Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

15 Oktober 2002

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Essay
Download Essay *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

In de afgelopen maanden hebben de media schokkende verhalen van seksueel kindermisbruik binnen de families en gemeenten van Jehovah's Getuigen aan het licht gebracht. Kindermisbruik op zich is natuurlijk al weerzinwekkend en hartverscheurend, maar de media lieten ook duidelijk uitkomen dat de gemeenteouderlingen en de leiding van het Wachttorengenootschap gefaald hebben deze kwestie op een juiste en voor de slachtoffers bevredigende manier af te handelen. Dat was voor velen het meest verontrustende aspect van de recente mediaonthullingen.

Indien onzorgvuldig afgehandelde zaken slechts verspreid voorkomende, incidentele gevallen betroffen, dan zou je in alle eerlijkheid de conclusie kunnen trekken dat een paar ouderlingen het blijkbaar aan scherp inzicht ontbroken heeft - en dat zou op zich al kwalijk genoeg zijn. Maar er blijken letterlijk duizenden zaken van misbruik opgeslagen te zijn in de archieven van het hoofdbureau van het Wachttorengenootschap, en de behandeling van dit soort zaken geschiedt in overeenstemming met een aantal vaste regels.

Omdat rechterlijke aangelegenheden in de gemeenten achter gesloten deuren afgehandeld worden, zijn de meeste Jehovah's Getuigen onbekend met de omvang van het probleem. Maar nu de seksueel misbruikte slachtoffers door middel van de media hun stem hebben laten horen en ook uit de gelederen van Jehovah's Getuigen moedige verdedigers van hun belangen naar voren gestapt zijn om voor hen het woord te voeren, horen we steeds hetzelfde verhaal: Een gerespecteerde broeder in de gemeente, soms een familielid, misbruikt de slachtoffers gedurende een bepaalde periode. Het slachtoffer raapt al zijn of haar moed bijeen en stapt naar de ouderlingen om het misdrijf te melden. Hierna wordt er contact opgenomen met de wettelijke afdeling van het Wachttorengenootschap. Een comité van ouderlingen onderzoekt de beschuldiging. De beschuldigde ontkent meestal de beschuldigingen en daarna laten de ouderlingen het slachtoffer weten dat ze verder niets kunnen doen, omdat er geen twee getuigen van het misdrijf zijn. Soms wordt de politie verwittigd en soms niet - afhankelijk van de plaatselijke wettelijke vereisten.

Men zou denken dat dit soort zaken doortastend behandeld wordt door ouderlingen van wie men mag verwachten dat ze Christus' kijk op de zaak hebben, en die zich verantwoordelijk voelen om voor de rechtvaardige zaak van de ellendige op te komen. Misschien is het in dit verband goed om aan Paulus openlijke veroordeling van een grove morele overtreding in de eerste eeuwse gemeente Korinthe te denken. Het betrof een schandalige zaak waarbij seksuele immoraliteit tussen een man en zijn vaders vrouw betrokken was. In 1 Korinthiërs 5:3, 4 zei Paulus tegen de broeders dat ondanks dat hij lichamelijk niet aanwezig was, hij tegenwoordig was in de geest en over deze man reeds het oordeel geveld had. Zijn oordeel was dat deze immorele man uit de gemeente moest worden verwijderd. Voor de apostel was het dus een duidelijke, uitgemaakte zaak. Paulus zei de gemeente Korinthe dat hun reden tot roemen niet fraai was. Zijn woorden zijn nu even krachtig op ons van toepassing: "En zijt GIJ opgeblazen en hebt GIJ niet veeleer getreurd, opdat de man die deze daad heeft bedreven, uit UW midden werd weggenomen?"

Welk oordeel zou Paulus nu over kindermisbruikers of -verkrachters vellen? We kunnen ons niet voorstellen dat Christus of Paulus een misbruikt kind dat bij hen recht en bescherming zocht, zou afwijzen. Hoe beziet Jehovah herders die geen recht verschaffen aan beklagenswaardige en ellendige personen? Wat moet de God van gerechtigheid wel niet denken, wanneer zijn geliefde schapen gestroopt en misbruikt worden, en vervolgens afgewezen worden door hun aangestelde herders van wie zij bescherming en recht verwachten? Hoe moet God deze herders oordelen? Als de herders de rechtsgedingen van misbruikte slachtoffers niet bepleiten, dan hebben deze ouderlingen zonder meer hun macht misbruikt en schande over hun Schepper gebracht.

Tot schaamte van alle Jehovah's Getuigen en tot schande van Jehovah God zelf, blijkt seksueel misbruik niet de enige vorm van misbruik in de organisatie te zijn. Hoewel de zielenpijn die door seksueel misbruik veroorzaakt wordt al erg genoeg is, is het Wachttorengenootschap en de aangestelde gemeenteouderlingen ook machtsmisbruik te verwijten. Wat het meeste zorgen baart, is dat dit verwijt niet komt van personen die beschreven kunnen worden als tegenstanders van de waarheid, maar van God zelf.

Volgens het officiële beleid van het Wachttorengenootschap kunnen door de gemeente geen rechterlijke stappen ondernomen worden tegen een van misbruik beschuldigd persoon, tenzij hij openhartig zijn misdrijf bekend heeft of er minimaal twee getuigen zijn.

Oude bijbelse wetten verboden uitdrukkelijk dat rechters op grond van de beschuldigingen van één persoon iemand mochten veroordelen. Volgens het Wachttorengenootschap verhindert dus de wet van God zelf onze ouderlingen om een gekweld persoon recht te verschaffen! Maar hoe is dat mogelijk? Herinnert Gods wet de rechters er niet specifiek aan dat zij onder geen enkele voorwaarde de rechtsgedingen van vaderloze jongens en weduwen mochten negeren? Is dat niet precies wat we doen, en dat zelfs goedpraten door Gods eigen wet te citeren? Als godvrezende ouderlingen in dubio staan over de vraag hoe Gods wet in deze tijd precies toegepast moet worden, zou het dan niet beter zijn om zich te vergissen ten gunste van het misbruikte slachtoffer in plaats van de beschuldigde?

Toen Christus zijn discipelen aanwijzingen gaf om geschillen snel bij te leggen door "dan nog één of twee met u [te nemen], opdat uit de mond van twee of drie getuigen elke zaak bevestigd wordt," begrijpen we zijn woorden beslist verkeerd als we dit wettelijke voorschrift op zaken van kindermisbruik toepassen. De stap die volgens Jezus hierbij namelijk eerst genomen moet worden, is dat de beledigde partij "[de] fout [moet] blootleggen tussen [hem of haar] en [de beschuldigde] alleen." Het is uiteraard absurd en wreed om van een misbruikt kind te verwachten dat hij of zij een ontmoeting onder vier ogen heeft met zijn of haar volwassen verkrachter of aanrander. Zo'n ontmoeting zou door geen enkel verstandig en redelijk persoon voorgesteld worden. Zou Jezus één van zijn mishandelde lammetjes adviseren om een ontmoeting onder vier ogen te hebben met de wolf die hem of haar wil(de) verslinden? Natuurlijk niet!

Als dat het geval is dan rijst de volgende vraag: Als we van een slachtoffer niet verwachten dat hij/zij zich aan het eerste deel van Christus instructies houdt, waarom dringen we er dan op aan dat het slachtoffer zich wel strikt aan het tweede deel van zijn instructies - inhoudende de eventuele noodzaak van twee getuigen - moet houden? Zijn we dan zo onredelijk geworden dat we denken dat Christus van misbruikte kinderen zou verwachten dat ze eerst een tweede getuige moeten vinden, voordat de ouderlingen hen enige vorm van recht kunnen verschaffen?

Zelfs menselijke wetten erkennen dat kinderen kwetsbaar zijn en garanderen hen daarom speciale rechtsbescherming. Dat is de reden waarom er organisaties en wetten in het leven geroepen zijn die de rechten van jonge kinderen en minderjarigen beschermen. Ofschoon Jehovah zelf de belangrijkste verdediger van de weerlozen en gekwelden is, maakt het beleid van het Wachttorengenootschap geen onderscheid tussen het rechtsgeding van een misbruikt kind en die van een volwassene. Hierdoor heeft de wettelijke afdeling van het Genootschap het voor ouderlingen onschriftuurlijk gemaakt de wettelijke en goddelijke rechten van misbruikte kinderen te verdedigen!

Jezus Christus veroordeelde de Farizeeën voor hun huichelachtigheid, omdat ze zich wel strikt hielden aan de relatief onbelangrijke zaken van de Wet, terwijl ze de gewichtiger zaken die te maken hadden met gerechtigheid, barmhartigheid en getrouwheid veronachtzaamden. Insgelijks nemen we trouw deel aan de velddienst en bezoeken regelmatig vergaderingen. We hebben zelfs verklaard dat we kindermisbruik weerzinwekkend vinden, en toch wordt door ons organisatorisch beleid aan duizenden seksueel misbruikte kinderen uit onze gemeenten gerechtigheid en barmhartigheid onthouden! Denken we nu echt dat dat Jehovah God medeplichtig zou zijn aan dit soort wreedheden? Hoe zou God deze situatie onder Jehovah's Getuigen ooit door de vingers kunnen zien?

Beschuldigt de profetie van Jesaja de leiders van Gods volk niet precies van datgene wat nu binnen het Wachttorengenootschap gebeurt? Jesaja 10:1, 2 toont Gods rechterlijke beslissing in deze aangelegenheid: "Wee hun die schadelijke voorschriften verordenen en hun die, voortdurend schrijvend, louter moeite hebben uitgeschreven, ten einde de geringen weg te dringen uit een rechtsgeding en om de ellendigen van mijn volk van gerechtigheid te beroven, opdat de weduwen hun buit worden en opdat zij zelfs de vaderloze jongens kunnen uitplunderen!"

Het lijkt erop dat het Wachttorengenootschap een eigentijds voorbeeld verschaft heeft van datgene waar God over spreekt als "hun die, voortdurend schrijvend, louter moeite hebben uitgeschreven," doordat in het hierbovengenoemde persbericht wordt toegegeven dat de juristen van het Wachttorengenootschap voortdurend sleutelen aan hun organisatorische beleid. In dat persbericht werd onder andere verklaard: "Onze procedures zijn in de loop der tijd verfijnd. Wanneer we in de afgelopen jaren gebieden opmerkten waar ons beleid aangescherpt kon worden, hebben we dat niet nagelaten. En we blijven aan de verfijning van ons beleid werken." Zelfs deze nogal dubbelzinnige woorden uit dit persbericht kunnen niet verhullen dat volgens het officiële beleid van het Wachttorengenootschap het rechtsgeding van een misbruikt kind afgewezen blijft worden. Ja, de juristen van het Genootschap gaan voort met het schrijven van "louter moeite" voor zichzelf en hebben de gehele gemeente onder Jehovah's ongunstige oordeel gebracht door hun verdorven redeneringen! Is het niet duidelijk dat het verkeerd is dat het Genootschap bijbelse wetten gebruikt om het rechtsgeding van seksueel misbruikte kinderen te negeren? Het uitdenken van zo'n organisatorisch beleid is precies wat de profetie voorzegde met het "verordenen van schadelijke voorschriften."

Jehovah's retorische vraag in het volgende vers van Jesaja, welke gericht is tot de corrupte rechters van zijn volk, zou alle godvrezende mensen de schrik om het hart moeten laten slaan: "En wat zult gijlieden doen op de dag dat er aandacht aan u wordt geschonken en bij het verderf, wanneer het van verre komt? Tot wie zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?"

Jeremia legt uit hoe deze vreselijke rechtsdwaling heeft kunnen plaatsvinden. Hij schrijft: "Want onder mijn volk zijn goddelozen gevonden. Zij blijven loeren, zoals wanneer vogelvangers ineenduiken. Zij hebben een verderfelijke val gezet. Mensen vangen zij. Zoals een kooi vol vliegende schepselen is, zo zijn hun huizen vol bedrog. Daarom zijn zij groot geworden en verwerven zij rijkdom." (Jeremia 5:26, 27)

Het is typerend dat het Genootschap Gods niet zo vleiende en ongunstige oordelen meestal op de Christenheid toepast. Merk echter op dat God zegt dat zulke goddelozen zich onder zijn volk bevinden. Omdat goddeloze mensen misleiding gebruiken om een val te zetten voor de onschuldigen en getrouwen, is het moeilijk zulke verraderlijke strikkenspanners te ontdekken. Maar in het licht van het onrechtvaardige en ruïneuze beleid dat door sommigen van de leidende personen binnen het Wachttorengenootschap gepromoot wordt, en als we werkelijk geloven dat we Gods volk zijn, dan moeten we het harde feit onder de ogen zien dat God hier spreekt over zijn eigen organisatie die van binnenuit te lijden heeft van goddeloze mensen.

In het volgende vers van Jeremia beschuldigt Jehovah deze goddeloze mensen ervan dat ze het rechtsgeding van de gekwelden niet bepleit hebben. Het vers zegt: "Geen enkel rechtsgeding hebben zij bepleit, zelfs niet het rechtsgeding van de vaderloze jongen, zodat zij succes konden behalen; en voor het recht van de armen hebben zij het niet opgenomen...Een ontzettende toestand, ja, iets afschuwelijks, heeft zich voorgedaan in het land." De onwilligheid van het Wachttorengenootschap om het rechtsgeding van onze eigen misbruikte kinderen te bepleiten wordt in de Schriften werkelijk perfect omschreven als "een ontzettende toestand, ja, iets afschuwelijks."

"Zij zijn diep verzonken in het brengen van verderf"

Jehovah's eerdere rechterlijke beslissingen blijken in onze moderne wereld nog steeds relevant te zijn, omdat de menselijke natuur altijd dezelfde gebleven is. Sinds bijbelse tijden zijn alleen de culturen veranderd. Daarom kon de apostel zeggen dat alle dingen die eertijds zijn opgetekend, in werkelijkheid opgetekend zijn voor degenen die veel later zouden leven, tijdens de periode van oordeel. Eén van de dingen die eertijds opgetekend en juist nu relevant is, heeft te maken met een schokkend seksueel misdrijf dat gepleegd werd gedurende de periode dat Israël door de rechters geleid werd. Het verslag hiervan beslaat drie hele hoofdstukken uit het boek Rechters.

Wat er in het kort plaatsvond, was dat een man en zijn bijvrouw op reis waren en in de stad Gibea stopten om te overnachten. Seksueel perverse personen omsingelden het huis waar de twee te gast waren. Ze eisten dat de mannelijke gast naar buiten werd gebracht zodat ze hem konden verkrachten. In plaats daarvan gingen de mannen akkoord met de bijvrouw, wie zij verkrachtten tot zij stierf. Het nieuws over deze verkrachting en moord werd bekend in alle andere stammen. Deze 11 stammen verzamelden een leger en trokken naar het grondgebied van de stam Benjamin en eisten de uitlevering van de schuldige mannen, zodat ze in overeenstemming met de Wet ter dood gebracht konden worden. De Benjaminieten weigerden echter de daders uit te leveren. Er brak oorlog uit en tienduizenden verloren onnodig het leven. Gibea en diverse andere steden in Benjamins grondgebied werden platgebrand en de stam van Benjamin werd vrijwel volledig vernietigd als gevolg van hun domme weigering recht te verschaffen.

Wat dit historische verslag zo relevant maakt, is dat Jehovah er jaren later naar verwees door middel van zijn profeet Hosea. Hosea 9:9 luidt: "Zij zijn diep verzonken in het brengen van verderf, zoals in de dagen van Gibea. Hij zal hun dwaling gedenken; hij zal aandacht schenken aan hun zonden."

De gebeurtenissen in Gibea waren waarschijnlijk niet in de bijbel opgetekend, als de Benjaminieten het juiste gedaan hadden. Benjamin nam de schuldigen in bescherming en trachtte te verhinderen dat het recht zijn loop had met uiteindelijk ruïneuze gevolgen voor de schuldigen. Hun weigering om het recht zijn loop te laten hebben verergerde hun oorspronkelijke zonde vele malen. Dat is ongetwijfeld de reden waarom God door middel van Hosea zei dat ze "diep verzonken [waren] in het brengen van verderf."

We kunnen misschien niet met zekerheid zeggen of het historische verslag in het boek Rechters een exacte parallel met onze tijd heeft, maar dat kan wel met zekerheid over de profetie van Hosea gezegd worden. De profetie van Hosea heeft beslist een toepassing op de christelijke gemeente gedurende de oordeelstijd. Hoe weten we dat? Omdat Paulus in 1 Korinthiërs 15:55 Hosea citeerde, toen hij vroeg: "Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw angel?" Ja, tot de dag van vandaag gaat de dood voort over ons te zegevieren. Zoals Paulus opmerkte, is het pas bij het klinken van de laatste trompet tijdens Christus tegenwoordigheid dat "de dood voor eeuwig is verzwolgen." Op grond hiervan heeft Hosea's profetie dus relevantie voor het geestelijk Israel totdat de laatste leden van die geestelijke natie onsterfelijkheid verleend is. Het laatste vers van Hosea daagt ons uit om te onderscheiden wat Jehovah's oordelen precies betekenen. Het vers zegt: "Wie is wijs, dat hij deze dingen begrijpt? Beleidvol, dat hij ze weet?"

Vrijwel alle Hebreeuwse profeten voorzegden Jehovah's oordelen tegen zijn geestelijke natie die worden uitgevoerd aan de vooravond van de oorlog van Armageddon. De profeten hebben ook voorzegd dat mannen Gods, die normaal gesproken beleidvol handelen, voor deze oordelen blind zouden zijn. Als een voorbeeld van onze blindheid in dezen is het interessant om de vaak besproken aanval van Gog van Magog uit Ezechiël nog eens te beschouwen. Het is hierbij van belang om in gedachte te houden dat de aanval van Gog volledig profetisch is. Met andere woorden de profetie over Gog kent geen eerdere toepassing op een oude natie, zoals Babylon.

Wat we tot nu altijd begrepen hebben, is dat wanneer de symbolische Gog en zijn menigte vernietigd zijn, dat dat het einde betekent van de wereld zoals deze nu bestaat. Wat we tot nu echter niet begrepen hebben, is dat Jehovah aan de aanval van Gog zijn goedkeuring hecht, omdat dat de manier is waarop hij zijn volk straft voor hun zonden. Daarom zegt Ezechiël 39:23, 24: "En de natiën zullen moeten weten dat het wegens hun dwaling was dat zij, het huis van Israël, in ballingschap gingen, wegens het feit dat zij zich ontrouw tegenover mij gedroegen, zodat ik mijn aangezicht voor hen verborg en hen in de hand van hun tegenstanders gaf, en zij bleven vallen, zij allen, door het zwaard. Overeenkomstig hun onreinheid en overeenkomstig hun overtredingen heb ik hen behandeld, en ik bleef mijn aangezicht voor hen verbergen."

In overeenstemming met de profetieën zal Jehovah zijn volk oordelen en streng terechtwijzen voor hun ontrouw en zonden. Het moge duidelijk zijn dat Jehovah's oordeel tegen zijn volk wegens hun zonden niet in 1918-19 vervuld is, zoals we nu aannemen. Voor welke zonden zullen we precies worden gestraft? Als we terugkeren naar de profetie van Hosea, waarin God de zonde van zijn geestelijke natie met het verderf "in de dagen van Gibea" vergelijkt, dan moet deze zonde blijkbaar verwijzen naar het huidige, ruïneuze beleid van het Wachttorengenootschap waarmee verkrachters en kindermisbruikers beschermd worden. Hosea 10:9 bevestigt dat de zonde van Gibea niet enkel het oorspronkelijk gepleegde seksuele misdrijf was, maar de weigering van de oudere mannen van Benjamin om de criminelen uit te leveren. In Hosea 10:2 klaagt Jehovah zijn volk aan omdat ze huichelachtig geworden zijn. Het vers zegt: "Hun hart is huichelachtig geworden; nu zullen zij schuldig bevonden worden."

Het is interessant dat Hosea melding maakt van het feit dat Gods profeten zich verdwaasd zullen gedragen in het zicht van het komende oordeel, en zoals ook door Jeremia werd omschreven, dat vogelvangers zullen proberen om onder Gods volk vallen te zetten. Hosea 9:7, 8 zegt het volgende: "De dagen dat er aandacht wordt geschonken, moeten komen; de dagen van de verschuldigde betaling moeten komen. Die van Israël zullen [het] weten. De profeet zal verdwaasd zijn, de man van geïnspireerde uiting zal waanzinnig worden wegens de overvloed van uw dwaling, terwijl zelfs de vijandige gezindheid overvloedig is. De wachter van Efraïm was met mijn God. Wat een profeet aangaat, het klapnet van een vogelvanger is op al zijn wegen; er is een vijandige gezindheid in het huis van zijn God."

Heden ten dage is er beslist sprake van een groeiende 'vijandige gezindheid' in Gods huisgezin als gevolg van de schande die de organisatie over de heilige naam van Jehovah heeft gebracht, om nog maar niet te spreken over de vele duizenden die reeds gestruikeld zijn in hun geloof als gevolg van het VN/NGO-lidmaatschap van het Wachttorengenootschap, vals profetische interpretaties en het ruïneuze beleid inzake kindermisbruik. The Watchman vestigt in dit verband de aandacht op Jehovah's komende oordeel over zijn huis.

Jehovah's komende oordeel behelst onder meer dat hij de zaken met zijn herders zal rechtzetten. Jakobus waarschuwde christelijke mannen dat leraren een zwaarder oordeel ontvangen. Paulus bevestigt dat door te zeggen dat opzieners degenen zijn "die rekenschap zullen afleggen" aan God. Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël vormt de rechterlijke basis voor Gods oordeel over zijn herders. Ezechiël 34:4 zegt: "De ziek geworden dieren hebt gij niet gesterkt en het kranke hebt gij niet genezen, en het gebrokene hebt gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet gezocht, maar met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid gehad, ja, met tirannie."

Ezechiël voorzegt verder ter aanmoediging dat God de zichzelf dienende, nalatige herders zal oordelen en hen van hun taak als herders van zijn volk zal ontheffen. Hierna zal hij persoonlijk de verloren schapen terugbrengen naar de kudde, en hun wonden verbinden en genezen. Jehovah's komende oordeel zal dus gerechtigheid betekenen voor de misbruikte kinderen die geleden hebben onder hun goddeloze misbruikers en falende herders die niet op de juiste manier voor hen gezorgd hebben.

Ondanks het feit dat geen enkel mens, hoe zorgzaam hij of zij ook is, de diepe emotionele littekens bij de slachtoffers van kindermisbruik kan wegnemen, kan en zal Jehovah hen volledige genezing geven. Ondanks het feit dat geen enkele therapeut of psychiater, hoe bekwaam hij of zij ook is, hun geroofde onschuld kan teruggeven, kan en zal Jehovah een splinternieuw persoon scheppen. Ondanks het feit dat geen enkele ouderling, hoe rechtvaardig en meelevend hij ook is, het afgrijselijke onrecht ongedaan kan maken, kan en zal Jehovah in volmaakte gerechtigheid voorzien. Jehovah heeft de wijsheid, de macht en - het belangrijkste van alles - de wens om alle dingen recht te zetten.

We hebben in de gemeenten van Jehovah's Getuigen niet meer juristen nodig die sleutelen aan het organisatorisch beleid. We hebben meer dan ooit Jehovah's oordeel nodig. Het Wachttorengenootschap heeft Jehovah's Getuigen in het algemeen - en in het bijzonder de slachtoffers van kindermisbruik - vaak aangeraden om "op Jehovah te wachten." Ironisch genoeg impliceert 'het wachten op Jehovah' een zeer strenge goddelijke terechtwijzing voor personen die waarschijnlijk van zichzelf denken dat ze die helemaal niet verdienen. In Jezus beschrijving van de "getrouwe slaaf" verwijst hij naar de rekenschap die deze slaaf aan hem moet afleggen. Hij zegt in Lukas 12:48: "Ja, van een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist; en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven, zal men meer dan gebruikelijk is eisen."

Tot op heden wijzen de broeders elke verantwoordelijkheid voor enig onrecht dat tijdens hun waken plaatsgevonden heeft, van de hand. Het is niet te verwachten dat ze hiervoor uit zichzelf verantwoordelijkheid zullen aanvaarden. Maar Jezus verzekert ons dat de zaken met al zijn dienaren rechtgezet zullen worden. Jehovah heeft zich voorgenomen om de gehele organisatie op de knieën te krijgen, net zoals hij dat meerdere keren met Israël gedaan heeft. Alleen als we onze fouten toegeven, zal Jehovah zijn volk de zegeningen geven waar we gebedsvol naar uitkijken.

In het laatste hoofdstuk van Hosea nodigt Jehovah zijn terechtgewezen en vernederde volk uit tot hem terug te keren. Vers 1 zegt: "Keer toch terug, o Israël, tot Jehovah, uw God, want gij zijt gestruikeld in uw dwaling." Het is interessant dat het 3de vers laat zien dat het door God is dat aan "een vaderloze jongen barmhartigheid [wordt] betoond." Dat impliceert kennelijk dat een deel van de zonde die ons tot struikelen heeft gebracht, te maken heeft met ons verzuim om barmhartigheid te betonen aan de vaderloze jongen (De vaderloze jongen symboliseert hier kennelijk elke beklagenswaardige persoon die misbruikt of gekweld is). Ondanks al onze dwaasheid en zonden belooft Jehovah als onze liefdevolle en vergevensgezinde Vader het volgende: "Ik zal hun ontrouw genezen. Ik zal hen uit eigen vrije wil liefhebben, omdat mijn toorn zich van hem heeft afgewend."

Of u nu persoonlijk een slachtoffer van kindermisbruik bent, of behoort tot de velen die verontrust of zelfs gestruikeld zijn over het onrecht dat in de organisatie heeft plaatsgevonden, hopelijk heeft onze beschouwing van een aantal profetieën, die laten uitkomen hoe Jehovah zich voorgenomen heeft om de zaken recht te zetten, uw geloof in God hersteld en versterkt. De apostel Paulus beschrijft Gods woord als "levend en scherper dan enig tweesnijdend zwaard." Hoe waar zijn die woorden! Hoe geruststellend is het te weten dat mensen niet de touwtjes in handen hebben. Jehovah verzekert ons door middel van zijn geschreven woord dat hij op de hoogte is van alles wat in het geheim gebeurd is. Zijn oplossing is zowel zeker als vast.

Of u nu misbruikt bent of hartzeer hebt van wat in Jehovah's organisatie plaatsgevonden heeft, schep moed uit de belofte dat de ware herder nabij is. Deze belofte luidt:

"Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah tot hen gezegd: "Hier ben ik, ikzelf, en ik zal stellig richten tussen een vet schaap en een mager schaap, omdat gij met flank en met schouder bleeft wegdringen en met uw horens bleeft stoten allen die ziek geworden waren, totdat gij hen naar buiten hadt verstrooid. En ik zal mijn schapen stellig redden, en zij zullen niet langer tot plundering worden; en ik wil richten tussen een schaap en een schaap. En ik wil één herder over hen verwekken, en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen weiden en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste in hun midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."" (Ezechiël 34:20-24)


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman