Maar, zelfs door de mogelijkheid open te laten dat geen
gezalfde Armageddon zal overleven, spreekt het Wachttorengenootschap
zichzelf onwillekeurig tegen. Hoe dat zo? Wel, wanneer de Bijbel
"dit niet uitdrukkelijk zegt," dan kan dat aspect van
Gods voornemen hoe dan ook niet bekend worden voor mensen. Toch
zegt de Wachttoren dat "bijbelse kwesties met
het verstrijken van de tijd beter worden begrepen." Wanneer
de Bijbel echter zwijgt over dit cruciale onderwerp, zoals het
Wachttorengenootschap beweert, is het niet echt een "bijbelse
kwestie." Kennelijk zegt het Wachttorengenootschap dat we
moeten afwachten tot het stof naar Armageddon is opgetrokken
om uit te vinden wat de Bijbel niet zegt!
Daar dit iets is wat een grote invloed op Jehovah's Voornemen
en de ontvouwing van Bijbelse profetieën heeft, alsook op het
onwrikbare vertrouwen van degenen die Jehovah oprecht zoeken,
is het duidelijk een zeer belangrijk onderwerp en niet slechts
voer voor speculatie.
Als eerste moeten we bepalen of het werkelijk zo is dat "de
Bijbel niet zegt" of de gezalfden Armageddon wel of niet
zullen overleven?
Nee, het Wachttorengenootschap heeft het fout!
In tegenstelling tot wat het Wachttorengenootschap ons wil
laten geloven, zegt de Bijbel hier wel degelijk iets
over! En Jehovah's geïnspireerde profeten benadrukken dat geen
enkele gezalfde Christen in het vlees zal overleven tot zelfs
maar het begin van de oorlog van Armageddon!
Ja, één van de meest diepgaande waarheden uit de Bijbel is
dat de vroegtijdige dood van alle ware Christenen (gezalfden)
de reden is dat Jehovah volmachtiging geeft voor de vernietiging
van de huidige wereld bij de beslissende oorlog van Armageddon.
Helaas is het Wachttorengenootschap in een periode van 75
jaar heen en weer geslingerd tussen enerzijds stellig beweren
dat de gezalfden Armageddon zeker zullen overleven, naar het
herzien van hun officiële standpunt tot "de bijbel zegt het
niet." In plaats dat het licht helderder wordt, lijkt het
baken van het Wachttorengenootschap te flikkeren en zwakker
te worden.
Het Wachttorengenootschap heeft duidelijk afstand gedaan van
haar autoriteit als Gods "enige kanaal" van geestelijk voedsel
te rechter tijd voor het gelovige huisgezin. In het licht van
het gebrek aan interesse van het Genootschap om de waarheid
te verklaren, lijkt het tijd te worden dat Jehovah's Getuigen,
desnoods door andere bronnen, geïnformeerd worden over deze
essentiële zaken waar de Bijbel volgens het Wachttorengenootschap
over zwijgt.
"Alle
Heiligen Met Hem"
In Zacharia 14:1 lezen we: "Zie! Er komt een dag die Jehovah
toebehoort, en de buit van u zal stellig in uw midden verdeeld
worden. En ik zal stellig alle natiën tegen Jeruzalem ten oorlog
vergaderen; en de stad zal werkelijk ingenomen worden en de
huizen zullen geplunderd worden, en de vrouwen zelf zullen verkracht
worden. En de helft van de stad moet wegtrekken in ballingschap;
maar wat de overgeblevenen van het volk betreft, zij zullen
niet afgesneden worden van de stad."
De belangrijkheid van deze profetie is dat Zacharia geschreven
is nadat de Joden waren teruggekeerd uit hun ballingschap
in Babylon. Daarom kan er geen sprake zijn van enig soort van
eerdere vervulling in de geschiedenis. Het "Jeruzalem" dat onder
aanval van alle natiën komt kan niet het uit stenen en mortel
bestaande Jeruzalem in het Middenoosten zijn. Het is het "Jeruzalem
dat boven is" - op aarde vertegenwoordigd door de heiligen.
Het Wachttorengenootschap erkent dit feit natuurlijk ook,
maar heeft Zacharia 14:1 verkeerd toegepast op de gebeurtenissen
van de voorbijgegane 20ste eeuw om hun gehechtheid aan 1914
overeind te houden. Maar, in het licht van het feit dat de vervolgingen
van de Internationale Bijbelonderzoekers gedurende de moeilijkheden
van de Eerste Wereldoorlog en zelfs de zwaardere vervolgingen
sinds die tijd in geen geval te vergelijken zijn met de profetische
beschrijving van hierboven, moeten nadenkende personen concluderen
dat de profetie een toekomstige vervulling heeft. We
kunnen er zeker van zijn dat de "dag die Jehovah toebehoort"
niet zo rustig voorbij zal gaan als het Wachttorengenootschap
ons wil laten geloven.
Wat bedoelt de profetie wanneer er gezegd wordt: "En de
helft van de stad moet wegtrekken in ballingschap; maar wat
de overgeblevenen van het volk betreft, zij zullen niet afgesneden
worden van de stad?"
De stad van God - "het Jeruzalem dat boven is" - is
een zeer unieke en buitengewone "stad." Zolang er een representatief
aantal van de gezalfde inwoners van de hemelse stad nog op aarde
zijn, is het alsof de stad ook een aardse stad is - de
kloof tussen hemel en aarde overbruggend door op twee plaatsen
tegelijk te bestaan. Wanneer de inwoners van "Jeruzalem" echter
vertrekken naar hun hemelse erfenis, zal de aardse manifestatie
van de heilige stad niet langer bestaan. (Niet toevalligerwijs
is dat de reden dat Openbaring een afbeelding geeft van een
"nieuw Jeruzalem" dat na Armageddon uit de hemel neerdaalt
tot de aarde.
De "helft van de stad" dat in ballingschap zal gaan
moet daarom slaan op de aardse weerspiegeling van het
"Jeruzalem dat boven is." De overgeblevenen die "niet afgesneden
zullen worden van de stad" zijn leden van het overblijfsel
die zich uiteindelijk bij hun gezalfde voorgangers voegen in
de hemel. Met andere woorden, wanneer de erfgenamen van het
koninkrijk allemaal heengegaan zijn, zal het zijn alsof het
aardse deel van de hemelse stad verlaten is.
(Een bijkomstigheid is dat het woord "overblijfsel," genomen
uit het King James jargon, of "overgeblevenen,"
zoals de NWV de term vertaalt, van toepassing is op de overgebleven
gezalfden die op aarde leven nadat de eerste opstandingtrompet
geklonken heeft. In het licht van de foutieve chronologie van
het Wachttorengenootschap aangaande 1914, is het duidelijk dat
Christus' tegenwoordigheid nog niet begonnen is. Daarom is de
uitdrukking "overblijfsel" niet passend wanneer we op
dit moment verwijzen naar de gezalfden. We kunnen echter verwachten
dat het binnenkort een relevante terminologie zal worden.)
De absurditeit van de toepassing van de profetie van Zacharia
op 1918-1919 door het Wachttorengenootschap, blijkt uit het
volgende vers, waar staat: "En Jehovah zal stellig uittrekken
en oorlog voeren tegen die natiën als op de dag dat hij oorlog
voerde, op de dag van de strijd."
Het vers zegt verder dat Jehovah, in antwoord op de aanval
van de natiën op de heilige stad, in figuurlijke zin neerdaalt
en dat zijn voeten de Olijfberg raken. Wanneer de voorzegde
aanval op "Jeruzalem" bijna een eeuw geleden plaats zou hebben
gevonden, moeten we concluderen dat Jehovah's antwoord zeker
lang op zich laat wachten.
Deze verzen zijn relevant voor ons onderhavige onderwerp daar
Zacharia 14:5 besluit met deze woorden: "En Jehovah, mijn
God, zal stellig komen en alle heiligen met hem."
Wie zijn de "heiligen"?
Van de 99 plaatsen in de NWV waar de uitdrukking "heiligen"
voorkomt, verwijzen er slechts enkelen naar de heiligen onder
de engelen. Vrijwel alle keren dat de uitdrukking "heiligen"
in de Bijbel voorkomt, wordt er verwezen naar gezalfde Christenen.
Daar de context van Zacharia te maken heeft met het herstel
van de gezalfden tot hun wettige geestelijke erfenis, is er
geen reden om aan te nemen dat de heiligen in de context geen
gezalfde heiligen zijn.
Wat moeten we daarom anders concluderen uit de opmerking dat
"alle heiligen met hem" zijn op de dag van wraak, dan
dat alle gezalfden zich onder de oordeelvoltrekkende
hemelse krachten zullen bevinden in gezelschap van Jehovah God?
Het is daarom onmogelijk dat er gedurende en zeker na
de oorlog van Armageddon nog gezalfden op aarde zullen zijn.
Verder redenerend: Hoe zou God anders Satan onder de voeten
van zijn heiligen kunnen verbrijzelen, zoals Paulus het verwoordt,
tenzij zij allen geestelijke zonen zijn op de tijd van
die verbrijzeling?
"Moet
Hij Worden Gedood Als Met de
Slachting Van Zijn Gedoden?"
Het 27ste hoofdstuk van Jesaja is één van de meest diepgaande
profetieën in de hele Bijbel. Het hoofdstuk begint met Jehovah's
oordeel over Leviathan - die niemand anders kan zijn dan Satan
zelf. Vers één luidt: "Op die dag zal Jehovah met zijn hard
en groot en sterk zwaard zijn aandacht richten op Levíathan,
de glijdende slang, ja, op Levíathan, de kronkelende slang,
en hij zal het zeemonster dat in de zee is, stellig doden."
Het Wachttorengenootschap erkent terecht dat de "glijdende
slang", Leviathan, in deze profetie een afbeelding is van
de Duivel. Het is daarom duidelijk dat de gehele profetie
relevantie heeft voor de tijd van oordeel over het samenstel
van de Duivel. Jehovah's Getuigen zouden mogen verwachten dat
het Wachttorengenootschap speciale belangrijkheid zou toekennen
aan deze profetie. Het tegenovergestelde is echter het geval.
Het Wachttorengenootschap is snel over het 27ste hoofdstuk van
Jesaja heen gestapt, alsof het onbelangrijk is. Ja, in het laatste
"commentaar" geeft het Wachttorengenootschap niet eens één
enkel commentaar op de verzen zeven tot en met elf.
In de openingszin van het volgende hoofdstuk van Jesaja's
profetie, geeft de profeet ook op passende wijze uitleg over
de reden dat het Gods "priesters" en "profeten" ontbreekt aan
inzicht aangaande Gods toekomstige oordelen, door over hen te
zeggen: "Wee de eminente kroon van de dronkaards van
Efraïm, en de verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad,
dat rust op het hoofd van het vruchtbare dal van hen die door
de wijn zijn overmand!"
Jehovah's woordvoerders bevinden zich in een geestelijk dronken
toestand en kunnen daarom de complexe zaken in Gods Woord niet
begrijpen, zoals de profetie verder belicht: "Vanwege wijn
hebben zij gedwaald en vanwege bedwelmende drank hebben zij
gedoold. Priester en profeet - zij hebben gedwaald vanwege bedwelmende
drank, zij zijn verward geworden ten gevolge van de wijn, zij
hebben gedoold ten gevolge van de bedwelmende drank; zij hebben
gedwaald in hun zien, zij hebben gewaggeld met betrekking tot
de beslissing. Want de tafels zelf zijn allemaal vol vies uitbraaksel
geworden - er is geen plaats die schoon is." (vers 7 en
8)
Het Besturend Lichaam en andere invloedrijke geestelijke mannen
die de leiding nemen in het onderwijzen van Jehovah's Getuigen
hebben te lang gedronken van de bedwelmende organisatorische
wijn van het jaar 1914. In hun geestelijk bedwelmde toestand
van zelfverheffing is het voor hen onmogelijk Jehovah's komende
oordelen te begrijpen.
Terugkerend tot het 27ste hoofdstuk luiden de verzen 7 en
8 als volgt: "Moet men hem slaan als met de slag van iemand
die hem sloeg? Of moet hij worden gedood als met de slachting
van zijn gedoden? Met een schrikaanjagende kreet zult gij met
haar twisten wanneer gij haar wegzendt. Hij moet haar verdrijven
door zijn harde wind op de dag van de oostenwind."
Dit gedeelte van Jesaja is zeer moeilijk te ontcijferen. Geen
enkele geestelijk bedwelmde zou zelfs maar kunnen hopen hiertoe
in staat te zijn. Wat de profetie vrijwel ondoorgrondelijk maakt,
is dat er verschillende voornaamwoorden worden gebruikt en het
nogal verwarrend is wie er met "hem," "haar," "hij," "zijn"
en "gij" worden bedoeld. Maar, laten we deze profetie nu
eens nuchter benaderen.
Om de profetie te situeren in de context van Gods toekomstige
oordelen, moeten we eerst erkennen dat God zijn gezalfde zonen
eerst nog streng moet onderrichten voor hun vele zonden en dwalingen.
Jesaja 26:16 plaatst de disciplinaire periode bijvoorbeeld onmiddellijk
voor de dag waarop Gods volk uiteindelijk redding zal
ontvangen. Dat vers luidt: " O Jehovah, in benauwdheid hebben
zij hun aandacht op u gericht; zij hebben een fluistergebed
uitgestort toen uw strenge onderricht hen trof."
We keren even kort terug naar Zacharia en ditmaal de laatste
verzen van het 13de hoofdstuk. De profetie voorzegt dat Gods
volk, als voorbode van de laatste aanval op de heilige stad
Jeruzalem, streng onderricht en gelouterd wordt tot een punt
waarop ze uiteindelijk in de volledige betekenis aanvaard worden
als Gods volk. Zacharia 13:9 luidt: "En ik zal het derde
deel stellig door het vuur heen brengen; en ik zal hen werkelijk
louteren zoals men zilver loutert, en hen toetsen zoals men
goud toetst. Het zal van zijn kant mijn naam aanroepen, en ik,
van mijn kant, zal het antwoorden. Ik wil zeggen: 'Het is mijn
volk', en het zal op zijn beurt zeggen: 'Jehovah is mijn God.'"
Nu terug naar Jesaja 27:2-4 waar we lezen: "Zingt haar
op die dag toe: "Een wijngaard van mousserende wijn!" Ik, Jehovah,
beveilig haar. Elk ogenblik zal ik haar drenken. Opdat niemand
zijn aandacht tegen haar richt, zal ik haar zelfs nacht en dag
beveiligen. Geen woede heb ik."
In de bovenstaande verzen verwijst Jehovah naar zijn volk
in de vrouwelijke vorm. Dat helpt ons te begrijpen aan wie één
van de voornaamwoorden in het 7de en 8ste vers zijn toegeschreven.
"Haar," degene die Jehovah beveiligt, moet Jehovah's
gereinigde organisatorische vrouw zijn. Het feit dat
Jehovah verklaart dat hij geen woede heeft tegen zijn "vrouw,"
geeft aan dat hij zijn woede reeds heeft geuit en zijn
verontwaardiging reeds over haar heeft gebracht en haar op dat
moment reeds teruggekocht heeft. (Zie het essay Wie
Is de "Vrouw" Uit Profetie?)
In de volgende verzen verandert Jehovah het taalgebruik en
verwijst hij naar zijn organisatie als "Jakob." Dit is niet
ongewoon daar dit heel wat andere keren ook gebeurt. We moeten
daarom inzien dat Jehovah in deze specifieke profetie wisselt
tussen de vrouwelijke en mannelijke vorm, waarbij hij naar Jakob
verwijst met "hij" en "hem" en naar de vrouw met "haar".
Om nu de belangrijkheid van de profetie volledig te begrijpen,
moeten we kort terugkeren naar de oorspronkelijke profetie die
Jehovah in Eden gaf. Toen hij rechtstreeks tot de slang sprak,
voorzei Jehovah de langdurige vijandschap die zou bestaan tussen
Gods vrouw en de slang en hun respectievelijke zaden. Het 27ste
hoofdstuk van Jesaja richt weer scherp de aandacht op deze twee
geheimzinnige entiteiten. Het is alsof Jehovah's dialoog met
de Oorspronkelijke Slang in Eden hervat wordt in die profetie,
op een punt in de geschiedenis waarop Jehovah uiteindelijk zijn
oordeel over de Duivel voltrekt.
Met de spelers in gedachten is het daarom duidelijk dat Jehovah
de vraag uit vers zeven richt tot zijn aartsvijand, Satan de
Duivel - vragend naar zijn verantwoording voor het doden van
"Jakob," door te zeggen: "Moet men hem slaan als met de slag
van iemand die hem sloeg? Of moet hij worden gedood als met
de slachting van zijn gedoden?"
In het licht van het feit dat God op dat moment de zaken tussen
hem en zijn volk reeds heeft rechtgezet, is er geen reden meer
voor Jehovah enige vijand van hem nog verder toe te staan tuchtiging
over zijn volk te brengen. Het doden van "Jakob" is niet in
opdracht van Jehovah God. Daarom stelt God de volgende vraag
aan Leviathan: "Moet men hem slaan…moet hij worden gedood"?
De Duivel moet zich nu verantwoorden tegenover de Almachtige
God voor het laatdunkend toedienen van een doodsslag aan Jehovah's
aardse zonen.
In het volgende vers (8) verandert het voornaamwoord naar
de vrouwelijke vorm. Daar lezen we: "Met een schrikaanjagende
kreet zult gij met haar twisten wanneer gij haar wegzendt. Hij
moet haar verdrijven door zijn harde wind op de dag van de oostenwind."
In het 12de hoofdstuk van Openbaring wordt de symbolische
vrouw die Gods koninkrijk baart onmiddellijk vervolgd door Satan
de Duivel. Maar in plaats van een sterke windvlaag, beschrijft
het visioen in Openbaring de Draak die een stroom van water
uit zijn bek braakt: "En de slang braakte uit zijn bek de
vrouw water achterna, een rivier gelijk, opdat de rivier haar
zou verdrinken."
Het volgende is interessant: Terwijl het voorgaande vers in
Jesaja verwijst naar Jakob die gedood zal worden, geeft noch
Jesaja, noch Openbaring aan dat Gods vrouw gedood wordt door
Satans aanval. In plaats van gedood te worden, voorzegt Jesaja
dat de op een draak gelijkende Leviathan Gods vrouw angst zal
aanjagen "met een schrikaanjagende kreet" en dat hij
"met haar zal twisten wanneer hij haar wegzendt." De
profetie zegt verder: "Hij moet haar verdrijven door zijn
harde wind."
Nu de vraag: Als van Satan de Duivel wordt gezegd dat hij
Gods vrouw zal wegzenden en haar zal "verdrijven door zijn
harde wind," vanwaar wordt ze dan verdreven en waar gaat
ze heen?
Hierover redenerend: Daar de twist tussen de vrouw en de slang
zich op aarde afspeelt, kan het enkel maar zijn dat de vrouw
van de aarde zelf verdreven wordt door een vlaag van demonische
woede die tegen de zonen van de vrouw losgelaten wordt. Met
andere woorden, de vrouw wordt verdreven van haar aardse domein
waar haar zaad (Jakob) geslacht wordt.
Zoals reeds eerder gezegd, het "Jeruzalem dat boven is" is
enkel maar zichtbaar op aarde zolang de inwoners van die hemelse
stad in het vlees zijn. Daarom zegt het 10de vers het volgende,
nadat Gods vrouw verdreven is en Jakob gedood is: "Want de
versterkte stad zal eenzaam zijn, de weidegrond aan zichzelf
overgelaten en verlaten als een wildernis." De "versterkte
stad" die verlaten zal worden, is een verwijzing naar Jeruzalem,
of liever gezegd datgene waarnaar we heden ten dage losjes verwijzen
als "Jehovah's zichtbare organisatie." In ogenschijnlijke tegenstelling
hiermee zeggen dat laatste verzen in Jesaja echter dat Gods
volk verzameld wordt tot Gods "heilige berg in Jeruzalem."
Hoe kan het echter dat de verstrooide zonen verzameld worden
tot Jeruzalem wanneer de versterkte stad eenzaam en verlaten
is? Wederom contrasteert de profetie de toestand van een aardse
stad met een hemelse stad.
De laatste verzen in het 27ste hoofdstuk van Jesaja luiden
als volgt: "En het moet geschieden op die dag, dat Jehovah
de vrucht zal afslaan, vanaf de snelvlietende stroom van de
Rivier tot het stroomdal van de beek van Egypte, en zo zult
gijzelf de een na de ander worden bijeengeraapt, o zonen van
Israël. En het moet geschieden op die dag, dat er op een grote
horen geblazen zal worden, en degenen die in het land Assyrië
dreigen om te komen en de verdrevenen in het land Egypte zullen
stellig komen en zich neerbuigen voor Jehovah op de heilige
berg te Jeruzalem."
Oplettende lezers zullen opmerken dat het "blazen op een
grote horen," waarmee de op een oogst gelijkende verzameling
van de verstrooide zonen van Israël begint, in harmonie is met
Christus' eigen profetie aangaande de definitieve inzameling
van de uitverkorenen. Jezus verwoordde het echter net iets anders
toen hij zei: "En hij zal zijn engelen uitzenden met een
luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen
van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen tot
het andere uiteinde daarvan." (Mattheüs 24:31)
Dus, terwijl het aardse domein van Gods zonen verlaten zal
worden om gelijk een eenzame stad te worden, zullen de personen
die de stad voorheen bewoonden voor Jehovah zelf verschijnen
om voor hem neer te buigen op zijn heilige berg in de hemel
- de werkelijke stad van God. Openbaring beschrijft dit
tafereel als 144.000 die met het Lam staan op de hemelse top
van de Berg Sion.
Het is daarom duidelijk dat wanneer de engelen "zijn uitverkorenen
bijeenvergaderen van de vier windstreken," ze geoogst worden
doordat ze in het vlees ter dood worden gebracht als gevolg
van het feit dat de engelen de "vier winden" van demonische
onderdrukking loslaten. Dat wordt in Jesaja gesymboliseerd door
de harde wind "op de dag van de oostenwind." Ja, "in
een oogwenk" worden de gedode zonen van Jakob verzameld
aan Jehovah's zijde ter voorbereiding op het verbrijzelen van
de wereld van de Duivel.
Met betrekking tot de "oostenwind" dienen Bijbelonderzoekers
het feit op te merken dat de Chaldeeuwse indringers in Habakuk,
een zichzelf uitleggend visioen voor de bestemde tijd die we
volgens Jehovah moeten blijven verwachten, een afbeelding zijn
van de 8ste koning. Habakuk 1:9-11 beschrijft het Chaldeeuwse
leger als volgt: "In haar geheel komt ze enkel voor geweld.
Het bijeenbrengen van hun aangezichten is als de oostenwind,
en ze vergadert gevangenen net als het zand. En van haar kant
beschimpt ze zelfs koningen, en hoogwaardigheidsbekleders zijn
haar iets lachwekkends. Van haar kant lacht ze zelfs om elke
versterkte plaats, en ze hoopt stof op en neemt haar in. In
die tijd zal ze stellig oprukken als wind en doortrekken
en zich werkelijk schuldig maken. Deze kracht van haar is aan
haar god toe te schrijven."
We willen nu terugkeren naar de vraag die helemaal aan het
begin werd gesteld: Zal het christendom het einde van deze wereld
overleven? Jesaja verschaft het antwoord in het 9de vers, waar
we lezen: "Daarom zal hierdoor de dwaling van Jakob worden
verzoend, en dit is de ganse vrucht wanneer hij zijn zonde wegneemt,
wanneer hij alle altaarstenen maakt gelijk verpulverde kalkstenen,
zodat de heilige palen en de reukwerktafels niet zullen verrijzen."
Ondanks dat de taal gestoeld is op een primitieve setting,
hebben we gezien dat het 27ste hoofdstuk van Jesaja in werkelijkheid
te maken heeft met het hoogtepunt van de voortdurende oorlogvoering
tussen Gods familie van zonen en de Duivel en zijn zaad. Wat
betekent het daarom dat "de dwaling van Jakob zal worden
verzoend"? Het betekent dat Jezus' loskoopoffer zijn primaire
doel verwezenlijkt heeft in verband met het geestelijk Israël.
Het is niet langer noodzakelijk dat Jezus' vergoten bloed op
het altaar gesprenkeld wordt om verzoening te doen voor hun
zonden. Op dat punt zullen de zonden van Christus' gemeente
volledig vergeven zijn. Wanneer de laatste zoon van Jakob als
onsterfelijke zoon van God opgestaan is tot de hemel, zal Jezus
niet langer hoeven te dienen als de middelaar van het nieuwe
verbond. Het zal zijn alsof het altaar waarop Christus' bloed
aan Jehovah was aangeboden voor verzoening "verpulverd"
zal zijn - afgebroken - het zal zijn doel hebben gediend.
De apostel Paulus merkte op dat de Gedachtenis aan Christus'
dood enkel gevierd zal worden tot de tijd waarop de Heer
aankomt. Daarna is het niet langer geldig. Paulus schrijft:
"Want zo dikwijls als gij dit brood eet en deze beker drinkt,
blijft gij de dood des Heren verkondigen, totdat hij
gekomen is." (1 Korinthiërs 11:26)
Daarom, het antwoord op de vraag: Zal het christendom het
einde van de wereld overleven? Het antwoord is nee. Eens dat
de 144.000 gezalfde Christenen allen in de hemel zijn, zal het
christendom, zoals we dat nu kennen, niet langer bestaan.
Jesaja vervolgt wanneer hij de toestand van degenen die achterblijven
beschrijft: "Want de versterkte stad zal eenzaam zijn, de
weidegrond aan zichzelf overgelaten en verlaten als een wildernis.
Daar zal het kalf weiden, en daar zal het zich neerleggen; en
hij zal werkelijk haar grote takken verteren. Wanneer haar takjes
zijn verdord, zullen vrouwen die er komen, ze afbreken en ze
aansteken. Want het is geen volk met een scherp verstand. Daarom
zal zijn Maker het geen barmhartigheid betonen, en zijn eigen
Formeerder zal het geen gunst betonen." (Jesaja 27:10, 11)
Met de volgende woorden schatte de profeet Jeremia ons onvermogen
onze eigen koers in het leven te bepalen - onafhankelijk van
Jehovah's leiding - nauwkeurig in: "Ik weet heel goed, o
Jehovah, dat het niet aan de aardse mens is zijn weg te bepalen.
Het staat niet aan een man die wandelt, zelfs maar zijn schrede
te richten." (Jeremia 10:23)
Volgens Jezus zullen Gods uitverkorenen uiteindelijk zo helder
schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader - goddelijk
licht weerspiegelend tot al degenen die het voorrecht zullen
hebben hun aangezicht te zien. Zonder twijfel zal de openbaring
van de zonen Gods in verband met de openbaring van Christus'
heerlijkheid een indrukwekkende demonstratie van Jehovah's uitverkorenen
zijn voorafgaand aan hun heengaan. Wanneer Gods uitverkorenen
echter niet meer op aarde zijn, hoe zal het degenen dan vergaan
die afhankelijk zijn van de "getrouwe slaaf" voor hun geestelijke
voeding?
Jesaja antwoordt in symbolische taal die aangeeft dat de andere
schapen (in deze profetie gesymboliseerd door de kalveren) zullen
weiden op de "grote takken" die achtergelaten zijn door
Jakob, en dat "vrouwen" daarna de takjes zullen afbreken
en aansteken. Dat ze als "vrouwen" worden afgebeeld lijkt te
symboliseren dat ze de andere schapen zijn die in onderworpenheid
waren aan Jakob voor zijn vertrek. Daar de heengegane slaaf
de andere schapen niet had voorbereid op zijn geweldige heengaan,
merkt Jehovah verder op dat degenen die achterblijven "geen
volk is met een scherp verstand." Jehovah betoont hen geen
gunst, omdat hij hun geestelijke leider van hen wegneemt - hen
tijdelijk achterlatend zodat ze voor zichzelf moeten zorgen
bij de plotselinge afwezigheid van Jakob.
Het 27ste hoofdstuk van Jesaja, alsook andere delen uit profetie,
hebben veel te zeggen over het onderwerp of de gezalfden
de oorlog van Armageddon zullen overleven, de Bijbel zwijgt
er in het geheel niet over.
Vragen die verband houden met de uiteindelijke verzegeling
en openbaring van de zonen Gods zullen in komende essays worden
beschouwd.