|
De
gebeurtenis waarnaar in de geschiedenis het meeste wordt
uitgekeken is De Tweede Komst van Jezus Christus, maar dat
is ook de gebeurtenis die ironisch genoeg ook het meest
onbegrepen is.
Terwijl Jehovah's Getuigen de term "de Tweede Komst" niet
gebruiken, gebruikte de apostel Paulus in zijn brief aan
de Hebreeën een soortgelijke uitdrukking: "de tweede
maal dat hij verschijnt." Door dit te doen vergeleek
en contrasteerde de apostel diverse aspecten van Christus'
eerste en tweede verschijning in de wereld.
Als gevolg van de verkeerde verwachtingen van de Joden
werd de verschijning van de Messias waar ze zo naar uitkeken
een struikelblok voor de gehele Joodse natie. Naar hun begrip
verwachtten zij dat de Messias niet alleen hun machtige
en glorieuze koning uit de lijn van David zou worden, maar
ook degene die de troon van David zou herstellen met Jeruzalem
als zetel en die het Romeinse juk van slavernij zou afwerpen.
Dat dit de verwachting van geheel Israël was, wordt bewezen
door de vraag die de discipelen vlak na zijn opstanding aan
Jezus stelden toen ze vroegen: "Heer, herstelt gij in
deze tijd het koninkrijk van Israël?"
Het was voor de toen levende Joden niet te begrijpen dat
de Messias geen integraal onderdeel van de reeds bestaande,
gerespecteerde en zeer vereerde Joodse instelling zou worden.
Ze waren ten slotte Gods volk en dat voor meer dan duizend
jaar!
En in de Joodse messiaanse leerstellingen was al zeker
geen bepaling voor een tweede komst van Christus!
Het gevolg was dat de Joden gedurende de tijd dat Jezus
als mens op aarde leefde, begonnen in te zien dat Jezus
hun verkeerde verwachtingen niet zou vervullen en ze begonnen
hem te bezien als een oproerkraaier. Uiteindelijk keerden
zij zich tegen hem toen Jezus op aandringen van de overpriesters
en Farizeeën oneervol werd geëxecuteerd.
Maar, toen de Romeinen Jeruzalem en zijn tempel minder
dan veertig jaar nadat de Joden eensgezind hadden besloten
om Jezus ter dood te brengen vernietigden, kwam het Joodse
samenstel van aanbidding tot een abrupt einde en daarmee
samenhangend elke mogelijkheid dat een toekomstige messias
uit de Joodse natie zou voortkomen. Vanuit Jehovahs oogpunt
bezien had het Joodse systeem van aanbidding zijn doel gediend,
ongeacht de verkeerde verwachtingen van het Joodse volk
met betrekking tot de manier waarop hij dat voornemen volgens
hen zou uitvoeren. Het had de beloofde Messias voortgebracht
zoals Gods voornemen was en toen werd dat systeem van aanbidding
afgesloten.
Bij zijn schrijven aan de Hebreeërs was het klaarblijkelijk
Paulus' bedoeling de Hebreeuwse Christenen voor te bereiden
op het naderende einde van het Joodse samenstel van dingen.
Paulus schreef in Hebreeën 13:12-14 bijvoorbeeld het volgende:
"Daarom heeft ook Jezus, om het volk met zijn eigen bloed
te kunnen heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij dan
tot hem gaan buiten de legerplaats en de smaad dragen die
hij heeft gedragen, want wij hebben hier geen blijvende
stad, maar wij zoeken ernstig de toekomstige."
Het is voor ons waarschijnlijk moeilijk te begrijpen welk
een uitdaging het zelfs voor de gezalfde Joodse Christenen
en apostelen uit de eerste eeuw was om hun geloof volledig
te scheiden van het Joodse stelsel waaronder zij leefden.
Beschouw eens het verslag in het 21ste hoofdstuk van Handelingen
als voorbeeld hoe diep geworteld het Judaïsme was. Daar
zijn de apostelen bezorgd over de beschuldiging van de Joden
dat Paulus een afvallige leer onderwees. De apostelen adviseerden
Paulus zich ceremonieel te reinigen en een offer te gaan
brengen in de tempel opdat de geruchten dat hij een afvallige
leer verkondigde over Mozes en besnijding, onderdrukt werden.
Ondanks dat de apostelen wisten dat Paulus' leerstelling
dat Jezus' dood het einde was van de Mozaïsche Wet en dat
besnijdenis niet langer een vereiste was om door Jehovah
God goedgekeurd te worden correct was, onderwierp Paulus
zich nederig. Maar zelfs zijn getoonde inschikkelijkheid
met betrekking tot de Mozaïsche Wet kon hun woede of vijandigheid
niet onderdrukken en toen ze zijn verblijfplaats in de stad
ondekten, trachtten ze hem te vermoorden, omdat hij verkondigde
dat het stelsel van aanbidding - de gevestigde manier van
aanbidding - dat generaties lang door Jehovah was goedgekeurd
zou eindigen, en feitelijk reeds geëindigd was.
Omdat de eerste eeuwse Christenen nu vol verwachting uitkeken
naar Christus' "aanstaande" terugkomst, blijkt dat ze ook
aannamen dat Jezus in de fysieke stad Jeruzalem zou terugkeren.
Paulus schreef in Hebreeën 9:26 echter dat Christus "zich
in het besluit van de samenstelsels van dingen eens
voor altijd heeft gemanifesteerd." Daar de Joodse manier
(stelsel van aanbidding) spoedig tot zijn einde zou komen,
herinnerde Paulus de Hebreeuwse Christenen eraan dat ze
in Jeruzalem geen "blijvende stad" hadden.
Terwijl de vernietiging van Jeruzalem de valse messiaanse
verwachtingen van de Joden die Jezus verwierpen absoluut
zou verwoesten, zou het ook een geloofstest zijn voor degenen
die Jezus wel hadden geaccepteerd, maar die zich
tot op zekere hoogte nog steeds onder invloed van het Judaïsme
bevonden. Nadat de heilige stad was verwoest zouden deze
Joodse Christenen aan God moeten tonen dat ze werkelijk
"de toekomstige zoeken."
Daar Paulus de uitdrukking "het besluit van het samenstel
van dingen" in verband met Jezus' eerste verschijning
gebruikte, kunnen we er zeker van zijn dat het eerste eeuwse
patroon van speciaal belang is voor de Christenen die "de
tweede maal dat hij verschijnt" leven, tijdens het besluit
van het gehele huidige samenstel.
We kunnen daarom verwachten dat, net als bij de Hebreeuwse
Christenen en apostelen die zelf klaarblijkelijk verkeerde
gedachtes hadden aangaande Jeruzalem dat zou blijven voortbestaan
als de Stad van Jehovah, ons geloof evenzo verregaand
getest zal worden wanneer Christus uiteindelijk arriveert.
De profeet Maleachi verzekert ons van deze verbazingwekkende
gebeurtenis wanneer hij vraagt: "Doch wie zal de dag
van zijn komst verdragen, en wie zal standhouden wanneer
hij verschijnt?"
In het 12de hoofdstuk van Hebreeën herinnert Paulus ons
aan Gods ongelooflijke macht, wanneer Jehovah zich aan ons
zal onthullen, door te memoreren aan het voorval waarbij
de Israëlitische natie aan de voet van de berg Sinaï samengekomen
was om het Wetsverbond te ontvangen. Toen Jehovah op de
top van de berg met Mozes sprak door middel van een vreesinboezemende
vertoning, schudde de berg en werd hij gehuld in vuur en
rook. Om uit te sluiten dat dit fenomeen een natuurlijke
vulkanische uitbarsting leek, weerklonken er doofmakende
trompetten uit het onzichtbare.
Paulus legt vervolgens de betekenis van die gebeurtenis
uit door de profeet Haggaï te citeren. Hij schreef: "Zijn
stem deed toen de aarde schokken, maar nu heeft hij de belofte
gedaan en gezegd: "Nog eenmaal wil ik niet alleen de
aarde, maar ook de hemel in beroering brengen." Welnu,
de uitdrukking "Nog eenmaal" duidt op de verwijdering
van de dingen die worden geschokt als dingen die gemaakt
zijn, opdat de dingen die niet worden geschokt, blijven.
Laten wij daarom, aangezien wij een koninkrijk zullen ontvangen
dat niet geschokt kan worden.." (Hebreeën 12:26-28)
In de eerste eeuw waren "de dingen die worden geschokt"
het complete Joodse religieuze systeem, met zijn Heilige
Stad, tempel en priesterschap die door die opschudding verdwenen.
De profetie van Haggaï die door de apostel werd geciteerd
gaat echter verder door te zeggen dat Jehovah "alle natiën
zal [doen] schudden," niet enkel de kleine natie Juda.
Het is dus duidelijk dat gezalfde Christenen en de wereld
voor de uiteindelijke vervulling van de profetieën staan
die erom vragen dat het gehele samenstel van dingen
geschokt zal worden wanneer Christus voor de tweede maal
verschijnt. Het enige dat overeind zal staan nadat de rook
is opgetrokken is Gods koninkrijk en degenen die werkelijke
geloof stelden in Gods koninkrijk dat niet geschokt kan
worden.
Op dat moment zullen de vragen die gerezen zijn in Eden
eens en voor altijd beantwoord zijn.
"Jehovah's
Antwoord op
Gerezen Vragen in Eden"
Sinds de tijd dat Adam en Eva tegen Jehovah in opstand
kwamen en als gevolg daarvan uit de Hof van Eden werden
gezet, heeft het menselijke ras zich verwijderd van God.
De vertrouwde relatie met zijn Schepper waarvan Adam een
korte tijd mocht genieten, was verwoest. Waar Jehovah eens
beschreven werd als wandelend in Eden en dagelijks sprekend
met Adam, zijn de daarop volgende analen van de geschiedenis
buiten Eden over Adams nageslacht een triest testament van
hoe verloren we zijn geraakt zonder Gods persoonlijke
supervisie en leiding. Naarmate de tijd vorderde zou zelfs
de meest rechtvaardige van Adam's nazaad het een uitdaging
vinden om Jehovah werkelijk te kennen en te vertrouwen.
Jehovah God is echter gelijk een vastbesloten en sinds
lange tijd lijdende ouder met een probleemkind; hij heeft
ons nooit opgegeven. Maar in zijn onmetelijke wijsheid weet
hij dat de enige manier waarop we bevrijd kunnen worden
van onze dwaasheid en de voordelen van zowel het vertrouwen
als gehoorzamen van zijn rechtvaardige wegen kunnen inzien,
is wanneer we de pijnlijke consequenties voor onze trotse
grootspraak en gebrek aan geloof mogen ondergaan.
Zoals Jehovah's Getuigen weten, staat de oprichting van
Christus' koninkrijk centraal in Gods voornemen. Er zijn
144.000 gekozenen uit de mensheid, verbonden met Jezus in
zijn hemelse koninkrijk, die uiteindelijk uitgenodigd worden
om Jehovah's eigen woonplaats in de hemel binnen te gaan
- de Stad van God. Hoevelen van ons hebben hier echter
écht over nagedacht en gewaardeert wat dat allemaal betekent?
In Eden heeft de Duivel God ervan beschuldigd dat hij zelfzuchtig
iets goeds achterhield voor Adam en Eva. Later, in Job's
dagen, beschuldigde Satan God er verder van dat hij
zijn volgelingen beïnvloedde door middel van omkoperij (wat
overigens later precies datgene was wat de Duivel hypocriet
probeerde bij Jezus toen hij hem alle koninkrijken van de
wereld aanbood in ruil voor één daad van aanbidding).
Gods antwoord op Satans belasterende beschuldigingen is
veel verder gegaan dan wat enige engel of enig mens zou
hebben kunnen voorzien of kunnen voorstellen. Jehovah zou
niet alleen zelf zorgen voor de middelen die nodig
zijn om de mensheid wettig los te kopen en te herstellen
tot het Paradijs - aldus bewijzend dat hij het beste voor
had met de mensheid - in zijn grootsheid heeft Jehovah zich
voorgenomen enkelen uit de mensheid uit te kiezen en hen
te verhogen tot de hemel.
Alsof dat nog niet genoeg voor hem was, gaat Gods goedgunstigheid
veel verder dan enkel het herscheppen van enkele mensen
tot geestelijk wezens: Jehovah heeft zich voorgenomen zijn
gekozenen leven in zichzelf te geven. Dat
is iets wat geen enkel mens kan bezitten, omdat aardse schepselen
van nature afhankelijk zijn van externe krachten om ons
leven in stand te houden. Onsterfelijkheid is niet enkel
het bezitten van eeuwig leven; zelfs Gods engelen in de
hemel is geen onsterfelijkheid gegeven. Onsterfelijkheid
betekent leven als een onsterfelijk en onvernietigbaar wezen
te bezitten. Onsterfelijke schepselen zijn zelfs niet langer
van Jehovah afhankelijk om hen te onderhouden. (Jezus Christus
was het eerste schepsel die, na zijn opstanding, onsterfelijkheid
verkreeg) Jehovah verhoogt menselijke schepselen dus niet
alleen vrijwillig tot in zijn tegenwoordigheid - sommigen
zelfs vanuit de laagste gelederen van de gedegradeerde menselijke
gemeenschap - maar wil ook dat zij in natuur hetzelfde als
hij worden - heerlijke, onsterfelijke, goddelijke wezens.
Voor het geval we het vergeten zijn: Dit is precies datgene
wat Satan aan Eva vertelde, dat Jehovah zogenaamd bang was
om op te geven, toen hij zei: "Want God weet dat nog
op de dag dat gij ervan eet, uw ogen stellig geopend zullen
worden en gij stellig als God zult zijn, kennend
goed en kwaad." Volgens de Duivel vertrouwde Jehovah
zijn schepping niet en was zijn schepping het ook niet waard
om vertrouwd te worden. Maar Jehovah heeft het juist geacht
deze niet te bevatten gift van het precies
gelijk hem worden aan een selectie van Adams nakomelingen
te schenken - dezelfde nakomelingen die hem zoveel verdriet
en schande hebben gebracht. Jehovah heeft zichzelf op deze
wonderbaarlijke en meesterlijke wijze werkelijk tot De God
der goden gemaakt. Hij heeft niet alleen bewezen machtiger
en oneindig veel wijzer te zijn, maar God heeft ook op alle
denkbare manieren zijn morele superioriteit over zijn menselijke
en demonische beschuldigers gedemonstreerd.
Met deze onverwachte en wonderbaarlijke manier waarop Jehovah
de Duivel zijn beschuldiging heeft beantwoord in zijn achterhoofd,
heeft de Duivel de krachtige en slimme leugen in het leven
geroepen dat mensen een onafhankelijke onsterfelijke
ziel hebben. Evenzo heeft hij de flagrante vals religieuze
leerstelling gepromoot die beweert dat alle "goede" mensen
naar de hemel gaan wanneer ze sterven, alsof dat voorrecht
op één of andere manier ons geboorterecht is en onafhankelijk
van Jehovah's keuze en weldadigheid ten opzichte van de
mensheid.
Het moge duidelijk zijn dat het doel van de Duivel is Gods
speciale gift in onze ogen normaal te laten lijken.
De waarheid is echter dat Jehovah geen enkel mens
hemelse audiëntie met zichzelf verleent, laat staan onsterfelijkheid,
tenzij ze eerst hebben bewezen een onbreekbaar geloof
in hem en zijn zoon, Jezus Christus, te hebben.
Om in zijn uitverkorenen echter een onverwoestbaar geloof
aan te kweken, moeten ze eerst Jehovah's ongenoegen en zijn
gematigde berisping ondergaan; daar zelfs hun Heer Jezus
gehoorzaamheid leerde door de dingen die hij moest ondergaan.
Dat brengt ons weer bij de brief aan de Hebreeën en waarom
de apostel, nadat hij uitgebreid heeft gesproken over al
de daden van geloof door mannen uit eerdere tijden, Gods
zonen aanspoort de berisping te doorstaan. In Hebreeën 12:8
schreef Paulus: "Indien gij echter zonder het strenge
onderricht zijt waarvan allen deelgenoten zijn geworden,
zijt gij in werkelijkheid onwettige kinderen en geen zonen."
Een paar verzen verder in hetzelfde hoofdstuk citeert Paulus
gedeeltelijk Jesaja wanneer hij zegt: "Daarom, richt
de neerhangende handen en de verslapte knieën op, en blijft
rechte paden voor uw voeten maken, opdat wat kreupel is
niet ontwricht raakt, maar veeleer gezond gemaakt wordt.
"
Het 35ste hoofdstuk van Jesaja, waaruit Paulus citeerde,
bevat Jehovah's vermaning aan Israël nadat zij Gods
straf aan hen als natie hadden ondergaan. Daarom zegt Jehovah
zijn volk moed te vatten, omdat hij een hoofdweg van heiligheid
opent zodat teruggekochten terugkeren naar Sion. In werkelijkheid
zijn de profetieën van toepassing op het geestelijke Israël
nadat ze berispt zijn. Daarom vermaant Paulus in werkelijkheid
Christenen die gedurende het besluit van het gehele samenstel
van dingen leven, wanneer Jehovah de hemel en aarde zal
doen schudden en degenen die hij zijn zonen noemt ernstig
zal tuchtigen. Dat zal de gebeurtenis inleiden waarbij het
geestelijk Israël uiteindelijk terecht zal staan voor de
geweldigde hemelse Berg Sion.
"Uw
Grootse Onderwijzer Zal
Zich Niet Langer Verbergen"
Als de Schepper en rechtmatige heerser van het universum
is God als enige bevoegd om zijn schepping te instrueren
en zijn visie op de zaak te onthullen. Het kan echter ook
Gods voornemen zijn zich op de achtergrond te houden, zichzelf
als het ware te verstoppen en toe te staan dat de gebeurtenissen
zich op een natuurlijke manier ontvouwen om zodoende zijn
schepping een essentiële les te leren. Vanuit Jehovah's
standpunt bezien is de geschiedenis van de mensheid sinds
de verdrijving uit Eden niets meer dan een lange, vruchteloze
oefening. In zijn wijsheid heeft Jehovah zijn eigenzinnige
schepping toegestaan op het huidige punt te komen, het punt
waarop de beschaving klaar lijkt te zijn voor het leren
van de ultieme les: namelijk, dat onafhankelijkheid van
God een volledig en rampzalig einde betekent.
Jehovah heeft het einde natuurlijk al vanaf het begin voorzien,
maar wijzelf moeten de finale meemaken willen we
in staat zijn volledig voordeel te trekken van datgene wat
God ons nog moet leren. De catastrofale finale van deze
wereld is niet één of andere grillige handeling van een
irrationele en woedende God, zoals sommigen denken. In plaats
daarvan is het een resultaat van de opeenhoping van menselijke
dwaasheid, goddeloosheid en gebrek aan geloof in God: een
gevaarlijke mix die de wereld uiteindelijk op de rand van
vernietiging zal brengen.
In de context van deze vreesinboezemende gebeurtenissen
die direct aan het einde van de wereld voorafgaan, wordt
Jehovah de Grootse Onderwijzer en Redder van degenen die
op hem vertrouwen. Daarom zegt Jesaja 30:20: "En Jehovah
zal ulieden stellig brood in de vorm van benauwdheid geven
en water in de vorm van onderdrukking; toch zal uw Grootse
Onderwijzer zich niet langer verbergen, en uw ogen moeten
ogen worden die uw Grootse Onderwijzer zien."
Daar Jehovah's Getuigen beweren dat Jehovah onze Grootse
Onderwijzer is, op welk moment zal God "zich" dan
niet langer voor ons "verbergen"? Zijn we werkelijk
zo geestelijk verlicht dat onze ogen onze Grootse Onderwijzer
hebben gezien? Wanneer we ons als organisatie indenken dat
we alles wat we moeten weten om die bewering te kunnen doen
reeds geleerd hebben, zouden we eens moeten beschouwen wat
Paulus aan de Korinthiërs schreef: "Indien iemand denkt
dat hij kennis omtrent iets heeft verworven, kent hij het
nog niet zoals hij het behoort te kennen." (1 Korinthiërs
8:2)
Volgens de context van het 30ste hoofdstuk van Jesaja onthult
Jehovah zichzelf tijdens de Oordeelsdag als onze
Grootse Onderwijzer. Daarom zegt Jesaja 30:18: "En daarom
zal Jehovah er vol verwachting naar blijven uitzien u gunst
te betonen, en daarom zal hij opstaan om u barmhartigheid
te betonen. Want Jehovah is een God des gerichts. Gelukkig
zijn allen die hem blijven verwachten. "
Daar Jehovah klaarblijkelijk nog niet is begonnen met oordelen,
is het duidelijk dat hij ook nog geen vergeving heeft
geschonken aan zijn volk gedurende een tijd waarin ze worden
gekweld door ellende en verdrukking. In dat geval moet Jesaja
30:21 een toekomstige vervulling hebben, gedurende
de tijd van de openbaring van Christus. Daar wordt namelijk
gezegd: "En uw eigen oren zullen een woord achter u horen,
dat luidt: "Dit is de weg. Wandelt daarop", ingeval
gijlieden rechts of ingeval gij links zoudt gaan."
Wanneer we ons redeneringsvermogen gebruiken en vragen:
Als we veronderstellen dat Jehovah nu zijn volk leidt
en instrueert (zoals we nu beweren en geloven) en zijn volk
zijn stem horen alsof die van achteren komt, betekent
dit dan niet dat Gods volk de verkeerde kant opgaat en op
een gegeven moment een ommezwaai moet maken? Met andere
woorden, wanneer we beweren dat we Gods volk zijn, moeten
we uiteindelijk het feit onder ogen zien dat de profetieën
aangeven dat we zijn afgedwaald.
"Schrijf
Het Op een Tafel Opdat
Het Als een Getuigenis Mag
Dienen Voor een Toekomstige Dag"
Geen enkel mens kan de toekomst voorspellen. Geschiedkundigen
kunnen het zelfs niet eens worden over het verleden!
Alleen God kan foutloos voorzien wat de toekomende dagen
zullen brengen. Wanneer profetieën worden vervuld, dient
dit niet alleen om te bewijzen dat Jehovah God is; daar
God sinds de dagen waarin de Bijbel werd geschreven niet
in direct contact heeft gestaan met mensen, dient het ook
als middel waardoor God zijn instructies en rechterlijke
beslissingen op de juiste tijd overdraagt. Profetieën die
duizenden jaren geleden opgeschreven zijn, bevatten dus
essentiële boodschappen voor degenen die veel later leven.
Jehovah instrueerde zijn oorspronkelijke profeet Jesaja
daarom om het volgende te zeggen: "Kom nu, schrijf het
in hun bijzijn op een tafel en teken het zelfs op in een
boek, opdat het mag dienen voor een toekomstige dag,
als een getuigenis tot onbepaalde tijd." (Jesaja 30:8)
In de 1ste eeuw gaf Christus specifieke instructies die,
ten tijde dat de Romeinse legers hun belegering op de stad
zouden beginnen, leven of dood konden betekenen voor de
discipelen die in Jeruzalem woonden. Wanneer Christenen het
voorzegde "walgelijke ding" in Jehovah's tempel zouden zien
staan, moesten ze onmiddellijk vluchten uit de stad en Judea.
Toch zijn de profetische instructies van Jezus ook van toepassing
op de Christenen die leven wanneer de "grote" verdrukking
de aarde overspoelt. De gebeurtenissen uit de 1ste eeuw
verschaffen dus een patroon voor gebeurtenissen die we kunnen
verwachten wanneer Gods heilige plaats in onze tijd verwoest
zal worden.
Helaas begrijpen het Wachttorengenootschap en Jehovah's Getuigen,
door verkeerde verwachtingen als gevolg van een verkeerd
begrip van diverse profetieën, niet wat de heilige plaats
is waarvan Jezus zei dat het verwoest zou worden. (Zie essay
Was 1914 het Einde van de Tijden der
Heidenen?)
Deze en andere verkeerde verwachtingen hebben ons in een
ongemakkelijke positie gebracht, waarbij we als organisatie
zeker zullen worden getroffen door onvoorziene en onverwachte
gebeurtenissen. De 74ste Psalm spreekt ongetwijfeld over
de situatie die zal ontstaan wanneer Christus' profetie
aangaande de heilige plaats werkelijkheid wordt.
De Psalm zegt bijvoorbeeld: "Alles heeft de vijand in
de heilige plaats slecht behandeld. Zij die blijk geven
van vijandschap jegens u, hebben midden in uw plaats
van samenkomst gebruld. Zij hebben hun eigen
tekens opgesteld als de tekens." (Psalm 74:3-4)
De verzen 8-10 zeggen vervolgens: "Zij, ja hun nageslacht,
hebben te zamen in hun eigen hart gezegd: "Alle samenkomstplaatsen
van God moeten in het land worden verbrand." Onze tekens
hebben wij niet gezien; er is geen profeet meer, En er is
niemand bij ons die weet hoe lang. Hoe lang, o God, zal
de tegenstander blijven smaden? Zal de vijand uw naam voor
eeuwig met minachting blijven bejegenen?"
De verwijzing van de Psalmist naar "onze tekens"
die niet worden gezien en het feit dat we geen profeet hebben
die onderscheidt wat er plaats heeft gevonden, kan alleen
maar het resultaat zijn van verkeerde verwachtingen die
we als organisatie aanvaard hebben. Ironisch genoeg heeft
Jehovah geprofeteerd dat onze aangestelde profeten ons op
een doodlopende weg zouden leiden, waar we uiteindelijk
een punt zullen bereiken waarop het lijkt alsof Jehovah's
Woord heeft gefaald. De beschuldiging dat Jehovah's Getuigen
"valse profeten" zijn, zullen waar lijken te zijn. De vijanden
die "hun eigen tekenen als de tekens" opstellen is
in overeenstemming met de profetie van Daniël, welke voorzegt
dat de koning met bars gelaat "waarheid ter aarde bleef
werpen." (Zie ook het essay: Het
Mysterie van de AntiChrist)
Zoals alle Jehovah's Getuigen weten, is het onze verwachting
dat de Christenheid aan het begin van de grote verdrukking
vernietigd zal worden. Dat is één van de "tekenen" die we
verwachten te zien. Samen met andere dingen is dat wat onze
"profeten" in de organisatie door bestudering van Gods Woord
voor onze toekomst hebben voorzien. Niemand onder ons heeft
werkelijk vraagtekens gezet bij de volgorde van gebeurtenissen
die samen onze verwachting vormen.
Wanneer de gebeurtenissen zich dus niet ontvouwen zoals
onze vertrouwde leraren ons hebben doen geloven, zal dit
een geloofstest voor ons zijn, net alsof valse profeten
ons hebben misleid.
Nog erger is dat onze "profeten" niet onderscheiden hebben
dat de calamiteit welke volgens ons verwachtingspatroon
over de Christenheid komt, in plaats daarvan feitelijk
over Jehovah's volk komt! Kan er een grotere reden bestaan
voor onze vijanden om schande over de naam van Jehovah te
brengen, de God wiens naam wij dragen? Daarom moedigde Paulus
Christenen aan het niet op te geven wanneer we terecht worden
gewezen, zoals zeker zal gaan gebeuren. En daarom werd Jesaja
geïnspireerd een aanmoediging aan ons te schrijven om Jehovah's
oordeel te blijven verwachten, zelfs wanneer alles verloren
lijkt.
Wanneer we dat accepteren, zijn we in de positie te begrijpen
wat de profetie in het 30ste hoofdstuk van Jesaja werkelijk
voorzegd, en waarom God zei: "teken het zelfs op in een
boek, opdat het mag dienen voor een toekomstige dag,
als een getuigenis tot onbepaalde tijd." Daar de profetie
bedoeld is als getuige voor een toekomende tijd en daar
het geschreven is voor geestelijk Israël, wat laat het ons
dan precies zien? Dat brengt ons bij het eigenlijke onderwerp,
de komende ineenstorting van het Wachttorengenootschap.
"Wee
de Onhandelbare Zonen
is de Uitspraak van Jehovah"
Jesaja 30:1 is niet de eerste plaats waar God een wee
over zijn volk aankondigt. Het is zelfs zo dat elk hoofdstuk
van Jesaja, beginnend met het 28ste hoofdstuk, tot en met
het 31ste, op dezelfde manier begint. Jesaja 28:1 zegt:
"Wee de eminente kroon van de dronkaards van Efraïm..."
Jesaja 29:1 luidt: "Wee Ariël, Ariël..." Jesaja
31:1 zegt: "Wee hun die afdalen naar Egypte om
hulp, ...maar die... Jehovah zelf niet hebben gezocht.."
Jesaja 30:1 zegt: "Wee de onhandelbare zonen", is de
uitspraak van Jehovah, "die geneigd zijn raad ten uitvoer
te brengen, maar niet die van mij; en een plengoffer uit
te gieten, maar niet met mijn geest, om zonde op zonde te
stapelen; die op weg gaan om naar Egypte af te dalen en
míjn mond niet hebben geraadpleegd..."
Jehovah's "zonen" hebben toegang tot de raad van hun Vader,
maar zij weigeren halsstarrig te vertrouwen op Gods wijsheid.
In plaats daarvan pretenderen ze dat ze de dingen op Gods
manier doen, terwijl ze terzelfder tijd vertrouwen op hun
eigen kracht en op menselijke verbonden. Zoals de context
aanduidt heeft deze ontwikkeling een veel verder gaande
betekenis dan enkel voor het oude Israël. De definitieve
vervulling zal gedurende de ontsluiering van Jehovah's oordelen
tijdens het besluit van het samenstel van dingen plaatsvinden.
Zoals het 8ste vers al aangaf, is het Gods getuige voor
een toekomstige dag, tot onbepaalde tijd.
Kunnen Jehovah's hedendaagse getuigen vergeleken worden
met die koppige zonen van Israël? Helaas wel. We zijn
"geneigd raad ten uitvoer te brengen," wat betekent dat
we tonen dat we de bereidheid hebben God te dienen, maar
dat wat we aanbieden niet persé in overeenstemming met Gods
geest is. Het uitgieten van een "plengoffer," welke duidelijk
niet afkomstig is van Jehovah's geest, kan worden teruggezien
in verband met het walgelijke verbond van het Wachttorengenootschap
als NGO [LINK]
en het gebruik van de Ontwaakt om pro-globalistische propaganda
te verspreiden.
Klaarblijkelijk hebben advocaten die het Genootschap vertegenwoordigen
ook "achterkamer" deals gesloten met diverse politieke instellingen
om de erkenning van het Wachttorengenootschap in bepaalde landen te
verbeteren. Eind jaren '90 werd het Wachttorengenootschap bijvoorbeeld
wettelijke erkenning geweigerd door de Bulgaarse regering,
omdat men begreep dat het Wachttorengenootschap haar leden dwong tot
het weigeren van bloedtransfusies door de dreiging van uitsluiting.
De advocaten sloten daarom een compromis. De Bulgaarse regering
zou het Wachttorengenootschap wettelijke erkenning geven en als tegenprestatie
ging het Wachttorengenootschap ermee akkoord dat ze Bulgaarse Getuigen
die een bloedtransfusie namen niet zouden uitsluiten. [LINK]
Er zijn in het kader van wettelijke voordelen ook op andere
gebieden compromissen gesloten, zoals op het gebied van
stemmen en alternatieven voor militaire dienst. Zo'n gewilligheid
tot "onderhandelen" in geloofszaken laat zien dat de hedendaagse
geestelijke leiders en woordvoerders voor Jehovah's Getuigen
passen in het profiel van degenen die in de profetie worden
beschreven als degenen "die geneigd zijn raad ten uitvoer
te brengen, maar niet die van mij." Daar er een neiging
bestaat tot compromissen sluiten ter bescherming van de
eigenbelangen van het Wachttorengenootschap, hoe denken we dan dat het
Genootschap zal reageren wanneer het geconfronteerd wordt
met de eigen ondergang? Hoe zullen wij reageren?
De overheersende gedachte onder Jehovah's Getuigen
is dat God zijn organisatie zal beschermen tegen de calamiteit
die over de wereld zal komen. Het is voor ons onbegrijpelijk
dat het Genootschap zich mogelijkerwijs Jehovah's woede
op de hals kan halen. Toch voorzegt Jesaja 30:25 dat er
herstel voor Gods volk in het verschiet ligt, maar pas na
de vreselijke "de dag van de grote slachting, wanneer
de torens vallen." Het 26ste vers zegt: "op de dag
dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs
de zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte
slag geneest."
Daar we als Jehovah's Getuigen beweren Gods volk te zijn,
moeten we erkennen dat de profetie die spreekt over "zijn
volk" en waarin gesproken wordt over een breuk en een
zware wonde in werkelijkheid Gods oordeel tegen ons
is. Maar de Bijbelinterpreteerders van het Wachttorengenootschap hebben
ervoor gekozen blind te blijven voor zulke goddelijke oordelen.
Ze lijken er de voorkeur aan te geven de waan in stand te
houden dat het Wachttorengenootschap de onberispelijke woordvoerder
van God is en dat God op één of andere manier verplicht
is zijn heerlijkheid aan ons te geven, in plaats van te
erkennen dat we als organisatie Jehovah's ongenoegen en
berisping over ons verdienen.
Zonder twijfel hebben de leiders van het Wachttorengenootschap bewezen
dat ze als koppige "zonen" zijn, doordat ze koppig blijven
vasthouden aan achterhaalde, onnauwkeurige interpretaties
van profetieën, zelfs wanneer ze wel moeten weten
dat zulke leerstellingen verkeerd zijn. Ook de uitbarsting
van klachten tegen hen aangaande het verderfelijke beleid
voor het behandelen van zaken van kindermisbruik, blijkt
tegen dovemansoren gezegd te zijn. En, zoals net al aangehaald,
ze hebben vertrouwen op Jehovah ingeruild voor "deals" en
"compromissen" met de natiën.
En alsof dit nog niet genoeg reden is voor God om zijn
volk te slaan met een zware wond, heeft de organisatie in
toenemende mate haar toevlucht genomen tot repressie. Om
de leugen intact te houden en controle te behouden over
de gemeenten, hebben plaatselijke lichamen van ouderlingen
soms op een manier gehandeld die te vergelijken valt met
de afgrijselijk Katholieke inquisiteurs of de hedendaagse
Taliban. Veel eerlijke en oprechte Christenen zijn onderworpen
aan een rechterlijk tribunaal voor enkel het twijfelen aan
de juistheid van de leerstellingen en beleid van het Wachttorengenootschap.
Net zoals de gevestigde orde van de oude Joden trachtten
Jehovah's profeten tot zwijgen te brengen, is het Genootschap
evenzo geneigd elke suggestie dat Jehovah's oordeel op ons
van toepassing zou kunnen zijn de mond te snoeren. Daarom
zegt God het volgende tot zijn koppige zonen: "Want het
is een weerspannig volk, leugenachtige zonen, zonen die
de wet van Jehovah niet hebben willen horen; die tot de
zieners hebben gezegd: 'Gij moet niet zien', en tot degenen
die visioenen hebben: 'Gij moet voor ons niet schouwen wat
recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke
dingen.'" (Jesaja 30:9, 10)
Terwijl vrijwel elke Bijbelse profeet ronduit voorzegd
heeft hoe geestelijk Israël onder het oordeel van God zal
komen, heeft het Wachttorengenootschap ervoor gekozen alle negatieve
aspecten van deze profetische visioenen toe te passen op
de Christenheid, of anders hebben ze die aankondigingen
helemaal genegeerd. Werkelijk "leugenachtige zonen!"
We hebben getoond dat we de wet van Jehovah in dit opzicht
niet willen horen. "Degenen die visioenen hebben"
zijn degenen die het juiste begrip van de profetische visioenen
die Jehovah oorspronkelijk aan de bijbelse visionairs en
profeten heeft gegeven, "zien". Maar, net zoals de
Joden niet ontvankelijk waren, hebben ook wij ons ongewillig
betoond om Gods raad uit de Schrift te aanvaarden. We hebben
er de voorkeur aan gegeven "vleiende dingen" aan
te horen over hoe we in een "geestelijk paradijs" leven
en hoe Jehovah zijn zogenoemde 'zichtbare organisatie' verheerlijkt.
Jehovah is dus wel verplicht zijn koppige zonen een strenge
slag toe te dienen, zodat zij uit hun dwaasheid ontwaken.
Omdat we als organisatie Gods Woord niet zonder
voorbehoud hebben aangenomen, is het waarschijnlijk dat
het Wachttorengenootschap, wanneer het samenstel ineenstort en de dag
van tirranie begint, wanhopig zichzelf zal proberen te redden
door als het ware "naar Egypte af te dalen" en hulp
te zoeken zij wereldlijke bronnen. Nog een tragisch bewijs
van "zonde op zonde stapelen."
In het licht van zulk bewijsmateriaal lijkt het alsof het
belangrijkste voor de organisatie de blijvendheid van de
organisatie zelf is geworden. Het is ironisch dat des te
"succesvoller" het Wachttorengenootschap wordt, des te kwetsbaarder
het wordt. Dat komt omdat een grote uitgeversorganisatie,
waarnaar het Wachttorengenootschap de laatste decennia is uitgegroeid,
ook geheel afhankelijk is van de voortdurende stabiliteit
van het samenstel van dingen wil het werk voortgang kunnen
vinden. Een wereldoorlog, een wereldwijde depressie of een
regelrechte financiële ineenstorting, een staat van beleg
als gevolg van binnenlands terrorisme, een wereldwijde dictatuur,
massale rechtzaken tegen het Wachttorengenootschap, of een combinatie
van deze en andere onvoorziene moeilijkheden, kan enorme
druk op het Wachttorengenootschap zetten. Wanneer we uiteindelijk
onder die druk komen te staan, zal werkelijk blijken of
we God wel of niet vertrouwen.
"Uw
Dwaling zal Worden Als
een Gebroken Stuk dat op Vallen
Staat, Een Uitpuiling in een
Hoog Opgetrokken Muur"
Gods profeet schrijft verder: "Daarom heeft de Heilige
Israëls dit gezegd: "Met het oog op uw verwerping van dit
woord, en aangezien gijlieden vertrouwt op afzetterij en
op slinksheid en daarop steunt, daarom zal u deze dwaling
worden als een gebroken stuk dat op vallen staat, een uitpuiling
in een hoog opgetrokken muur, waarvan de instorting plotseling,
in een ogenblik, kan komen."" (Jesaja 30:12, 13)
Terwijl we niet exact kunnen zeggen hoe de toekomst zich
zal ontvouwen, kunnen we aan de hand van daden uit het verleden
voorzien hoe de leiders van het Wachttorengenootschap zouden kunnen
reageren wanneer ze zich tegenover zulke hevige tegenspoed
gesteld zien. Volgens de profetie zal echter geen enkele
politieke en financiële invloed die het Genootschap tot
dusver in deze wereld heeft vergaard, de volledige ineenstorting
van de organisatie in de nabije toekomst kunnen voorkomen.
De leerstelling aangaande 1914 waaraan het Wachttorengenootschap
hardnekkig heeft vastgehouden, ondanks het zich opstapelende
bewijs welke de onjuistheid ervan bewijst, en welke het
profetische fundament is van de organisatie, zal
zeker direct ineenstorten bij de echte tegenwoordigheid
van Jezus Christus. De verkeerde bijbelse interpretaties
zijn als een stenen muur opgebouwd en onverstandig genoeg
zijn we daar op gaan leunen. Maar, geen enkele hoeveelheid
dogmatisme of wettelijk manoeuvreren kan de muur van het Wachttorengenootschap, welke beslist gaat vallen, omhoog houden.
De moderne geschiedenis van Jehovah's Getuigen heeft velen
van ons ervan overtuigd dat het Wachttorengenootschap altijd
zal overwinnen. In tijden waarin Jehovah's Getuigen vervolgd
zijn, is ze altijd een plaats van bescherming voor ons geweest.
Vaak hebben we verlichting gevonden door een beroep te doen
op de grondwet waarin religieuze vrijheid wordt gegarandeerd.
Tot op de dag van vandaag heeft de wettelijke afdeling van
het Wachttorengenootschap zich hard gemaakt voor religieuze vrijheid
van Jehovah's Getuigen. De organisatie is in tijden van
moeilijkheden en ellende een ondersteuning geweest voor
Jehovah's Getuigen. We zijn erop gaan vertrouwen dat de
organisatie altijd de waarheid spreekt en onderwijst en
het juiste doet. Daarom zijn we het Wachttorengenootschap dus gaan bezien
als een beschermende muur om ons heen. Maar, vertrouwen
op welke menselijk organisatie maar ook, vooral één
die beweert Jehovah's zichtbare organisatie te zijn, is
een ernstige fout. Het voorbeeld van de manier waarop de
Joden vertrouwden op het Joodse stelsel zou genoeg bewijs
hiervoor moeten zijn.
Ongetwijfeld is datgene wat door ons Gods "aardse"
organisatie wordt genoemd, samen met het geheel aan leerstellingen
en beleid, alsook de fysieke infrastructuur van het Genootschap,
in de profetieën voorbestemd om neergehaald te worden. Omdat
we ons vertrouwen onterecht op een organisatie hebben gesteld
in plaats van op Jehovah, voorzegd de profetie het eindresultaat:
"En men zal hem stellig breken zoals men een grote pottenbakkerskruik
breekt, die wordt stukgeslagen zonder dat men haar verschoont,
zodat er onder haar stukgeslagen brokken geen scherf van
aardewerk gevonden kan worden om daarmee het vuur uit de
haardstede te halen of water uit een drassige plaats te
scheppen." (Jesaja 30:14)
Ja, Jehovah's "aardse" organisatie zal worden stukgeslagen!
Jehovah's Getuigen mogen er dan misschien de voorkeur
aan geven om te geloven dat de profetie niet van toepassing
is het hedendaagse Israël van God, met het Wachttorengenootschap
als metgezel, maar het volgende vers laat zien dat dit wel
het geval. Jesaja 30:15 zegt verder: "Want dit heeft
de Soevereine Heer Jehovah, de Heilige Israëls, gezegd:
"Door ommekeer en rust zult gijlieden worden gered. Uw kracht
zal eenvoudig gelegen blijken te zijn in rustig blijven
en in vertrouwen." Maar gij hebt niet gewild."
Volgens Jehovah's beweringen moeten we rustig blijven en
simpelweg vertrouwen op God wanneer de verdrukking over
ons komt, slechts dan kunnen we genade en redding ontvangen.
Ongetwijfeld nemen Jehovah's Getuigen aan
dat we dit als vanzelfsprekend zullen doen.
We kunnen ons echter het volgende afvragen: Welke basis
heeft de Christenheid voor het vertrouwen op Jehovah teneinde
gered te worden? Die is er niet. Degenen waarvan Jehovah
dus verwacht dat zij op hem zullen vertrouwen, kunnen dus
niemand anders zijn dan Jehovah's Getuigen. Maar, volgens
de profetie zullen degenen die Jehovah redding wil verlenen
niet op hem vertrouwen wanneer de tijd daar is. Ongetwijfeld
is dit een gevolg van ons vertrouwen in onze eigen kracht
en in menselijke organisaties en instellingen. Geen enkele
menselijke bron zal echter een hulp kunnen zijn tijdens
de hitte van Jehovah's toorn. Het resultaat zal zijn dat
er "duizend zullen beven wegens de bestraffing van één;
wegens de bestraffing van vijf zult gij vluchten, totdat
gij zult zijn overgebleven als een mast op een bergtop en
als een signaal op een heuvel."
Wat zal dat een zielige aanblik zijn, wanneer Jehovah's
trotse volk kruipt voor de tirannieke vijand. Zo'n vernederende
gebeurtenis zal de omstandigheid creëren waarin we op onze
knieën worden gedwongen en moeten erkennen dat we
Jehovah nooit als vanzelfsprekend moeten bezien of de pretentie
hebben hem te dienen. Maar, daar Jehovah's voornemen verbonden
is met zijn gezalfde gemeente, verplicht ons beven voor
de vijand Jehovah ertoe het voor zijn gelouterde volk op
te nemen.
Tijdens het oordeel zullen we gedwongen worden een volledige
bekentenis voor God te doen voor alle slechte en dwaze dingen
die we hebben gedaan, zowel als organisatie als individueel.
En Jehovah's Getuigen moeten God smeken om vergevening voor
de ongelooflijke schande die we over zijn heilige naam hebben
gebracht. Daarom zegt het 18de vers: "En daarom zal Jehovah
er vol verwachting naar blijven uitzien u gunst te betonen,
en daarom zal hij opstaan om u barmhartigheid te betonen."
De pijnlijke les die alle mensen binnenkort moeten leren,
is dat Jehovah God de terechte soeverein van deze wereld
is. De nachtmerrie die deze wereld zal overkomen, zal zonder
twijfel bewijzen dat mensen niet de wijsheid bezitten zichzelf
te regeren.
Uiteindelijk moeten Jehovah's Getuigen ook inzien dat
Jehovah God is op een manier die we hiervoor niet kenden.
Het is waar dat we mentaal bezien reeds erkennen dat Jehovah
God is. Maar, soms leven we alsof dat niet zo is. En omdat
Jehovah verborgen voor ons blijft tot de tijd waarin
zijn oordelen worden onthult, zijn we geneigd onze eigen
raad op te volgen en op ons eigen verstand en kracht te
vertrouwen. Ons organisatorische pad tot redding heeft diepe
kuilen en hobbels. Uiteindelijk zal de door onszelf
bepaalde koers rampzalig aflopen, waarbij alleen onze genadige
God ons kan redden.
Het 22ste vers voorzegd het volgende wanneer we Jehovah's
strenge beripsping en zijn instructies accepteren: "En
gijlieden moet het overtreksel van uw zilveren gehouwen
beelden en de nauwsluitende bekleding van uw gouden gegoten
beeld verontreinigen. Gij zult ze wegstrooien. Als een menstruerende
vrouw zult gij ertegen zeggen: "Louter vuil!""
Volgens de apostel Paulus is iets wat onder mensen als
verheven wordt bezien, voor Jehovah een walgelijk iets.
Tijdens het oordeel zal Jehovah zijn afkeer duidelijk maken,
zodat Jehovah's volk nooit meer een zogenoemde "aardse"
organisatie zal verheffen tot de verheven plaats waar het Wachttorengenootschap zich nu bevindt. Pas nadat we de onreine
zaken die ons tot struikelen hebben gebracht achter ons
laten en pas nadat we Jehovah als onze Grootse Onderwijzer
aannemen, ja, pas dan, en alleen dan, zal
God ware bevrijding brengen door zijn langverwachte zegen
van het geestelijke paradijs uit te storten.
Ja, dan zullen Jehovah's gekozenen 'zo helder
schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader.'
Dat komt omdat Jehovah persoonlijk zijn heilige geest rechtstreeks
op een ieder zal uitstorten. Het resultaat zal schitterend
nieuw licht zijn en een nieuwe geest in een ieder, op een
manier die geen van ons ooit heeft meegemaakt of zelfs maar
voorgesteld.
Jehovah onthult in Jesaja 30:26 de grootsheid van de waarheid
welke nog onthuld moet worden door het te vergelijken met
letterlijk licht. Er staat: "En het licht van de volle
maan moet worden als het licht van de gloeiende zon; en
ook het licht van de gloeiende zon zal zevenmaal sterker
worden, als het licht van zeven dagen, op de dag dat Jehovah
de breuk van zijn volk verbindt en zelfs de zware wonde
die het gevolg is van de door hem toegebrachte slag geneest."
"Wanneer
Zelfs het Volk in
Sion in Jeruzalem Zal Wonen,
Zult Gij Geenszins Wenen"
De opgetekende geschiedenis in de Bijbel ten aanzien van
Jehovah's bemoeienissen met het oude Israël laten zien dat
strenge bestraffing vaak de enige manier is waarop
God de harten van zijn volk kan bereiken. Maar, wij worden
er ook van verzekerd dat, ondanks dat Jehovah ons geen vrijstelling
zal geven van verdiende straf, hij daarna ook "goed en
bereid tot vergeven" is.
De profeet Jesaja schrijft vervolgens de volgende aanmoedigende
woorden: "Wanneer zelfs het volk in Sion in Jeruzalem
zal wonen, zult gij geenszins wenen. Hij zal u zonder mankeren
gunst betonen op het geluid van uw geroep; zodra hij het
hoort, zal hij u werkelijk antwoorden." (Jesaja 30:19)
We moeten niet veronderstellen dat iemand redding zal ontvangen
voordat we ernstig in het nauw zitten en in een hulpeloze
toestand zijn gebracht, zodat we gedwongen worden ons tot
Jehovah te richten voor zijn genade. In werkelijkheid heeft
God ons geloof voorbereid, zodat we de komende zware wonde
door hem kunnen weerstaan waarna hij ons uiteindelijk kan
toestaan zijn koninkrijk binnen te gaan.
Dat brengt ons terug bij de brief die Paulus oorspronkelijk
aan de Hebreeën schreef. Wellicht kunnen we nu beter begrijpen
waarom de apostel Christenen aanmoedigde te blijven staan
voor de ontzagwekkende hemelse Berg Sion. De ware stad van
God bestaat in de hemelen, niet op aarde. Hebreeën 12:18
zegt: "Want gij zijt niet genaderd tot dat wat betast
kan worden en wat met vuur in vlam is gezet, en een donkere
wolk en dikke duisternis en een storm..."
Wanneer we hier op aarde geen stad hebben die voortduurt
en welke kan worden gezien of "betast," zoals Paulus het
beschreef, misleiden we onszelf wanneer we vertrouwen
stellen in de veronderstelde blijvendheid van elke zogenoemde
"aardse" organisatie. Zoals Psalm 127:1 zegt: "Als Jehovah
zelf het huis niet bouwt, is het tevergeefs dat de bouwers
ervan er hard aan hebben gewerkt. Als Jehovah zelf de stad
niet bewaakt, is het tevergeefs dat de wachter heeft gewaakt."
Nee, de komende ineenstorting van het Wachttorengenootschap
zal niet het einde van ons geloof als Jehovah's Getuigen
betekenen; het zal hét moment van de waarheid zijn voor
ons geloof, wat noodzakelijkerwijs als door vuur getest
moet worden. Het zal voor ons het begin kenmerken van Jehovah's
geweldige Oordeels Dag en zal de broodnodige berisping en
vernedering voor de leiders van de organisatie verschaffen
en ook de broodnodige berisping en loutering van onze eigen
verkeerde opvattingen en ons misplaatste vertrouwen in de
blijvendheid van een samenstel dat enkel bestaat om een
kleine rol te spelen in Jehovah's Voornemen, net zoals het
Joodse samenstel die rol eens vervulde.
En, de belangrijkste reden om uit te kijken naar de komende
ineenstorting van het Wachttorengenootschap is dat Jehovah zichzelf
daardoor eindelijk volledig als God en Redder kan bewijzen.
|