Zal het Christendom het Einde Van de Wereld Overleven?

 

De vraag over wat als eerste zijn einde zal kennen - het christendom of de wereld - kan wellicht een nogal bizar onderwerp lijken om aan een beschouwing te onderwerpen. Jehovah's Getuigen gaan er waarschijnlijk als vanzelf vanuit dat het ware christendom zonder twijfel niet alleen de huidige wereld als geheel zal overleven, maar ook het valse christendom, dat zelfs onder huidige wetenschappers bekend staat als de "christenheid."

Jehovah's Getuigen bezien het waarschijnlijk als een nutteloze vraag in het licht van de gezaghebbende uitspraak in de Wachttoren van 15 april 1962 hierover: "Het einde der christenheid betekent niet het einde van het christendom, want christenheid en christendom zijn twee verschillende, afzonderlijke begrippen…Het christendom zou niet na de vernietiging van de christenheid in Armageddon kunnen eindigen."

Zoals de Wachttoren correct opmerkt zijn christendom en christenheid twee verschillende dingen. De vraag blijft echter: Zal het ware christendom het eind van de wereld overleven? De nieuwsgierigheid van de lezer is bij deze hopelijk gewekt en het doel van dit artikel is een nauwkeurige beschouwing te maken van relevante delen van het enige boek dat licht op deze essentiële zaken kan werpen - de Bijbel.

Het is zeker dat Jehovah's Getuigen een uniek begrip hebben van Bijbelse waarheid. We erkennen dat Jehovah's voornemen om de mensheid te redden twee kanten heeft. De eerste fase van Gods voornemen is een selecte groep van 144.000 gezalfde Christenen van onder de mensheid te verzamelen om met Christus in zijn hemelse koninkrijk te regeren. De tweede fase van Jehovah's voornemen is een familie van gelovigen bijeen te brengen en voor te bereiden voor een leven op aarde na het einde van deze wereld, zodat de aarde bewoond blijft en fysiek omgetoverd wordt tot een Edens paradijs.

Ja, Gods eeuwige Woord verzekert ons dat de zachtmoedigen de aarde zullen beërven en er voor eeuwig op zullen verblijven. In de meest strikte betekenis zijn echter alleen gezalfde personen echt Christenen. Het woord "christus" betekent letterlijk "gezalfde." De aanduiding "Christenen" is evenzo specifiek van toepassing op het lichaam van gezalfde volgelingen van Christus. Tevens staan alleen gezalfde Christenen in een verbondsverhouding met Jehovah door middel van Christus - waarbij Jezus als hun middelaar dient met God de Almachtige. Alleen gezalfde Christenen vormen het ware Israël van God.

Dus, om elk ongemakkelijk gevoel over het onderwerp of het christendom deze wereld zal overleven weg te nemen: het is de meest strikte definitie van christendom die in de vraag wordt bedoeld.

In erkenning van de algemene betekenis van het woord "christendom" wordt de vraag nu geherformuleerd tot: Zullen de gezalfden het einde van de wereld overleven?

Vele jaren, helemaal teruggaand tot zelfs 1928, heeft het Wachttorengenootschap beweerd dat enkele gezalfden de wereldeindigende oorlog van Armageddon zullen overleven. Hier volgen enkele kleine citaten uit diverse Wachttorenartikelen over dat onderwerp:

In de Wachttoren van 14 augustus 1954 (engelse uitgave) lezen we:

"Hoewel het gezalfde overblijfsel verwacht na Armageddon nog een periode op aarde te dienen, als Jehovah dat behaagt..." - vertaald uit het Engels, geen letterlijk citaat.

Twee jaar later zei de Wachttoren van 15 januari 1956 (engelse uitgave):

"Het overblijfsel van "zijn lichaam" moet het avondmaal des Heren dus blijven eten totdat ze verheerlijkt zijn, zelfs na het overleven van Armageddon." - vertaald uit het Engels, geen letterlijk citaat.

In de Wachttoren van 15 maart 1960 lezen we:

"De beloofde nieuwe hemelen - samengesteld uit Jezus Christus en de 144.000 andere leden van de heiligdomsklasse - worden gevormd door het hemelse koninkrijk, waarvoor Jezus zijn volgelingen leerde bidden. De leden van het overblijfsel van het "geestelijke huis" verwachten weliswaar Armageddon te overleven en na de vernietiging van de oude wereld de "nieuwe aarde" aan Jehovah's aanbidding op te dragen."

Zeven jaar later, in 1966, geeft de Wachttoren opnieuw commentaar door te zeggen:

"Ze staan bekend als het overblijfsel van Christus' geestelijke broeders, maar door getrouw te blijven in de strijd, zullen ze goedgekeurd worden door in de overwinning te delen. Hier hebben we nog meer bewijs, verzekering, dat een overblijfsel van Christus' geestelijke broeders Armageddon in het vlees zal overleven en na de oorlog enige tijd in het vlees op aarde in het nieuwe samenstel zullen zijn. Naast hen zal er een "grote schare" zijn die met hen dienst verrichten." - vertaald uit het Engels, geen letterlijk citaat.

In hun meest recente commentaar op het onderwerp heeft het Wachttorengenootschap het eerdere dogmatische standpunt echter losgelaten en wordt er nu gezegd dat de Bijbel geen duidelijkheid hierover geeft.

De Wachttoren van 15 augustus 1990 geeft het volgende antwoord op deze Vragen van Lezers: "Zullen enkele gezalfde christenen de "grote verdrukking" overleven om, alvorens in de hemel te worden opgenomen, in de nieuwe wereld op aarde te leven?"

"De bijbel zegt dit niet uitdrukkelijk...Commentaren over de mogelijkheid dat enkele van de gezalfden Armageddon zullen overleven en de nieuwe wereld zullen binnengaan, worden gedaan met goede bedoelingen en in het licht van bijbelse precedenten om te trachten profetieën of voorafschaduwingen te begrijpen die een latere parallel zouden kunnen hebben. Mocht blijken dat geen van de gezalfden op aarde achterblijft, dan zal er geen reden tot teleurstelling zijn. Wij hebben reeds aanvaard dat bijbelse kwesties met het verstrijken van de tijd beter worden begrepen."

Maar, zelfs door de mogelijkheid open te laten dat geen gezalfde Armageddon zal overleven, spreekt het Wachttorengenootschap zichzelf onwillekeurig tegen. Hoe dat zo? Wel, wanneer de Bijbel "dit niet uitdrukkelijk zegt," dan kan dat aspect van Gods voornemen hoe dan ook niet bekend worden voor mensen. Toch zegt de Wachttoren dat "bijbelse kwesties met het verstrijken van de tijd beter worden begrepen." Wanneer de Bijbel echter zwijgt over dit cruciale onderwerp, zoals het Wachttorengenootschap beweert, is het niet echt een "bijbelse kwestie." Kennelijk zegt het Wachttorengenootschap dat we moeten afwachten tot het stof naar Armageddon is opgetrokken om uit te vinden wat de Bijbel niet zegt!

Daar dit iets is wat een grote invloed op Jehovah's Voornemen en de ontvouwing van Bijbelse profetieën heeft, alsook op het onwrikbare vertrouwen van degenen die Jehovah oprecht zoeken, is het duidelijk een zeer belangrijk onderwerp en niet slechts voer voor speculatie.

Als eerste moeten we bepalen of het werkelijk zo is dat "de Bijbel niet zegt" of de gezalfden Armageddon wel of niet zullen overleven?

Nee, het Wachttorengenootschap heeft het fout!

In tegenstelling tot wat het Wachttorengenootschap ons wil laten geloven, zegt de Bijbel hier wel degelijk iets over! En Jehovah's geïnspireerde profeten benadrukken dat geen enkele gezalfde Christen in het vlees zal overleven tot zelfs maar het begin van de oorlog van Armageddon!

Ja, één van de meest diepgaande waarheden uit de Bijbel is dat de vroegtijdige dood van alle ware Christenen (gezalfden) de reden is dat Jehovah volmachtiging geeft voor de vernietiging van de huidige wereld bij de beslissende oorlog van Armageddon.

Helaas is het Wachttorengenootschap in een periode van 75 jaar heen en weer geslingerd tussen enerzijds stellig beweren dat de gezalfden Armageddon zeker zullen overleven, naar het herzien van hun officiële standpunt tot "de bijbel zegt het niet." In plaats dat het licht helderder wordt, lijkt het baken van het Wachttorengenootschap te flikkeren en zwakker te worden.

Het Wachttorengenootschap heeft duidelijk afstand gedaan van haar autoriteit als Gods "enige kanaal" van geestelijk voedsel te rechter tijd voor het gelovige huisgezin. In het licht van het gebrek aan interesse van het Genootschap om de waarheid te verklaren, lijkt het tijd te worden dat Jehovah's Getuigen, desnoods door andere bronnen, geïnformeerd worden over deze essentiële zaken waar de Bijbel volgens het Wachttorengenootschap over zwijgt.

"Alle Heiligen Met Hem"

In Zacharia 14:1 lezen we: "Zie! Er komt een dag die Jehovah toebehoort, en de buit van u zal stellig in uw midden verdeeld worden. En ik zal stellig alle natiën tegen Jeruzalem ten oorlog vergaderen; en de stad zal werkelijk ingenomen worden en de huizen zullen geplunderd worden, en de vrouwen zelf zullen verkracht worden. En de helft van de stad moet wegtrekken in ballingschap; maar wat de overgeblevenen van het volk betreft, zij zullen niet afgesneden worden van de stad."

De belangrijkheid van deze profetie is dat Zacharia geschreven is nadat de Joden waren teruggekeerd uit hun ballingschap in Babylon. Daarom kan er geen sprake zijn van enig soort van eerdere vervulling in de geschiedenis. Het "Jeruzalem" dat onder aanval van alle natiën komt kan niet het uit stenen en mortel bestaande Jeruzalem in het Middenoosten zijn. Het is het "Jeruzalem dat boven is" - op aarde vertegenwoordigd door de heiligen.

Het Wachttorengenootschap erkent dit feit natuurlijk ook, maar heeft Zacharia 14:1 verkeerd toegepast op de gebeurtenissen van de voorbijgegane 20ste eeuw om hun gehechtheid aan 1914 overeind te houden. Maar, in het licht van het feit dat de vervolgingen van de Internationale Bijbelonderzoekers gedurende de moeilijkheden van de Eerste Wereldoorlog en zelfs de zwaardere vervolgingen sinds die tijd in geen geval te vergelijken zijn met de profetische beschrijving van hierboven, moeten nadenkende personen concluderen dat de profetie een toekomstige vervulling heeft. We kunnen er zeker van zijn dat de "dag die Jehovah toebehoort" niet zo rustig voorbij zal gaan als het Wachttorengenootschap ons wil laten geloven.

Wat bedoelt de profetie wanneer er gezegd wordt: "En de helft van de stad moet wegtrekken in ballingschap; maar wat de overgeblevenen van het volk betreft, zij zullen niet afgesneden worden van de stad?"

De stad van God - "het Jeruzalem dat boven is" - is een zeer unieke en buitengewone "stad." Zolang er een representatief aantal van de gezalfde inwoners van de hemelse stad nog op aarde zijn, is het alsof de stad ook een aardse stad is - de kloof tussen hemel en aarde overbruggend door op twee plaatsen tegelijk te bestaan. Wanneer de inwoners van "Jeruzalem" echter vertrekken naar hun hemelse erfenis, zal de aardse manifestatie van de heilige stad niet langer bestaan. (Niet toevalligerwijs is dat de reden dat Openbaring een afbeelding geeft van een "nieuw Jeruzalem" dat na Armageddon uit de hemel neerdaalt tot de aarde.

De "helft van de stad" dat in ballingschap zal gaan moet daarom slaan op de aardse weerspiegeling van het "Jeruzalem dat boven is." De overgeblevenen die "niet afgesneden zullen worden van de stad" zijn leden van het overblijfsel die zich uiteindelijk bij hun gezalfde voorgangers voegen in de hemel. Met andere woorden, wanneer de erfgenamen van het koninkrijk allemaal heengegaan zijn, zal het zijn alsof het aardse deel van de hemelse stad verlaten is.

(Een bijkomstigheid is dat het woord "overblijfsel," genomen uit het King James jargon, of "overgeblevenen," zoals de NWV de term vertaalt, van toepassing is op de overgebleven gezalfden die op aarde leven nadat de eerste opstandingtrompet geklonken heeft. In het licht van de foutieve chronologie van het Wachttorengenootschap aangaande 1914, is het duidelijk dat Christus' tegenwoordigheid nog niet begonnen is. Daarom is de uitdrukking "overblijfsel" niet passend wanneer we op dit moment verwijzen naar de gezalfden. We kunnen echter verwachten dat het binnenkort een relevante terminologie zal worden.)

De absurditeit van de toepassing van de profetie van Zacharia op 1918-1919 door het Wachttorengenootschap, blijkt uit het volgende vers, waar staat: "En Jehovah zal stellig uittrekken en oorlog voeren tegen die natiën als op de dag dat hij oorlog voerde, op de dag van de strijd."

Het vers zegt verder dat Jehovah, in antwoord op de aanval van de natiën op de heilige stad, in figuurlijke zin neerdaalt en dat zijn voeten de Olijfberg raken. Wanneer de voorzegde aanval op "Jeruzalem" bijna een eeuw geleden plaats zou hebben gevonden, moeten we concluderen dat Jehovah's antwoord zeker lang op zich laat wachten.

Deze verzen zijn relevant voor ons onderhavige onderwerp daar Zacharia 14:5 besluit met deze woorden: "En Jehovah, mijn God, zal stellig komen en alle heiligen met hem."

Wie zijn de "heiligen"?

Van de 99 plaatsen in de NWV waar de uitdrukking "heiligen" voorkomt, verwijzen er slechts enkelen naar de heiligen onder de engelen. Vrijwel alle keren dat de uitdrukking "heiligen" in de Bijbel voorkomt, wordt er verwezen naar gezalfde Christenen. Daar de context van Zacharia te maken heeft met het herstel van de gezalfden tot hun wettige geestelijke erfenis, is er geen reden om aan te nemen dat de heiligen in de context geen gezalfde heiligen zijn.

Wat moeten we daarom anders concluderen uit de opmerking dat "alle heiligen met hem" zijn op de dag van wraak, dan dat alle gezalfden zich onder de oordeelvoltrekkende hemelse krachten zullen bevinden in gezelschap van Jehovah God? Het is daarom onmogelijk dat er gedurende en zeker na de oorlog van Armageddon nog gezalfden op aarde zullen zijn.

Verder redenerend: Hoe zou God anders Satan onder de voeten van zijn heiligen kunnen verbrijzelen, zoals Paulus het verwoordt, tenzij zij allen geestelijke zonen zijn op de tijd van die verbrijzeling?

"Moet Hij Worden Gedood Als Met de
Slachting Van Zijn Gedoden?"

Het 27ste hoofdstuk van Jesaja is één van de meest diepgaande profetieën in de hele Bijbel. Het hoofdstuk begint met Jehovah's oordeel over Leviathan - die niemand anders kan zijn dan Satan zelf. Vers één luidt: "Op die dag zal Jehovah met zijn hard en groot en sterk zwaard zijn aandacht richten op Levíathan, de glijdende slang, ja, op Levíathan, de kronkelende slang, en hij zal het zeemonster dat in de zee is, stellig doden."

Het Wachttorengenootschap erkent terecht dat de "glijdende slang", Leviathan, in deze profetie een afbeelding is van de Duivel. Het is daarom duidelijk dat de gehele profetie relevantie heeft voor de tijd van oordeel over het samenstel van de Duivel. Jehovah's Getuigen zouden mogen verwachten dat het Wachttorengenootschap speciale belangrijkheid zou toekennen aan deze profetie. Het tegenovergestelde is echter het geval. Het Wachttorengenootschap is snel over het 27ste hoofdstuk van Jesaja heen gestapt, alsof het onbelangrijk is. Ja, in het laatste "commentaar" geeft het Wachttorengenootschap niet eens één enkel commentaar op de verzen zeven tot en met elf.

In de openingszin van het volgende hoofdstuk van Jesaja's profetie, geeft de profeet ook op passende wijze uitleg over de reden dat het Gods "priesters" en "profeten" ontbreekt aan inzicht aangaande Gods toekomstige oordelen, door over hen te zeggen: "Wee de eminente kroon van de dronkaards van Efraïm, en de verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad, dat rust op het hoofd van het vruchtbare dal van hen die door de wijn zijn overmand!"

Jehovah's woordvoerders bevinden zich in een geestelijk dronken toestand en kunnen daarom de complexe zaken in Gods Woord niet begrijpen, zoals de profetie verder belicht: "Vanwege wijn hebben zij gedwaald en vanwege bedwelmende drank hebben zij gedoold. Priester en profeet - zij hebben gedwaald vanwege bedwelmende drank, zij zijn verward geworden ten gevolge van de wijn, zij hebben gedoold ten gevolge van de bedwelmende drank; zij hebben gedwaald in hun zien, zij hebben gewaggeld met betrekking tot de beslissing. Want de tafels zelf zijn allemaal vol vies uitbraaksel geworden - er is geen plaats die schoon is." (vers 7 en 8)

Het Besturend Lichaam en andere invloedrijke geestelijke mannen die de leiding nemen in het onderwijzen van Jehovah's Getuigen hebben te lang gedronken van de bedwelmende organisatorische wijn van het jaar 1914. In hun geestelijk bedwelmde toestand van zelfverheffing is het voor hen onmogelijk Jehovah's komende oordelen te begrijpen.

Terugkerend tot het 27ste hoofdstuk luiden de verzen 7 en 8 als volgt: "Moet men hem slaan als met de slag van iemand die hem sloeg? Of moet hij worden gedood als met de slachting van zijn gedoden? Met een schrikaanjagende kreet zult gij met haar twisten wanneer gij haar wegzendt. Hij moet haar verdrijven door zijn harde wind op de dag van de oostenwind."

Dit gedeelte van Jesaja is zeer moeilijk te ontcijferen. Geen enkele geestelijk bedwelmde zou zelfs maar kunnen hopen hiertoe in staat te zijn. Wat de profetie vrijwel ondoorgrondelijk maakt, is dat er verschillende voornaamwoorden worden gebruikt en het nogal verwarrend is wie er met "hem," "haar," "hij," "zijn" en "gij" worden bedoeld. Maar, laten we deze profetie nu eens nuchter benaderen.

Om de profetie te situeren in de context van Gods toekomstige oordelen, moeten we eerst erkennen dat God zijn gezalfde zonen eerst nog streng moet onderrichten voor hun vele zonden en dwalingen. Jesaja 26:16 plaatst de disciplinaire periode bijvoorbeeld onmiddellijk voor de dag waarop Gods volk uiteindelijk redding zal ontvangen. Dat vers luidt: " O Jehovah, in benauwdheid hebben zij hun aandacht op u gericht; zij hebben een fluistergebed uitgestort toen uw strenge onderricht hen trof."

We keren even kort terug naar Zacharia en ditmaal de laatste verzen van het 13de hoofdstuk. De profetie voorzegt dat Gods volk, als voorbode van de laatste aanval op de heilige stad Jeruzalem, streng onderricht en gelouterd wordt tot een punt waarop ze uiteindelijk in de volledige betekenis aanvaard worden als Gods volk. Zacharia 13:9 luidt: "En ik zal het derde deel stellig door het vuur heen brengen; en ik zal hen werkelijk louteren zoals men zilver loutert, en hen toetsen zoals men goud toetst. Het zal van zijn kant mijn naam aanroepen, en ik, van mijn kant, zal het antwoorden. Ik wil zeggen: 'Het is mijn volk', en het zal op zijn beurt zeggen: 'Jehovah is mijn God.'"

Nu terug naar Jesaja 27:2-4 waar we lezen: "Zingt haar op die dag toe: "Een wijngaard van mousserende wijn!" Ik, Jehovah, beveilig haar. Elk ogenblik zal ik haar drenken. Opdat niemand zijn aandacht tegen haar richt, zal ik haar zelfs nacht en dag beveiligen. Geen woede heb ik."

In de bovenstaande verzen verwijst Jehovah naar zijn volk in de vrouwelijke vorm. Dat helpt ons te begrijpen aan wie één van de voornaamwoorden in het 7de en 8ste vers zijn toegeschreven. "Haar," degene die Jehovah beveiligt, moet Jehovah's gereinigde organisatorische vrouw zijn. Het feit dat Jehovah verklaart dat hij geen woede heeft tegen zijn "vrouw," geeft aan dat hij zijn woede reeds heeft geuit en zijn verontwaardiging reeds over haar heeft gebracht en haar op dat moment reeds teruggekocht heeft. (Zie het essay Wie Is de "Vrouw" Uit Profetie?)

In de volgende verzen verandert Jehovah het taalgebruik en verwijst hij naar zijn organisatie als "Jakob." Dit is niet ongewoon daar dit heel wat andere keren ook gebeurt. We moeten daarom inzien dat Jehovah in deze specifieke profetie wisselt tussen de vrouwelijke en mannelijke vorm, waarbij hij naar Jakob verwijst met "hij" en "hem" en naar de vrouw met "haar".

Om nu de belangrijkheid van de profetie volledig te begrijpen, moeten we kort terugkeren naar de oorspronkelijke profetie die Jehovah in Eden gaf. Toen hij rechtstreeks tot de slang sprak, voorzei Jehovah de langdurige vijandschap die zou bestaan tussen Gods vrouw en de slang en hun respectievelijke zaden. Het 27ste hoofdstuk van Jesaja richt weer scherp de aandacht op deze twee geheimzinnige entiteiten. Het is alsof Jehovah's dialoog met de Oorspronkelijke Slang in Eden hervat wordt in die profetie, op een punt in de geschiedenis waarop Jehovah uiteindelijk zijn oordeel over de Duivel voltrekt.

Met de spelers in gedachten is het daarom duidelijk dat Jehovah de vraag uit vers zeven richt tot zijn aartsvijand, Satan de Duivel - vragend naar zijn verantwoording voor het doden van "Jakob," door te zeggen: "Moet men hem slaan als met de slag van iemand die hem sloeg? Of moet hij worden gedood als met de slachting van zijn gedoden?"

In het licht van het feit dat God op dat moment de zaken tussen hem en zijn volk reeds heeft rechtgezet, is er geen reden meer voor Jehovah enige vijand van hem nog verder toe te staan tuchtiging over zijn volk te brengen. Het doden van "Jakob" is niet in opdracht van Jehovah God. Daarom stelt God de volgende vraag aan Leviathan: "Moet men hem slaan…moet hij worden gedood"? De Duivel moet zich nu verantwoorden tegenover de Almachtige God voor het laatdunkend toedienen van een doodsslag aan Jehovah's aardse zonen.

In het volgende vers (8) verandert het voornaamwoord naar de vrouwelijke vorm. Daar lezen we: "Met een schrikaanjagende kreet zult gij met haar twisten wanneer gij haar wegzendt. Hij moet haar verdrijven door zijn harde wind op de dag van de oostenwind."

In het 12de hoofdstuk van Openbaring wordt de symbolische vrouw die Gods koninkrijk baart onmiddellijk vervolgd door Satan de Duivel. Maar in plaats van een sterke windvlaag, beschrijft het visioen in Openbaring de Draak die een stroom van water uit zijn bek braakt: "En de slang braakte uit zijn bek de vrouw water achterna, een rivier gelijk, opdat de rivier haar zou verdrinken."

Het volgende is interessant: Terwijl het voorgaande vers in Jesaja verwijst naar Jakob die gedood zal worden, geeft noch Jesaja, noch Openbaring aan dat Gods vrouw gedood wordt door Satans aanval. In plaats van gedood te worden, voorzegt Jesaja dat de op een draak gelijkende Leviathan Gods vrouw angst zal aanjagen "met een schrikaanjagende kreet" en dat hij "met haar zal twisten wanneer hij haar wegzendt." De profetie zegt verder: "Hij moet haar verdrijven door zijn harde wind."

Nu de vraag: Als van Satan de Duivel wordt gezegd dat hij Gods vrouw zal wegzenden en haar zal "verdrijven door zijn harde wind," vanwaar wordt ze dan verdreven en waar gaat ze heen?

Hierover redenerend: Daar de twist tussen de vrouw en de slang zich op aarde afspeelt, kan het enkel maar zijn dat de vrouw van de aarde zelf verdreven wordt door een vlaag van demonische woede die tegen de zonen van de vrouw losgelaten wordt. Met andere woorden, de vrouw wordt verdreven van haar aardse domein waar haar zaad (Jakob) geslacht wordt.

Zoals reeds eerder gezegd, het "Jeruzalem dat boven is" is enkel maar zichtbaar op aarde zolang de inwoners van die hemelse stad in het vlees zijn. Daarom zegt het 10de vers het volgende, nadat Gods vrouw verdreven is en Jakob gedood is: "Want de versterkte stad zal eenzaam zijn, de weidegrond aan zichzelf overgelaten en verlaten als een wildernis." De "versterkte stad" die verlaten zal worden, is een verwijzing naar Jeruzalem, of liever gezegd datgene waarnaar we heden ten dage losjes verwijzen als "Jehovah's zichtbare organisatie." In ogenschijnlijke tegenstelling hiermee zeggen dat laatste verzen in Jesaja echter dat Gods volk verzameld wordt tot Gods "heilige berg in Jeruzalem." Hoe kan het echter dat de verstrooide zonen verzameld worden tot Jeruzalem wanneer de versterkte stad eenzaam en verlaten is? Wederom contrasteert de profetie de toestand van een aardse stad met een hemelse stad.

De laatste verzen in het 27ste hoofdstuk van Jesaja luiden als volgt: "En het moet geschieden op die dag, dat Jehovah de vrucht zal afslaan, vanaf de snelvlietende stroom van de Rivier tot het stroomdal van de beek van Egypte, en zo zult gijzelf de een na de ander worden bijeengeraapt, o zonen van Israël. En het moet geschieden op die dag, dat er op een grote horen geblazen zal worden, en degenen die in het land Assyrië dreigen om te komen en de verdrevenen in het land Egypte zullen stellig komen en zich neerbuigen voor Jehovah op de heilige berg te Jeruzalem."

Oplettende lezers zullen opmerken dat het "blazen op een grote horen," waarmee de op een oogst gelijkende verzameling van de verstrooide zonen van Israël begint, in harmonie is met Christus' eigen profetie aangaande de definitieve inzameling van de uitverkorenen. Jezus verwoordde het echter net iets anders toen hij zei: "En hij zal zijn engelen uitzenden met een luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen tot het andere uiteinde daarvan." (Mattheüs 24:31)

Dus, terwijl het aardse domein van Gods zonen verlaten zal worden om gelijk een eenzame stad te worden, zullen de personen die de stad voorheen bewoonden voor Jehovah zelf verschijnen om voor hem neer te buigen op zijn heilige berg in de hemel - de werkelijke stad van God. Openbaring beschrijft dit tafereel als 144.000 die met het Lam staan op de hemelse top van de Berg Sion.

Het is daarom duidelijk dat wanneer de engelen "zijn uitverkorenen bijeenvergaderen van de vier windstreken," ze geoogst worden doordat ze in het vlees ter dood worden gebracht als gevolg van het feit dat de engelen de "vier winden" van demonische onderdrukking loslaten. Dat wordt in Jesaja gesymboliseerd door de harde wind "op de dag van de oostenwind." Ja, "in een oogwenk" worden de gedode zonen van Jakob verzameld aan Jehovah's zijde ter voorbereiding op het verbrijzelen van de wereld van de Duivel.

Met betrekking tot de "oostenwind" dienen Bijbelonderzoekers het feit op te merken dat de Chaldeeuwse indringers in Habakuk, een zichzelf uitleggend visioen voor de bestemde tijd die we volgens Jehovah moeten blijven verwachten, een afbeelding zijn van de 8ste koning. Habakuk 1:9-11 beschrijft het Chaldeeuwse leger als volgt: "In haar geheel komt ze enkel voor geweld. Het bijeenbrengen van hun aangezichten is als de oostenwind, en ze vergadert gevangenen net als het zand. En van haar kant beschimpt ze zelfs koningen, en hoogwaardigheidsbekleders zijn haar iets lachwekkends. Van haar kant lacht ze zelfs om elke versterkte plaats, en ze hoopt stof op en neemt haar in. In die tijd zal ze stellig oprukken als wind en doortrekken en zich werkelijk schuldig maken. Deze kracht van haar is aan haar god toe te schrijven."

We willen nu terugkeren naar de vraag die helemaal aan het begin werd gesteld: Zal het christendom het einde van deze wereld overleven? Jesaja verschaft het antwoord in het 9de vers, waar we lezen: "Daarom zal hierdoor de dwaling van Jakob worden verzoend, en dit is de ganse vrucht wanneer hij zijn zonde wegneemt, wanneer hij alle altaarstenen maakt gelijk verpulverde kalkstenen, zodat de heilige palen en de reukwerktafels niet zullen verrijzen."

Ondanks dat de taal gestoeld is op een primitieve setting, hebben we gezien dat het 27ste hoofdstuk van Jesaja in werkelijkheid te maken heeft met het hoogtepunt van de voortdurende oorlogvoering tussen Gods familie van zonen en de Duivel en zijn zaad. Wat betekent het daarom dat "de dwaling van Jakob zal worden verzoend"? Het betekent dat Jezus' loskoopoffer zijn primaire doel verwezenlijkt heeft in verband met het geestelijk Israël. Het is niet langer noodzakelijk dat Jezus' vergoten bloed op het altaar gesprenkeld wordt om verzoening te doen voor hun zonden. Op dat punt zullen de zonden van Christus' gemeente volledig vergeven zijn. Wanneer de laatste zoon van Jakob als onsterfelijke zoon van God opgestaan is tot de hemel, zal Jezus niet langer hoeven te dienen als de middelaar van het nieuwe verbond. Het zal zijn alsof het altaar waarop Christus' bloed aan Jehovah was aangeboden voor verzoening "verpulverd" zal zijn - afgebroken - het zal zijn doel hebben gediend.

De apostel Paulus merkte op dat de Gedachtenis aan Christus' dood enkel gevierd zal worden tot de tijd waarop de Heer aankomt. Daarna is het niet langer geldig. Paulus schrijft: "Want zo dikwijls als gij dit brood eet en deze beker drinkt, blijft gij de dood des Heren verkondigen, totdat hij gekomen is." (1 Korinthiërs 11:26)

Daarom, het antwoord op de vraag: Zal het christendom het einde van de wereld overleven? Het antwoord is nee. Eens dat de 144.000 gezalfde Christenen allen in de hemel zijn, zal het christendom, zoals we dat nu kennen, niet langer bestaan.

Jesaja vervolgt wanneer hij de toestand van degenen die achterblijven beschrijft: "Want de versterkte stad zal eenzaam zijn, de weidegrond aan zichzelf overgelaten en verlaten als een wildernis. Daar zal het kalf weiden, en daar zal het zich neerleggen; en hij zal werkelijk haar grote takken verteren. Wanneer haar takjes zijn verdord, zullen vrouwen die er komen, ze afbreken en ze aansteken. Want het is geen volk met een scherp verstand. Daarom zal zijn Maker het geen barmhartigheid betonen, en zijn eigen Formeerder zal het geen gunst betonen." (Jesaja 27:10, 11)

Met de volgende woorden schatte de profeet Jeremia ons onvermogen onze eigen koers in het leven te bepalen - onafhankelijk van Jehovah's leiding - nauwkeurig in: "Ik weet heel goed, o Jehovah, dat het niet aan de aardse mens is zijn weg te bepalen. Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede te richten." (Jeremia 10:23)

Volgens Jezus zullen Gods uitverkorenen uiteindelijk zo helder schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader - goddelijk licht weerspiegelend tot al degenen die het voorrecht zullen hebben hun aangezicht te zien. Zonder twijfel zal de openbaring van de zonen Gods in verband met de openbaring van Christus' heerlijkheid een indrukwekkende demonstratie van Jehovah's uitverkorenen zijn voorafgaand aan hun heengaan. Wanneer Gods uitverkorenen echter niet meer op aarde zijn, hoe zal het degenen dan vergaan die afhankelijk zijn van de "getrouwe slaaf" voor hun geestelijke voeding?

Jesaja antwoordt in symbolische taal die aangeeft dat de andere schapen (in deze profetie gesymboliseerd door de kalveren) zullen weiden op de "grote takken" die achtergelaten zijn door Jakob, en dat "vrouwen" daarna de takjes zullen afbreken en aansteken. Dat ze als "vrouwen" worden afgebeeld lijkt te symboliseren dat ze de andere schapen zijn die in onderworpenheid waren aan Jakob voor zijn vertrek. Daar de heengegane slaaf de andere schapen niet had voorbereid op zijn geweldige heengaan, merkt Jehovah verder op dat degenen die achterblijven "geen volk is met een scherp verstand." Jehovah betoont hen geen gunst, omdat hij hun geestelijke leider van hen wegneemt - hen tijdelijk achterlatend zodat ze voor zichzelf moeten zorgen bij de plotselinge afwezigheid van Jakob.

Het 27ste hoofdstuk van Jesaja, alsook andere delen uit profetie, hebben veel te zeggen over het onderwerp of de gezalfden de oorlog van Armageddon zullen overleven, de Bijbel zwijgt er in het geheel niet over.

Vragen die verband houden met de uiteindelijke verzegeling en openbaring van de zonen Gods zullen in komende essays worden beschouwd.


Gepubliceerd op: 28 Juli 2004