
In
overeenstemming met de aanmoediging van het Wachttorengenootschap
"Aandacht
te Schenken Aan Daniëls Profetie," is het
nu volgende essay het eerste van een vijfdelig artikel
dat een mogelijke alternatieve interpretatie geeft aan
Jehovah's Getuigen op de huidige kijk van het Wachttorengenootschap
op enkele sleutelaspecten uit Daniëls profetie omtrent
de identiteit van de "koning van het noorden"
en "de koning van het zuiden."
Om het spoor van de koning van het noorden op te pakken,
kunnen we het beste beginnen in Daniël 11:20-22, waar
staat: "En in zijn positie moet er een opstaan die
een afperser door het prachtige koninkrijk laat trekken,
en in enkele dagen zal hij verbroken worden, maar niet
in toorn, noch in oorlogvoering."
De interpretatie van het Wachttorengenootschap van dit
deel van de profetie lijkt juist te zijn, doordat degene
die opstaat in de positie van de koning van het noorden
op dat ogenblik Augustus Caesar is - de eerste keizer
van Rome. (De voorgaande koning van het noorden was de
Syrische koning Antiochus IV.) Augustus vaardigde uit
dat er een volkstelling moest plaatsvinden ten behoeve
van belasting en dienstplicht; zodoende liet hij "een
afperser door het prachtige koninkrijk [van Judea] trekken."
Kort daarna stierf Augustus een natuurlijke dood.
Na Augustus kwam Tiberius Caesar, die in verband met
de doop en zalving van Jezus bij name wordt genoemd in
het Evangelie van Lukas. Daniël 11:21 zegt het volgende
over de opvolger van Augustus: "En in zijn positie
moet er een opstaan die te verachten is, en men zal hem
stellig niet de waardigheid van het koninkrijk verlenen;
en hij zal werkelijk binnenkomen gedurende een tijd van
onbezorgdheid en door middel van geslepen gladheid het
koninkrijk bemachtigen."
De interpretatie van het Genootschap van dit vers klinkt
redelijk, maar het is niet geheel duidelijk hoe er gezegd
kan worden dat "men hem stellig niet de waardigheid
van het koninkrijk zal verlenen." Het Wachttorengenootschap
merkt op dat de waardigheid van het koninkrijk "hem pas
na de dood van alle andere aannemelijke opvolgers met
tegenzin [werd] verleend." Wellicht was het echter de
waardigheid van het Judese koninkrijk dat niet werd verleend
aan Tiberius, doordat de Joden hun Romeinse bezetters
verachtten - inclusief Pontius Pilatus - de door Tiberius
aangestelde bestuurder van Jeruzalem. De Joodse geschiedenis
onthult diverse incidenten waarbij Pilatus nogal grof
omging met gevoelige Joods religieuze zaken.
Bij één gelegenheid veroorzaakte Pilatus
bijna een opstand toen hij Romeinse insignes in Jeruzalem
plaatste - herinneringen aan de verachte imperialistische
aanwezigheid van Rome. De Joden trotseerden Pilatus' autoriteit
door hem, als aangestelde van Tiberius, niet de waardigheid
van zijn positie toe te kennen en eisten dat de insignes
uit de heilige stad verwijderd werden. Pilatus droeg zijn
soldaten op de Joden te omsingelen, maar zij bleven volhouden
en aanvaardden het risico geëxecuteerd te worden, zodat
Pilatus gedwongen werd de insignes te verwijderen.
Bij een andere gelegenheid hing Pilatus ter ere van
de keizer enkele schilden in het paleis van Herodus op.
De Joden namen hier opnieuw aanstoot aan en petitioneerde
Tiberius die vervolgens opdroeg de aanstootgevende schilden
te verwijderen. Op die wijze zou Tiberius zich bemind
hebben kunnen maken bij de Joden - "en door middel
van geslepen gladheid het koninkrijk bemachtigen."
Tegen de tijd van Christus' executie uitte de leiders
van het Joodse koninkrijk met de volgende woorden hun
volledige trouwheid aan Tiberius: "Wij hebben geen
andere koning dan caesar!" Dus, niet alleen het Judese
koninkrijk werd geregeerd door de gladheid van de koning
van het noorden, ook de geboorteplaats en het oorspronkelijke
werkveld van het christendom kwam onder autoriteit van
de koning van het noorden.
Het 22ste vers zegt verder het volgende over de Romeinse
koning van het noorden: "En wat de armen van de vloed
betreft, ze zullen wegens hem overstroomd worden, en ze
zullen verbroken worden; zo ook de Leider van het verbond."
De "Leider van het verbond" is zonder twijfel
Jezus Christus. Maar, wie "zullen wegens hem overstroomd
worden"? De interpretatie van het Wachttorengenootschap
lijkt de plank mis te slaan. Het commentaar van het Genootschap
op dit vers luidt: "Wat de armen van de vloed betreft"
- de strijdkrachten van de
omringende koninkrijken - zei de engel: 'Ze zullen
overstroomd en verbroken worden.' Toen Tiberius de koning
van het noorden werd, was zijn neef Germanicus Caesar
de bevelhebber van de Romeinse legers aan de Rijn. In
15 G.T. liet Germanicus zijn troepen optrekken tegen de
Germaanse held Arminius en behaalde enige successen. De
beperkte overwinningen werden echter duur betaald, en
Tiberius maakte daarna een eind aan de operaties in Germanië.
In plaats daarvan probeerde hij door onderlinge strijd
aan te wakkeren, de Germaanse stammen van samengaan terug
te houden. Tiberius was doorgaans voorstander van een
defensieve buitenlandse politiek en concentreerde zich
op het versterken van de grenzen. Deze opstelling had
redelijk succes. Op deze wijze
werden "de armen van de vloed" in toom gehouden en "verbroken".
Volgens het Genootschap waren de "armen van de vloed"
de Germaanse troepen uit het noordelijke deel van het
rijk die vijandig stonden tegenover Rome. Het Wachttorengenootschap
lijkt echter te zeggen dat de Germaanse troepen zowel
de "armen van de vloed" waren alsook "ze"
die "overstroomd worden." Maar, hoe redelijk is
dat? Het Wachttorengenootschap geeft geen zinnige uitleg
over hoe de armen van de vloed overstroomd werden.
Ten tweede lijkt het volkomen ongerechtvaardigd te zijn
de conclusie te trekken dat het voornaamwoord "ze,"
degenen die "overstroomd worden," een verwijzing
is naar de Germanen, terwijl er in de omringende context
niet over hen wordt gesproken. In beschouwing genomen
dat de profetie te maken heeft met wat er zou gebeuren
in het "prachtige koninkrijk" in verband met "de
Leider van het verbond" die gebroken wordt door de
koning van het noorden, lijkt het erop dat "ze"
slaat op de Joden. Het is zeer twijfelachtig dat de engel
een onbekende oorlog tussen Germaanse stammen en de Romeinse
legers in één adem zou noemen met de voorzegde executie
van de Zoon van God. Er bestaat eenvoudig geen verband.
We moeten steeds de noodzaak in gedachte houden de Bijbel
zichzelf te laten interpreteren. Het 9de hoofdstuk van
Daniël verwijst bijvoorbeeld naar de Joodse heilige plaats
(het prachtige koninkrijk) en "het volk van een leider"
dat, nadat de Messias is afgesneden, overstroomd en verwoest
zal worden door een walgelijk ding. Dat is precies hetzelfde
onderwerp als bovenstaande verzen in verband met de koning
van het noorden. Het lijkt daarom redelijk te concluderen
dat "ze" uit Daniël 11:22 die overstroomd en "gebroken"
worden, de inwoners van het "prachtige koninkrijk"
zijn die de "Leider van het verbond" verwierpen.
De vloed van verwoesting vond natuurlijk in 70 G.T. plaats
toen de Romeinen, onder Generaal Titus, Jeruzalem
volledig vernietigden.
Klaarblijkelijk is het echter zo dat de identiteit van
de koning van het noorden in elke fase niet beperkt is
tot een individu zoals Tiberius. De profetie bevat
in plaats daarvan ontwikkelingen die enkel door individuele
koningen, zoals Tiberius, in gang zijn gezet. Daar dit
aspect van de profetie ons verder voert dan de
regering van Augustus' verachtte opvolger, Tiberius, is
het commentaar van het Wachttorengenootschap op de volgende
verzen ook aan herziening toe.
"En omdat men zich met hem verbonden heeft, zal hij
bedrog plegen en werkelijk opkomen en machtig worden door
middel van een kleine natie." (Daniël 11:23)
Het commentaar van het Wachttorengenootschap in het
boek Schenk Aandacht Aan Daniëls Profetie brengt
deze profetie van toepassing op de interne aangelegenheden
van de Romeinse politieke macht. "Omdat men zich met
hem verbonden heeft" wordt van toepassing gebracht
op de Romeinse Senaat. Maar, wederom is er niets in de
context dat rechtvaardigt dat een voornaamwoord, in dit
geval "men," arbitrair van toepassing wordt gebracht
op een entiteit als de Romeinse Senaat. De context spreekt
erover dat "men" "wegens hem overstroomd wordt."
Het lijkt er daarom op dat de profetie zegt dat de Joden
zich verbonden hadden met het Romeinse Rijk. Maar hoe?
Laten we er wederom naar streven de Schrift zichzelf te
laten interpreteren.
Psalm 2:2 is een messiaanse profetie die door de apostelen
van toepassing werd gebracht op de anti-Christus samenzwering
die zich in de 1ste eeuw ontwikkelde tussen de Joodse
leiders en de Romeinse heerser - Pontius Pilatus. In Handelingen
4:26-28 bidden de apostelen tot God, waarbij ze de 2de
Psalm aanhalen en onder inspiratie de volgende interpretatie
geven: "De koningen der aarde hebben zich opgesteld
en de regeerders hebben zich als één blok aaneengesloten
tegen Jehovah en tegen zijn gezalfde.' Zo ook waren in
deze stad zowel Herodes als Pontius Pilatus, te zamen
met mensen der natiën en met volken van Israël, in werkelijkheid
vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die gij hebt
gezalfd, om alles te doen wat uw hand en raad van tevoren
had bepaald dat zou geschieden."
Lukas verslaat ook dat de slechts in naam Joods Edomitische
koning, Herodes, en Pontius Pilatus vrienden werden op
de dag van Christus' terechtstelling. Lukas 23:11, 12
zegt: "Toen maakte Herodes samen met de soldaten van
zijn wacht hem te schande, en hij dreef de spot met hem
door hem in een schitterend kleed te steken en zond hem
naar Pilatus terug. Op diezelfde dag nu werden Herodes
en Pilatus elkaars vrienden; tevoren namelijk leefden
zij in voortdurende vijandschap met elkaar."
Het ongepaste politieke verbond tussen de Joden en hun
verachtte Romeinse meesters kan worden beschouwd als één
aspect van de vervulling van Daniëls profetie. Houd echter
in gedachte dat de 2de Psalm een veel verstrekkendere
toepassing heeft dan enkel op de 1ste eeuw.
Op dit punt is het echter essentieel een belangrijke
verandering in Gods voornemen op te merken. "Het Sieraadland,"
zoals dat in het 16de vers wordt genoemd en "het Sieraadland"
in het 41ste vers zijn niet hetzelfde "Sieraadland."
Het oorspronkelijke sieraadland was namelijk het letterlijke
"prachtige koninkrijk" Juda. Op Pinksteren 33 G.T.
kwam er echter een geestelijk Israël tot bestaan. De gezalfde
gemeente is daarom het hedendaagse "Sieraadland."
Zo ook is de "Leider van het verbond," Christus,
niet de leider van het Mozaïsche verbond dat God sloot
met de natie Israël. Jezus is middelaar in een verbond
met leden van het geestelijke Israël. Maar, net zoals
het vleselijke Israël Christus verwierp en afvallig werd,
ontwikkelde zich tevens een afval vlak nadat de natie
van het geestelijke Israël tot bestaan kwam.
Merk met deze overlappende kenmerken van profetie in
gedachte ook op dat afvallige christelijke bisschoppen
zichzelf ook verbonden aan de Romeinse koning van
het noorden, net zoals de Joodse leiders dat eerder hadden
gedaan. Hoe gebeurde dit? Na de dood van de apostelen
raakte het christendom meer en meer verdorven. Ondanks
dat slechts 10% van de totale bevolking onder Romeinse
heerschappij in de 4de eeuw christelijk was, maakte Keizer
Constantijn het "christendom" uiteindelijk tot de staatsreligie.
De christenheid
was geboren.
Op die manier zou het Romeinse Rijk "machtig worden
door middel van een kleine natie" - de "kleine
natie" die voortkwam uit het geestelijke Israël. En
door middel van onechte christenen die zich aan hem "verbonden"
was de koning van het noorden in staat "bedrog [te]
plegen." Bedenk: doordat Constantijn het "christendom"
tot de goedgekeurde staatsreligie maakte, werd de keizer
van Rome, de koning van het noorden, het titulaire hoofd
van wat eens Christus' kerk was! En wat een verstrekkende
gevolgen heeft dat bedrieglijke verbond gehad! Tot op
de dag van vandaag bevinden honderden miljoenen Katholieken,
Protestanten en leden van de Orthodoxe kerken zich onder
een vals leerstellig stelsel van aanbidding dat door Keizer
Constantijn werd opgericht bij de Geloofsbelijdenis
van Nicea.
Het boek Aandacht Schenken Aan Daniëls Profetie
bevat de interpretatie van het Wachttorengenootschap van
de profetie aangaande de koning van het noorden die "machtig
wordt door middel van een kleine natie," en zegt dat
de "kleine natie" de zogenaamde Pretoriaanse
Lijfwacht was. De Pretoriaanse Lijfwacht was een elitegroep
van uitgekozen infanterie en cavaleristen die dienden
als een soort van geheime dienst en bodyguard voor de
keizer. Is het echter nauwkeurig om te zeggen dat de keizer
door middel van hen machtig werd? Niet echt. De Caesars
waren machtig omdat ze controle hadden over een enorm
leger - niet enkel hun Pretoriaanse bodyguards. In sommige
opzichten vormde de Pretoriaanse Lijfwacht zelf een doodsbedreiging
zodat ze flink betaald moesten worden om hun loyaliteit
te garanderen.
Dit zijn echter niet de enige redenen waarom de interpretatie
van het Wachttorengenootschap onhoudbaar lijkt; wanneer
de interpretatie van het Wachttorengenootschap echt juist
is, kunnen we ons afvragen waarom Jehovah zelfs maar interesse
toont voor zulke triviale details uit de geschiedenis
en nalaat licht te werpen op de manier waarop het Romeinse
Rijk zichzelf vanaf oude tijden tot moderne tijden in
stand gehouden heeft. Zoals het er nu voor staat geeft
de profetie, volgens de interpretatie van het Wachttorengenootschap,
geen details over hoe de koning van het noorden de zogenaamde
val van het Romeinse Rijk heeft overleefd. Het Wachttorengenootschap
geeft dat ook toe in het commentaar dat we lezen op blz.
242:
"Zonder onnodige details
te verschaffen over de ondergang van het Romeinse Rijk,
een proces dat eeuwen heeft geduurd, vervolgde
Jehovah's engel met het voorzeggen van verdere ondernemingen
van de koning van het noorden en de koning van het zuiden.
Een kort overzicht van bepaalde ontwikkelingen in het
Romeinse Rijk zal ons echter helpen de twee rivaliserende
koningen in later tijden te identificeren."
Het commentaar van het Genootschap laat Bijbelonderzoekers
in verbijstering achter hun oren krabben over waarom Jehovah
het kennelijk nodig achtte ons te informeren over triviale
details omtrent de schermutselingen aan de Duitse grens,
de triviale betrekkingen van de Romeinse Senaat met Caesar
en Caesars Pretoriaanse Lijfwacht, terwijl hij "onnodige
details" over hoe het Romeinse Rijk zichzelf transformeerde
in de christenheid om in het hedendaagse tijdperk voort
te blijven bestaan, geheel wegliet.
God uit profetieën niet om ons te imponeren met zijn
vooruitziendheid. Eén van de primaire doelen van profetie
is te onthullen hoe Gods voornemen zich zal ontvouwen.
Zeker, Jehovah's voornemen is nauw verbonden aan het befaamde
ontstaan en bestaan van de christenheid; al was het alleen
maar om ons te laten beseffen welke geestelijke erfenis
we hebben en hoe de huidige politieke toestand van de
wereld tot stand is gekomen. Een beschouwing van de interpretatie
van het Wachttorengenootschap onthult echter een enorme,
onoverkomelijke kloof tussen het Rome van Caesar en de
moderne koning van het noorden. Daarom verdient de profetie
van Daniël een nadere beschouwing.
Terugkerend tot Daniël 11:23, 24 lezen we: "En omdat
men zich met hem verbonden heeft, zal hij bedrog plegen
en werkelijk opkomen en machtig worden door middel van
een kleine natie. Gedurende een tijd van onbezorgdheid
zal hij zelfs in de vetheid van het rechtsgebied binnenkomen
en werkelijk doen wat zijn vaderen en de vaderen van zijn
vaderen niet gedaan hebben. Roofgoed en buit en have zal
hij onder hen uitstrooien; en tegen versterkte plaatsen
zal hij zijn snode plannen beramen, doch slechts tot een
zekere tijd."
Het Wachttorengenootschap verklaart niet hoe Tiberius
Caesar heeft gedaan "wat zijn vaderen en de vaderen
van zijn vaderen niet gedaan hebben." Er wordt ons
eenvoudig gezegd dat Tiberius bepaalde verbeteringen doorvoerde
binnen het Romeinse Rijk en dat hij de belasting verlichtte
en dat dat de vermeende vervulling was van de manier waarop
de koning van het noorden de buit van het rijk deelde.
Wanneer "omdat men zich met hem verbonden heeft"
echter werkelijk een tweede vervulling vindt in de afvallige
bisschoppen die zichzelf verbonden met Constantijn, dan
zou het 24ste vers van toepassing zijn op de periode waarin
de christenheid Europa regeerde.
Vóór Constantijn werden christenen regelmatig verboden
en vervolgd door de Romeinen. Door het christendom
tot staatsreligie te verheffen, ging "de christenheid"
een periode binnen die in Daniëls profetie passend omschreven
wordt als: "gedurende een tijd van onbezorgdheid."
Door middel van de "christen geworden" Pontifex Maximus
werden de Pausen opvolgers van de Romeinse Keizers, en
als zodanig was de koning van het noorden in staat te
doen wat de Caesars ("zijn vaderen en de vaderen van
zijn vaderen") niet bereikt hadden. Gedurende de pauselijke
regering was de koning van het noorden beter in staat
de Europese beschaving te controleren. Vanaf de tijd van
de val van het Romeinse Rijk in de 4de en 5de eeuw, wat
het begin markeerde van een ongeveer 1000 jarige periode
die bekend staat als de Middeleeuwen,
tot aan het einde van het Heilige
Romeinse Rijk in vroeg 1800, behield het stelsel dat
door Constantijn gesticht was haar macht. Gedurende het
feodale
stelsel en de imperialistische Kruistochten vervulde
de koning van het noorden Daniëls profetie: "Roofgoed
en buit en have zal hij onder hen uitstrooien."
De overheersing van het koning van het noorden over
Europa zou echter niet onbetwist door blijven gaan. De
profetie zegt verder het volgende over de afloop van de
koning: "en tegen versterkte plaatsen zal hij zijn
snode plannen beramen, doch slechts tot een zekere tijd."
Op dit punt worden we opnieuw voorgesteld aan degene
die van oudsher de tegenstander van de koning van het
noorden is geweest - de koning van het zuiden. In vers
25 lezen we: "En hij zal zijn kracht en zijn hart tegen
de koning van het zuiden opwekken met een grote krijgsmacht;
en de koning van het zuiden, van zijn kant, zal zichzelf
tot de oorlog aanzetten met een buitengewoon grote en
sterke krijgsmacht."
Wie
is de koning van het noorden en welke grote oorlog wordt
er in het bovenstaande vers beschreven? Deel Twee zal
het volgende deel van Daniëls profetie aangaande de koning
van het noorden en de koning van het zuiden bespreken.