Velen Die de Eersten Zijn, Zullen de Laatsten Zijn, en de Laatsten de Eersten

 

In het licht van de jaarlijkse herdenking van Christus' dood op 4 april aanstaande, lijkt het passend enkele woorden te richten tot de enkele waardevolle zielen die door Jehovah zelf uitgenodigd zijn om deel te hebben aan de hemelse roeping - vooral degenen die het meest recent zijn geroepen - in het 11de uur. Jullie weten over wie het gaat.

God verhoede dat iemand van ons zichzelf maar begint in te denken dat we Jehovah's onverdiende gunst van leven waardig zijn. Als gevolg van onze gevallen natuur zouden we echter te eenvoudig de waardering voor wat God en Christus voor ons hebben gedaan kunnen verliezen. Paulus verwees eens naar de "zelfbewustheid die aan roemen eigen is" die enkele van de Korinthische Christenen beïnvloedde; die kennelijk het gevoel hadden dat ze Gods onverdiende goedheid meer waardig waren dan anderen.

Helaas komt diezelfde "zelfbewustheid" die de apostel veroordeelde ook tot uitdrukking in het Wachttorengenootschap zelf. Hoe dat zo? Als een organisatie roemt het Wachttorengenootschap in niet geringe mate over het spreken van een zuivere taal van waarheid en over de leiding hebben over een geestelijk paradijs. (Zie het essay: Sodom of Geestelijk Paradijs?)

Als een recent voorbeeld van een dergelijk onbescheiden roemen, pocht de Wachttoren van 1 maart 2004 dat de getrouwe en beleidvolle slaaf de toets heeft doorstaan en Christus' beloning ontvangen heeft en aldus lang geleden in 1914 aangesteld is over alle bezittingen van de Meester. (Volgens Christus' raad aan de zeven gemeenten uit Openbaring vindt het oordeel over de gezalfde gemeente niet plaats vóór het begin van de verdrukking.)

In samenhang daarmee heeft het Genootschap Jehovah's Getuigen reeds tientallen jaren geleerd dat de roeping en uitverkiezing van de 144.000 leden van de bruid van Christus eindigde in 1935. (Door de illustratie van de wijze en dwaze maagden op de periode van 1914-1919 van toepassing te brengen, impliceert het Wachttorengenootschap zelfs onwillekeurig dat de deur tot het bruiloftsfeest toen gesloten werd.) Het gevolg van die verkeerde leerstelling is de huidig aanwezige gedachtengang binnen de organisatie dat alle nieuwe deelhebbers aan de hemelse roeping met grote argwaan worden bezien - alsof dezen het op één of andere wijze minder waardig zijn dan de oudere, verheven gezalfde broeders.

De heersende houding in de organisatie is zelfs zodanig dat recent gezalfde personen zelfs aan hun eigen redelijkheid beginnen te twijfelen. (Het is interessant dat sommige van Christus' eigen bloedverwanten eens dachten dat hij zijn verstand had verloren. Zie Markus 3:21) Enkele van onze geliefde broeders en zusters zijn zelfs in zoverre geïntimideerd dat ze hun eigen zalving verbergen door niet publiekelijk deel te hebben aan het symbool van hun roeping wanneer de symbolen worden rondgedeeld. Dit kan Jehovah niet behagen.

Het is opmerkelijk dat de hedendaagse toestand onder de toekomstige erfgenamen van Christus' koninkrijk een exacte weerspiegeling is van de conditie van de oude Korinthische gemeente - alleen dan omgekeerd.

Laten we hetgeen Paulus schreef aan de Korinthiërs eens nader beschouwen.

In het 4de hoofdstuk van 1 Korinthiërs stelt Paulus de broeders sarcastisch de volgende vraag: "Gijlieden zijt toch reeds verzadigd? Gij zijt toch reeds rijk? Gij zijt toch als koningen gaan regeren zonder ons?" (vers 8)

In tegenstelling daarmee zegt Paulus dat hij en de apostelen waren als mannen die voor de dood waren bestemd.

"Want het schijnt mij toe dat God ons, de apostelen, als laatsten heeft tentoongesteld als mensen die voor de dood zijn bestemd, want wij zijn een theaterschouwspel geworden voor de wereld en voor engelen en voor mensen. Wij zijn dwazen ter wille van Christus, maar gij zijt beleidvol in Christus; wij zijn zwak, maar gij zijt sterk; gij staat goed aangeschreven, maar wij zijn in oneer. Tot op dit huidige uur blijft het zo dat wij honger en ook dorst lijden en schaars gekleed gaan en toegetakeld worden en dakloos zijn en zwoegen, werkend met onze eigen handen. Worden wij beschimpt, wij zegenen; worden wij vervolgd, wij houden stand; worden wij gelasterd, wij smeken; wij zijn geworden als het uitschot der wereld, het uitvaagsel van alle dingen, tot nu toe." (vers 9-13)

Om volledig te begrijpen waarom Jehovah het toestaat dat zijn geliefde uitverkorenen allerlei soorten moeilijkheden moeten ervaren, zoals de apostelen, moeten we de grote kwesties die Jehovah binnenkort gaat beëindigen erkennen. Volgens de Duivel dienen Gods loyale dienstknechten hem enkel uit zelfbelang. Zoals wordt uitgelegd in het boek Job, beweert Satan dat wanneer er genoeg druk wordt uitgeoefend op ons, we God zullen vervloeken. Het is dus een rechtstreeks antwoord op Satans uitdaging dat God toestaat dat de diverse moeilijkheden en vervolgingen van het lichaam van Christus - dat wil zeggen de 144.000 - zich opstapelen tot de mate van Christus' lijden. Daarom verwees Paulus naar de apostelen als een tentoonstelling en theaterschouwspel voor de mensen en engelen.

Voor sommigen komen de vervolgingen voornamelijk van buiten de gemeente. Voor anderen zijn de vervolgingen van de Christus echter afkomstig van hun eigen broeders!

In Paulus dagen leden niet alle broeders in gelijke mate. Kennelijk hadden prominente Korinthische broeders het relatief eenvoudig. Ze genoten niet alleen comfort en voorspoed, maar stonden ook in hoog aanzien in de gemeente. Ze leefden een relatief zorgeloos leven; alsof ze samen met Christus reeds begonnen waren te regeren als koningen over de wereld.

Op soortgelijke wijze genieten veel van de oudere gezalfde broeders het aanzien en respect van allen in de organisatie. In tegenstelling tot de apostelen leven vooral de leden van het Besturend Lichaam en andere gezalfde personen op Bethel als koningen. Broeder Fred Franz, vrijwel zijn hele leven lid geweest van de Bethelfamilie, pochte zelfs eens dat niemand in de wereld beter leefde dan hij - waarbij hij zijn wereldreizen en andere voorrechten aanhaalde. Dat zei hij op onschuldige wijze uit waardering voor Jehovah's zegening van hem; maar door wat hij zei, leek hij op Korinthische wijze eigenlijk te zeggen dat hij reeds als koning in het koninkrijk regeerde.

Hoe dan ook, het laat een schril contrast zien met de vervolgingen en beproevingen die Paulus heeft verduurd.

Als gevolg daarvan zijn het Besturend Lichaam en oudere gezalfden "beleidvol in Christus" - in de geest van Jehovah's Getuigen vrijwel synoniem aan de getrouwe en beleidvolle slaaf - terwijl er op jongere, recent gezalfde broeders en zusters wordt neergekeken als enkel dwazen.

De oudere gezalfde broeders worden beschouwd als geestelijk sterke torens, die Jesaja's profetie van "grote bomen der rechtvaardigheid" op zichzelf van toepassing brengen, terwijl de jongere gezalfden worden bezien als zwakke boompjes.

Net als de koninklijke Korinthiërs staan onze oudere gezalfde broeders "goed aangeschreven," en wordt er zelfs op eerbiedige toon over hen gesproken door Jehovah's Getuigen, terwijl de nieuw gezalfde broeders en zusters in oneer zijn - ze worden bespot en er wordt over ze gefluisterd en sommigen worden zelfs verdreven uit de gemeente door liefdeloze ouderlingen en familieleden.

Recent gezalfde zonen en dochters van Jehovah zijn inderdaad het "uitvaagsel".

De oudere gezalfde broeders die door middel van de bladzijden van de Wachttoren spreken, hebben zelfs op subtiele wijze het toneel in gereedheid gebracht van het "theaterschouwspel," waarin hun jongere gezalfde broeders vervolgd worden.

Beschouw eens het volgende commentaar dat genomen is uit de Wachttoren van 1 maart 1982: "Met betrekking tot de mogelijkheid dat iemand op dit late uur "wederom geboren" wordt ten einde de plaats in te nemen van een gezalfde die ontrouw is geworden, kan opgemerkt worden dat begrijpelijkerwijs van slechts heel weinig personen van deze overgebleven gezalfden aangenomen kan worden dat zij hun hemelse roeping verbeuren door ontrouw te worden. Hun gelederen zijn tegen deze tijd door de dood tot slechts enkele duizenden uitgedund. Indien het noodzakelijk wordt iemand te vervangen, wie zou dan door Jehovah geroepen worden? Jezus zei over degenen die ertoe uitgenodigd werden zijn apostelen te worden: "Gij zijt degenen die in mijn beproevingen steeds bij mij zijt gebleven" (Lukas 22:28). Het is alleen maar logisch dat Jehovah iemand zou uitkiezen die reeds vele jaren met Gods volk is verbonden en die onder beproeving volharding en loyaliteit ten toon heeft gespreid, in plaats van iemand die slechts kort geleden een gedoopte discipel van Jezus is geworden en misschien nog niet in veel opzichten is beproefd. Dit wordt niet dogmatisch gezegd of om een basis te verschaffen waarop men ieders persoonlijke aanspraak op de hemelse roeping kan beoordelen, maar om pas verbonden personen te helpen het te vermijden zich aanmatigend te gedragen en zich ernstig te vergewissen van de wijze waarop Jehovah ten aanzien van hen handelt."

Hier lijkt de Wachttoren Jehovah te vertellen wat hij moet doen en door dit te doen heeft ze, ondanks de ontkenning dat ze "iemands persoonlijke aanspraak" beoordeelt, bepaalde veronderstellingen gepropageerd onder de broeders en zusters met betrekking tot welke personen Jehovah zal kiezen. Ondanks het late uur, is het werkelijk "logisch" dat Jehovah enkel degenen zal uitkiezen die wijs en sterk zijn?

Paulus zei de Korinthiërs dat "God het dwaze der wereld [heeft] uitgekozen om de wijzen te beschamen; en God heeft het zwakke der wereld uitgekozen om het sterke te beschamen; en God heeft het onedele der wereld uitgekozen en dat waarop wordt neergezien, de dingen die niet zijn, om de dingen die zijn, teniet te doen, opdat geen vlees zou roemen voor het aangezicht van God." (1 Korinthiërs 1:27-29)

De "logica" van het Wachttorengenootschap gaat rechtstreeks in tegen de openbaring van de apostel van Jehovah's voornemen. Als God zijn uitverkiezing zou limiteren tot degene die "vele jaren met Gods volk is verbonden en die onder beproeving volharding en loyaliteit ten toon heeft gespreid," heeft dat dan niet tot gevolg dat er feitelijk gezegd wordt dat zulke personen Gods onverdiende goedheid op één of andere wijze meer verdienen? Zouden ze enige reden kunnen hebben om te roemen dat God hen uitgekozen heeft als gevolg van enig persoonlijke verdienste als getrouw ander schaap? Wie op aarde kan echter roemen het waardig te zijn geroepen te worden om met Christus in de hemel te regeren?

Volgens Paulus zijn de primaire kwalificaties van toekomstige uitverkorenen dat ze dwaas, zwak en onedel zijn en er op hen wordt neergekeken. Toegegeven, gebaseerd op die criteria zijn er velen die feitelijk overgekwalificeerd zijn voor de hemelse roeping!

Het is een feit dat een relatief jong gezalfd persoon zijn in de huidige omstandigheden onder Jehovah's Getuigen, zulke personen met een unieke beproeving op geloof en loyaliteit confronteert. En zonder twijfel is dat ook de reden dat Jehovah heeft toegestaan dat een dergelijk klimaat zich ontwikkeld heeft, zodat het lijden van het gehele lichaam van Christus volledig zal zijn.

Natuurlijk bestond er in de 1ste Eeuw geen imposant Wachttorengenootschap. Heden ten dage zou "het sterke" en de "dingen die zijn," welke teniet zullen worden gedaan, heel goed de overbodige "zichtbare organisatie" en alle institutionele pracht, houdingen en veronderstellingen van het trotse Wachttorengenootschap kunnen omvatten.

Het lijkt Gods voornemen te zijn dat recent gezalfde broeders en zusters een essentiële rol in Jehovah's voornemen zullen spelen om alle vlees te laten stoppen met het roemen voor zijn aangezicht. Hoe dat zo?

"Ten Slotte, Rond Het Elfde Uur"

In tegenstelling tot de veronderstelling van het Wachttorengenootschap dat recent gezalfde personen op dit late uur enkel vervangingen zijn voor ontrouwe personen, gaf Jezus een illustratie aangaande de werkers van het 11de uur die een grote relevantie voor deze tijd heeft. Mattheüs 20:1-15 luidt:

"Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, een heer des huizes, die er vroeg in de morgen op uitging om werkers voor zijn wijngaard te huren. Toen hij met de werkers was overeengekomen hun een denarius per dag te betalen, zond hij hen uit in zijn wijngaard. Toen hij er rond het derde uur weer op uitging, zag hij anderen werkeloos op de marktplaats staan, en tot dezen zei hij: 'Gaat ook gij in de wijngaard, en ik zal u geven wat billijk is.' Zij gingen dus. Rond het zesde en het negende uur ging hij er nog eens op uit en deed hetzelfde. Ten slotte ging hij er rond het elfde uur op uit en vond er anderen staan, en hij zei tot hen: 'Waarom staat gij hier de hele dag werkeloos?' Zij zeiden tot hem: 'Omdat niemand ons heeft gehuurd.' Hij zei tot hen: 'Gaat gij eveneens in de wijngaard.'

Toen het avond werd, zei de meester van de wijngaard tot zijn opzichter: 'Roep de werkers en betaal hun hun loon, te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.' Toen de mannen van het elfde uur kwamen, ontvingen zij ieder een denarius. Toen nu de eersten kwamen, maakten zij de gevolgtrekking dat zij meer zouden ontvangen, maar ook zij kregen elk een denarius uitbetaald. Toen zij die ontvingen, gingen zij tegen de heer des huizes murmureren en zeiden: 'Deze laatsten hebben één uur gewerkt; toch hebt gij hen gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen!' Maar hij gaf een van hen ten antwoord: 'Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarius? Neem het uwe en ga heen. Ik wil aan deze laatste hetzelfde geven als aan u. Is het mij niet geoorloofd om met mijn eigen dingen te doen wat ik wil? Of is uw oog boos omdat ik goed ben?' Aldus zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten."

Hoe begrijpt het Wachttorengenootschap Jezus' illustratie?

Volgens het Wachttorengenootschap was de illustratie oorspronkelijk van toepassing op de Farizeeën. Naar men aanneemt zijn zij degenen die de hele dag hebben gewerkt en die "de last van de dag hebben gedragen." De werkers van het 11de uur beelden naar men aanneemt de apostelen af. In een grotere toepassing heeft het Wachttorengenootschap de illustratie op de Christenheid van toepassing gebracht. De geestelijken zijn zogenaamd vroeg op de dag ingehuurd en de gezalfden vertegenwoordigen vanaf 1919 de werkers van het 11de uur. Maar, was het werkelijk de bedoeling dat Jezus' illustratie van toepassing was op de Farizeeën of de geestelijken? Laten we eens over die vraag redeneren.

Jezus begon zijn illustratie door te zeggen: "Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan…"

Zoals met vele andere illustraties, illustreerde Jezus een aspect van Gods koninkrijk. Nu de vraag: Waren de Farizeeën ooit uitgenodigd om werkers in Gods koninkrijk te worden?

Nee. Volgens Jezus niet!

In het 23de hoofdstuk van Mattheüs zei Jezus het volgende rechtstreeks tot de Farizeeën: "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! omdat gij het koninkrijk der hemelen toesluit voor de mensen; want zelf gaat gij er niet binnen, en degenen die op weg zijn er binnen te gaan, staat gij dit niet toe."

Hoe kan er verder redelijkerwijs worden gezegd dat de Farizeeën "de last van de dag hebben gedragen," zoals de eerste werkers in de wijngaard? Wederom, volgens Jezus "binden [de Farizeeën] zware vrachten samen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren."

Daar Jezus Christus duidelijk zei dat de Farizeeën geen deel hadden aan het koninkrijk van God, kunnen ze nimmer, door welke verbuiging van de schrift maar ook, in het patroon passen van degenen die in Gods wijngaard werken.

De interpretatie van het Wachttorengenootschap bevat nog een duidelijke fout. Volgens de illustratie werd de mopperende werkers niet hun rechtmatige loon onthouden. De meester zei tot hen: "Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarius? Neem het uwe en ga heen."

In de illustratie ontvingen de eerst ingehuurden en de werkers van het 11de uur exact hetzelfde loon. Hoe kan er dan mogelijkerwijs geredeneerd worden dat de Farizeeën en apostelen hetzelfde koninkrijksloon ontvingen? Dat is niet redelijk, noch schriftuurlijk. In verlenging daarvan is het ook niet redelijk of schriftuurlijk om de illustratie van de ontevreden werkers van toepassing te brengen op de geestelijken van de Christenheid of om de gezalfde broeders vanaf 1919 als de werkers van het 11de uur te identificeren.

De illustratie is echter passender van toepassing op de moderne ontwikkeling van Jehovah's organisatie. De werkers die in het eerste uur ingehuurd werden zijn de oudere gezalfden en het Besturend Lichaam. Als het ware hebben ze inderdaad onvermoeibaar de gehele dag in het veld gewerkt. De werkers van het 11de uur in de illustratie symboliseren de meest recent gezalfde personen en wellicht degenen die nog gezalfd moeten worden.

In overeenstemming met de illustratie bestaat er geen twijfel over dat de oudere gezalfde broeders het feit verafschuwen dat pas gezalfde personen hetzelfde loon als zij ontvangen, ondanks dat de pas gezalfden enkel een fractie van het werk hebben gedaan. Volgens de eigen woorden van het Wachttorengenootschap heeft het Besturend Lichaam beweerd dat, áls God nog meer gaat 'inhuren', hij iemand zal kiezen die reeds een aanzienlijke tijd in Jehovah's dienst heeft doorgebracht en niet één of andere nieuwe discipel.

Ongetwijfeld zal de verbolgenheid die nu reeds zichtbaar is, enkel maar meer uitgesproken worden wanneer de meester werkelijk het loon begint te betalen. Dan wordt de eerste laatste en de laatste eerste. Wat betekent dat?

Zoals eerder aangegeven ontvangen alle werkers hetzelfde loon, ongeacht de mate van werk dat ze hebben gedaan. Evenzo worden zowel de eersten als de laatsten beloond. Echter, degenen die als eerste werden ingehuurd, zullen als laatste worden uitbetaald en omgekeerd.

Het Wachttorengenootschap leert dat de eersten die de laatsten worden volledig buiten het koninkrijk gesloten worden. Maar is dat juist?

Volgens Jezus niet.

Het is opmerkenswaardig dat Jezus bij meerdere gelegenheden voorzei dat de eersten laatst zullen zijn en de laatsten eerst. Onmiddellijk voorafgaand aan de illustratie van de werkers van het 11de uur, had Jezus in Mattheüs 19:27-30 een discussie met zijn apostelen. Daar staat: Toen gaf Petrus hem ten antwoord: "Zie! Wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd; wat zal ons eigenlijk ten deel vallen?" Jezus zei tot hen: "Voorwaar, ik zeg u: In de herschepping, wanneer de Zoon des mensen plaats neemt op zijn glorierijke troon, zult gij die mij zijt gevolgd, ook zelf op twaalf tronen zitten en de twaalf stammen van Israël oordelen. En een ieder die ter wille van mijn naam huizen of broers of zusters of vader of moeder of kinderen of landerijen heeft verlaten, zal vele malen meer ontvangen en eeuwig leven beërven. Maar velen die de eersten zijn, zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten."

Laat de lezer alsjeblieft opmerken dat het oordeel van de eersten die laatste worden en omgekeerd, plaatsvindt gedurende de tijd waarop Gods koninkrijk feitelijk begint te regeren. En in de context van Jezus opmerkingen wordt het oordeel uitgemeten over juist diegenen die met Christus zullen regeren. Het moge duidelijk zijn dat de Farizeeën niet met Christus zullen zijn in de herschepping en daarom onmogelijk de eersten die de laatste zullen worden kunnen zijn.

Bij een andere gelegenheid verbond Jezus het oordeel van de eersten die laatsten worden ook aan zijn eigen discipelen.

In Lukas 13:24-30 moedigde Jezus zijn discipelen aan: "Spant u krachtig in om door de nauwe deur binnen te gaan, want velen, zeg ik u, zullen trachten binnen te gaan, maar zullen niet in staat zijn, wanneer de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur op slot heeft gedaan en gij begint buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: 'Heer, doe ons open.' Maar hij zal u ten antwoord geven: 'Ik weet niet waar gij vandaan komt.' Dan zult gij beginnen te zeggen: 'Wij hebben in uw bijzijn gegeten en gedronken, en gij hebt in onze brede straten onderwijs gegeven.' Maar hij zal spreken en tot u zeggen: 'Ik weet niet waar gij vandaan komt. Gaat weg van mij, al gij werkers van onrechtvaardigheid!' Daar zult gij wenen en knarsetanden, wanneer gij Abraham en Isaäk en Jakob en al de profeten in het koninkrijk Gods zult zien, maar zelf buitengeworpen zult zijn. Bovendien zullen er mensen uit oostelijke en westelijke streken komen, en uit het noorden en uit het zuiden, en zij zullen aan tafel aanliggen in het koninkrijk Gods. En ziet! er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn."

Jezus' gebruik van de uitdrukking "daar zult gij wenen en knarsetanden" wordt op andere plaatsen gebruikt in verband met het oordeel over de zonen van het koninkrijk die worden geoordeeld als boze slaven. Mattheüs 8:11, 12 luidt bijvoorbeeld: "Ik zeg u echter dat velen uit oostelijke en westelijke streken zullen komen en met Abraham en Isaäk en Jakob aan tafel zullen aanliggen in het koninkrijk der hemelen, terwijl de zonen van het koninkrijk in de duisternis daarbuiten geworpen zullen worden. Daar zullen zij wenen en knarsetanden."

In verband met de definitieve scheiding van de rechtvaardigen en goddelozen in het koninkrijk van God zei Jezus tevens: "Zo zal het gaan in het besluit van het samenstel van dingen: de engelen zullen uitgaan en de goddelozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden en hen in de vuuroven werpen. Daar zullen zij wenen en knarsetanden. (Mattheüs 13:49, 50)

Ook gaf Jezus een illustratie die verhaalt hoe een ongepast geklede bruiloftsgast buiten het bruiloftsfeest zelf wordt geworpen. "Toen nu de koning binnenkwam om de gasten te inspecteren, merkte hij daar een mens op die geen bruiloftskleed aan had. Derhalve zei hij tot hem: 'Vriend, hoe zijt gij hier binnengekomen zonder een bruiloftskleed aan te hebben?' Hij wist niets te zeggen. Vervolgens zei de koning tot zijn dienaren: 'Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de duisternis buiten. Daar zal hij wenen en knarsetanden.'"

In tegenstelling tot de leerstelling van het Wachttorengenootschap dat de getrouwe slaaf de toets reeds heeft doorstaan en zijn beloning ontvangen heeft, tonen Jezus' vele illustraties aan dat sommigen van de uitgenodigde gasten, de gezalfden, onwaardig gerekend zullen worden gedurende het definitieve oordeel en buiten Gods koninkrijk geworpen zullen worden. En met betrekking tot degenen die uiteindelijk goedgekeurd worden: "er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn."

Benjamins Vijfvoudige Portie

Het langlopende Genesis drama over Jozef en zijn broers verschaft een interessant patroon dat in harmonie lijkt te zijn met het oordeel van de eersten die de laatsten worden en de laatsten eersten.

De 12 apostelen van Jezus volgen duidelijk het patroon van de 12 zonen van Jakob. De connectie tussen het geestelijke Israël en het vleselijke Israël is daarom duidelijk. In het verhaal van Jozef werd hij, ondanks dat hij de op twee na jongste zoon van Jakob was, op wonderbaarlijke wijze de feitelijke soeverein van de eerste wereldmacht; dit typeert de wijze waarop Jezus uiteindelijk alle koninkrijken der wereld gegeven zal worden.

Het feit dat Jozefs broers hem in slavernij verkochten en hij onterecht gevangen werd gezet vanwege de hardheid van zijn broers, is een afbeelding van de wijze waarop Jezus de straf van de dood moest ondergaan voor zijn broeders en mede-erfgenamen in het koninkrijk. En net als Christus bereidde Jozef ook een plaats voor redding voor zijn broers. Of zoals Jozef het zelf zei: "Want tot levensbehoud heeft God mij voor u uit gezonden." De hongersnood die over Egypte kwam, alsook over Kanaän waar Jakob en zijn zonen woonden, is een afschildering van de verdrukking en moeilijkheden die nog over de huidige wereld moeten komen - als een voorbode van de openbaring van Jezus Christus.

In het drama reizen de 10 broers naar Egypte om levensmiddelen van Farao te kopen. Het was onbekend voor hen dat Jozef nu de Hoofd Voedselbeheerder van de gehele natie was. Het feit dat Jozef zijn broers diende, ondanks dat ze hem niet herkenden, symboliseert hoe Jezus bij zijn getrouwe slaven zal "langskomen" (parousia) en ze gedurende de verdrukking zal bedienen - samen met veel andere dingen, waaronder voedseltekorten, één van de "tekenen" van zijn tegenwoordigheid.

En hier wordt het echt interessant.

Na zijn broers opgedragen te hebben Benjamin naar Egypte te brengen, die tegen die tijd de jongste in de familie was, de laatste als het ware, brengt Jozef een banket in gereedheid voor de elf. En niet toevalligerwijs is dat precies wat Jezus heeft beloofd te doen wanneer zijn parousia begint. Lukas 12:37 zegt: "Gelukkig zijn de slaven die de meester bij zijn aankomst wakend vindt! Voorwaar, ik zeg u: Hij zal zich omgorden en hen aan tafel doen aanliggen en zal langskomen en hen bedienen."

Toen de 11 broers zich verzamelden voor het banket, gingen ze overeenkomstig hun rang zitten; de oudste aan het hoofd van de tafel tot Benjamin aan het verste eind. Wanneer Jozef hen echter serveert, breekt hij tot ontzetting van de oudere broers het protocol en serveert Benjamin een vijfmaal zo grote portie als zijn oudere broers.

Het verslag in het 43ste hoofdstuk van Genesis luidt: "En zij zaten vóór hem, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorterecht en de jongste naar zijn jeugd; en de mannen bleven elkaar verbaasd aankijken. En hij liet hun al maar porties van voor zijn aangezicht brengen, maar Benjamins portie maakte hij wel vijfmaal zo groot als de porties van alle anderen. Zo bleven zij feestmaal houden en volop met hem drinken."

Nadien onthult Jozef zichzelf aan zijn broers en verzekert hen van zijn liefde voor hen en treft regelingen voor hen zodat zij hun families permanent naar Egypte kunnen verhuizen voor de duur van de hongersnood. Dit is een goede afbeelding van de wijze waarop Jezus al zijn geestelijke broeders zal verzamelen en hij zich, na ze hebben getuchtigd, volledig aan hen zal onthullen in al zijn heerlijkheid en hen zal meenemen naar zijn hemelse verblijfplaats.

Met betrekking tot de eersten die de laatsten worden, is het punt dat Benjamin de hedendaagse jonge, recent gezalfde zonen van God afbeeldt en wellicht ook die van de nabije toekomst - de werkers van het 11de uur uit Jezus' illustratie. Aan het begin van Jezus' parousia zal Jehovah's zegen op een nu onvoorziene manier in vijfvoud over de Benjaminklasse komen. Hoewel het nu nog niet te voorzien is, zouden we kunnen verwachten dat de werkers van het 11de uur de verlichtende geest, welke zal veroorzaken dat ze zo helder als de zon zullen schijnen in het koninkrijk, wellicht vóór de huidige pilaren ontvangen. De oudere gezalfden zullen verbaasd zijn, net zoals de oudere broers van Benjamin, maar ze zullen de zegening van Jehovah over 'Benjamin' moeten erkennen - net zoals Jozef Benjamin specifiek zegende in Genesis 43:29: Toen hij zijn ogen opsloeg en zijn broer Benjamin zag, de zoon van zijn moeder, zei hij verder: "Is dit uw jongste broer, over wie gij tot mij gesproken hebt?" En hij voegde eraan toe: "Moge God u zijn gunst betonen, mijn zoon."

Net zoals Jozefs vijfvoudige zegening van zijn jongste broer bedoeld was als een berisping voor zijn oudere broers voor hun harteloosheid en jaloersheid bij het verkopen van Jozef in slavernij, zo ook is het de bedoeling van Christus' om de zonen van het koninkrijk nederig te maken en te verenigen, wanneer hij sommigen van de eersten laatsten zal maken en de laatsten eersten.

Door alle gezalfde gelovigen te symboliseren als een menselijk lichaam, illustreerde Paulus op schitterende wijze hoe het zwakste lid van het lichaam de grootste eer van Jehovah zal ontvangen.

In 1 Korinthiërs 12:19-26 schreef Paulus: "Indien zij alle één lid waren, waar zou dan het lichaam zijn? Maar nu zijn zij vele leden, doch één lichaam. Het oog kan niet tot de hand zeggen: "Ik heb u niet nodig"; of, wederom, het hoofd niet tot de voeten: "Ik heb u niet nodig." Het is echter veeleer zo dat de leden van het lichaam die zwakker schijnen te zijn, noodzakelijk zijn, en de lichaamsdelen waarvan wij denken dat ze minder eervol zijn, die omgeven wij met overvloediger eer, en aldus hebben onze onwelvoeglijke delen des te overvloediger welvoeglijkheid, terwijl onze welvoeglijke delen niets nodig hebben. God heeft niettemin het lichaam zo samengesteld dat hij overvloediger eer gaf aan het deel dat te kort kwam, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden ervan dezelfde zorg voor elkaar zouden hebben. En wanneer één lid lijdt, lijden alle andere leden mee; of wanneer een lid heerlijkheid ontvangt, delen alle andere leden in de vreugde."

Alle heerlijkheid komt Jehovah toe, wiens wil het is dat degenen die het eerst geëerd werden de laatsten zijn die eer ontvangen bij Christus' komst, wanneer hij "overvloediger eer [geeft] aan het deel dat te kort kwam" - door de laatste eerste te maken.

Door middel van Jesaja lijkt Jehovah verder rechtstreeks te spreken tot de buitengesloten geestelijke hedendaagse Benjaminieten, door te zeggen: Hoort het woord van Jehovah, gij die voor zijn woord beeft: "Uw broeders die u haten, die u uitsluiten wegens mijn naam, hebben gezegd: 'Moge Jehovah verheerlijkt worden!' Hij moet ook met verheuging van uw zijde verschijnen, en zij zijn degenen die beschaamd gemaakt zullen worden." (Jesaja 66:5)

Drink daarom intens uit de beker mijn laatstgeboren broeders en zusters. Wellicht zijn jullie de dwazen en zwakkeren in de ogen van anderen, maar moge Jozefs zegening op Benjamin in volledige mate van toepassing zijn op jullie: "Is dit uw jongste broer, over wie gij tot mij gesproken hebt?" En hij voegde eraan toe: "Moge God u zijn gunst betonen, mijn zoon."


Gepubliceerd op: 1 April 2004