Zogenaamde
Eindtijd
eschatologie is in recente jaren steeds populairder
geworden, vooral onder de fundamentalistische denominaties.
Zoals de meeste lezers ongetwijfeld weten, hebben Jehovah's
Getuigen zo hun eigen kijk op deze zaken: Miljoenen Jehovah's
Getuigen zijn er stellig van overtuigd dat Jezus Christus
reeds in 1914 is teruggekeerd! Dat is het jaar
waarin Christus zogenaamd de heerschappij over de wereld
gegeven werd - waarmee zijn onzichtbare tegenwoordigheid
in dat jaar begon - wat zichtbaar bewezen werd
door de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, alsmede vele
andere opeenvolgende gebeurtenissen. Ja, er zijn een hele
reeks profetieën die het Wachttorengenootschap op ingewikkelde
wijze verbonden heeft aan 1914 en andere recente data.
Er staan diverse uitdrukkingen in de Bijbel die verwijzen
naar de zogenaamde "eindtijd." De Nieuwe Wereldvertaling
gebruikt uitdrukkingen als "de laatste dagen", "de
tijd van het einde", het besluit van het samenstel
van dingen", alsook de uitdrukking die we hier bespreken:
"Het laatst der dagen." In de boeken van de profeten
komt de uitdrukking "in het laatst der dagen" negen
maal voor. We zullen ze hier allemaal kort bespreken.
Voor het grootste deel lijken deze uitdrukkingen onderling
verwisselbaar te zijn. De NWV geeft Daniël 10:13, 14 bijvoorbeeld
als volgt weer: "Maar de vorst van het koninklijke
gebied van Perzië bood mij eenentwintig dagen lang tegenstand,
en zie! Michaël, een van de voornaamste vorsten, kwam
om mij te helpen; en ik, van mijn kant, bleef daar bij
de koningen van Perzië. En ik ben gekomen om u te doen
onderscheiden wat uw volk in het laatst der dagen
zal overkomen, want het is een visioen nog voor de toekomende
dagen."
De bovenstaande verzen zijn de inleidende opmerkingen
van de engel die Daniël voorbereidde op de ontvangst van
de uitgebreide profetie over de koning van het noorden
en de koning van het zuiden. Verderop in de context van
de profetie gebruikt de engel echter de uitdrukking "tijd
van het einde" - in plaats van "het laatst der
dagen." Dit lijkt erop te wijzen dat de tijdsperiodes
hetzelfde zijn.
In Daniël 8:19 gebruikt de NWV een soortgelijke uitdrukking
door te verwijzen naar "het laatst van de openlijke
veroordeling," welke in de schriftplaats gelijk wordt
gesteld aan "de tijd van het einde." Dat vers luidt:
En hij zei verder: "Zie, ik doe u weten wat er op het
laatst van de openlijke veroordeling zal geschieden, want
het is voor de bestemde tijd van het einde."
De "bestemde tijd van het einde" is dus de periode
waarin Jehovah zijn rechterlijke veroordelingen
over het gehele samenstel zal uitvaardigen - waarbij hij
echter eerst begint bij zijn eigen huis.
Zoals reeds op een andere
plaats op deze site besproken werd, zijn "de tijd
van het einde" en het besluit één en dezelfde tijdsperiode,
waarnaar Jezus verwees als de definitieve oogst. Er kan
beredeneerd worden dat de besluitende oogst nog niet begonnen
is. Daarom lijkt het zo te zijn dat de wereld ook nog
niet het laatst der dagen is binnengegaan.
Die waarheid komt nergens sterker naar voren als in
het tweede hoofdstuk van Daniël. Daar werd Daniël voor
koning Nebukadnezar gebracht om de droom over het reusachtige
beeld en de koninkrijkssteen te verklaren. Dit is wat
Daniël tot de koning zei met betrekking tot zijn droom:
"Nochtans bestaat er een God in de hemel die een Onthuller
van geheimen is, en hij heeft koning Nebukadnezar bekendgemaakt
wat er in het laatst der dagen zal geschieden."
(vers 28)
Wat zal er precies geschieden in het laatst der dagen?
De meeste Jehovah's Getuigen kunnen Daniël 2:44 uit het
hoofd citeren, dus is er geen reden het hier te doen.
Ook lijkt het onnodig te zijn te wijzen op het duidelijke
feit dat Gods koninkrijk alle koninkrijken der aarde ook
nog niet heeft verbrijzeld en er nog geen einde aan heeft
gemaakt; wat precies datgene is wat Daniël onder inspiratie
voorzei als gebeurtenissen in het laatst der dagen.
Volgens het boek Daniël lijkt "het laatst der dagen"
de tumultueuze tijdsperiode te zijn waarin menselijke
heerschappij overgaat in Gods heerschappij.
De profetische 2de Psalm voorzegt evenzo dat de natiën
in een grote opschudding geworpen zullen worden en dat
ze, in antwoord op die wereldschokkende beroering, eensgezind
op zullen staan tegen Gods gezalfde Koning. Jehovah's
Getuigen hebben zich lang ingedacht dat de Eerste Wereldoorlog
het begin was van de opschudding die in Psalm wordt voorzegd.
De verzen 4-7 lijken er echter op te wijzen dat de periode
van opschudding nog niet begonnen is, omdat Jehovah de
natiën als een direct en rechtstreeks antwoord op hun
samenspanning tegen hem vernietigt. In vers vijf lezen
we bijvoorbeeld: "In die tijd zal hij tot hen
spreken in zijn toorn, en in zijn brandend misnoegen zal
hij hen met ontsteltenis slaan, Zeggend: "Ik, ja ik, heb
mijn koning geïnstalleerd op Sion, mijn heilige berg.""
Het Wachttorengenootschap leert dat de samenspanning
van de natiën zichtbaar is sinds de stichting van de Volkerenbond
in 1919. De Psalm zegt echter dat Jehovah "in die tijd"
- wat wijst op de tijd waarop ze samenspannen tegen Gods
koninkrijk - "tot hen [zal] spreken in zijn toorn."
Daar er reeds vele decennia verstreken zijn sinds de opschudding
van WOI en de oprichting van de reeds lang verdwenen Volkerenbond
en Jehovah de natiën nog steeds niet met ontsteltenis
heeft geslagen, kunnen we enkel concluderen dat dat komt
omdat Jehovah zijn hemelse koning nog niet geïnstalleerd
heeft.
Jesaja 2:2-4 en de parallel in Micha zijn vaakgeciteerde
profetieën die volgens Jehovah's Getuigen ook op dit moment
in vervulling gaan. Ook daar vinden we de uitdrukking
"in het laatst der dagen" terug. Die verzen luiden
als volgt: "En het moet geschieden in het laatst
der dagen dat de berg van het huis van Jehovah stevig
bevestigd zal worden boven de top der bergen, en hij zal
stellig verheven worden boven de heuvels; en daarheen
moeten alle natiën stromen. En vele volken zullen stellig
heengaan en zeggen: "Komt, en laten wij opgaan naar de
berg van Jehovah, naar het huis van de God van Jakob;
en hij zal ons onderrichten omtrent zijn wegen, en wij
willen zijn paden bewandelen." Want uit Sion zal de wet
uitgaan, en het woord van Jehovah uit Jeruzalem. En hij
zal stellig rechtspreken onder de natiën en de zaken rechtzetten
met betrekking tot vele volken. En zij zullen hun zwaarden
tot ploegscharen moeten smeden en hun speren tot snoeimessen.
Natie zal tegen natie geen zwaard opheffen, ook zullen
zij de oorlog niet meer leren."
Het Wachttorengenootschap houdt vol dat de hedendaagse
religieuze beweging van Jehovah's Getuigen de profetie
vervult door "ware aanbidding" boven alle andere vormen
van wereldse religie te verheffen. Er wordt verondersteld
dat het Bijbelse onderwijzingwerk dat wordt bevorderd
door het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap, als
het middel waardoor God ons omtrent zijn weg onderricht,
een specifieke vervulling is van Jesaja's profetie.
Verder denken Jehovah's Getuigen dat onze weigering
van militaire dienst het rechtstreekse resultaat is van
God die de natiën omtrent zijn antigewelddadige weg onderricht.
Maar laten we eens redeneren over de feiten.
We zouden de volgende vragen kunnen stellen: Op welke
manier is de aanbidding van Jehovah God verheven boven
alle andere vormen van religie? Wil enkel het bestaan
van een religieus genootschap dat opgedragen is aan Jehovah
automatisch zeggen dat de manier van aanbidding die wij
omarmen voor de wereld bekend staat als de ware aanbidding?
Het Wachttorengenootschap haalt regelmatig de veronderstelde
snelle groei van Jehovah's Getuigen aan als bewijs
van de vervulling van de profetie die voorzegt dat mensen
uit de natiën naar het huis van Jehovah zullen "stromen."
(Klik hier
voor de statistieken van 2003) Echter, van 1990-2000 staan
Jehovah's Getuigen in de Verenigde Staten niet eens in
de top tien van Christelijke religies wat betreft het
groeipercentage. (Klik hier.
Helaas is de tabel ietwat moeilijk leesbaar.)
Ja, de snelst groeiende vorm van aanbidding in de Verenigde
Staten is Wicca
- heidendom! En niet alleen dat, maar mensen der natiën
"stromen" klaarblijkelijk in veel grotere getale richting
het huis van Allah dan naar Jehovah's huis. Wereldwijd
bezien is de Islam de snelst
groeiende religie. Als het huis van Jehovah reeds
verheven is boven alle rivaliserende vormen van aanbidding,
waarom worden Jehovah's
Getuigen in verschillende landen waar de Islam overheerst
dan met succes verboden en onderdrukt?
Op welke wijze veronderstellen wij dat Babylon tot haar
schande gevallen is en de aanbidding van Jehovah verheven
is boven alle andere? Deze vragen dienen niet voort te
komen uit een gebrek aan geloof van onze zijde, maar juist
door erkenning van niet te ontkennen realiteiten.
Jesaja's profetie voorzegt ook dat God "stellig recht
[zal] spreken onder de natiën en de zaken rechtzetten
met betrekking tot vele volken." Maar als Christus
in 1914 over de wereld is gaan regeren en Jehovah's recht
heeft gesproken onder de natiën en de zaken heeft rechtgezet,
waarom verkeren de natiën en volken op dit moment
dan in een nog grotere rotzooi als vóór 1914? Is Christus'
heerschappij zo machteloos dat we na 90 jaar onder zijn
heerschappij nog steeds een wereldreddende messias nodig
hebben om de zaken recht te zetten?
Natuurlijk is het de interpretatie van het Wachttorengenootschap
dat God de zaken al heeft rechtgezet onder de mensen der
natiën die Jehovah's Getuigen zijn geworden. Maar,
wanneer God de zaken onder Jehovah's Getuigen reeds heeft
rechtgezet, waarom zijn er dan nog steeds zoveel geloofsvernietigende
struikelblokken en kwaden in ons midden? Het is ironisch
dat juist de gedachte dat God de zaken al heeft rechtgezet
één van de vele onjuiste leerstellingen is die erom vraagt
rechtgezet te worden!
Het openingshoofdstuk van Jesaja geeft aan dat er ernstige
problemen bestaan tussen Jehovah en zijn volk; dat zijn
eigen volk degenen zijn die rechtgezet moeten worden.
In Jesaja 1:18 lezen we: "Komt nu, en laten wij de
zaken rechtzetten tussen ons", zegt Jehovah. "Al zouden
uw zonden als scharlaken blijken te zijn, ze zullen zo
wit worden gemaakt als sneeuw; al zouden ze rood zijn
als karmozijnen stof, ze zullen zelfs als wol worden."
Het is echter opmerkenswaardig dat het commentaar van
het Wachttorengenootschap op Jesaja geen enkel commentaar
geeft op de wijze waarop dat vers op ons van toepassing
zou kunnen zijn - zelfs niet in 1918-1919 toen Christus
vermeend de zaken recht heeft gezet in het huis van God
- en dat terwijl we als Jehovah's Getuigen denken dat
we de volledige mate van Gods vergeving genieten. De concludering
is dat we als organisatie rein zijn als sneeuw en Jehovah
God geen reden zou kunnen hebben "de zaken recht [te]
zetten tussen ons."
Verder heeft Jesaja's profetie waarin God de zaken rechtzet
te maken met het onderrichten van zijn volk in de weg
van vrede zodat er een einde komt aan oorlogen. En ondanks
dat het waar is dat Jehovah's Getuigen in zekere
mate Christus' vredige leerstellingen in ons leven hebben
toegepast, heeft onze symbolische smeding van onze zwaarden
in ploegscharen weinig invloed op de wereld. Toch zegt
de profetie: "Natie zal tegen natie geen zwaard opheffen,
ook zullen zij de oorlog niet meer leren."
Het is Jehovah's bedoeling en voornemen vrede te brengen
op deze door oorlog verscheurde planeet. Maar, wat maakt
het uit wanneer een klein percentage van de wereldbevolking
weigert de oorlog meer te leren, wanneer het overgrote
deel van de mensheid meer dan bereid is hun broeder te
vermoorden? Is het redelijk dat Jehovah als de grote Vredestichter
verheerlijkt wordt door eenvoudig een handjevol mensen
te onderrichten in de weg der vrede, terwijl vele natiën
Gods koninkrijk mogen negeren en voortgaan met oorlog
voeren tegen elkaar?
Ondanks dat er geen twijfel over bestaat dat Jehovah's
Getuigen ten voordele onderricht zijn door Jehovah door
toedoen van het Wachttorengenootschap, wijzen de profetieën
er ook op dat onze Grootse Onderwijzer zichzelf verborgen
heeft voor ons en heeft toegestaan dat we afdwalen. Het
30ste hoofdstuk van Jesaja moedigt Gods volk aan uit te
blijven zien naar de uiteindelijke openbaring van Jehovah's
onderwijzingen. Gedurende een nederig makende periode
van tegenspoed en verdrukking zal Jehovah zichzelf uiteindelijk
openbaren als onze Grootse Onderwijzer.
Jesaja 30:18-21 voorzegt: "En daarom zal Jehovah
er vol verwachting naar blijven uitzien u gunst te betonen,
en daarom zal hij opstaan om u barmhartigheid te betonen.
Want Jehovah is een God des gerichts. Gelukkig zijn allen
die hem blijven verwachten. Wanneer zelfs het volk in
Sion in Jeruzalem zal wonen, zult gij geenszins wenen.
Hij zal u zonder mankeren gunst betonen op het geluid
van uw geroep; zodra hij het hoort, zal hij u werkelijk
antwoorden. En Jehovah zal ulieden stellig brood in de
vorm van benauwdheid geven en water in de vorm van onderdrukking;
toch zal uw Grootse Onderwijzer zich niet langer verbergen,
en uw ogen moeten ogen worden die uw Grootse Onderwijzer
zien. En uw eigen oren zullen een woord achter u horen,
dat luidt: "Dit is de weg. Wandelt daarop", ingeval gijlieden
rechts of ingeval gij links zoudt gaan."
Op het Wandel Met God Districtscongres van 2004
oppert het Wachttorengenootschap het absurde idee dat
wij individueel Gods corrigerende stem als van achter
ons horen, wanneer we ook maar gewoon de Bijbel lezen;
daar de Bijbel lang geleden geschreven is en het is alsof
God vanuit het verleden tot ons spreekt. Zoals
elke begrijpende lezer voor zichzelf echter kan bepalen,
spreekt Jehovah als vanachter tot zijn volk gedurende
een tijd van ineenstorting, tegenspoed en vervolging.
Het is duidelijk waarom het Wachttorengenootschap de
toevlucht neemt tot een dergelijke schaamteloze verdraaiing
van Gods Woord; de juiste betekenis van de profetie
onderwijzen vereist namelijk dat we erkennen dat een woord
van God dat als vanachter zijn volk klinkt, betekent dat
we vanuit Jehovah's standpunt bezien de verkeerde kant
opgaan!
Volgens Jesaja en Micha is het laatst der dagen
echter de tijd waarop God zijn eigen soevereiniteit bevestigt,
door zijn koninkrijk ver boven alle andere op bergen gelijkende
instellingen te verheffen. Dan wordt Jehovah de Grootse
Onderwijzer, wat zal resulteren in het, eens en voor altijd,
wereldwijd eindigen van oorlog.
De uitdrukking "in het laatst der dagen" komt
driemaal voor in het boek Jeremia, waarbij er twee in
vrijwel identiek verwoorde passages staan.
Jeremia 23:19, 20 luidt als volgt: "Ziet! De storm
van Jehovah, louter woede, zal stellig losbarsten, ja,
een wervelstorm. Op het hoofd van de goddelozen zal hij
neerwervelen. De toorn van Jehovah zal zich niet afwenden,
totdat hij volvoerd en totdat hij verwezenlijkt zal hebben
de denkbeelden van zijn hart. In het laatst der dagen
zult gij met verstand daarop letten."
De context van het 23ste hoofdstuk van Jeremia heeft
te maken met God die zijn herders, priesters en dwalende
profeten ter verantwoording roept voor het misleiden van
zijn schapen. Het hoofdstuk begint bijvoorbeeld met de
volgende woorden: "Wee de herders die de schapen van
mijn weide ombrengen en verstrooien!" is de uitspraak
van Jehovah. Daarom, dit heeft Jehovah, de God van Israël,
gezegd tegen de herders die mijn volk weiden: "Gij zijt
het die mijn schapen hebt verstrooid, en gij bleeft ze
uiteendrijven en gij hebt uw aandacht niet op hen gericht.
Ziet, ik richt mijn aandacht op u, wegens de slechtheid
van uw handelingen", is de uitspraak van Jehovah."
In overeenstemming met alle andere profetieën onthult
Jeremia dat de bron van geestelijke opstand tegen God
ontstaat vanuit de aardse hoofdzetel van Gods organisatie.
Jeremia 23:15 luidt: "Want van de profeten van Jeruzalem
is afvalligheid uitgegaan over het gehele land."
Jehovah's genezing van de organisatiebrede afval is
een vernietigende slag toe te dienen en vervolgens een
getuchtigd overblijfsel opnieuw te verzamelen. Het 5de
vers zegt verder dat Jehovah een rechtvaardige nakomeling
van David zal installeren om zijn verstrooide kudde schapen
te weiden. Dat betekent dat het 23ste hoofdstuk van Jeremia
in werkelijkheid een messiaanse profetie is die
van toepassing is op Christenen die leven in de tijd van
Christus' aankomst.
Dit gedeelte van Jeremia wijst erop dat God de geestelijke
herders van zijn volk oordeelt gedurende "het laatst
der dagen."
Het 30ste hoofdstuk van Jeremia voorzegt evenzo dat
Jehovah een rechtvaardig koninkrijk zal oprichten onder
"David." Het 30ste hoofdstuk van Jeremia richt zich echter
niet op de verkeerd handelende herders, maar op het geestelijke
herstel dat tot Gods teruggewonnen gemeente komt. In het
laatst der dagen wordt Gods volk zowel getroffen als teruggewonnen,
zoals Jeremia 30:17 aangeeft: "Want ik zal voor u herstel
teweegbrengen, en van uw slagen zal ik u genezen", is
de uitspraak van Jehovah. "Want een weggejaagde vrouw
heeft men u genoemd: 'Dat is Sion, naar wie niemand zoekt.'"
De andere verwijzing in Jeremia naar het laatst der
dagen wordt teruggevonden in Jeremia 48:46, 47 waar
staat: "'Wee u, o Moab! Het volk van Kamos is te gronde
gegaan. Want uw zonen zijn weggehaald als gevangenen en
uw dochters als gevangenen. En ik wil de gevangenen van
Moab vergaderen in het laatst der dagen', is de
uitspraak van Jehovah. 'Tot zover het oordeel over Moab.'"
Het is interessant dat Moab als natie ophield te bestaan.
Er was geen herverzameling van de gevangenen van Moab.
Moab heeft echter profetische relevantie, zoals blijkt
uit het feit dat Moab wordt genoemd als één van de natiën
die de koning van het noorden weet te ontvluchten in de
tijd van het einde. In Jeremia's profetie zou Moab heel
goed niet-gezalfde personen kunnen afbeelden die, gedurende
het laatst der dagen, acht slaan op het gebod "gaat
uit van haar, mijn volk".
Ezechiël 38:16 is nog een schriftplaats waar we de uitdrukking
"in het laatst der dagen" terugvinden. Daar lezen
we: "En gij zult zeer zeker optrekken tegen mijn volk
Israël, gelijk wolken om het land te bedekken. In het
laatst der dagen zal het geschieden, en ik zal u stellig
tegen mijn land brengen, opdat de natiën mij kennen wanneer
ik mij voor hun ogen in u heilig, o Gog."
De aanval van Gog in het laatst der dagen is
een onmiddellijke voorbode van de oorlog van Armageddon.
Het hoeft geen betoog dat een dergelijke gebeurtenis nog
niet heeft plaatsgevonden. Wat er wederom op wijst dat
het laatst der dagen nog in de toekomst ligt.
Als laatste vinden we de uitdrukking in Hosea 3:5, waar
we lezen: "Daarna zullen de zonen van Israël terugkeren
en stellig Jehovah, hun God, en David, hun koning, zoeken;
en zij zullen stellig sidderend tot Jehovah en tot zijn
goedheid komen, in het laatst der dagen."
Hosea's profetie bevestigt hetgeen we over "David" lezen
in Jeremia, wat natuurlijk een verwijzing is naar Jezus
Christus bij zijn aankomst.
Tot slot: Het laatst der dagen is een besluitende
tijdsperiode, precies zoals de uitdrukking impliceert,
waarin Jehovah zijn volk tuchtigt en zuivert en waarna
hij de wereld onder zijn oordeel brengt. In tegenstelling
tot de leerstelling van het Wachttorengenootschap is de
wereldeindigende finale die bekend staat als het laatst
der dagen nog niet begonnen.