Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

4 September 2004

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Essay
Download Essay *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com

Speciale Serie


 


In overeenstemming met de aanmoediging van het Wachttorengenootschap "Aandacht te Schenken Aan Daniëls Profetie," is het nu volgende essay het eerste van een vijfdelig artikel dat een mogelijke alternatieve interpretatie geeft aan Jehovah's Getuigen op de huidige kijk van het Wachttorengenootschap op enkele sleutelaspecten uit Daniëls profetie omtrent de identiteit van de "koning van het noorden" en "de koning van het zuiden."


Om het spoor van de koning van het noorden op te pakken, kunnen we het beste beginnen in Daniël 11:20-22, waar staat: "En in zijn positie moet er een opstaan die een afperser door het prachtige koninkrijk laat trekken, en in enkele dagen zal hij verbroken worden, maar niet in toorn, noch in oorlogvoering."

De interpretatie van het Wachttorengenootschap van dit deel van de profetie lijkt juist te zijn, doordat degene die opstaat in de positie van de koning van het noorden op dat ogenblik Augustus Caesar is - de eerste keizer van Rome. (De voorgaande koning van het noorden was de Syrische koning Antiochus IV.) Augustus vaardigde uit dat er een volkstelling moest plaatsvinden ten behoeve van belasting en dienstplicht; zodoende liet hij "een afperser door het prachtige koninkrijk [van Judea] trekken." Kort daarna stierf Augustus een natuurlijke dood.

Na Augustus kwam Tiberius Caesar, die in verband met de doop en zalving van Jezus bij name wordt genoemd in het Evangelie van Lukas. Daniël 11:21 zegt het volgende over de opvolger van Augustus: "En in zijn positie moet er een opstaan die te verachten is, en men zal hem stellig niet de waardigheid van het koninkrijk verlenen; en hij zal werkelijk binnenkomen gedurende een tijd van onbezorgdheid en door middel van geslepen gladheid het koninkrijk bemachtigen."

De interpretatie van het Genootschap van dit vers klinkt redelijk, maar het is niet geheel duidelijk hoe er gezegd kan worden dat "men hem stellig niet de waardigheid van het koninkrijk zal verlenen." Het Wachttorengenootschap merkt op dat de waardigheid van het koninkrijk "hem pas na de dood van alle andere aannemelijke opvolgers met tegenzin [werd] verleend." Wellicht was het echter de waardigheid van het Judese koninkrijk dat niet werd verleend aan Tiberius, doordat de Joden hun Romeinse bezetters verachtten - inclusief Pontius Pilatus - de door Tiberius aangestelde bestuurder van Jeruzalem. De Joodse geschiedenis onthult diverse incidenten waarbij Pilatus nogal grof omging met gevoelige Joods religieuze zaken.

Bij één gelegenheid veroorzaakte Pilatus bijna een opstand toen hij Romeinse insignes in Jeruzalem plaatste - herinneringen aan de verachte imperialistische aanwezigheid van Rome. De Joden trotseerden Pilatus' autoriteit door hem, als aangestelde van Tiberius, niet de waardigheid van zijn positie toe te kennen en eisten dat de insignes uit de heilige stad verwijderd werden. Pilatus droeg zijn soldaten op de Joden te omsingelen, maar zij bleven volhouden en aanvaardden het risico geëxecuteerd te worden, zodat Pilatus gedwongen werd de insignes te verwijderen.

Bij een andere gelegenheid hing Pilatus ter ere van de keizer enkele schilden in het paleis van Herodus op. De Joden namen hier opnieuw aanstoot aan en petitioneerde Tiberius die vervolgens opdroeg de aanstootgevende schilden te verwijderen. Op die wijze zou Tiberius zich bemind hebben kunnen maken bij de Joden - "en door middel van geslepen gladheid het koninkrijk bemachtigen." Tegen de tijd van Christus' executie uitte de leiders van het Joodse koninkrijk met de volgende woorden hun volledige trouwheid aan Tiberius: "Wij hebben geen andere koning dan caesar!" Dus, niet alleen het Judese koninkrijk werd geregeerd door de gladheid van de koning van het noorden, ook de geboorteplaats en het oorspronkelijke werkveld van het christendom kwam onder autoriteit van de koning van het noorden.

Het 22ste vers zegt verder het volgende over de Romeinse koning van het noorden: "En wat de armen van de vloed betreft, ze zullen wegens hem overstroomd worden, en ze zullen verbroken worden; zo ook de Leider van het verbond."

De "Leider van het verbond" is zonder twijfel Jezus Christus. Maar, wie "zullen wegens hem overstroomd worden"? De interpretatie van het Wachttorengenootschap lijkt de plank mis te slaan. Het commentaar van het Genootschap op dit vers luidt: "Wat de armen van de vloed betreft" - de strijdkrachten van de omringende koninkrijken - zei de engel: 'Ze zullen overstroomd en verbroken worden.' Toen Tiberius de koning van het noorden werd, was zijn neef Germanicus Caesar de bevelhebber van de Romeinse legers aan de Rijn. In 15 G.T. liet Germanicus zijn troepen optrekken tegen de Germaanse held Arminius en behaalde enige successen. De beperkte overwinningen werden echter duur betaald, en Tiberius maakte daarna een eind aan de operaties in Germanië. In plaats daarvan probeerde hij door onderlinge strijd aan te wakkeren, de Germaanse stammen van samengaan terug te houden. Tiberius was doorgaans voorstander van een defensieve buitenlandse politiek en concentreerde zich op het versterken van de grenzen. Deze opstelling had redelijk succes. Op deze wijze werden "de armen van de vloed" in toom gehouden en "verbroken".

Volgens het Genootschap waren de "armen van de vloed" de Germaanse troepen uit het noordelijke deel van het rijk die vijandig stonden tegenover Rome. Het Wachttorengenootschap lijkt echter te zeggen dat de Germaanse troepen zowel de "armen van de vloed" waren alsook "ze" die "overstroomd worden." Maar, hoe redelijk is dat? Het Wachttorengenootschap geeft geen zinnige uitleg over hoe de armen van de vloed overstroomd werden.

Ten tweede lijkt het volkomen ongerechtvaardigd te zijn de conclusie te trekken dat het voornaamwoord "ze," degenen die "overstroomd worden," een verwijzing is naar de Germanen, terwijl er in de omringende context niet over hen wordt gesproken. In beschouwing genomen dat de profetie te maken heeft met wat er zou gebeuren in het "prachtige koninkrijk" in verband met "de Leider van het verbond" die gebroken wordt door de koning van het noorden, lijkt het erop dat "ze" slaat op de Joden. Het is zeer twijfelachtig dat de engel een onbekende oorlog tussen Germaanse stammen en de Romeinse legers in één adem zou noemen met de voorzegde executie van de Zoon van God. Er bestaat eenvoudig geen verband.

We moeten steeds de noodzaak in gedachte houden de Bijbel zichzelf te laten interpreteren. Het 9de hoofdstuk van Daniël verwijst bijvoorbeeld naar de Joodse heilige plaats (het prachtige koninkrijk) en "het volk van een leider" dat, nadat de Messias is afgesneden, overstroomd en verwoest zal worden door een walgelijk ding. Dat is precies hetzelfde onderwerp als bovenstaande verzen in verband met de koning van het noorden. Het lijkt daarom redelijk te concluderen dat "ze" uit Daniël 11:22 die overstroomd en "gebroken" worden, de inwoners van het "prachtige koninkrijk" zijn die de "Leider van het verbond" verwierpen. De vloed van verwoesting vond natuurlijk in 70 G.T. plaats toen de Romeinen, onder Generaal Titus, Jeruzalem volledig vernietigden.

Klaarblijkelijk is het echter zo dat de identiteit van de koning van het noorden in elke fase niet beperkt is tot een individu zoals Tiberius. De profetie bevat in plaats daarvan ontwikkelingen die enkel door individuele koningen, zoals Tiberius, in gang zijn gezet. Daar dit aspect van de profetie ons verder voert dan de regering van Augustus' verachtte opvolger, Tiberius, is het commentaar van het Wachttorengenootschap op de volgende verzen ook aan herziening toe.

"En omdat men zich met hem verbonden heeft, zal hij bedrog plegen en werkelijk opkomen en machtig worden door middel van een kleine natie." (Daniël 11:23)

Het commentaar van het Wachttorengenootschap in het boek Schenk Aandacht Aan Daniëls Profetie brengt deze profetie van toepassing op de interne aangelegenheden van de Romeinse politieke macht. "Omdat men zich met hem verbonden heeft" wordt van toepassing gebracht op de Romeinse Senaat. Maar, wederom is er niets in de context dat rechtvaardigt dat een voornaamwoord, in dit geval "men," arbitrair van toepassing wordt gebracht op een entiteit als de Romeinse Senaat. De context spreekt erover dat "men" "wegens hem overstroomd wordt." Het lijkt er daarom op dat de profetie zegt dat de Joden zich verbonden hadden met het Romeinse Rijk. Maar hoe? Laten we er wederom naar streven de Schrift zichzelf te laten interpreteren.

Psalm 2:2 is een messiaanse profetie die door de apostelen van toepassing werd gebracht op de anti-Christus samenzwering die zich in de 1ste eeuw ontwikkelde tussen de Joodse leiders en de Romeinse heerser - Pontius Pilatus. In Handelingen 4:26-28 bidden de apostelen tot God, waarbij ze de 2de Psalm aanhalen en onder inspiratie de volgende interpretatie geven: "De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de regeerders hebben zich als één blok aaneengesloten tegen Jehovah en tegen zijn gezalfde.' Zo ook waren in deze stad zowel Herodes als Pontius Pilatus, te zamen met mensen der natiën en met volken van Israël, in werkelijkheid vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die gij hebt gezalfd, om alles te doen wat uw hand en raad van tevoren had bepaald dat zou geschieden."

Lukas verslaat ook dat de slechts in naam Joods Edomitische koning, Herodes, en Pontius Pilatus vrienden werden op de dag van Christus' terechtstelling. Lukas 23:11, 12 zegt: "Toen maakte Herodes samen met de soldaten van zijn wacht hem te schande, en hij dreef de spot met hem door hem in een schitterend kleed te steken en zond hem naar Pilatus terug. Op diezelfde dag nu werden Herodes en Pilatus elkaars vrienden; tevoren namelijk leefden zij in voortdurende vijandschap met elkaar."

Het ongepaste politieke verbond tussen de Joden en hun verachtte Romeinse meesters kan worden beschouwd als één aspect van de vervulling van Daniëls profetie. Houd echter in gedachte dat de 2de Psalm een veel verstrekkendere toepassing heeft dan enkel op de 1ste eeuw.

Op dit punt is het echter essentieel een belangrijke verandering in Gods voornemen op te merken. "Het Sieraadland," zoals dat in het 16de vers wordt genoemd en "het Sieraadland" in het 41ste vers zijn niet hetzelfde "Sieraadland." Het oorspronkelijke sieraadland was namelijk het letterlijke "prachtige koninkrijk" Juda. Op Pinksteren 33 G.T. kwam er echter een geestelijk Israël tot bestaan. De gezalfde gemeente is daarom het hedendaagse "Sieraadland." Zo ook is de "Leider van het verbond," Christus, niet de leider van het Mozaïsche verbond dat God sloot met de natie Israël. Jezus is middelaar in een verbond met leden van het geestelijke Israël. Maar, net zoals het vleselijke Israël Christus verwierp en afvallig werd, ontwikkelde zich tevens een afval vlak nadat de natie van het geestelijke Israël tot bestaan kwam.

Merk met deze overlappende kenmerken van profetie in gedachte ook op dat afvallige christelijke bisschoppen zichzelf ook verbonden aan de Romeinse koning van het noorden, net zoals de Joodse leiders dat eerder hadden gedaan. Hoe gebeurde dit? Na de dood van de apostelen raakte het christendom meer en meer verdorven. Ondanks dat slechts 10% van de totale bevolking onder Romeinse heerschappij in de 4de eeuw christelijk was, maakte Keizer Constantijn het "christendom" uiteindelijk tot de staatsreligie. De christenheid was geboren.

Op die manier zou het Romeinse Rijk "machtig worden door middel van een kleine natie" - de "kleine natie" die voortkwam uit het geestelijke Israël. En door middel van onechte christenen die zich aan hem "verbonden" was de koning van het noorden in staat "bedrog [te] plegen." Bedenk: doordat Constantijn het "christendom" tot de goedgekeurde staatsreligie maakte, werd de keizer van Rome, de koning van het noorden, het titulaire hoofd van wat eens Christus' kerk was! En wat een verstrekkende gevolgen heeft dat bedrieglijke verbond gehad! Tot op de dag van vandaag bevinden honderden miljoenen Katholieken, Protestanten en leden van de Orthodoxe kerken zich onder een vals leerstellig stelsel van aanbidding dat door Keizer Constantijn werd opgericht bij de Geloofsbelijdenis van Nicea.

Het boek Aandacht Schenken Aan Daniëls Profetie bevat de interpretatie van het Wachttorengenootschap van de profetie aangaande de koning van het noorden die "machtig wordt door middel van een kleine natie," en zegt dat de "kleine natie" de zogenaamde Pretoriaanse Lijfwacht was. De Pretoriaanse Lijfwacht was een elitegroep van uitgekozen infanterie en cavaleristen die dienden als een soort van geheime dienst en bodyguard voor de keizer. Is het echter nauwkeurig om te zeggen dat de keizer door middel van hen machtig werd? Niet echt. De Caesars waren machtig omdat ze controle hadden over een enorm leger - niet enkel hun Pretoriaanse bodyguards. In sommige opzichten vormde de Pretoriaanse Lijfwacht zelf een doodsbedreiging zodat ze flink betaald moesten worden om hun loyaliteit te garanderen.

Dit zijn echter niet de enige redenen waarom de interpretatie van het Wachttorengenootschap onhoudbaar lijkt; wanneer de interpretatie van het Wachttorengenootschap echt juist is, kunnen we ons afvragen waarom Jehovah zelfs maar interesse toont voor zulke triviale details uit de geschiedenis en nalaat licht te werpen op de manier waarop het Romeinse Rijk zichzelf vanaf oude tijden tot moderne tijden in stand gehouden heeft. Zoals het er nu voor staat geeft de profetie, volgens de interpretatie van het Wachttorengenootschap, geen details over hoe de koning van het noorden de zogenaamde val van het Romeinse Rijk heeft overleefd. Het Wachttorengenootschap geeft dat ook toe in het commentaar dat we lezen op blz. 242:

"Zonder onnodige details te verschaffen over de ondergang van het Romeinse Rijk, een proces dat eeuwen heeft geduurd, vervolgde Jehovah's engel met het voorzeggen van verdere ondernemingen van de koning van het noorden en de koning van het zuiden. Een kort overzicht van bepaalde ontwikkelingen in het Romeinse Rijk zal ons echter helpen de twee rivaliserende koningen in later tijden te identificeren."

Het commentaar van het Genootschap laat Bijbelonderzoekers in verbijstering achter hun oren krabben over waarom Jehovah het kennelijk nodig achtte ons te informeren over triviale details omtrent de schermutselingen aan de Duitse grens, de triviale betrekkingen van de Romeinse Senaat met Caesar en Caesars Pretoriaanse Lijfwacht, terwijl hij "onnodige details" over hoe het Romeinse Rijk zichzelf transformeerde in de christenheid om in het hedendaagse tijdperk voort te blijven bestaan, geheel wegliet.

God uit profetieën niet om ons te imponeren met zijn vooruitziendheid. Eén van de primaire doelen van profetie is te onthullen hoe Gods voornemen zich zal ontvouwen. Zeker, Jehovah's voornemen is nauw verbonden aan het befaamde ontstaan en bestaan van de christenheid; al was het alleen maar om ons te laten beseffen welke geestelijke erfenis we hebben en hoe de huidige politieke toestand van de wereld tot stand is gekomen. Een beschouwing van de interpretatie van het Wachttorengenootschap onthult echter een enorme, onoverkomelijke kloof tussen het Rome van Caesar en de moderne koning van het noorden. Daarom verdient de profetie van Daniël een nadere beschouwing.

Terugkerend tot Daniël 11:23, 24 lezen we: "En omdat men zich met hem verbonden heeft, zal hij bedrog plegen en werkelijk opkomen en machtig worden door middel van een kleine natie. Gedurende een tijd van onbezorgdheid zal hij zelfs in de vetheid van het rechtsgebied binnenkomen en werkelijk doen wat zijn vaderen en de vaderen van zijn vaderen niet gedaan hebben. Roofgoed en buit en have zal hij onder hen uitstrooien; en tegen versterkte plaatsen zal hij zijn snode plannen beramen, doch slechts tot een zekere tijd."

Het Wachttorengenootschap verklaart niet hoe Tiberius Caesar heeft gedaan "wat zijn vaderen en de vaderen van zijn vaderen niet gedaan hebben." Er wordt ons eenvoudig gezegd dat Tiberius bepaalde verbeteringen doorvoerde binnen het Romeinse Rijk en dat hij de belasting verlichtte en dat dat de vermeende vervulling was van de manier waarop de koning van het noorden de buit van het rijk deelde. Wanneer "omdat men zich met hem verbonden heeft" echter werkelijk een tweede vervulling vindt in de afvallige bisschoppen die zichzelf verbonden met Constantijn, dan zou het 24ste vers van toepassing zijn op de periode waarin de christenheid Europa regeerde.

Vóór Constantijn werden christenen regelmatig verboden en vervolgd door de Romeinen. Door het christendom tot staatsreligie te verheffen, ging "de christenheid" een periode binnen die in Daniëls profetie passend omschreven wordt als: "gedurende een tijd van onbezorgdheid." Door middel van de "christen geworden" Pontifex Maximus werden de Pausen opvolgers van de Romeinse Keizers, en als zodanig was de koning van het noorden in staat te doen wat de Caesars ("zijn vaderen en de vaderen van zijn vaderen") niet bereikt hadden. Gedurende de pauselijke regering was de koning van het noorden beter in staat de Europese beschaving te controleren. Vanaf de tijd van de val van het Romeinse Rijk in de 4de en 5de eeuw, wat het begin markeerde van een ongeveer 1000 jarige periode die bekend staat als de Middeleeuwen, tot aan het einde van het Heilige Romeinse Rijk in vroeg 1800, behield het stelsel dat door Constantijn gesticht was haar macht. Gedurende het feodale stelsel en de imperialistische Kruistochten vervulde de koning van het noorden Daniëls profetie: "Roofgoed en buit en have zal hij onder hen uitstrooien."

De overheersing van het koning van het noorden over Europa zou echter niet onbetwist door blijven gaan. De profetie zegt verder het volgende over de afloop van de koning: "en tegen versterkte plaatsen zal hij zijn snode plannen beramen, doch slechts tot een zekere tijd."

Op dit punt worden we opnieuw voorgesteld aan degene die van oudsher de tegenstander van de koning van het noorden is geweest - de koning van het zuiden. In vers 25 lezen we: "En hij zal zijn kracht en zijn hart tegen de koning van het zuiden opwekken met een grote krijgsmacht; en de koning van het zuiden, van zijn kant, zal zichzelf tot de oorlog aanzetten met een buitengewoon grote en sterke krijgsmacht."

Wie is de koning van het noorden en welke grote oorlog wordt er in het bovenstaande vers beschreven? Deel Twee zal het volgende deel van Daniëls profetie aangaande de koning van het noorden en de koning van het zuiden bespreken.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman