israël, daar
Jezus enkel het principe van toepassing bracht op de Farizeeën
uit zijn tijd. Het oordeel is juist van toepassing op hedendaagse
Jehovah's Getuigen. Waarom dat? Wel, wie anders eren Jehovah met
hun lippen? De geestelijken en parochianen van de Christenheid
hebben Jehovah's Naam zeker niet geëerd. Ze weigeren zelfs
te erkennen dat Jehovah God is. In plaats daarvan beschouwen ze
Gods zoon als de Almachtige God. Ze hebben Jehovah onteerd met
hun onlogische Drieëenheid en andere Babylonische valsreligieuze
leerstellingen.
Aan de andere kant laten we ons als Jehovah's Getuigen horen
door in de openbare dienst de waarheid omtrent Jehovah en zijn
voornemen te verkondigen. We eren Jehovah met onze commentaren
in onze koninkrijkszalen, door middel van het houden van lezingen
en in gebed. We hebben de waarheid omtrent Jehovah gesproken.
Desalniettemin onderscheidt Jehovah vanuit zijn positie, dat onze
vrees voor God gedegenereerd is tot het volgen van menselijke
geboden.
Wie kan ontkennen dat er grote nadruk wordt gelegd op het zich
nauwgezet houden aan organisatorische procedures en gedragslijnen
die afkomstig zijn van de Wachttoren? Het Wachttorengenootschap
is ontegenzeggelijk het hart en de ziel van het geloof van Jehovah's
Getuigen. Evenzo valt het niet te ontkennen dat Jehovah's Getuigen
meer de vertegenwoordigers van het Wachttorengenootschap zijn
dan feitelijke bedienaren van Jehovah. Als bedienaren wordt ons
verteld wat we moeten zeggen en hoe we het moeten zeggen. De getrouwe
slaaf bepaalt tot in detail elk aspect van ons geloof, zodat het
niet ongewoon is Jehovah's Getuigen de autoriteit van het 'Genootschap'
te horen aanhalen, tegenover de autoriteit van Jehovah God
zelf. Ironisch genoeg heeft het 'Genootschap' Jehovah's Getuigen
zelfs gevraagd niet 'het Genootschap zegt...' te zeggen.
Vanuit het standpunt van Jehovah's Getuigen bezien staat het dienen
van de belangen van het Wachttorengenootschap gelijk aan
het dienen van Jehovah.
Het is waar dat Paulus Christenen onderwees gehoorzaam te zijn
aan degenen die onder ons de leiding nemen, maar hij was er zich
ook van bewust dat ze, tenminste in het geval van sommige Korinthische
Christenen, volgers van mensen waren. Sommige beweerden bij Paulus
te horen, sommigen bij Petrus, anderen bij Apollos en enkelen
beweerden volgers van Christus te zijn. In het licht van de dominante,
alles-bepalende rol die het Wachttorengenootschap speelt in de
levens van Jehovah's Getuigen, is het onduidelijk of Jehovah's
Getuigen toegewijd zijn aan Jehovah God en niet enkel volgers
van mensen zijn.
Waarschijnlijk zullen weinig Jehovah's Getuigen het eens zijn
met zo'n harde beoordeling van onszelf. Maar, net als in Paulus'
geval, zijn we het ons ook niet 'bewust dat er iets tegen ons
is,' toch is Jehovah degene die ons allen onderzoekt. De vraag
is dus: Als dit Jehovah's eigenlijke oordeel over ons is, wat
is dan het eindresultaat? Dat is precies waar de rest van het
29ste hoofdstuk van Jesaja over spreekt.
Het 14de vers zegt dat God "op een wonderlijke wijze
[zal handelen] en met iets wonderlijks; en de wijsheid van hun
wijze mannen moet vergaan, en zelfs het verstand van hun beleidvolle
mannen zal schuilgaan."
Als het bovenstaande oordeel van toepassing is op de Christenheid,
moeten we onszelf afvragen op welke manier God op wonderbaarlijke
wijze met hen zou kunnen handelen? Wordt het niet als iets
goeds beschouwd wanneer God op een "wonderbaarlijke
manier" handelt met iemand? Daar de hele context van Jesaja
een beschrijving is van hoe God de juiste hartestoestand van zijn
volk zal herstellen, moeten we concluderen dat de wijze en beleidvolle
mannen wiens wijsheid zal vergaan niemand anders zijn dan de getrouwe
en beleidvolle slaaf van Christus. Dat dit zo is, wordt bewezen
door vers 15 en 16, waar staat: "Wee hun die zeer diep
gaan in het verbergen van raad voor Jehovah zelf, en wier daden
in een duistere plaats zijn geschied, terwijl zij zeggen: "Wie
ziet ons, en wie weet van ons?" O die verkeerdheid van u!
Dient de pottenbakker zelf soms net als het leem geacht te worden?
Want dient het maaksel soms betreffende zijn maker te zeggen:
"Hij heeft mij niet gemaakt"? En zegt in feite soms
het geformeerde zelf betreffende zijn formeerder: "Hij heeft
geen verstand getoond"?"
Paulus citeerde de illustratie van de pottenbakker en het klei
en paste hem toe op Christenen in de 1ste eeuw, die dwaas hun
vraagtekens zetten bij de manier waarop God handelt ten aanzien
van zijn volk om zijn voornemen te volbrengen. Jehovah God is
werkelijk de Meester Pottenbakker, de Maker en Formeerder van
het Israël Gods tot heerlijkheid van hemzelf, en het is verdorvenheid
van onze zijde vraagtekens te zetten bij hoe het brengen van beproeving
en verwarring over zijn eigen geliefde, geestelijke organisatie,
Gods voornemen kan dienen.
"Degenen die zeer diep gaan in het verbergen van raad
voor Jehovah zelf" kunnen enkel degenen zijn die ook
daadwerkelijk in de positie zijn Jehovah's raad te geven. Jehovah's
van te voren opgetekende berisping lijkt dus bedoeld te zijn voor
degenen die tot het uiterste hebben getracht de onechte leerstelling
op te houden dat Christus' tegenwoordigheid is begonnen in 1914
en dat Jezus zijn huis reeds heeft geoordeeld, omdat dat ons,
meer dan al het andere, ervan heeft weerhouden te snappen wat
er in het verschiet ligt. Het onwettige verbond van de Wachttoren
met de Organisatie van de Verenigde Naties, het desastreuse beleid
met betrekking tot kindermisbruik die reeds hebben geleid tot
compensatieregelingen buiten de rechtzaal met geld dat is gedoneerd
voor het predikingswerk, het zwijgen opleggen van slachtoffers
wat riekt naar omkoping, en wie weet wat voor andere onheilen
- allemaal daden die in het duister hebben plaatsgevonden en die
door Jehovah's oordeel uiteindelijk in volledige mate aan het
licht zullen komen.
De harde les die we nu moeten leren, is dat God de enige
bron van waarheid en licht is. In Jesaja 29:4, waar Jehovah Ariël
op cryptische wijze omschrijft door te zeggen dat ze neergehaald
moet worden, zodat zijn stem als een geestenmedium moet worden,
voorzegt God dat de stem van zijn dienaar tot zwijgen gebracht
zal worden. Daar Jehovah's Getuigen hebben geaccepteerd dat de
stem van Gods geestelijke natie gehoord wordt door middel van
het Wachttorengenootschap, kan 'het piepen van Ariëls stem
vanuit het stof van de aarde' enkel betekenen dat de stem van
de Wachttoren tot zwijgen zal worden gebracht tijdens het oordeel.
Ja, de stem die Jehovah's koninkrijk aankondigt en die letterlijk
is vertaald in honderden talen en over het rond der aarde is verspreid,
zal plotseling worden als een zacht gefluister, tot zwijgen gebracht
door Jehovah's oordeel tegen hen.
Welk doel kan het voor Jehovah dienen de enige organisatie op
aarde die zijn belangen heeft behartigd, te verwoesten? Heeft
de Wachttoren geen geloof gevestigd in miljoenen mensen? Het antwoord
is ja, maar geloof moet worden getest door middel van beproevingen
en het vuur van twijfel. En wat is voor Jehovah's Getuigen een
grotere beproeving dan het vertrouwde Wachttorengenootschap publiekelijke
vernedering en schande te laten ondergaan en het op het kritieke
moment tot zwijgen te laten brengen, wanneer de rechtvaardigen
naar de organisatie opkijken voor antwoorden? Nu kunnen
we wellicht de nogal verontrustende vraag die Christus Jezus aan
ons stelde beter begrijpen: "Maar wanneer de Zoon des
mensen gekomen is, zal hij dan werkelijk het geloof op aarde vinden?"
(Lukas 18:8)
Het goede nieuws is dat Jezus inderdaad het geloof zal vinden
wanneer hij komt. Na een periode van tumult, opschudding en onzekerheid
waarmee Christus' aankomst voor het oordeel gepaard zal gaan,
is het eindresultaat dat Christus enkelen onder zijn volk zal
vinden die ontvankelijk zijn voor hem. Jesaja 29:18, 19 zegt verder:
"En op die dag zullen de doven stellig de woorden van
het boek horen, en uit het donker en uit de duisternis zullen
zelfs de ogen der blinden zien. En de zachtmoedigen zullen hun
verheuging in Jehovah zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen
van de mensheid zullen blij zijn in de Heilige Israëls zelf..."
Het 29ste hoofdstuk van Jesaja besluit met Jehovah die zijn organisatie
overneemt en onze terechtwijzing stopt.
Jacob krijgt de verzekering dat zijn kinderen, de andere schapen,
zullen leven. Het allerlaatste vers zegt: "En zij die
dwalen in hun geest, zullen werkelijk verstand krijgen, en zelfs
zij die morren, zullen onderricht leren." Natuurlijk
gaat Jehovah op een wonderlijke wijze handelen door zijn volk
te corrigeren, niet door de Christenheid te corrigeren.
Na Jehovah's oordeel zal de Wachttoren nooit meer snoevend spreken
over dat ze Gods volk niets anders dan het beste geestelijke voedsel
voorzetten. En Christenen zullen niet langer in onderworpenheid
worden gehouden door middel van harde tirannie of de dreiging
van uitsluiting wanneer men vraagtekens zet bij onredelijk leerstellingen.
Daarom zal de zachtmoedige zich verheugen, "want de tiran
moet aan zijn eind komen en met de snoever moet het gedaan zijn."
Hoe kunnen we God antwoorden wanneer hij ons de volgende vraag
voorlegt en we daarbij denken aan de slechte toestand waarin we
onszelf hebben gebracht, de schande die we reeds op Jehovah's
Naam hebben geworpen en de vele duizenden die door die acties
reeds zijn gestruikeld: "Wie is blind, zo niet mijn knecht,
en wie is doof als mijn bode die ik zend? Wie is blind als de
beloonde, of blind als de knecht van Jehovah?"
Als Jehovah's boden, als zijn knechten en als degenen die door
hem worden beloond, moet ons nederige antwoord als volgt zijn:
'Niemand, Vader. Niemand is zo doof als uw eigen boden. Niemand
is zo blind als Jehovah's Getuigen!
|