|
De gebeurtenis waarnaar in de geschiedenis het meeste wordt uitgekeken
is De Tweede Komst van Jezus Christus, maar dat is ook de gebeurtenis
die ironisch genoeg ook het meest onbegrepen is.
Terwijl Jehovah's Getuigen de term "de Tweede Komst" niet gebruiken,
gebruikte de apostel Paulus in zijn brief aan de Hebreeën een
soortgelijke uitdrukking: "de tweede maal dat hij verschijnt."
Door dit te doen vergeleek en contrasteerde de apostel diverse
aspecten van Christus' eerste en tweede verschijning in de wereld.
Als gevolg van de verkeerde verwachtingen van de Joden werd de
verschijning van de Messias waar ze zo naar uitkeken een struikelblok
voor de gehele Joodse natie. Naar hun begrip verwachtten zij dat
de Messias niet alleen hun machtige en glorieuze koning uit de
lijn van David zou worden, maar ook degene die de troon van David
zou herstellen met Jeruzalem als zetel en die het Romeinse juk
van slavernij zou afwerpen. Dat dit de verwachting van geheel
Israël was, wordt bewezen door de vraag die de discipelen vlak
na zijn opstanding aan Jezus stelden toen ze vroegen: "Heer,
herstelt gij in deze tijd het koninkrijk van Israël?"
Het was voor de toen levende Joden niet te begrijpen dat de Messias
geen integraal onderdeel van de reeds bestaande, gerespecteerde
en zeer vereerde Joodse instelling zou worden. Ze waren ten slotte
Gods volk en dat voor meer dan duizend jaar!
En in de Joodse messiaanse leerstellingen was al zeker geen bepaling
voor een tweede komst van Christus!
Het gevolg was dat de Joden gedurende de tijd dat Jezus als mens
op aarde leefde, begonnen in te zien dat Jezus hun verkeerde verwachtingen
niet zou vervullen en ze begonnen hem te bezien als een oproerkraaier.
Uiteindelijk keerden zij zich tegen hem toen Jezus op aandringen
van de overpriesters en Farizeeën oneervol werd geëxecuteerd.
Maar, toen de Romeinen Jeruzalem en zijn tempel minder dan veertig
jaar nadat de Joden eensgezind hadden besloten om Jezus ter dood
te brengen vernietigden, kwam het Joodse samenstel van aanbidding
tot een abrupt einde en daarmee samenhangend elke mogelijkheid
dat een toekomstige messias uit de Joodse natie zou voortkomen.
Vanuit Jehovahs oogpunt bezien had het Joodse systeem van aanbidding
zijn doel gediend, ongeacht de verkeerde verwachtingen van het
Joodse volk met betrekking tot de manier waarop hij dat voornemen
volgens hen zou uitvoeren. Het had de beloofde Messias voortgebracht
zoals Gods voornemen was en toen werd dat systeem van aanbidding
afgesloten.
Bij zijn schrijven aan de Hebreeërs was het klaarblijkelijk Paulus'
bedoeling de Hebreeuwse Christenen voor te bereiden op het naderende
einde van het Joodse samenstel van dingen. Paulus schreef in Hebreeën
13:12-14 bijvoorbeeld het volgende: "Daarom heeft ook Jezus,
om het volk met zijn eigen bloed te kunnen heiligen, buiten de
poort geleden. Laten wij dan tot hem gaan buiten de legerplaats
en de smaad dragen die hij heeft gedragen, want wij hebben
hier geen blijvende stad, maar wij zoeken ernstig de toekomstige."
Het is voor ons waarschijnlijk moeilijk te begrijpen welk een
uitdaging het zelfs voor de gezalfde Joodse Christenen en apostelen
uit de eerste eeuw was om hun geloof volledig te scheiden van
het Joodse stelsel waaronder zij leefden.
Beschouw eens het verslag in het 21ste hoofdstuk van Handelingen
als voorbeeld hoe diep geworteld het Judaïsme was. Daar zijn de
apostelen bezorgd over de beschuldiging van de Joden dat Paulus
een afvallige leer onderwees. De apostelen adviseerden Paulus
zich ceremonieel te reinigen en een offer te gaan brengen in de
tempel opdat de geruchten dat hij een afvallige leer verkondigde
over Mozes en besnijding, onderdrukt werden. Ondanks dat de apostelen
wisten dat Paulus' leerstelling dat Jezus' dood het einde was
van de Mozaïsche Wet en dat besnijdenis niet langer een vereiste
was om door Jehovah God goedgekeurd te worden correct was, onderwierp
Paulus zich nederig. Maar zelfs zijn getoonde inschikkelijkheid
met betrekking tot de Mozaïsche Wet kon hun woede of vijandigheid
niet onderdrukken en toen ze zijn verblijfplaats in de stad ondekten,
trachtten ze hem te vermoorden, omdat hij verkondigde dat het
stelsel van aanbidding - de gevestigde manier van aanbidding -
dat generaties lang door Jehovah was goedgekeurd zou eindigen,
en feitelijk reeds geëindigd was.
Omdat de eerste eeuwse Christenen nu vol verwachting uitkeken
naar Christus' "aanstaande" terugkomst, blijkt dat ze ook aannamen
dat Jezus in de fysieke stad Jeruzalem zou terugkeren. Paulus
schreef in Hebreeën 9:26 echter dat Christus "zich in het besluit
van de samenstelsels van dingen eens voor altijd heeft
gemanifesteerd." Daar de Joodse manier (stelsel van aanbidding)
spoedig tot zijn einde zou komen, herinnerde Paulus de Hebreeuwse
Christenen eraan dat ze in Jeruzalem geen "blijvende stad"
hadden.
Terwijl de vernietiging van Jeruzalem de valse messiaanse verwachtingen
van de Joden die Jezus verwierpen absoluut zou verwoesten, zou
het ook een geloofstest zijn voor degenen die Jezus wel
hadden geaccepteerd, maar die zich tot op zekere hoogte nog steeds
onder invloed van het Judaïsme bevonden. Nadat de heilige stad
was verwoest zouden deze Joodse Christenen aan God moeten tonen
dat ze werkelijk "de toekomstige zoeken."
Daar Paulus de uitdrukking "het besluit van het samenstel
van dingen" in verband met Jezus' eerste verschijning gebruikte,
kunnen we er zeker van zijn dat het eerste eeuwse patroon van
speciaal belang is voor de Christenen die "de tweede maal dat
hij verschijnt" leven, tijdens het besluit van het gehele
huidige samenstel.
We kunnen daarom verwachten dat, net als bij de Hebreeuwse Christenen
en apostelen die zelf klaarblijkelijk verkeerde gedachtes hadden
aangaande Jeruzalem dat zou blijven voortbestaan als de Stad van
Jehovah, ons geloof evenzo verregaand getest zal worden
wanneer Christus uiteindelijk arriveert.
De profeet Maleachi verzekert ons van deze verbazingwekkende
gebeurtenis wanneer hij vraagt: "Doch wie zal de dag van zijn
komst verdragen, en wie zal standhouden wanneer hij verschijnt?"
In het 12de hoofdstuk van Hebreeën herinnert Paulus ons aan Gods
ongelooflijke macht, wanneer Jehovah zich aan ons zal onthullen,
door te memoreren aan het voorval waarbij de Israëlitische natie
aan de voet van de berg Sinaï samengekomen was om het Wetsverbond
te ontvangen. Toen Jehovah op de top van de berg met Mozes sprak
door middel van een vreesinboezemende vertoning, schudde de berg
en werd hij gehuld in vuur en rook. Om uit te sluiten dat dit
fenomeen een natuurlijke vulkanische uitbarsting leek, weerklonken
er doofmakende trompetten uit het onzichtbare.
Paulus legt vervolgens de betekenis van die gebeurtenis uit door
de profeet Haggaï te citeren. Hij schreef: "Zijn stem deed
toen de aarde schokken, maar nu heeft hij de belofte gedaan en
gezegd: "Nog eenmaal wil ik niet alleen de aarde, maar ook
de hemel in beroering brengen." Welnu, de uitdrukking "Nog
eenmaal" duidt op de verwijdering van de dingen die worden
geschokt als dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die niet
worden geschokt, blijven. Laten wij daarom, aangezien wij een
koninkrijk zullen ontvangen dat niet geschokt kan worden.."
In de eerste eeuw waren "de dingen die worden geschokt"
het complete Joodse religieuze systeem, met zijn Heilige Stad,
tempel en priesterschap die door die opschudding verdwenen. De
profetie van Haggaï die door de apostel werd geciteerd gaat echter
verder door te zeggen dat Jehovah "alle natiën zal [doen] schudden,"
niet enkel de kleine natie Juda. Het is dus duidelijk dat gezalfde
Christenen en de wereld voor de uiteindelijke vervulling van de
profetieën staan die erom vragen dat het gehele samenstel
van dingen geschokt zal worden wanneer Christus voor de tweede
maal verschijnt. Het enige dat overeind zal staan nadat de rook
is opgetrokken is Gods koninkrijk en degenen die werkelijke geloof
stelden in Gods koninkrijk dat niet geschokt kan worden.
Op dat moment zullen de vragen die gerezen zijn in Eden eens
en voor altijd beantwoord zijn.
"Jehovah's
Antwoord op
Gerezen Vragen in Eden"
Sinds de tijd dat Adam en Eva tegen Jehovah in opstand kwamen
en als gevolg daarvan uit de Hof van Eden werden gezet, heeft
het menselijke ras zich verwijderd van God. De vertrouwde relatie
met zijn Schepper waarvan Adam een korte tijd mocht genieten,
was verwoest. Waar Jehovah eens beschreven werd als wandelend
in Eden en dagelijks sprekend met Adam, zijn de daarop volgende
analen van de geschiedenis buiten Eden over Adams nageslacht een
triest testament van hoe verloren we zijn geraakt zonder
Gods persoonlijke supervisie en leiding. Naarmate de tijd vorderde
zou zelfs de meest rechtvaardige van Adam's nazaad het een uitdaging
vinden om Jehovah werkelijk te kennen en te vertrouwen.
Jehovah God is echter gelijk een vastbesloten en sinds lange
tijd lijdende ouder met een probleemkind; hij heeft ons nooit
opgegeven. Maar in zijn onmetelijke wijsheid weet hij dat de enige
manier waarop we bevrijd kunnen worden van onze dwaasheid en de
voordelen van zowel het vertrouwen als gehoorzamen van zijn rechtvaardige
wegen kunnen inzien, is wanneer we de pijnlijke consequenties
voor onze trotse grootspraak en gebrek aan geloof mogen ondergaan.
Zoals Jehovah's Getuigen weten, staat de oprichting van Christus'
koninkrijk centraal in Gods voornemen. Er zijn 144.000 gekozenen
uit de mensheid, verbonden met Jezus in zijn hemelse koninkrijk,
die uiteindelijk uitgenodigd worden om Jehovah's eigen woonplaats
in de hemel binnen te gaan - de Stad van God. Hoevelen
van ons hebben hier echter écht over nagedacht en gewaardeert
wat dat allemaal betekent?
In Eden heeft de Duivel God ervan beschuldigd dat hij zelfzuchtig
iets goeds achterhield voor Adam en Eva. Later, in Job's dagen,
beschuldigde Satan God er verder van dat hij zijn volgelingen
beïnvloedde door middel van omkoperij (wat overigens later precies
datgene was wat de Duivel hypocriet probeerde bij Jezus toen hij
hem alle koninkrijken van de wereld aanbood in ruil voor één daad
van aanbidding).
Gods antwoord op Satans belasterende beschuldigingen is veel
verder gegaan dan wat enige engel of enig mens zou hebben kunnen
voorzien of kunnen voorstellen. Jehovah zou niet alleen zelf
zorgen voor de middelen die nodig zijn om de mensheid wettig los
te kopen en te herstellen tot het Paradijs - aldus bewijzend dat
hij het beste voor had met de mensheid - in zijn grootsheid heeft
Jehovah zich voorgenomen enkelen uit de mensheid uit te kiezen
en hen te verhogen tot de hemel.
Alsof dat nog niet genoeg voor hem was, gaat Gods goedgunstigheid
veel verder dan enkel het herscheppen van enkele mensen tot geestelijk
wezens: Jehovah heeft zich voorgenomen zijn gekozenen leven in
zichzelf te geven. Dat is iets wat geen enkel mens
kan bezitten, omdat aardse schepselen van nature afhankelijk zijn
van externe krachten om ons leven in stand te houden. Onsterfelijkheid
is niet enkel het bezitten van eeuwig leven; zelfs Gods engelen
in de hemel is geen onsterfelijkheid gegeven. Onsterfelijkheid
betekent leven als een onsterfelijk en onvernietigbaar wezen te
bezitten. Onsterfelijke schepselen zijn zelfs niet langer van
Jehovah afhankelijk om hen te onderhouden. (Jezus Christus was
het eerste schepsel die, na zijn opstanding, onsterfelijkheid
verkreeg) Jehovah verhoogt menselijke schepselen dus niet alleen
vrijwillig tot in zijn tegenwoordigheid - sommigen zelfs vanuit
de laagste gelederen van de gedegradeerde menselijke gemeenschap
- maar wil ook dat zij in natuur hetzelfde als hij worden - heerlijke,
onsterfelijke, goddelijke wezens.
Voor het geval we het vergeten zijn: Dit is precies datgene wat
Satan aan Eva vertelde, dat Jehovah zogenaamd bang was om op te
geven, toen hij zei: "Want God weet dat nog op de dag dat gij
ervan eet, uw ogen stellig geopend zullen worden en gij stellig
als God zult zijn, kennend goed en kwaad." Volgens
de Duivel vertrouwde Jehovah zijn schepping niet en was zijn schepping
het ook niet waard om vertrouwd te worden. Maar Jehovah heeft
het juist geacht deze niet te bevatten gift van het precies
gelijk hem worden aan een selectie van Adams nakomelingen te schenken
- dezelfde nakomelingen die hem zoveel verdriet en schande hebben
gebracht. Jehovah heeft zichzelf op deze wonderbaarlijke en meesterlijke
wijze werkelijk tot De God der goden gemaakt. Hij heeft niet alleen
bewezen machtiger en oneindig veel wijzer te zijn, maar God heeft
ook op alle denkbare manieren zijn morele superioriteit over zijn
menselijke en demonische beschuldigers gedemonstreerd.
Met deze onverwachte en wonderbaarlijke manier waarop Jehovah
de Duivel zijn beschuldiging heeft beantwoord in zijn achterhoofd,
heeft de Duivel de krachtige en slimme leugen in het leven geroepen
dat mensen een onafhankelijke onsterfelijke ziel hebben.
Evenzo heeft hij de flagrante vals religieuze leerstelling gepromoot
die beweert dat alle "goede" mensen naar de hemel gaan wanneer
ze sterven, alsof dat voorrecht op één of andere manier ons geboorterecht
is en onafhankelijk van Jehovah's keuze en weldadigheid ten opzichte
van de mensheid.
Het moge duidelijk zijn dat het doel van de Duivel is Gods speciale
gift in onze ogen normaal te laten lijken. De waarheid
is echter dat Jehovah geen enkel mens hemelse audiëntie
met zichzelf verleent, laat staan onsterfelijkheid, tenzij ze
eerst hebben bewezen een onbreekbaar geloof in hem en zijn
zoon, Jezus Christus, te hebben.
Om in zijn uitverkorenen echter een onverwoestbaar geloof aan
te kweken, moeten ze eerst Jehovah's ongenoegen en zijn gematigde
berisping ondergaan; daar zelfs hun Heer Jezus gehoorzaamheid
leerde door de dingen die hij moest ondergaan.
Dat brengt ons weer bij de brief aan de Hebreeën en waarom de
apostel, nadat hij uitgebreid heeft gesproken over al de daden
van geloof door mannen uit eerdere tijden, Gods zonen aanspoort
de berisping te doorstaan. In Hebreeën 12:8 schreef Paulus: "Indien
gij echter zonder het strenge onderricht zijt waarvan allen deelgenoten
zijn geworden, zijt gij in werkelijkheid onwettige kinderen en
geen zonen." Een paar verzen verder in hetzelfde hoofdstuk
citeert Paulus gedeeltelijk Jesaja wanneer hij zegt: "Daarom,
richt de neerhangende handen en de verslapte knieën op, en blijft
rechte paden voor uw voeten maken, opdat wat kreupel is niet ontwricht
raakt, maar veeleer gezond gemaakt wordt. "
Het 35ste hoofdstuk van Jesaja, waaruit Paulus citeerde, bevat
Jehovah's vermaning aan Israël nadat zij Gods straf aan
hen als natie hadden ondergaan. Daarom zegt Jehovah zijn volk
moed te vatten, omdat hij een hoofdweg van heiligheid opent zodat
teruggekochten terugkeren naar Sion. In werkelijkheid zijn de
profetieën van toepassing op het geestelijke Israël nadat ze berispt
zijn. Daarom vermaant Paulus in werkelijkheid Christenen die gedurende
het besluit van het gehele samenstel van dingen leven, wanneer
Jehovah de hemel en aarde zal doen schudden en degenen die hij
zijn zonen noemt ernstig zal tuchtigen. Dat zal de gebeurtenis
inleiden waarbij het geestelijk Israël uiteindelijk terecht zal
staan voor de geweldigde hemelse Berg Sion.
"Uw
Grootse Onderwijzer Zal
Zich Niet Langer Verbergen"
Als de Schepper en rechtmatige heerser van het universum is God
als enige bevoegd om zijn schepping te instrueren en zijn visie
op de zaak te onthullen. Het kan echter ook Gods voornemen zijn
zich op de achtergrond te houden, zichzelf als het ware te verstoppen
en toe te staan dat de gebeurtenissen zich op een natuurlijke
manier ontvouwen om zodoende zijn schepping een essentiële les
te leren. Vanuit Jehovah's standpunt bezien is de geschiedenis
van de mensheid sinds de verdrijving uit Eden niets meer dan een
lange, vruchteloze oefening. In zijn wijsheid heeft Jehovah zijn
eigenzinnige schepping toegestaan op het huidige punt te komen,
het punt waarop de beschaving klaar lijkt te zijn voor het leren
van de ultieme les: namelijk, dat onafhankelijkheid van God een
volledig en rampzalig einde betekent.
Jehovah heeft het einde natuurlijk al vanaf het begin voorzien,
maar wijzelf moeten de finale meemaken willen we in staat
zijn volledig voordeel te trekken van datgene wat God ons nog
moet leren. De catastrofale finale van deze wereld is niet één
of andere grillige handeling van een irrationele en woedende God,
zoals sommigen denken. In plaats daarvan is het een resultaat
van de opeenhoping van menselijke dwaasheid, goddeloosheid en
gebrek aan geloof in God: een gevaarlijke mix die de wereld uiteindelijk
op de rand van vernietiging zal brengen.
In de context van deze vreesinboezemende gebeurtenissen die direct
aan het einde van de wereld voorafgaan, wordt Jehovah de Grootse
Onderwijzer en Redder van degenen die op hem vertrouwen. Daarom
zegt Jesaja 30:20: "En Jehovah zal ulieden stellig brood in
de vorm van benauwdheid geven en water in de vorm van onderdrukking;
toch zal uw Grootse Onderwijzer zich niet langer verbergen, en
uw ogen moeten ogen worden die uw Grootse Onderwijzer zien."
Daar Jehovah's Getuigen beweren dat Jehovah onze Grootse Onderwijzer
is, op welk moment zal God "zich" dan niet langer voor
ons "verbergen"? Zijn we werkelijk zo geestelijk
verlicht dat onze ogen onze Grootse Onderwijzer hebben gezien?
Wanneer we ons als organisatie indenken dat we alles wat we moeten
weten om die bewering te kunnen doen reeds geleerd hebben, zouden
we eens moeten beschouwen wat Paulus aan de Korinthiërs schreef:
"Indien iemand denkt dat hij kennis omtrent iets heeft verworven,
kent hij het nog niet zoals hij het behoort te kennen."
Volgens de context van het 30ste hoofdstuk van Jesaja onthult
Jehovah zichzelf tijdens de Oordeelsdag als onze Grootse
Onderwijzer. Daarom zegt Jesaja 30:18: "En daarom zal Jehovah
er vol verwachting naar blijven uitzien u gunst te betonen, en
daarom zal hij opstaan om u barmhartigheid te betonen. Want Jehovah
is een God des gerichts. Gelukkig zijn allen die hem blijven verwachten.
"
Daar Jehovah klaarblijkelijk nog niet is begonnen met oordelen,
is het duidelijk dat hij ook nog geen vergeving heeft geschonken
aan zijn volk gedurende een tijd waarin ze worden gekweld door
ellende en verdrukking. In dat geval moet Jesaja 30:21 een toekomstige
vervulling hebben, gedurende de tijd van de openbaring van Christus.
Daar wordt namelijk gezegd: "En uw eigen oren zullen een woord
achter u horen, dat luidt: "Dit is de weg. Wandelt daarop",
ingeval gijlieden rechts of ingeval gij links zoudt gaan."
Wanneer we ons redeneringsvermogen gebruiken en vragen: Als we
veronderstellen dat Jehovah nu zijn volk leidt en instrueert
(zoals we nu beweren en geloven) en zijn volk zijn stem horen
alsof die van achteren komt, betekent dit dan niet dat
Gods volk de verkeerde kant opgaat en op een gegeven moment een
ommezwaai moet maken? Met andere woorden, wanneer we beweren dat
we Gods volk zijn, moeten we uiteindelijk het feit onder ogen
zien dat de profetieën aangeven dat we zijn afgedwaald.
"Schrijf
Het Op een Tafel Opdat
Het Als een Getuigenis Mag
Dienen Voor een Toekomstige Dag"
Geen enkel mens kan de toekomst voorspellen. Geschiedkundigen
kunnen het zelfs niet eens worden over het verleden! Alleen
God kan foutloos voorzien wat de toekomende dagen zullen brengen.
Wanneer profetieën worden vervuld, dient dit niet alleen om te
bewijzen dat Jehovah God is; daar God sinds de dagen waarin de
Bijbel werd geschreven niet in direct contact heeft gestaan met
mensen, dient het ook als middel waardoor God zijn instructies
en rechterlijke beslissingen op de juiste tijd overdraagt. Profetieën
die duizenden jaren geleden opgeschreven zijn, bevatten dus essentiële
boodschappen voor degenen die veel later leven. Jehovah instrueerde
zijn oorspronkelijke profeet Jesaja daarom om het volgende te
zeggen: "Kom nu, schrijf het in hun bijzijn op een tafel en
teken het zelfs op in een boek, opdat het mag dienen voor een
toekomstige dag, als een getuigenis tot onbepaalde tijd."
(Jesaja 30:8)
In de 1ste eeuw gaf Christus specifieke instructies die, ten
tijde dat de Romeinse legers hun belegering op de stad zouden
beginnen, leven of dood konden betekenen voor de discipelen die
in Jeruzalem woonden. Wanneer Christenen het voorzegde "walgelijke
ding" in Jehovah's tempel zouden zien staan, moesten ze onmiddellijk
vluchten uit de stad en Judea. Toch zijn de profetische instructies
van Jezus ook van toepassing op de Christenen die leven wanneer
de "grote" verdrukking de aarde overspoelt. De gebeurtenissen
uit de 1ste eeuw verschaffen dus een patroon voor gebeurtenissen
die we kunnen verwachten wanneer Gods heilige plaats in onze tijd
verwoest zal worden.
Helaas begrijpen het Wachttorengenootschap en Jehovah's Getuigen, door verkeerde
verwachtingen als gevolg van een verkeerd begrip van diverse profetieën,
niet wat de heilige plaats is waarvan Jezus zei dat het verwoest
zou worden. (Zie essay Was 1914 het Einde
van de Tijden der Heidenen?)
Deze en andere verkeerde verwachtingen hebben ons in een ongemakkelijke
positie gebracht, waarbij we als organisatie zeker zullen worden
getroffen door onvoorziene en onverwachte gebeurtenissen. De 74ste
Psalm spreekt ongetwijfeld over de situatie die zal ontstaan wanneer
Christus' profetie aangaande de heilige plaats werkelijkheid wordt.
De Psalm zegt bijvoorbeeld: "Alles heeft de vijand in de
heilige plaats slecht behandeld. Zij die blijk geven van vijandschap
jegens u, hebben midden in uw plaats van samenkomst gebruld.
Zij hebben hun eigen tekens opgesteld als de tekens."
(Psalm 74:3-4)
De verzen 8-10 zeggen vervolgens: "Zij, ja hun nageslacht,
hebben te zamen in hun eigen hart gezegd: "Alle samenkomstplaatsen
van God moeten in het land worden verbrand." Onze tekens hebben
wij niet gezien; er is geen profeet meer, En er is niemand bij
ons die weet hoe lang. Hoe lang, o God, zal de tegenstander blijven
smaden? Zal de vijand uw naam voor eeuwig met minachting blijven
bejegenen?"
De verwijzing van de Psalmist naar "onze tekens" die niet
worden gezien en het feit dat we geen profeet hebben die onderscheidt
wat er plaats heeft gevonden, kan alleen maar het resultaat zijn
van verkeerde verwachtingen die we als organisatie aanvaard hebben.
Ironisch genoeg heeft Jehovah geprofeteerd dat onze aangestelde
profeten ons op een doodlopende weg zouden leiden, waar we uiteindelijk
een punt zullen bereiken waarop het lijkt alsof Jehovah's Woord
heeft gefaald. De beschuldiging dat Jehovah's Getuigen "valse
profeten" zijn, zullen waar lijken te zijn. De vijanden die "hun
eigen tekenen als de tekens" opstellen is in overeenstemming
met de profetie van Daniël, welke voorzegt dat de koning met bars
gelaat "waarheid ter aarde bleef werpen." (Zie ook het
essay: Het Mysterie van de AntiChrist)
Zoals alle Jehovah's Getuigen weten, is het onze verwachting
dat de Christenheid aan het begin van de grote verdrukking vernietigd
zal worden. Dat is één van de "tekenen" die we verwachten te zien.
Samen met andere dingen is dat wat onze "profeten" in de organisatie
door bestudering van Gods Woord voor onze toekomst hebben voorzien.
Niemand onder ons heeft werkelijk vraagtekens gezet bij de volgorde
van gebeurtenissen die samen onze verwachting vormen.
Wanneer de gebeurtenissen zich dus niet ontvouwen zoals onze
vertrouwde leraren ons hebben doen geloven, zal dit een geloofstest
voor ons zijn, net alsof valse profeten ons hebben misleid.
Nog erger is dat onze "profeten" niet onderscheiden hebben dat
de calamiteit welke volgens ons verwachtingspatroon over de Christenheid
komt, in plaats daarvan feitelijk over Jehovah's volk komt!
Kan er een grotere reden bestaan voor onze vijanden om schande
over de naam van Jehovah te brengen, de God wiens naam wij dragen?
Daarom moedigde Paulus Christenen aan het niet op te geven wanneer
we terecht worden gewezen, zoals zeker zal gaan gebeuren. En daarom
werd Jesaja geïnspireerd een aanmoediging aan ons te schrijven
om Jehovah's oordeel te blijven verwachten, zelfs wanneer alles
verloren lijkt.
Wanneer we dat accepteren, zijn we in de positie te begrijpen
wat de profetie in het 30ste hoofdstuk van Jesaja werkelijk
voorzegd, en waarom God zei: "teken het zelfs op in een boek,
opdat het mag dienen voor een toekomstige dag, als een
getuigenis tot onbepaalde tijd." Daar de profetie bedoeld
is als getuige voor een toekomende tijd en daar het geschreven
is voor geestelijk Israël, wat laat het ons dan precies zien?
Dat brengt ons bij het eigenlijke onderwerp, de komende ineenstorting
van het Wachttorengenootschap.
"Wee
de Onhandelbare Zonen
is de Uitspraak van Jehovah"
Jesaja 30:1 is niet de eerste plaats waar God een wee over zijn
volk aankondigt. Het is zelfs zo dat elk hoofdstuk van Jesaja,
beginnend met het 28ste hoofdstuk, tot en met het 31ste, op dezelfde
manier begint. Jesaja 28:1 zegt: "Wee de eminente kroon
van de dronkaards van Efraïm..." Jesaja 29:1 luidt: "Wee
Ariël, Ariël..." Jesaja 31:1 zegt: "Wee hun die
afdalen naar Egypte om hulp, ...maar die... Jehovah zelf niet
hebben gezocht.."
Jesaja 30:1 zegt: "Wee de onhandelbare zonen", is de uitspraak
van Jehovah, "die geneigd zijn raad ten uitvoer te brengen, maar
niet die van mij; en een plengoffer uit te gieten, maar niet met
mijn geest, om zonde op zonde te stapelen; die op weg gaan om
naar Egypte af te dalen en míjn mond niet hebben geraadpleegd..."
Jehovah's "zonen" hebben toegang tot de raad van hun Vader, maar
zij weigeren halsstarrig te vertrouwen op Gods wijsheid. In plaats
daarvan pretenderen ze dat ze de dingen op Gods manier doen, terwijl
ze terzelfder tijd vertrouwen op hun eigen kracht en op menselijke
verbonden. Zoals de context aanduidt heeft deze ontwikkeling een
veel verder gaande betekenis dan enkel voor het oude Israël. De
definitieve vervulling zal gedurende de ontsluiering van Jehovah's
oordelen tijdens het besluit van het samenstel van dingen plaatsvinden.
Zoals het 8ste vers al aangaf, is het Gods getuige voor een toekomstige
dag, tot onbepaalde tijd.
Kunnen Jehovah's hedendaagse getuigen vergeleken worden met die
koppige zonen van Israël? Helaas wel. We zijn "geneigd
raad ten uitvoer te brengen," wat betekent dat we tonen dat we
de bereidheid hebben God te dienen, maar dat wat we aanbieden
niet persé in overeenstemming met Gods geest is. Het uitgieten
van een "plengoffer," welke duidelijk niet afkomstig is van Jehovah's
geest, kan worden teruggezien in verband met het walgelijke verbond
van het Wachttorengenootschap als NGO [LINK]
en het gebruik van de Ontwaakt om pro-globalistische propaganda
te verspreiden.
Klaarblijkelijk hebben advocaten die het Genootschap vertegenwoordigen
ook "achterkamer" deals gesloten met diverse politieke instellingen
om de erkenning van het Wachttorengenootschap in bepaalde landen te verbeteren.
Eind jaren '90 werd het Wachttorengenootschap bijvoorbeeld wettelijke erkenning
geweigerd door de Bulgaarse regering, omdat men begreep dat het Wachttorengenootschap haar leden dwong tot het weigeren van bloedtransfusies
door de dreiging van uitsluiting. De advocaten sloten daarom een
compromis. De Bulgaarse regering zou het Wachttorengenootschap wettelijke
erkenning geven en als tegenprestatie ging het Wachttorengenootschap ermee
akkoord dat ze Bulgaarse Getuigen die een bloedtransfusie namen
niet zouden uitsluiten. [LINK]
Er zijn in het kader van wettelijke voordelen ook op andere gebieden
compromissen gesloten, zoals op het gebied van stemmen en alternatieven
voor militaire dienst. Zo'n gewilligheid tot "onderhandelen" in
geloofszaken laat zien dat de hedendaagse geestelijke leiders
en woordvoerders voor Jehovah's Getuigen passen in het profiel
van degenen die in de profetie worden beschreven als degenen "die
geneigd zijn raad ten uitvoer te brengen, maar niet die van mij."
Daar er een neiging bestaat tot compromissen sluiten ter bescherming
van de eigenbelangen van het Wachttorengenootschap, hoe denken we dan dat
het Genootschap zal reageren wanneer het geconfronteerd wordt
met de eigen ondergang? Hoe zullen wij reageren?
De overheersende gedachte onder Jehovah's Getuigen is
dat God zijn organisatie zal beschermen tegen de calamiteit die
over de wereld zal komen. Het is voor ons onbegrijpelijk dat het
Genootschap zich mogelijkerwijs Jehovah's woede op de hals kan
halen. Toch voorzegt Jesaja 30:25 dat er herstel voor Gods volk
in het verschiet ligt, maar pas na de vreselijke "de
dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen." Het
26ste vers zegt: "op de dag dat Jehovah de breuk van zijn
volk verbindt en zelfs de zware wonde die het gevolg is van
de door hem toegebrachte slag geneest."
Daar we als Jehovah's Getuigen beweren Gods volk te zijn, moeten
we erkennen dat de profetie die spreekt over "zijn volk"
en waarin gesproken wordt over een breuk en een zware wonde in
werkelijkheid Gods oordeel tegen ons is. Maar de Bijbelinterpreteerders
van het Wachttorengenootschap hebben ervoor gekozen blind te blijven voor
zulke goddelijke oordelen. Ze lijken er de voorkeur aan te geven
de waan in stand te houden dat het Wachttorengenootschap de onberispelijke
woordvoerder van God is en dat God op één of andere manier verplicht
is zijn heerlijkheid aan ons te geven, in plaats van te erkennen
dat we als organisatie Jehovah's ongenoegen en berisping over
ons verdienen.
Zonder twijfel hebben de leiders van het Wachttorengenootschap bewezen dat
ze als koppige "zonen" zijn, doordat ze koppig blijven vasthouden
aan achterhaalde, onnauwkeurige interpretaties van profetieën,
zelfs wanneer ze wel moeten weten dat zulke leerstellingen
verkeerd zijn. Ook de uitbarsting van klachten tegen hen aangaande
het verderfelijke beleid voor het behandelen van zaken van kindermisbruik,
blijkt tegen dovemansoren gezegd te zijn. En, zoals net al aangehaald,
ze hebben vertrouwen op Jehovah ingeruild voor "deals" en "compromissen"
met de natiën.
En alsof dit nog niet genoeg reden is voor God om zijn volk te
slaan met een zware wond, heeft de organisatie in toenemende mate
haar toevlucht genomen tot repressie. Om de leugen intact te houden
en controle te behouden over de gemeenten, hebben plaatselijke
lichamen van ouderlingen soms op een manier gehandeld die te vergelijken
valt met de afgrijselijk Katholieke inquisiteurs of de hedendaagse
Taliban. Veel eerlijke en oprechte Christenen zijn onderworpen
aan een rechterlijk tribunaal voor enkel het twijfelen aan de
juistheid van de leerstellingen en beleid van het Wachttorengenootschap.
Net zoals de gevestigde orde van de oude Joden trachtten Jehovah's
profeten tot zwijgen te brengen, is het Genootschap evenzo geneigd
elke suggestie dat Jehovah's oordeel op ons van toepassing zou
kunnen zijn de mond te snoeren. Daarom zegt God het volgende tot
zijn koppige zonen: "Want het is een weerspannig volk, leugenachtige
zonen, zonen die de wet van Jehovah niet hebben willen horen;
die tot de zieners hebben gezegd: 'Gij moet niet zien', en tot
degenen die visioenen hebben: 'Gij moet voor ons niet schouwen
wat recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke
dingen.'"
Terwijl vrijwel elke Bijbelse profeet ronduit voorzegd heeft
hoe geestelijk Israël onder het oordeel van God zal komen, heeft
het Wachttorengenootschap ervoor gekozen alle negatieve aspecten van deze
profetische visioenen toe te passen op de Christenheid, of anders
hebben ze die aankondigingen helemaal genegeerd. Werkelijk "leugenachtige
zonen!" We hebben getoond dat we de wet van Jehovah in dit
opzicht niet willen horen. "Degenen die visioenen hebben"
zijn degenen die het juiste begrip van de profetische visioenen
die Jehovah oorspronkelijk aan de bijbelse visionairs en profeten
heeft gegeven, "zien". Maar, net zoals de Joden niet ontvankelijk
waren, hebben ook wij ons ongewillig betoond om Gods raad uit
de Schrift te aanvaarden. We hebben er de voorkeur aan gegeven
"vleiende dingen" aan te horen over hoe we in een "geestelijk
paradijs" leven en hoe Jehovah zijn zogenoemde 'zichtbare organisatie'
verheerlijkt. Jehovah is dus wel verplicht zijn koppige zonen
een strenge slag toe te dienen, zodat zij uit hun dwaasheid ontwaken.
Omdat we als organisatie Gods Woord niet zonder voorbehoud
hebben aangenomen, is het waarschijnlijk dat het Wachttorengenootschap, wanneer
het samenstel ineenstort en de dag van tirranie begint, wanhopig
zichzelf zal proberen te redden door als het ware "naar Egypte
af te dalen" en hulp te zoeken zij wereldlijke bronnen. Nog
een tragisch bewijs van "zonde op zonde stapelen."
In het licht van zulk bewijsmateriaal lijkt het alsof het belangrijkste
voor de organisatie de blijvendheid van de organisatie zelf is
geworden. Het is ironisch dat des te "succesvoller" het Wachttorengenootschap
wordt, des te kwetsbaarder het wordt. Dat komt omdat een
grote uitgeversorganisatie, waarnaar het Wachttorengenootschap de laatste
decennia is uitgegroeid, ook geheel afhankelijk is van de voortdurende
stabiliteit van het samenstel van dingen wil het werk voortgang
kunnen vinden. Een wereldoorlog, een wereldwijde depressie of
een regelrechte financiële ineenstorting, een staat van beleg
als gevolg van binnenlands terrorisme, een wereldwijde dictatuur,
massale rechtzaken tegen het Wachttorengenootschap, of een combinatie van
deze en andere onvoorziene moeilijkheden, kan enorme druk op het
Wachttorengenootschap zetten. Wanneer we uiteindelijk onder die
druk komen te staan, zal werkelijk blijken of we God wel of niet
vertrouwen.
"Uw
Dwaling zal Worden Als
een Gebroken Stuk dat op Vallen
Staat, Een Uitpuiling in een
Hoog Opgetrokken Muur"
Gods profeet schrijft verder: "Daarom heeft de Heilige Israëls
dit gezegd: "Met het oog op uw verwerping van dit woord, en aangezien
gijlieden vertrouwt op afzetterij en op slinksheid en daarop steunt,
daarom zal u deze dwaling worden als een gebroken stuk dat op
vallen staat, een uitpuiling in een hoog opgetrokken muur, waarvan
de instorting plotseling, in een ogenblik, kan komen.""
Terwijl we niet exact kunnen zeggen hoe de toekomst zich zal
ontvouwen, kunnen we aan de hand van daden uit het verleden voorzien
hoe de leiders van het Wachttorengenootschap zouden kunnen reageren
wanneer ze zich tegenover zulke hevige tegenspoed gesteld zien.
Volgens de profetie zal echter geen enkele politieke en financiële
invloed die het Genootschap tot dusver in deze wereld heeft vergaard,
de volledige ineenstorting van de organisatie in de nabije toekomst
kunnen voorkomen.
De leerstelling aangaande 1914 waaraan het Wachttorengenootschap hardnekkig
heeft vastgehouden, ondanks het zich opstapelende bewijs welke
de onjuistheid ervan bewijst, en welke het profetische fundament
is van de organisatie, zal zeker direct ineenstorten bij de echte
tegenwoordigheid van Jezus Christus. De verkeerde bijbelse interpretaties
zijn als een stenen muur opgebouwd en onverstandig genoeg zijn
we daar op gaan leunen. Maar, geen enkele hoeveelheid dogmatisme
of wettelijk manoeuvreren kan de muur van het Wachttorengenootschap, welke
beslist gaat vallen, omhoog houden.
De moderne geschiedenis van Jehovah's Getuigen heeft velen van
ons ervan overtuigd dat het Wachttorengenootschap altijd zal overwinnen.
In tijden waarin Jehovah's Getuigen vervolgd zijn, is ze altijd
een plaats van bescherming voor ons geweest. Vaak hebben we verlichting
gevonden door een beroep te doen op de grondwet waarin religieuze
vrijheid wordt gegarandeerd. Tot op de dag van vandaag heeft de
wettelijke afdeling van het Wachttorengenootschap zich hard gemaakt voor religieuze
vrijheid van Jehovah's Getuigen. De organisatie is in tijden van
moeilijkheden en ellende een ondersteuning geweest voor Jehovah's
Getuigen. We zijn erop gaan vertrouwen dat de organisatie altijd
de waarheid spreekt en onderwijst en het juiste doet. Daarom zijn
we het Wachttorengenootschap dus gaan bezien als een beschermende muur om
ons heen. Maar, vertrouwen op welke menselijk organisatie
maar ook, vooral één die beweert Jehovah's zichtbare organisatie
te zijn, is een ernstige fout. Het voorbeeld van de manier waarop
de Joden vertrouwden op het Joodse stelsel zou genoeg bewijs hiervoor
moeten zijn.
Ongetwijfeld is datgene wat door ons Gods "aardse" organisatie
wordt genoemd, samen met het geheel aan leerstellingen en beleid,
alsook de fysieke infrastructuur van het Genootschap, in de profetieën
voorbestemd om neergehaald te worden. Omdat we ons vertrouwen
onterecht op een organisatie hebben gesteld in plaats van op Jehovah,
voorzegd de profetie het eindresultaat: "En men zal hem stellig
breken zoals men een grote pottenbakkerskruik breekt, die wordt
stukgeslagen zonder dat men haar verschoont, zodat er onder haar
stukgeslagen brokken geen scherf van aardewerk gevonden kan worden
om daarmee het vuur uit de haardstede te halen of water uit een
drassige plaats te scheppen."
Ja, Jehovah's "aardse" organisatie zal worden stukgeslagen!
Jehovah's Getuigen mogen er dan misschien de voorkeur
aan geven om te geloven dat de profetie niet van toepassing is
het hedendaagse Israël van God, met het Wachttorengenootschap
als metgezel, maar het volgende vers laat zien dat dit wel
het geval. Jesaja 30:15 zegt verder: "Want dit heeft de Soevereine
Heer Jehovah, de Heilige Israëls, gezegd: "Door ommekeer en rust
zult gijlieden worden gered. Uw kracht zal eenvoudig gelegen blijken
te zijn in rustig blijven en in vertrouwen." Maar gij hebt niet
gewild."
Volgens Jehovah's beweringen moeten we rustig blijven en simpelweg
vertrouwen op God wanneer de verdrukking over ons komt, slechts
dan kunnen we genade en redding ontvangen. Ongetwijfeld nemen
Jehovah's Getuigen aan dat we dit als vanzelfsprekend zullen
doen.
We kunnen ons echter het volgende afvragen: Welke basis heeft
de Christenheid voor het vertrouwen op Jehovah teneinde gered
te worden? Die is er niet. Degenen waarvan Jehovah dus verwacht
dat zij op hem zullen vertrouwen, kunnen dus niemand anders zijn
dan Jehovah's Getuigen. Maar, volgens de profetie zullen degenen
die Jehovah redding wil verlenen niet op hem vertrouwen
wanneer de tijd daar is. Ongetwijfeld is dit een gevolg van ons
vertrouwen in onze eigen kracht en in menselijke organisaties
en instellingen. Geen enkele menselijke bron zal echter een hulp
kunnen zijn tijdens de hitte van Jehovah's toorn. Het resultaat
zal zijn dat er "duizend zullen beven wegens de bestraffing
van één; wegens de bestraffing van vijf zult gij vluchten, totdat
gij zult zijn overgebleven als een mast op een bergtop en als
een signaal op een heuvel."
Wat zal dat een zielige aanblik zijn, wanneer Jehovah's trotse
volk kruipt voor de tirannieke vijand. Zo'n vernederende gebeurtenis
zal de omstandigheid creëren waarin we op onze knieën worden gedwongen
en moeten erkennen dat we Jehovah nooit als vanzelfsprekend
moeten bezien of de pretentie hebben hem te dienen. Maar, daar
Jehovah's voornemen verbonden is met zijn gezalfde gemeente, verplicht
ons beven voor de vijand Jehovah ertoe het voor zijn gelouterde
volk op te nemen.
Tijdens het oordeel zullen we gedwongen worden een volledige
bekentenis voor God te doen voor alle slechte en dwaze dingen
die we hebben gedaan, zowel als organisatie als individueel.
En Jehovah's Getuigen moeten God smeken om vergevening voor de
ongelooflijke schande die we over zijn heilige naam hebben gebracht.
Daarom zegt het 18de vers: "En daarom zal Jehovah er vol verwachting
naar blijven uitzien u gunst te betonen, en daarom zal hij opstaan
om u barmhartigheid te betonen."
De pijnlijke les die alle mensen binnenkort moeten leren, is
dat Jehovah God de terechte soeverein van deze wereld is. De nachtmerrie
die deze wereld zal overkomen, zal zonder twijfel bewijzen dat
mensen niet de wijsheid bezitten zichzelf te regeren.
Uiteindelijk moeten Jehovah's Getuigen ook inzien dat Jehovah
God is op een manier die we hiervoor niet kenden. Het is waar
dat we mentaal bezien reeds erkennen dat Jehovah God is. Maar,
soms leven we alsof dat niet zo is. En omdat Jehovah verborgen
voor ons blijft tot de tijd waarin zijn oordelen worden onthult,
zijn we geneigd onze eigen raad op te volgen en op ons eigen verstand
en kracht te vertrouwen. Ons organisatorische pad tot redding
heeft diepe kuilen en hobbels. Uiteindelijk zal de door onszelf
bepaalde koers rampzalig aflopen, waarbij alleen onze genadige
God ons kan redden.
Het 22ste vers voorzegd het volgende wanneer we Jehovah's strenge
beripsping en zijn instructies accepteren: "En gijlieden moet
het overtreksel van uw zilveren gehouwen beelden en de nauwsluitende
bekleding van uw gouden gegoten beeld verontreinigen. Gij zult
ze wegstrooien. Als een menstruerende vrouw zult gij ertegen zeggen:
"Louter vuil!""
Volgens de apostel Paulus is iets wat onder mensen als verheven
wordt bezien, voor Jehovah een walgelijk iets. Tijdens het oordeel
zal Jehovah zijn afkeer duidelijk maken, zodat Jehovah's volk
nooit meer een zogenoemde "aardse" organisatie zal verheffen tot
de verheven plaats waar het Wachttorengenootschap zich nu bevindt. Pas
nadat we de onreine zaken die ons tot struikelen hebben gebracht
achter ons laten en pas nadat we Jehovah als onze Grootse
Onderwijzer aannemen, ja, pas dan, en alleen dan,
zal God ware bevrijding brengen door zijn langverwachte zegen
van het geestelijke paradijs uit te storten.
Ja, dan zullen Jehovah's gekozenen 'zo helder schijnen
als de zon in het koninkrijk van hun Vader.' Dat komt omdat
Jehovah persoonlijk zijn heilige geest rechtstreeks op een ieder
zal uitstorten. Het resultaat zal schitterend nieuw licht zijn
en een nieuwe geest in een ieder, op een manier die geen van ons
ooit heeft meegemaakt of zelfs maar voorgesteld.
Jehovah onthult in Jesaja 30:26 de grootsheid van de waarheid
welke nog onthuld moet worden door het te vergelijken met letterlijk
licht. Er staat: "En het licht van de volle maan moet worden
als het licht van de gloeiende zon; en ook het licht van de gloeiende
zon zal zevenmaal sterker worden, als het licht van zeven dagen,
op de dag dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs
de zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte
slag geneest."
"Wanneer
Zelfs het Volk in
Sion in Jeruzalem Zal Wonen,
Zult Gij Geenszins Wenen"
De opgetekende geschiedenis in de Bijbel ten aanzien van Jehovah's
bemoeienissen met het oude Israël laten zien dat strenge bestraffing
vaak de enige manier is waarop God de harten van zijn volk
kan bereiken. Maar, wij worden er ook van verzekerd dat, ondanks
dat Jehovah ons geen vrijstelling zal geven van verdiende straf,
hij daarna ook "goed en bereid tot vergeven" is.
De profeet Jesaja schrijft vervolgens de volgende aanmoedigende
woorden: "Wanneer zelfs het volk in Sion in Jeruzalem zal wonen,
zult gij geenszins wenen. Hij zal u zonder mankeren gunst betonen
op het geluid van uw geroep; zodra hij het hoort, zal hij u werkelijk
antwoorden."
We moeten niet veronderstellen dat iemand redding zal ontvangen
voordat we ernstig in het nauw zitten en in een hulpeloze toestand
zijn gebracht, zodat we gedwongen worden ons tot Jehovah te richten
voor zijn genade. In werkelijkheid heeft God ons geloof
voorbereid, zodat we de komende zware wonde door hem kunnen weerstaan
waarna hij ons uiteindelijk kan toestaan zijn koninkrijk binnen
te gaan.
Dat brengt ons terug bij de brief die Paulus oorspronkelijk aan
de Hebreeën schreef. Wellicht kunnen we nu beter begrijpen waarom
de apostel Christenen aanmoedigde te blijven staan voor de ontzagwekkende
hemelse Berg Sion. De ware stad van God bestaat in de hemelen,
niet op aarde. Hebreeën 12:18 zegt: "Want gij zijt niet genaderd
tot dat wat betast kan worden en wat met vuur in vlam is gezet,
en een donkere wolk en dikke duisternis en een storm..."
Wanneer we hier op aarde geen stad hebben die voortduurt en welke
kan worden gezien of "betast," zoals Paulus het beschreef, misleiden
we onszelf wanneer we vertrouwen stellen in de veronderstelde
blijvendheid van elke zogenoemde "aardse" organisatie. Zoals Psalm
127:1 zegt: "Als Jehovah zelf het huis niet bouwt, is het tevergeefs
dat de bouwers ervan er hard aan hebben gewerkt. Als Jehovah zelf
de stad niet bewaakt, is het tevergeefs dat de wachter heeft gewaakt."
Nee, de komende ineenstorting van het Wachttorengenootschap zal
niet het einde van ons geloof als Jehovah's Getuigen betekenen;
het zal hét moment van de waarheid zijn voor ons geloof, wat noodzakelijkerwijs
als door vuur getest moet worden. Het zal voor ons het begin kenmerken
van Jehovah's geweldige Oordeels Dag en zal de broodnodige berisping
en vernedering voor de leiders van de organisatie verschaffen
en ook de broodnodige berisping en loutering van onze eigen verkeerde
opvattingen en ons misplaatste vertrouwen in de blijvendheid van
een samenstel dat enkel bestaat om een kleine rol te spelen in
Jehovah's Voornemen, net zoals het Joodse samenstel die rol eens
vervulde.
En, de belangrijkste reden om uit te kijken naar de komende
ineenstorting van het Wachttorengenootschap is dat Jehovah zichzelf daardoor
eindelijk volledig als God en Redder kan bewijzen.
|