Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

November 2005

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Essay
Download Essay *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 
“Hoort, o gij bergen, het rechtsgeding van Jehovah, ook gij duurzame voorwerpen, gij grondvesten der aarde; want Jehovah heeft een rechtsgeding met zijn volk, en met Israël zal hij argumenteren.”

De profetie van Micha begint met een door Jehovah uitgezonden vreesinboezemende waarschuwing aan de wereld vóór zijn vurig neerdaling naar de aarde. Ja, Jehovah God zal neerdalen – hij zal neerdalen uit de hemel zelf – hij zal neerdalen om de zaken recht te zetten!

De afdaling van de Almachtige God vanuit zijn woonplaats in de hoogste hemel naar onze nietige aardbol is even indrukwekkend en verschrikkelijk alsof de bergen smelten van de heerlijkheid van zijn aanwezigheid. Micha 1:3, 4 verwoordt het als volgt: “Want ziet! Jehovah gaat uit van zijn plaats, en hij zal stellig neerdalen en treden op de hoge plaatsen der aarde. En de bergen moeten onder hem smelten, en de laagvlakten zelf zullen vaneen splijten, als was vanwege het vuur, als water dat van een steile plaats wordt gestort.”

Wat heeft de grote God, Jehovah, ertoe gebracht dergelijk drastische actie te ondernemen; zijn eigen woonplaats in het rijk boven te verlaten en naar de aarde te komen? God zelf geeft het antwoord in het volgende vers van Micha: “Vanwege de opstandigheid van Jakob is dit alles, ja, vanwege de zonden van het huis van Israël.“

“Dit alles” is het gevolg van het feit dat Jehovah een rechtsgeding tegen zijn natie – zijn volk – heeft. Dit is echter geen gewone rechtszaak. Nee, zeker niet gewoon; want God is niet alleen de aanklager in deze zaak, hij is ook de rechtvaardige Openbaar Aanklager en de Rechter.

Wie kan mogelijkerwijs hopen succesvol tegen God te pleiten?

Welke rechterlijke zaken staan hier echter op het spel en welke basis is er überhaupt voor God om een juridische zaak te beginnen? De wettelijke basis is gefundeerd op het feit dat de natie Israël een heilig, bindend verbond met God binnenging. De verbondsbrekende zonden, koppigheid en trots van Gods opgedragen volk hebben Jehovah's wereldschokkende oordelen van boven in beweging gezet en zullen dat weer doen.

Natuurlijk kwam God niet letterlijk uit de hemel neergedaald; noch smolten de bergen werkelijk als was. In werkelijkheid werden Gods oordelen in het verleden eerst door middel van de profeten zelf bekend gemaakt toen zij het rechtsgeding, dat God met zijn volk en hun leiders had, aankondigden. En toen Jehovah besliste dat zijn volk zonder enige twijfel schuldig aan het ten laste gelegde was, diende louter een menselijk middel---eigenlijk twee menselijke middelen---de geweldige Assyrische en Babylonische legers---beide bij verschillende gelegenheden als de uitvoerders van Gods oordelen. Deze legers waren zo niets-ontziend dat het leek alsof ze de beschaving zelf vernietigden. En tot op zekere hoogte deden ze dat ook. Ontnuchterend genoeg is er geen reden aan te nemen dat de toekomstige veroordeling van het in de schrift vastgelegde patroon zal afwijken.

Micha is een van de oudste profetische boeken uit de bijbel, toch is haar boodschap bestemd te worden vervuld in “het laatst der dagen”---wanneer Gods koninkrijk de macht overneemt. (Klik hier voor het essay: In het Laatst der Dagen) Dus wat is dan de betekenis van Micha voor christenen in onze tijd? Het is interessant dat de naam van de profeet zelf---Micha---een verkorte vorm is van de naam Michaël, wat natuurlijk de naam is van de aartsengel die elders in de profetie wordt beschreven als de redder van Jehovah's volk. En zoals heel passend in de profetie van Micha is verweven, wordt over de Messias als dienende in een gelijke hoedanigheid als redder geprofeteerd.

Net als vele van de Hebreeuwse profeten plaatst het boek Micha Jehovah's Dag des Oordeels in oude tijden zodat Gods rechtsgedingen, die eens op Israël en Juda van toepassing waren, belangrijke patronen zouden tonen van het toekomstige oordeel over wat gewoonlijk het geestelijk Israël wordt genoemd---of de gemeente van Christus

De reden dat de Hebreeuwse profetieën zowel op het oude als het geestelijke Israël van toepassing kunnen zijn is omdat het geestelijk Israël oorspronkelijk van het letterlijk Israël afstamde en daarvoor in de plaats kwam. Alleen al het feit dat Christus het geestelijk Israël op de 12 apostelen fundeerde is zonder twijfel naar het voorbeeld van de 12 stammen van Israël. In werkelijkheid was het verbond dat God met Abraham sloot vanaf het begin bedoeld een organisatie voort te brengen die uit Christus en zijn gezalfde discipelen---het werkelijke zaad van Abraham volgens Galaten 3:29-- zou bestaan welke het middel zou zijn waardoor God uiteindelijk alle naties zou zegenen, aanvankelijk door de opstanding uit de dood. Dat de organisaties van het letterlijk en geestelijk Israël onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn wordt verder bewezen door het feit dat in de 12 poorten van het symbolische Nieuwe Jeruzalem uit Openbaring de namen van de 12 zonen van Jakob staan gegrift en dat de namen van Christus' 12 apostelen op de 12 fundamentstenen van de hemelse stad staan geschreven.

Het allerlaatste vers van de profetie van Micha zinspeelt passend op Gods vérstrekkende verbond met Abraham: “Gij zult de aan Jakob geschonken waarachtigheid, de aan Abraham geschonken liefderijke goedheid geven, die gij vanaf de dagen van weleer onder ede aan onze voorvaders beloofd hebt.”

Beschouw eens de laatste twee verzen van het tweede hoofdstuk van Micha als een voorbeeld hoe profetieën meer op het geestelijk Israël dan op het letterlijk Israël van toepassing zijn, waar staat: “Ik zal Jakob beslist vergaderen, in zijn geheel; ik zal de overgeblevenen van Israël zonder mankeren bijeenbrengen. In eenheid zal ik hen stellen, als schapen in de kooi, als een kudde midden in haar weide; het zal er gonzen van mensen. Hij die een doorbraak maakt, zal stellig vóór hen optrekken: zij zullen werkelijk doorbreken. En zij zullen door een poort trekken, en zij zullen daardoor uitgaan. En hun koning zal vóór hen doortrekken, met Jehovah aan hun spits.”

In het historische geval werden de Joden in gevangenschap naar het verre Babylon gevoerd. Zij werden dan door Jehovah teruggekocht doordat koning Cyrus de machtige stad Babylon omverwierp---de deur openend voor een overblijfsel van de Joden om terug te keren en Jeruzalem te herbouwen. Dat lezen we in Micha 4:10: “En gij zult tot aan Babylon moeten komen. Daar zult gij bevrijd worden. Daar zal Jehovah u terugkopen uit de handpalm van uw vijanden.” Het Davidische koningschap werd echter op dat tijdstip niet hersteld. Er was geen zichtbare koning die daadwerkelijk een berouwvol overblijfsel terug naar Sion leidde. Cyrus diende als de bevrijder en als zodanig was hij slechts een voorafbeelding van Jehovah's ware Gezalfde---Jezus Christus. Jezus was natuurlijk nog niet eens geboren toen de Joden in Babylon waren en toen hij op aarde was leidde hij het volk Israël zeker niet uit gevangenschap aan het Romeinse Rijk. Het weer bijeen vergaderen van allen van Israël onder Gods gezalfde koning vind plaats gedurende de uiteindelijke oogst, wanneer de heilige engelen de uitverkorenen van de vier windstreken van de aarde bijeen verzamelen.

Nog verwarrender---vanuit de gezichtshoek van welke toepassing van Micha's Messiaanse profetie dan ook---is dat Micha 5:1-4 de geboorte van Christus schijnbaar in de tijd van de Assyrische inval in Juda plaatst. “Thans brengt gij u insnijdingen toe, o dochter van een invasie; een belegeringswal heeft hij tegen ons opgeworpen. Met de stok zal men de rechter van Israël op de wang slaan. En gij, o Bethlehem Efratha, die te klein zijt om onder de duizenden van Juda gerekend te worden, uit u zal mij voortkomen degene die heerser in Israël zal worden, wiens oorsprong is uit oude tijden, uit de dagen van onbepaalde tijd. Daarom zal hij hen prijsgeven tot de tijd dat de barende werkelijk baart. En de overigen van zijn broeders zullen tot de zonen van Israël terugkeren. En hij zal stellig staan en als herder optreden in de sterkte van Jehovah, in de superioriteit van de naam van Jehovah, zijn God.”

Het is vreemd dat de bovenstaande passage het herstel van Israël in de tijd van Christus lijkt te plaatsen en zelfs lijkt te suggereren dat Christus zelf door de invalsmacht zal worden getroffen. Hoe is dat nu mogelijk? Het boek Micha plaatst zelfs de Babylonische overwinning vóór de Assyrische invasie, wat historisch gezien zeker niet het geval was. Onmiddellijk voorafgaande aan de profetie die de geboorteplaats van de Messias voorzegt beloofd Jehovah bijvoorbeeld bevrijding uit Babylon en daarna voorzegt Micha 4:11-12 : “En nu zullen er tegen u stellig vele natiën vergaderd worden, die daar zeggen: 'Laat zij bezoedeld worden, en mogen onze ogen op Sion zien.' Maar wat hen aangaat, zij zijn de gedachten van Jehovah niet te weten gekomen, en zij zijn niet tot een begrip gekomen van zijn raadsbesluit; want hij zal hen stellig bijeenbrengen als een rij pas gemaaid koren op de dorsvloer.”

Die vele natiën die tot de oorlog tegen Jeruzalem worden vergaderd worden collectief de Assyriërs genoemd zoals in Micha 5:6 wordt gezegd: En zij zullen werkelijk het land Assyrië weiden met het zwaard, en het land van Nimrod in zijn ingangen. En hij zal stellig bevrijding van de Assyriër teweegbrengen, wanneer hij in ons land komt en wanneer hij ons gebied betreedt.”

Gezien de schijnbare tegenstrijdigheden in de profetie zou het duidelijk moeten zijn dat Micha's profetische betekenis veel verder strekt dan de tijd van de Babylonische en de Assyrische invasies---terwijl het tevens duidelijk is dat deze invasies hun schaduw vooruitwerpen naar geestelijke werkelijkheden die nog niet hebben plaatsgevonden. Het is ook duidelijk dat de profetie betekenis heeft voor de periode ver voorbij de tijd dat Jezus op aarde was. De volledige vervulling van Micha heeft te maken met de toekomstige verwoesting en herstel van het geestelijke Israël en het uiteindelijke bijeenvergaderen van het overblijfsel van het zaad.

Maar laten we, voordat we de profetische betekenis van Micha's mysterie en zijn vervulling gedurende de laatste dagen bespreken, eerst eens de zaken rond Gods rechtsgeding tegen Israël beschouwen.

Micha 1:5 roept als het ware vanuit het dossier: Vanwege de opstandigheid van Jakob is dit alles, ja, vanwege de zonden van het huis van Israël. Wat is de opstandigheid van Jakob? Is het niet Samária? En wat zijn de hoge plaatsen van Juda? Is het niet Jeruzalem?” Met andere woorden, de opstand van Israël (Samaria) en Juda vind zijn oorsprong in de oprichting van Samaria en Juda---zelfs in Jehovah's heilige stad Jeruzalem.

“WEE DEGENEN DIE BERAMEN
WAT SCHADELIJK IS”

God gaat voort degene aan te klagen die van plan zijn zichzelf ten koste van zijn volk te verrijken, als hij in Micha 2:1-2 zegt: Wee degenen die beramen wat schadelijk is, en degenen die beoefenen wat slecht is, op hun bed! Bij het licht van de morgen gaan zij ertoe over het te doen, omdat het in de macht van hun hand is. En zij hebben velden begeerd en zich er meester van gemaakt; ook huizen, en zij hebben ze genomen; en zij hebben een fysiek sterke man en zijn huisgezin, een man en zijn erfelijke bezitting, te kort gedaan.”

Elders op e-Watchman.com is duidelijk gemaakt dat talloze Hebreeuwse profetieën van toepassing zijn op het moderne Wachttorengenootschap, dat zich op de plaats stelt van de aardse hoofdstad van het geestelijk Israël. Hoe kan, gezien dat gegeven, het bovenstaande “wee” mogelijk van toepassing zijn? (Zie bijvoorbeeld de essays over Hosea en Amos . Zie ook de hoofdstukken Jeremia en Zefanja in Jehovah Zelf Is Koning Geworden.)

Wel, bedenk eens dat de oorspronkelijke oprichter van het Wachttorengenootschap, Charles Taze Russell, het aanvankelijk als officieel beleid vastlegde dat het Wachttorengenootschap nooit zou gaan bedelen om geldelijke ondersteuning en als zij ooit het punt zou bereiken dat de bedrijfskosten niet toereikend zouden zijn, het Genootschap, in plaats van fondsen te verwerven, het eenvoudig als een teken van Jehovah op zou vatten, dat het tijd was de publicatie te staken. Gedurende tientallen jaren daarna hebben de gemeenten van Jehovah's Getuigen zich op het feit voor laten staan dat er nooit een collecteschaal voorbij kwam aan degenen die de vergaderingen in de koninkrijkszaal bezochten. Natuurlijk wordt iedereen op vergaderingen regelmatig aan het belang van geld in de bijdragebussen te deponeren herinnerd---maar daar is niets verkeerd aan. Ten slotte had de eerste-eeuwse tempel een bijdragebus en Jezus maakte zelfs een opmerking over de vrijgevige geest van een behoeftige weduwe die een kleine bijdrage deed. En de oorspronkelijke christenen werden aangemoedigd regelmatige, wekelijkse bijdragen te doen.

Maar in recente jaren is het Genootschap niet tevreden geweest met de bescheiden bijdragen. Klaarblijkelijk gaat het Wachttorengenootschap tegenwoordig voor het “grote geld.” Hoe zo?

Te beginnen in 1999 begon het Wachttorengenootschap geavanceerdere manieren waarop Jehovah's Getuigen bijdragen zouden moeten doen te promoten. Te dien einde heeft het Genootschap tijdens de laatste zeven jaar jaarlijks een artikel gepubliceerd (kopie hiervan hieronder) waarin zij christenen oproept het Wachttorengenootschap als begunstigde aan te wijzen in testamenten, onroerend goed overdracht, aandelen, obligaties, pensioenfondsen en verzekeringspolissen. (Naar het zich laat aanzien worden er geen vragen gesteld over de aard van gedoneerde aandelen. Klaarblijkelijk ontvangt Bethel dividend uit verscheidene bronnen met een luchtje, wat ongetwijfeld tijdens Jehovah's dag volledig aan het licht zal komen) Bethel herinnert de verkondigers er zelfs aan dat zij ook dankbaar sieraden zal aanvaarden!

Het Wachttorengenootschap heeft ook een 32 bladzijden tellende brochure, getiteld Charitable Planning to Benefit Kingdom Service Worldwide (Noot van de vertaler: Niet in het Nederlands beschikbaar. Vertaling is: Het plannen van charitatieve gaven ten behoeve van het wereldwijde koninkrijkswerk) gepubliceerd om potentiële schenkers door het protocol hun bezittingen aan het Genootschap over te maken te leiden.

Omdat het inderdaad “in de macht van hun hand is” zoals Jehovah door Micha zegt, hebben de “bestuurders” van het Genootschap hun theocratische autoriteit over de organisatie gebruikt om Jehovah's Getuigen er in iedere jaarlijkse uitgave met het artikel over bijdragen aan te herinneren dat ‘Jehovah een blijmoedige gever lief heeft.' Zonder twijfel zijn de woorden van de apostel waar---Jehovah heeft inderdaad een blijmoedige gever lief; maar is het nog wel echt “vrijwillig” als het Genootschap haar theocratische zegel van goedkeuring hecht aan dit onbehoorlijke systeem van geldverwerving en haar autoriteit als de spreekbuis van Jehovah gebruikt om, onder potentieel kwetsbare oudere christenen, het afstand doen van begunstiging van pensioenen en verzekeringspolissen en andere vormen van erven te bevorderen?

Een erfenis is een onschendbaar iets. Het is iets wat ouders en grootouders aan hun kinderen en kleinkinderen doorgeven. Als van een erfenis eenmaal wettelijk afstand is gedaan, is het gebeurd---het is weg, voorgoed. Welk recht heeft Bethel zich in deze intieme aspecten van de private financiële zaken van een familie op te dringen? In tegenstelling hiermee gaf Paulus christenen de raad iedere week iets als bijdrage opzij te zetten. Wat is de schriftuurlijke basis voor een dergelijk buitenissig fondsenverwervend systeem, zoals het Wachttorengenootschap nu bevorderd? Heeft het Besturend Lichaam wel bij het feit stilgestaan dat potentiële erfgenamen het helemaal niet eens zouden kunnen zijn met een ouder, grootouder of zelfs een echtgenoot betreffende afstand doen van bezittingen en activa ten gunste van het Wachttorengenootschap?

Gelden die in een bijdragebus worden gedeponeerd zijn één ding, maar er actief naar streven Jehovah's Getuigen er toe te brengen van begunstiging van eigendomsakten en wilsbeschikkingen en pensioenen afstand te doen is een wettelijk bindende daad die potentieel verstrekkende gevolgen op hele huishoudens heeft.

Het Genootschap belichtte de profetie van Micha tijdens de “IJverige Koninkrijksverkondigers” districtscongressen van 2002. Het jaar daarop werden de toespraken in een serie studies in de Wachttoren van 15 augustus gepubliceerd. Commentaar gevend op Micha 2:1 zei het Genootschap: Hebzuchtige personen liggen 's nachts wakker en beramen plannen hoe ze velden en huizen van hun naasten in de wacht kunnen slepen. 's Morgens haasten ze zich om hun plannen uit te voeren. Ze zouden zulke slechte dingen niet doen als ze zouden denken aan Jehovah's verbond. De Mozaïsche wet bevat voorzieningen om de armen te beschermen. Onder die wet zou geen enkele familie haar erfelijke bezit permanent verliezen. Maar daar storen die hebzuchtige personen zich niet aan. Ze negeren de woorden uit Leviticus 19:18, waar staat: „Gij moet uw naaste liefhebben als uzelf.”

Volgens hun eigen, op de wet van Mozes gebaseerde, woorden zou geen enkele familie haar erfgoed voorgoed mogen kwijtraken. Toch heeft Bethel juist dat wat de Mozaïsche wet veroordeelde in de praktijk gebracht. Weliswaar is het waar dat christenen niet onder het Wetsverbond staan maar de in de Wet opgesloten beginselen zijn zeker wel van toepassing. Gezien het feit dat het Genootschap actief en openlijk het zelfde wat zij veroordeeld in de praktijk brengt zijn de woorden van Micha's veroordeling zeer toepasselijk op de leidende mannen van het Wachttorengenootschap: Wee degenen die beramen wat schadelijk is…En zij hebben velden begeerd en zich er meester van gemaakt; ook huizen, en zij hebben ze genomen; en zij hebben een fysiek sterke man en zijn huisgezin, een man en zijn erfelijke bezitting, te kort gedaan.”

Nog een aspect is dit: Zouden Jehovah's Getuigen zo bereidwillig afstand doen van waardevolle financiële bezittingen ten gunste van het Wachttorengenootschap als zij wisten dat de organisatie een deel van deze specifieke fondsen gebruikt als salaris voor advocaten met als doel wettelijke oorlog te voeren tegen seksueel misbruikte kinderen; alsook voor het heimelijk betalen van buitengerechtelijke schikkingen aan slachtoffers---en ondertussen blijft beweren dat alle bijdragen uitsluitend voor het wereldwijde werk zijn bestemd?

Moeten wij veronderstellen dat de allesziende Jehovah blind voor deze zaken is?

En niet alleen dat, maar er rijst een belangenconflict vanwege het feit dat dezelfde mannen die dit systeem van het wettelijk toe-eigenen van huizen en erfelijke bezittingen (in Jehovah's naam) hebben voorgestaan zelf voor hun eigen welzijn geheel afhankelijk zijn van de bijdragen van Jehovah's Getuigen.

Het is waar dat zogenoemde volletijdsdienaren op Bethel niet het voordeel van een fors salaris genieten, zoals velen onder de notoir geldschrapende geestelijkheid zich zo hebben verrijkt, maar er wordt hun niettemin kost en inwoning verschaft en nog vele andere extraatjes; zoals reiskostenvergoeding voor prominente Bethelieten en in sommige gevallen luxe auto's. In vrijwel al hun behoeften wordt door het Wachttorengenootschap voorzien---inclusief gezondheidszorg, waarin vele werkende Jehovah's Getuigen niet eens voor hun familie kunnen voorzien. Naar verluidt heeft Fred Franz zelfs eens gepocht dat zijn persoonlijke offers in het geheel geen ontbering vormden omdat hij over de hele wereld reisde en als een koning leefde. En dat deed hij ook---op andermans kosten. Hoe passend is Paulus' retorische vraag aan de Korinthiërs: “ Gij zijt toch als koningen gaan regeren zonder ons?”

Het is duidelijk dat de mannen van de organisatie die weduwen overreden hun bezittingen over te schrijven naar het Genootschap heel reële zwaarwegende belangen bij die donaties hebben.

Sinds 1999 is ieder jaar de volgende informatie in de 1 november uitgave van de Wachttoren verschenen. Zonder twijfel is de reden dat de 1 november uitgave is gekozen om het theocratisch afgestemde verkooppraatje te voeren vanwege de belastingverplichtingen aan het einde van het jaar.

Wat nog het meest verontrust; ons door een oprecht verlangen ons bij God geliefd te maken gevormde motivatie blijmoedige gevers te zijn is kennelijk niet genoeg voor het Wachttorengenootschap. Bethel doet ook nog een schaamteloos beroep op eigenbelang. Ja, we kunnen onszelf ook financieel baat verschaffen als we slim zijn en de wijze raad van “de slaaf” opvolgen. De financiële experts van Bethel vertellen ons: Een in het voordeel van een religieuze organisatie in begeer gegeven vermogen kan zekere belastingvoordelen opleveren…De brochure is geschreven om inlichtingen te verschaffen over de verscheidenheid aan manieren waarop giften kunnen worden gedaan, hetzij nu of door middel van een legaat na het overlijden. Na het lezen van de brochure en overleg te hebben gepleegd met hun eigen belastingadviseurs zijn velen in staat geweest het wereldwijde werk van Jehovah's Getuigen te ondersteunen en zodoende tegelijkertijd hun belastingvoordeel te maximaliseren.

Manieren waarop sommigen het werk willen ondersteunen

BIJDRAGEN VOOR HET WERELDOMVATTENDE WERK

Velen zetten een bedrag opzij dat zij deponeren in de bijdragenbussen met het opschrift: „Bijdragen voor het wereldomvattende werk van het Genootschap — Mattheüs 24:14”. Elke maand maken de gemeenten deze bijdragen over naar het plaatselijke bijkantoor.

Vrijwillige bijdragen kunnen ook overgemaakt worden naar het bijkantoor waaronder uw land ressorteert. Kijk voor het adres op bladzijde 2 van dit tijdschrift.

LENING ONDER SPECIALE VOORWAARDEN

Geld kan aan het Wachttorengenootschap in bewaring worden gegeven met de bepaling dat het in geval van persoonlijke noodzaak aan de gever wordt geretourneerd.

OVERIGE MANIEREN VAN GEVEN

Hiertoe behoren:

· Verzekering: Het Wachttorengenootschap kan worden genoemd als begunstigde van een levensverzekeringspolis of van een pensioenregeling.

· Deposito's: Het vruchtgebruik van deposito's kan aan het Wachttorengenootschap worden overgedragen. Banken kunnen hierover inlichtingen verstrekken.

· Aandelen en obligaties: Aandelen en obligaties kunnen als gift aan het Genootschap worden overgedragen.

· Testamenten: Bezittingen en geldmiddelen kunnen aan het Wachttorengenootschap worden vermaakt door middel van een rechtsgeldig testament.

Schrijf voor nadere inlichtingen betreffende deze kwesties naar het plaatselijke bijkantoor van het Genootschap.

Noot van de vertaler: Het bovenstaande is een citaat uit één van de Nederlandse Wachttorens waarin vanaf 1999 jaarlijks een artikel over het geven van financiële giften aan het Genootschap wordt behandeld. De inhoud van het bovenstaande kader komt in grote lijnen overeen met de engelse uitgaven, maar is iets beknopter.

“MIJN EIGEN VOLK GAAT ER TOE OVER ALS EEN
UITGESPROKEN VIJAND OP TE STAAN”

Nadat hij zijn vaste voornemen zijn arrogante volk te vernederen bekendmaakte ging Jehovah verder te zeggen: “En gisteren ging mijn eigen volk ertoe over als een uitgesproken vijand op te staan. Van de voorkant van een kleed rukt gijlieden de majestueuze versiering af van hen die vol vertrouwen voorbijgaan, gelijk degenen die terugkeren van de oorlog. De vrouwen van mijn volk verdrijft gij uit het huis waarin een vrouw haar heerlijke verrukking vindt. Haar kinderen ontneemt gij mijn pracht, tot onbepaalde tijd.” (Micha 2:8-9)

Het is interessant dat Micha beschrijft dat de opstand tegen Jehovah relatief recent heeft plaatsgevonden---“gisteren.” Hoe zou dit aspect van de oordelen die in de profetie van Micha worden gevonden nu van toepassing zijn? In de eerste plaats, aangezien de Christenheid altijd al in vijandschap met Jehovah is geweest, zou het duidelijk moeten zijn dat het rechtsgeding dat God tegen zijn volk voert het resultaat is van een opstand die onmiddellijk aan de laatste dagen vooraf gaat---als Jehovah de zaken rechtzet.

Dit is in overeenstemming met de profetie van de apostel Paulus betreffende de man der wetteloosheid; namelijk dat Jezus' aanwezigheid niet zou beginnen tenzij eerst de afval komt.

In de tweede plaats is het duidelijk, door Gods woord eerlijk en oprecht te lezen, dat de schandalige zaken zoals hierboven beschreven zich voordoen onder hen die Jehovah als zijn volk erkent. De walgelijkheden zijn zo kolossaal dat zij er de oorzaak van zijn dat Jehovah's heerlijkheid van de kinderen van zijn volk wordt weggenomen. Hoe zou dit deel van Micha's profetie nu van toepassing zijn?

Zoals iedereen weet draait het leven van Jehovah's Getuigen om het Wachttorengenootschap. Bethel bepaalt vrijwel ieder aspect van ons geloof. Keer op keer worden Jehovah's Getuigen eraan herinnerd dat het Wachttorengenootschap het enige kanaal van geestelijke waarheid is. Over het algemeen wordt er geloofd dat niemand de bijbel op eigen houtje kan begrijpen---al is het nog nooit uitgelegd hoe een levenloze organisatie het aanpakt waarheid te duiden zonder enige menselijke inbreng. Het is aannemelijk dat er ergens denkende individuen bij betrokken zijn, maar klaarblijkelijk is het menselijke aspect ondergesneeuwd zodat het Wachttorengenootschap wordt verheven om het te laten lijken dat alleen zij verlichting kan brengen. Aangezien dat de tot in de hoogste niveau's van de organisatie aangenomen houding is, zal iedere getuige die niet voor 100% de leringen van het Wachttorengenootschap accepteert zich méér dan waarschijnlijk een of andere vorm van rechterlijk onderzoek op de hals halen. Het doet er niet toe hoe lang iemand een christen is geweest. Noch doet het er toe hoe onervaren in jaren iemand zou kunnen zijn---als iemand over bedenkingen tegen wat voor lering van het Genootschap dan ook spreekt of zelfs maar privé koestert worden zij gezien als potentiële afvalligen en vijanden.

Dat betekent dus dat iedere christen die de bijbel leest en tot een andere zienswijze komt die afwijkt van de door het Wachttorengenootschap geaccepteerde leerstelling waarschijnlijk zal worden onderworpen aan strenge restricties. Het doet er zelfs niet toe of zijn of haar inzicht waar is. Waar het alleen maar om gaat is dat zij hun plaats binnen het Genootschap hebben verlaten. Ontelbare individuen zijn juist om deze reden uitgesloten.

Droevig genoeg is er keer op keer aangetoond dat organisatorische conformiteit belangrijker is dan de waarheid. Het Wachttorengenootschap heeft zelfs toegegeven dat organisatorische eenheid prioriteit boven de waarheid heeft. Het volgende is een aanhaling uit een gerechtelijke zaak in 1954 waarbij één van bestuurders van het Genootschap (Haydon Covington) onder ede werd gesteld en een antwoord op de volgende vragen moest geven:

V. Was dat de publicatie van een valse profetie?

A. Dat was de publicatie van een valse profetie. Het was een onware bewering of een onjuiste bewering ter vervulling van een profetie die vals of onjuist was.

V. En dat moesten alle Jehovah's getuigen geloven?

A. Ja, u moet begrijpen dat dat is omdat we eenheid moeten hebben, we kunnen geen verdeeldheid toelaten met een hoop mensen die alle kanten op gaan, een leger wordt verondersteld in de pas te lopen

V. Even ter zake. Werd er een valse profetie verspreidt?

A. Daar ben ik het mee eens.

V. Het moest door Jehovah's Getuigen worden aangenomen?

A. Dat klopt.

V. Wanneer een lid van Jehovah's Getuigen uit zichzelf het inzicht kreeg dat die profetie vals was en dat ook zei, zou hij dan worden uitgesloten?

A. Ja, als hij dat zegt en er in volhardt moeilijkheden te maken, omdat wanneer de hele organisatie één ding gelooft, zelfs al is het onjuist, en iemand anders begint zijn eigen ideeën te proberen door te drukken dan zijn er verdeeldheid en moeilijkheden, er kan geen harmonie zijn, er wordt niet in de pas gelopen. Als er iets veranderd wordt moet het uit de juiste bron komen, het hoofd van de organisatie, het besturend lichaam, niet van de onderlaag naar boven, omdat iedereen wel ideeën heeft en de organisatie uiteen zou vallen en in duizend verschillende richtingen zou gaan. Ons doel is eenheid te hebben.

V. Eenheid ten koste van alles?

A. Eenheid ten koste van alles, omdat we geloven en er zeker van zijn dat Jehovah onze organisatie gebruikt en het besturend lichaam van onze organisatie om haar te leiden, ook al worden er van tijd tot tijd vergissingen gemaakt.

V. En eenheid op basis van een opgedrongen acceptatie van een valse profetie?

A. Dat is toegegeven als waar.

V. En de persoon die zijn zienswijze tot uitdrukking bracht, zoals u dat noemt, dat het verkeerd was en zou zijn uitgesloten, zou, als hij gedoopt zou zijn, een verbondsbreker zijn?

A. Dat is juist.

V. En zou, zoals u gisteren nadrukkelijk zei, de dood verdienen?

A. Ik denk…

V. Zou u ja of nee zeggen?

A. Ik zou zonder aarzelen ja zeggen.

V. Noemt u dat religie?

A. Dat is het zeker.

V. Noemt u dat christendom?

A. Dat doe ik zeker.

(Klik hier voor de link naar een completere transcriptie)

Bedenk eens wat het beleid van het Genootschap impliceert. Volgens Bethels eigen dogma betekent het dat Jehovah en Jezus Christus van alle christenen verwachten dat zij met opzet leugens accepteren en leren om in de waarheid te blijven---en dat alles in naam van christelijke eenheid!

Is er ook maar één aanleiding te bedenken dat het Wachttorengenootschap haar beleid in dit opzicht heeft veranderd? Nee, verre van dat. Het Wachttorengenootschap is alleen maar onbuigzamer in haar houding geworden. Als bewijs daarvan zond het Genootschap in 1980 een brief aan alle kringopzieners waarin hen werd medegedeeld dat waar één van Jehovah's Getuigen al niet met anderen mag spreken en niet-goedgekeurde leringen verspreiden, zelfs het hebben van ideeën die afwijken van die van het Besturend Lichaam al reden tot uitsluiting is. Op zijn minst gaf Hayden Covington in 1954 aan dat die actie zou worden ondernomen als iemand er in volhardde zijn eigen zienswijze te verspreiden. Dit in aanmerking genomen vereist het huidige beleid van Bethel dat er rechterlijke actie wordt ondernomen tegen iedere Jehovah's Getuige die simpelweg alleen maar schuldig is aan het hebben van gedachten die niet sporen met die van de alles-dicterende organisatie.

De organisatorische mentaliteit van het Genootschap heeft een verwoestende uitwerking gehad op meer dan de enkele Jehovah's Getuigen die met de organisatie in botsing kwamen. Zonder twijfel zijn er vele individuen zonder vorm van proces uit de gemeenten weggestuurd omdat zij in enigerlei mate geen eer aan het Wachttorengenootschap gaven. Het is alsof Jehovah's zegel van goedkeuring van degenen die op Gods woord vertrouwen in plaats van op het Wachttorengenootschap wordt weggerukt---zoals zelfs in Micha wordt beschreven: Van de voorkant van een kleed rukt gijlieden de majestueuze versiering af van hen die vol vertrouwen voorbijgaan, gelijk degenen die terugkeren van de oorlog.”

Vrouwen worden evenmin gespaard.

Neem eens het geval van Barbara Anderson. Zuster Anderson diende op het hoofdbureau in Brooklyn, New York. Klaarblijkelijk was haar een onderzoeksopdracht gegeven die haar toegang gaf tot de geheime archieven van het Wachttorengenootschap, waar het de gegevens bewaart over verdachte en bekende pedofielen binnen de organisatie. Zuster Anderson was geschokt toen zij zich realiseerde dat het Wachttorengenootschap er een langlopend beleid op nahoudt dat direct verantwoordelijk is voor het toebrengen van blijvende schade aan duizenden kinderen. Toen het duidelijk werd dat Bethel niet van plan was iets te veranderen zocht zuster Anderson de openbaarheid met het smerige geheimpje van het Genootschap. Ten gevolge daarvan eiste het hoofdbureau dat zij uit haar plaatselijke gemeente zou worden uitgesloten. Dat tegen die tijd zuster Anderson al niet meer met de plaatselijke gemeente was verbonden deed er niet toe. Het Genootschap wilde de klokkenluidster tot een voorbeeld stellen. Hieruit voortvloeiend zijn beide Andersons nu afgesneden van hun kinderen en kleinkinderen. Het uiteindelijke resultaat van de meedogenloosheid van het Genootschap is zoals in Micha wordt gezegd: De vrouwen van mijn volk verdrijft gij uit het huis waarin een vrouw haar heerlijke verrukking vindt.”

Hoe waar is Jehovah's waarneming dat de “profeten” de oorlog verklaren aan iedere christen die niet buigt voor het Genootschap. Dit heeft Jehovah gezegd tegen de profeten die mijn volk doen dolen, die met hun tanden bijten en die werkelijk uitroepen: 'Vrede!'; die, wanneer iemand niet iets in hun mond stopt, ook werkelijk de oorlog tegen hem heiligen...”

Misschien zijn de verdorven beleidslijnen van het Genootschap nog wel het schadelijkst voor kinderen---echter niet alleen maar beleid t.a.v. kindermisbruik. Waar het Wachttorengenootschap altijd de katholieke kinderdoop belachelijk heeft gemaakt, is de nadruk die het Wachttorengenootschap legt op een jeugdige doop niet zo heel erg anders. Terwijl Jezus 30 jaar oud was toen hij door Johannes in de rivier de Jordaan werd gedoopt, is het helemaal niet ongewoon dat kinderen die niet ouder dan 10 zijn als Jehovah's Getuigen worden gedoopt---soms zelfs nog wat jonger. Het is typerend dat wanneer een jong iemand voor zijn of haar 16 de of zo nog niet is gedoopt ze als geestelijk zwak worden beschouwd.

Er wordt ontegenzeggelijk een enorme druk vanuit de groep op onze jonge mensen uitgeoefend om te worden gedoopt. Maar hoeveel 10- of 16-jarigen hebben een helder idee over wat ze met hun leven willen gaan doen? Hoe kan van een kind dat niet rijp genoeg wordt geacht volwassen verantwoordelijkheden, zoals het maken van beslissingen op het gebied van carrière en huwelijk, te krijgen worden verwacht dat ze zichzelf met hun hele hart en onvoorwaardelijk voor de eeuwigheid aan Jehovah opdragen?

Het is onnodig te zeggen dat de formele doop niet automatisch geestelijke rijpheid met zich meebrengt. Het gebeurt nogal eens dat gedoopte teenagers vervallen in wat Paulus ‘de zonden die aan de jeugd eigen zijn' noemt. Ten gevolge daarvan worden er duizenden jongelui routinematig uitgesloten en worden, op een kritische fase op weg naar volwassenheid, gestigmatiseerd als buitenbeentjes en op het moment dat ze hun familie en vrienden het hardst nodig hebben van ze afgesneden. De emotionele schok kan absoluut verwoestend zijn. Sommige jonge mensen hebben zelfs vanwege hun uitgesloten toestand zelfmoord gepleegd. Hoe waar is Micha's beschuldiging: Haar kinderen ontneemt gij mijn pracht, tot onbepaalde tijd.”

“ALS VLEES MIDDEN IN EEN KOOKPOT”

In het 3 de hoofdstuk van Micha doet Jehovah het rechtsgeding tegen de leiders van zijn volk verder uit de doeken als hij tegen hen zegt: Hoort alstublieft, gij hoofden van Jakob en gij aanvoerders van het huis van Israël. Is het niet aan U gerechtigheid te kennen? Gij die het goede haat en het kwade liefhebt, die de mensen hun huid aftrekt en hun organisme van hun beenderen; gij die ook het organisme van mijn volk hebt gegeten en hun zelfs de huid hebt afgestroopt en zelfs hun beenderen hebt stukgeslagen en hen hebt verbrijzeld als dat wat in een pot met wijde opening zit en als vlees midden in een kookpot.”

De leiders van Israël worden er door God mee belast zeer zorgvuldig rechtvaardigheid volgens de geopenbaarde wet uit te voeren. Het is niet slechts een zaak de wet te kennen maar haar eerlijk toe te passen. Daarom vraagt Jehovah passend: “Is het niet aan U gerechtigheid te kennen?” En dat is het zeker. Toch beschuldigd Jehovah dezelfde “aanvoerders van het huis van Israël” ervan gerechtigheid te haten en “liefhebbers van het kwade” te zijn in die mate dat ze zelfs de huid van zijn volk afscheuren---hetzelfde volk waarover Jehovah verwacht dat zijn oudere mannen hen zullen dienen. Wat een betreurenswaardige situatie!

Vanuit Gods standpunt waren de mishandelingen zo schandalig dat hij de onrechtvaardigheid ten opzichte van zijn volk vergeleek met het slachten van onschuldige dieren; zoals zij worden gevild en hun botten worden verbrijzeld en hun eigen vlees in een grote pot wordt gekookt.

Maar waarom gebruikt God zo'n gruwelijke beeldspraak? De Joodse leiders zullen niet letterlijk mensen levend hebben gevild en ze in een ketel hebben gekookt, zoals kannibalen wellicht zouden hebben gedaan.

Kennelijk is dat zo om de diepte van Gods verontwaardiging over de mishandeling van zijn volk te openbaren. Dat komt omdat Jehovah buitengewoon gevoelig is voor onrecht en onderdrukking. Het doet hem heel erg pijn aan te zien hoe mensen worden gekwetst en mishandeld---speciaal als de mishandeling voortkomt uit dezelfde mannen die God heeft aangesteld om voor zijn volk te zorgen en hen te beschermen.

Eigenlijk is de symboliek zoals die in Micha wordt gebruikt niet al te verschillend van de beeldspraak die Jezus gebruikte toen hij de Joden van zijn tijd beschreef als schapen die werden gevild en heen en weer werden geslingerd door de religieuze leiders. Zonder twijfel is dat waarom Jezus, omdat hij zijn Vaders diepe betrokkenheid en gevoeligheid kende, bij zijn apostelen de noodzaak voor hen benadrukte er grote zorg voor te dragen nooit een van de schapen, die uiteindelijk onder hun hoede werden geplaatst, te onderdrukken.

Net zo wordt er bij alle christelijke herders tegenwoordig, maar in het bijzonder de leidende ouderlingen, door God op aangedrongen rechtvaardigheid te kennen en vol medeleven met de schapen van de kudde om te gaan. Maar nogmaals, zal louter het kennen wat God verlangt noodzakelijkerwijs betekenen dat rechtvaardigheid en mededogen altijd de boventoon zullen voeren? In het geval van het oude Israël was het antwoord duidelijk nee. Maar er zijn onweerlegbare redenen aan te nemen dat de beschuldigingen in Jehovah's rechtsgeding net zo relevant zijn voor de leiding van Jehovah's Getuigen in deze tijd.

Desgevraagd is het zeer waarschijnlijk dat de overgrote meerderheid van Jehovah's Getuigen dat het Wachttorengenootschap en haar ouderlingen de kwaliteiten van goede herders ten toon spreiden. En het is waar, velen van hen doen dat ook. Maar onthoud dit; wanneer we profetieën onderzoeken luisteren we in werkelijkheid naar God die spreekt. We overwegen zijn gedachten. Natuurlijk heeft de Schepper van het universum en Grote Onderwijzer van zelfs de engelen een verheven zienswijze die de onze ver te boven gaat. Het is dan ook niet verrassend dat God ons ronduit vertelt dat net zo als de hemel hoger dan de aarde is, ook zijn gedachten en wegen hoger dan de onze zijn. En dat, vanwege zijn superieure positie, God alles ziet, inclusief de geheime drijfveren en bedoelingen van mensen. Vandaar dat van Jehovah's wettelijke zienswijze en rechterlijke beslissingen niet verwacht kan worden conform onze eigen beperkte en bevooroordeelde zienswijze te zijn.

Dus als God de leiders van zijn volk beschuldigd van het bedrijven van onrechtvaardigheid en het mishandelen van zijn schapen, moet er worden bedacht dat God dingen ziet die mensen niet kunnen zien. Als dat zo is, zou het dan als een verrassing komen wanneer Jehovah's verheven oordelen niet worden begrepen door degenen die door God in een rechtsgeding met hem worden gebracht? Het is net zoals Micha 4:12 zegt over de ongelovige natiën: Maar wat hen aangaat, zij zijn de gedachten van Jehovah niet te weten gekomen, en zij zijn niet tot een begrip gekomen van zijn raadsbesluit…”

Aangezien de profetieën die eeuwen geleden zijn opgeschreven in feite Jehovah's van te voren opgeschreven rechterlijke beslissingen zijn die worden bewaard om op een toekomstige dag te worden geopenbaard, hoe kunnen dergelijke krachtige wettelijke veroordelingen op Jehovah's Getuigen van toepassing zijn? In andere woorden: Als Gods oordelen in de nabije toekomst moeten worden geopenbaard, kunnen we dan tenminste de basis voor Gods rechtsgeding tegen de organisatie benaderen, vóór het zover is? Ja, gezien de voorhanden zijnde feiten, weliswaar gedeeltelijk, zouden we tot op zekere hoogte de redenen voor Gods rechtsgeding tegen zijn “natie” moeten kunnen begrijpen; wat is anders het doel van het profetische woord? Hoe zou dan de bovenstaande profetie van toepassing kunnen zijn?

Zoals al in het kort is uitgelegd is organisatorische loyaliteit aan het Wachttorengenootschap het voornaamste. En Bethel legt de strengst mogelijke straf op aan degenen die als deloyaal aan de organisatie worden beoordeeld---wat uitsluiting betekent. Even voor de niet-ingelichten, uitsluiting verbreekt niet alleen de band van Jehovah's Getuigen met de gemeente; het verbreekt ook persoonlijke, familie- en in sommige gevallen zakenrelaties. Het staat gelijk aan het uitwerpen van een Jood uit de synagoge, wat resulteerde in totale verbanning uit de gemeenschap.

Hoewel de bijbel inderdaad beschrijft dat verdorven personen uit de gemeente moeten worden verwijderd, heeft het Wachttorengenootschap uitsluiting in de laatste tientallen jaren als het wapen bij uitstek gebruikt om dissidenten te straffen en Jehovah's Getuigen tot onderwerping te terroriseren.

Beschouw eens de lijst van vergrijpen die Paulus opsomde, die een onberouwvol iemand uit de gemeente zouden kunnen doen verwijderen: Dat zijn overspel, dronkenschap, hebzucht, afgoderij enzovoort---allemaal morele overtredingen. Het Genootschap heeft echter de lijst van overtredingen waar uitsluiting op staat uitgebreid. Neem nog eens het geval van Barbara Anderson. Daar staat een moeder en grootmoeder wiens enige zorg het welvaren en de veiligheid van kinderen binnen Jehovah's gemeenten was. Zij was geen overspeler; geen beschimper; geen afperser of wat dan ook. Zij was alleen maar verontrust over de zelfingenomenheid van het Genootschap ten aanzien van de vele daden van kindermisbruik die binnen de organisatie hadden plaatsgevonden. Toch werd zij er uit gesmeten en gebrandmerkt als een verdorven persoon. Vanuit Jehovah's standpunt bezien werd haar huid van haar organisme afgescheurd, haar beenderen verbrijzeld en in de kookpot met wijde opening ging ze!

Officieel wordt zuster Anderson (en ontelbare anderen die geprotesteerd hebben tegen leringen, houdingen en beleid van het Genootschap) het veroorzaken van verdeeldheid ten laste gelegd. Zelfs al zou dat waar zijn, dan staat het veroorzaken van verdeeldheid nog altijd niet in de lijst van vergrijpen van de apostel die uitsluiting rechtvaardigen. In Romeinen 16:17 adviseert Paulus zijn medechristenen in het bijzonder hen in het oog te houden die verdeeldheid veroorzaken…en mijdt hen.” Met andere woorden, het was aan iedere individuele christen zelf ter beoordeling of zij wilden omgaan met iemand die struikeling of verdeeldheid veroorzaakte.

In recente jaren is het Wachttorengenootschap begonnen uitsluiting te gebruiken als een middel degenen die het als onwenselijk bestempelt uit te ziften. Het heeft een beleid gestart om de zwakke, inactieve en gestruikelde christenen op te zoeken met de bedoeling ze óf uit te sluiten óf ze “aan te moedigen” zichzelf van de organisatie terug te trekken, wat in essentie hetzelfde is als te worden uitgesloten. Het doet er niet toe of de persoon nog op regelmatige basis met de gemeente verbonden is. Het Genootschap heeft het voor een ieder nagenoeg onmogelijk gemaakt zich terug te trekken uit de organisatie en toch een sprankje eer en waardigheid te bewaren, het is alsof zij worden opgejaagd en gevild; hun beenderen verbrijzeld zodat het merg zichtbaar is en in de kookpot met wijde opening gaan ze!

Zelfs ouderen en zwakken wordt het niet bespaard levend gevild te worden en in de kokende pot te worden gegooid. Ongetwijfeld zijn er vele van dergelijke gevallen maar om te illustreren hoe sommige overijverige lieden van het Genootschap zwakke en dwalende schapen aanmoedigen zichzelf terug te trekken volgt hier een uittreksel van het commentaar “Wee De herders Die Weiders Van Zichzelf Zijn Geworden.”

“In één geval ontving e-watchman recentelijk een e-mail van een zuster, waarin ze beschreef hoe haar oude moeder in recente jaren één van Jehovah's Getuigen was geworden. Tragisch genoeg ontwikkelde zich bij haar de wrede, van herinnering ontnemende ziekte van Alzheimer en moest ze worden opgenomen in een verzorgingstehuis. De dochter vroeg de plaatselijke ouderlingen herhaaldelijk een bezoekje te brengen aan haar moeder in het verzorgingstehuis om haar wat geestelijke aanmoediging te kunnen geven. Maanden gingen voorbij en de zuster smeekte de ouderlingen even aan te lopen bij haar pasgedoopte moeder - zonder resultaat.

Intussen nodigde één van de bewoners van het verzorgingstehuis onze door Alzheimer getroffen zuster vriendelijk uit eens haar kerkdienst bij te wonen - tevens de voormalige religie van de zuster. Ze accepteerde de uitnodiging. Kennelijk hoorden de ouderlingen hiervan en gingen ze eindelijk op pad voor een "herderlijk bezoek." Maar, in plaats van Jehovah's schaap op een betekenisvolle en nuttige wijze te onderrichten, hadden de ouderlingen zich voorbereid door een vooraf geschreven terugtrekkingsbrief mee te nemen. Ze stelden haar enkele vragen om haar houding over haar kerkgang te achterhalen en ze lieten de zieke zuster vervolgens haar eigen terugtrekkingsbrief ondertekenen! In hun verdraaide oordeel ging de zuster voorgoed verloren daar ze was teruggekeerd naar de Christenheid!”

Droevig genoeg is de teruggetrokken zuster kort daarop overleden en slechts één persoon uit haar vroegere gemeente kwam haar de laatste eer bewijzen. Zo'n harteloosheid doet Jehovah's liefdevolle hart zeker pijn.

Vanwege deze dingen is Jehovah verplicht een rechtsgeding tegen zijn volk te voeren en ze een pijnlijke straf op te leggen zoals Micha 2:10 nog bericht: Staat op en gaat heen, want dit is geen rustplaats. Wegens het feit dat ze onrein is geworden, is er een te gronde richten; en het te gronde richtende werk is smartelijk.”

Wat is er precies betrokken bij het “te gronde richtende” werk van Jehovah en kan er daarna nog van enige verzoening van God en zijn volk sprake zijn? Deze vragen zullen worden beschouwd in deel twee, getiteld: Micha en de komst van Christus.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman