|
In de afgelopen maanden hebben de media schokkende verhalen van
seksueel kindermisbruik binnen de families en gemeenten van Jehovah's
Getuigen aan het licht gebracht. Kindermisbruik op zich is natuurlijk
al weerzinwekkend en hartverscheurend, maar de media lieten ook
duidelijk uitkomen dat de gemeenteouderlingen en de leiding van
het Wachttorengenootschap gefaald hebben deze kwestie op een juiste
en voor de slachtoffers bevredigende manier af te handelen. Dat
was voor velen het meest verontrustende aspect van de recente
mediaonthullingen.
Indien onzorgvuldig afgehandelde zaken slechts verspreid voorkomende,
incidentele gevallen betroffen, dan zou je in alle eerlijkheid
de conclusie kunnen trekken dat een paar ouderlingen het blijkbaar
aan scherp inzicht ontbroken heeft - en dat zou op zich al kwalijk
genoeg zijn. Maar er blijken letterlijk duizenden zaken van misbruik
opgeslagen te zijn in de archieven van het hoofdbureau van het
Wachttorengenootschap, en de behandeling van dit soort zaken geschiedt
in overeenstemming met een aantal vaste regels.
Omdat rechterlijke aangelegenheden in de gemeenten achter gesloten
deuren afgehandeld worden, zijn de meeste Jehovah's Getuigen onbekend
met de omvang van het probleem. Maar nu de seksueel misbruikte
slachtoffers door middel van de media hun stem hebben laten horen
en ook uit de gelederen van Jehovah's Getuigen moedige verdedigers
van hun belangen naar voren gestapt zijn om voor hen het woord
te voeren, horen we steeds hetzelfde verhaal: Een gerespecteerde
broeder in de gemeente, soms een familielid, misbruikt de slachtoffers
gedurende een bepaalde periode. Het slachtoffer raapt al zijn
of haar moed bijeen en stapt naar de ouderlingen om het misdrijf
te melden. Hierna wordt er contact opgenomen met de wettelijke
afdeling van het Wachttorengenootschap. Een comité van
ouderlingen onderzoekt de beschuldiging. De beschuldigde ontkent
meestal de beschuldigingen en daarna laten de ouderlingen het
slachtoffer weten dat ze verder niets kunnen doen, omdat er geen
twee getuigen van het misdrijf zijn. Soms wordt de politie verwittigd
en soms niet - afhankelijk van de plaatselijke wettelijke vereisten.
Men zou denken dat dit soort zaken doortastend behandeld wordt
door ouderlingen van wie men mag verwachten dat ze Christus'
kijk op de zaak hebben, en die zich verantwoordelijk voelen om
voor de rechtvaardige zaak van de ellendige op te komen. Misschien
is het in dit verband goed om aan Paulus openlijke veroordeling
van een grove morele overtreding in de eerste eeuwse gemeente
Korinthe te denken. Het betrof een schandalige zaak waarbij seksuele
immoraliteit tussen een man en zijn vaders vrouw betrokken was.
In 1 Korinthiërs 5:3, 4 zei Paulus tegen de broeders dat
ondanks dat hij lichamelijk niet aanwezig was, hij tegenwoordig
was in de geest en over deze man reeds het oordeel geveld had.
Zijn oordeel was dat deze immorele man uit de gemeente moest worden
verwijderd. Voor de apostel was het dus een duidelijke, uitgemaakte
zaak. Paulus zei de gemeente Korinthe dat hun reden tot roemen
niet fraai was. Zijn woorden zijn nu even krachtig op ons van
toepassing: "En zijt GIJ opgeblazen en hebt GIJ niet veeleer
getreurd, opdat de man die deze daad heeft bedreven, uit UW midden
werd weggenomen?"
Welk oordeel zou Paulus nu over kindermisbruikers of -verkrachters
vellen? We kunnen ons niet voorstellen dat Christus of Paulus
een misbruikt kind dat bij hen recht en bescherming zocht, zou
afwijzen. Hoe beziet Jehovah herders die geen recht verschaffen
aan beklagenswaardige en ellendige personen? Wat moet de God van
gerechtigheid wel niet denken, wanneer zijn geliefde schapen gestroopt
en misbruikt worden, en vervolgens afgewezen worden door hun aangestelde
herders van wie zij bescherming en recht verwachten? Hoe moet
God deze herders oordelen? Als de herders de rechtsgedingen van
misbruikte slachtoffers niet bepleiten, dan hebben deze ouderlingen
zonder meer hun macht misbruikt en schande over hun Schepper gebracht.
Tot schaamte van alle Jehovah's Getuigen en tot schande van Jehovah
God zelf, blijkt seksueel misbruik niet de enige vorm van misbruik
in de organisatie te zijn. Hoewel de zielenpijn die door seksueel
misbruik veroorzaakt wordt al erg genoeg is, is het Wachttorengenootschap
en de aangestelde gemeenteouderlingen ook machtsmisbruik
te verwijten. Wat het meeste zorgen baart, is dat dit verwijt
niet komt van personen die beschreven kunnen worden als tegenstanders
van de waarheid, maar van God zelf.
Volgens het officiële
beleid van het Wachttorengenootschap kunnen door de gemeente
geen rechterlijke stappen ondernomen worden tegen een van misbruik
beschuldigd persoon, tenzij hij openhartig zijn misdrijf bekend
heeft of er minimaal twee getuigen zijn.
Oude bijbelse wetten verboden uitdrukkelijk dat rechters op grond
van de beschuldigingen van één persoon iemand mochten
veroordelen. Volgens het Wachttorengenootschap verhindert dus
de wet van God zelf onze ouderlingen om een gekweld persoon recht
te verschaffen! Maar hoe is dat mogelijk? Herinnert Gods wet de
rechters er niet specifiek aan dat zij onder geen enkele voorwaarde
de rechtsgedingen van vaderloze jongens en weduwen mochten negeren?
Is dat niet precies wat we doen, en dat zelfs goedpraten door
Gods eigen wet te citeren? Als godvrezende ouderlingen in dubio
staan over de vraag hoe Gods wet in deze tijd precies toegepast
moet worden, zou het dan niet beter zijn om zich te vergissen
ten gunste van het misbruikte slachtoffer in plaats van de beschuldigde?
Toen Christus zijn discipelen aanwijzingen gaf om geschillen
snel bij te leggen door "dan nog één of
twee met u [te nemen], opdat uit de mond van twee of drie getuigen
elke zaak bevestigd wordt," begrijpen we zijn woorden
beslist verkeerd als we dit wettelijke voorschrift op zaken van
kindermisbruik toepassen. De stap die volgens Jezus hierbij namelijk
eerst genomen moet worden, is dat de beledigde partij "[de]
fout [moet] blootleggen tussen [hem of haar] en [de beschuldigde]
alleen." Het is uiteraard absurd en wreed om van een
misbruikt kind te verwachten dat hij of zij een ontmoeting onder
vier ogen heeft met zijn of haar volwassen verkrachter of aanrander.
Zo'n ontmoeting zou door geen enkel verstandig en redelijk persoon
voorgesteld worden. Zou Jezus één van zijn mishandelde
lammetjes adviseren om een ontmoeting onder vier ogen te hebben
met de wolf die hem of haar wil(de) verslinden? Natuurlijk niet!
Als dat het geval is dan rijst de volgende vraag: Als we van
een slachtoffer niet verwachten dat hij/zij zich aan het eerste
deel van Christus instructies houdt, waarom dringen we er dan
op aan dat het slachtoffer zich wel strikt aan het tweede deel
van zijn instructies - inhoudende de eventuele noodzaak van twee
getuigen - moet houden? Zijn we dan zo onredelijk geworden dat
we denken dat Christus van misbruikte kinderen zou verwachten
dat ze eerst een tweede getuige moeten vinden, voordat de ouderlingen
hen enige vorm van recht kunnen verschaffen?
Zelfs menselijke wetten erkennen dat kinderen kwetsbaar zijn
en garanderen hen daarom speciale rechtsbescherming. Dat is de
reden waarom er organisaties en wetten in het leven geroepen zijn
die de rechten van jonge kinderen en minderjarigen beschermen.
Ofschoon Jehovah zelf de belangrijkste verdediger van de weerlozen
en gekwelden is, maakt het beleid van het Wachttorengenootschap
geen onderscheid tussen het rechtsgeding van een misbruikt kind
en die van een volwassene. Hierdoor heeft de wettelijke afdeling
van het Genootschap het voor ouderlingen onschriftuurlijk gemaakt
de wettelijke en goddelijke rechten van misbruikte kinderen te
verdedigen!
Jezus Christus veroordeelde de Farizeeën voor hun huichelachtigheid,
omdat ze zich wel strikt hielden aan de relatief onbelangrijke
zaken van de Wet, terwijl ze de gewichtiger zaken die te maken
hadden met gerechtigheid, barmhartigheid en getrouwheid veronachtzaamden.
Insgelijks nemen we trouw deel aan de velddienst en bezoeken regelmatig
vergaderingen. We hebben zelfs verklaard dat we kindermisbruik
weerzinwekkend vinden, en toch wordt door ons organisatorisch
beleid aan duizenden seksueel misbruikte kinderen uit onze gemeenten
gerechtigheid en barmhartigheid onthouden! Denken we nu echt dat
dat Jehovah God medeplichtig zou zijn aan dit soort wreedheden?
Hoe zou God deze situatie onder Jehovah's Getuigen ooit door de
vingers kunnen zien?
Beschuldigt de profetie van Jesaja de leiders van Gods volk niet
precies van datgene wat nu binnen het Wachttorengenootschap gebeurt?
Jesaja 10:1, 2 toont Gods rechterlijke beslissing in deze aangelegenheid:
"Wee hun die schadelijke voorschriften verordenen en hun
die, voortdurend schrijvend, louter moeite hebben uitgeschreven,
ten einde de geringen weg te dringen uit een rechtsgeding en om
de ellendigen van mijn volk van gerechtigheid te beroven, opdat
de weduwen hun buit worden en opdat zij zelfs de vaderloze jongens
kunnen uitplunderen!"
Het lijkt erop dat het Wachttorengenootschap een eigentijds voorbeeld
verschaft heeft van datgene waar God over spreekt als "hun
die, voortdurend schrijvend, louter moeite hebben uitgeschreven,"
doordat in het hierbovengenoemde persbericht wordt toegegeven
dat de juristen van het Wachttorengenootschap voortdurend sleutelen
aan hun organisatorische beleid. In dat persbericht werd onder
andere verklaard: "Onze procedures zijn in de loop der
tijd verfijnd. Wanneer we in de afgelopen jaren gebieden opmerkten
waar ons beleid aangescherpt kon worden, hebben we dat niet nagelaten.
En we blijven aan de verfijning van ons beleid werken."
Zelfs deze nogal dubbelzinnige woorden uit dit persbericht kunnen
niet verhullen dat volgens het officiële beleid van het Wachttorengenootschap
het rechtsgeding van een misbruikt kind afgewezen blijft worden.
Ja, de juristen van het Genootschap gaan voort met het schrijven
van "louter moeite" voor zichzelf en hebben de
gehele gemeente onder Jehovah's ongunstige oordeel gebracht door
hun verdorven redeneringen! Is het niet duidelijk dat het verkeerd
is dat het Genootschap bijbelse wetten gebruikt om het rechtsgeding
van seksueel misbruikte kinderen te negeren? Het uitdenken van
zo'n organisatorisch beleid is precies wat de profetie voorzegde
met het "verordenen van schadelijke voorschriften."
Jehovah's retorische vraag in het volgende vers van Jesaja, welke
gericht is tot de corrupte rechters van zijn volk, zou alle godvrezende
mensen de schrik om het hart moeten laten slaan: "En wat
zult gijlieden doen op de dag dat er aandacht aan u wordt geschonken
en bij het verderf, wanneer het van verre komt? Tot wie zult gij
vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?"
Jeremia legt uit hoe deze vreselijke rechtsdwaling heeft kunnen
plaatsvinden. Hij schrijft: "Want onder mijn volk zijn
goddelozen gevonden. Zij blijven loeren, zoals wanneer vogelvangers
ineenduiken. Zij hebben een verderfelijke val gezet. Mensen vangen
zij. Zoals een kooi vol vliegende schepselen is, zo zijn hun huizen
vol bedrog. Daarom zijn zij groot geworden en verwerven zij rijkdom."
(Jeremia 5:26, 27)
Het is typerend dat het Genootschap Gods niet zo vleiende en
ongunstige oordelen meestal op de Christenheid toepast.
Merk echter op dat God zegt dat zulke goddelozen zich onder
zijn volk bevinden. Omdat goddeloze mensen misleiding gebruiken
om een val te zetten voor de onschuldigen en getrouwen, is het
moeilijk zulke verraderlijke strikkenspanners te ontdekken. Maar
in het licht van het onrechtvaardige en ruïneuze beleid dat
door sommigen van de leidende personen binnen het Wachttorengenootschap
gepromoot wordt, en als we werkelijk geloven dat we Gods volk
zijn, dan moeten we het harde feit onder de ogen zien dat God
hier spreekt over zijn eigen organisatie die van binnenuit te
lijden heeft van goddeloze mensen.
In het volgende vers van Jeremia beschuldigt Jehovah deze goddeloze
mensen ervan dat ze het rechtsgeding van de gekwelden niet bepleit
hebben. Het vers zegt: "Geen enkel rechtsgeding hebben
zij bepleit, zelfs niet het rechtsgeding van de vaderloze jongen,
zodat zij succes konden behalen; en voor het recht van de armen
hebben zij het niet opgenomen...Een ontzettende toestand, ja,
iets afschuwelijks, heeft zich voorgedaan in het land."
De onwilligheid van het Wachttorengenootschap om het rechtsgeding
van onze eigen misbruikte kinderen te bepleiten wordt in de Schriften
werkelijk perfect omschreven als "een ontzettende toestand,
ja, iets afschuwelijks."
"Zij
zijn diep verzonken in het brengen van verderf"
Jehovah's eerdere rechterlijke beslissingen blijken in onze moderne
wereld nog steeds relevant te zijn, omdat de menselijke natuur
altijd dezelfde gebleven is. Sinds bijbelse tijden zijn alleen
de culturen veranderd. Daarom kon de apostel zeggen dat alle dingen
die eertijds zijn opgetekend, in werkelijkheid opgetekend zijn
voor degenen die veel later zouden leven, tijdens de periode van
oordeel. Eén van de dingen die eertijds opgetekend en juist
nu relevant is, heeft te maken met een schokkend seksueel misdrijf
dat gepleegd werd gedurende de periode dat Israël door de
rechters geleid werd. Het verslag hiervan beslaat drie hele hoofdstukken
uit het boek Rechters.
Wat er in het kort plaatsvond, was dat een man en zijn bijvrouw
op reis waren en in de stad Gibea stopten om te overnachten. Seksueel
perverse personen omsingelden het huis waar de twee te gast waren.
Ze eisten dat de mannelijke gast naar buiten werd gebracht zodat
ze hem konden verkrachten. In plaats daarvan gingen de mannen
akkoord met de bijvrouw, wie zij verkrachtten tot zij stierf.
Het nieuws over deze verkrachting en moord werd bekend in alle
andere stammen. Deze 11 stammen verzamelden een leger en trokken
naar het grondgebied van de stam Benjamin en eisten de uitlevering
van de schuldige mannen, zodat ze in overeenstemming met de Wet
ter dood gebracht konden worden. De Benjaminieten weigerden echter
de daders uit te leveren. Er brak oorlog uit en tienduizenden
verloren onnodig het leven. Gibea en diverse andere steden in
Benjamins grondgebied werden platgebrand en de stam van Benjamin
werd vrijwel volledig vernietigd als gevolg van hun domme weigering
recht te verschaffen.
Wat dit historische verslag zo relevant maakt, is dat Jehovah
er jaren later naar verwees door middel van zijn profeet Hosea.
Hosea 9:9 luidt: "Zij zijn diep verzonken in het brengen
van verderf, zoals in de dagen van Gibea. Hij zal hun dwaling
gedenken; hij zal aandacht schenken aan hun zonden."
De gebeurtenissen in Gibea waren waarschijnlijk niet in de bijbel
opgetekend, als de Benjaminieten het juiste gedaan hadden. Benjamin
nam de schuldigen in bescherming en trachtte te verhinderen dat
het recht zijn loop had met uiteindelijk ruïneuze gevolgen
voor de schuldigen. Hun weigering om het recht zijn loop te laten
hebben verergerde hun oorspronkelijke zonde vele malen. Dat is
ongetwijfeld de reden waarom God door middel van Hosea zei dat
ze "diep verzonken [waren] in het brengen van verderf."
We kunnen misschien niet met zekerheid zeggen of het historische
verslag in het boek Rechters een exacte parallel met onze tijd
heeft, maar dat kan wel met zekerheid over de profetie
van Hosea gezegd worden. De profetie van Hosea heeft beslist een
toepassing op de christelijke gemeente gedurende de oordeelstijd.
Hoe weten we dat? Omdat Paulus in 1 Korinthiërs 15:55 Hosea
citeerde, toen hij vroeg: "Dood, waar is uw overwinning?
Dood, waar is uw angel?" Ja, tot de dag van vandaag gaat
de dood voort over ons te zegevieren. Zoals Paulus opmerkte,
is het pas bij het klinken van de laatste trompet tijdens Christus
tegenwoordigheid dat "de dood voor eeuwig is verzwolgen."
Op grond hiervan heeft Hosea's profetie dus relevantie voor het
geestelijk Israel totdat de laatste leden van die geestelijke
natie onsterfelijkheid verleend is. Het laatste vers van Hosea
daagt ons uit om te onderscheiden wat Jehovah's oordelen precies
betekenen. Het vers zegt: "Wie is wijs, dat hij deze dingen
begrijpt? Beleidvol, dat hij ze weet?"
Vrijwel alle Hebreeuwse profeten voorzegden Jehovah's oordelen
tegen zijn geestelijke natie die worden uitgevoerd aan de vooravond
van de oorlog van Armageddon. De profeten hebben ook voorzegd
dat mannen Gods, die normaal gesproken beleidvol handelen, voor
deze oordelen blind zouden zijn. Als een voorbeeld van onze blindheid
in dezen is het interessant om de vaak besproken aanval van Gog
van Magog uit Ezechiël nog eens te beschouwen. Het is hierbij
van belang om in gedachte te houden dat de aanval van Gog volledig
profetisch is. Met andere woorden de profetie over Gog kent geen
eerdere toepassing op een oude natie, zoals Babylon.
Wat we tot nu altijd begrepen hebben, is dat wanneer de symbolische
Gog en zijn menigte vernietigd zijn, dat dat het einde betekent
van de wereld zoals deze nu bestaat. Wat we tot nu echter niet
begrepen hebben, is dat Jehovah aan de aanval van Gog zijn goedkeuring
hecht, omdat dat de manier is waarop hij zijn volk straft voor
hun zonden. Daarom zegt Ezechiël 39:23, 24: "En de
natiën zullen moeten weten dat het wegens hun dwaling was
dat zij, het huis van Israël, in ballingschap gingen, wegens
het feit dat zij zich ontrouw tegenover mij gedroegen, zodat ik
mijn aangezicht voor hen verborg en hen in de hand van hun tegenstanders
gaf, en zij bleven vallen, zij allen, door het zwaard. Overeenkomstig
hun onreinheid en overeenkomstig hun overtredingen heb ik hen
behandeld, en ik bleef mijn aangezicht voor hen verbergen."
In overeenstemming met de profetieën zal Jehovah zijn volk
oordelen en streng terechtwijzen voor hun ontrouw en zonden. Het
moge duidelijk zijn dat Jehovah's oordeel tegen zijn volk wegens
hun zonden niet in 1918-19 vervuld is, zoals we nu aannemen. Voor
welke zonden zullen we precies worden gestraft? Als we terugkeren
naar de profetie van Hosea, waarin God de zonde van zijn geestelijke
natie met het verderf "in de dagen van Gibea"
vergelijkt, dan moet deze zonde blijkbaar verwijzen naar het huidige,
ruïneuze beleid van het Wachttorengenootschap waarmee verkrachters
en kindermisbruikers beschermd worden. Hosea 10:9 bevestigt dat
de zonde van Gibea niet enkel het oorspronkelijk gepleegde seksuele
misdrijf was, maar de weigering van de oudere mannen van Benjamin
om de criminelen uit te leveren. In Hosea 10:2 klaagt Jehovah
zijn volk aan omdat ze huichelachtig geworden zijn. Het vers zegt:
"Hun hart is huichelachtig geworden; nu zullen zij schuldig
bevonden worden."
Het is interessant dat Hosea melding maakt van het feit dat Gods
profeten zich verdwaasd zullen gedragen in het zicht van het komende
oordeel, en zoals ook door Jeremia werd omschreven, dat vogelvangers
zullen proberen om onder Gods volk vallen te zetten. Hosea 9:7,
8 zegt het volgende: "De dagen dat er aandacht wordt geschonken,
moeten komen; de dagen van de verschuldigde betaling moeten komen.
Die van Israël zullen [het] weten. De profeet zal verdwaasd
zijn, de man van geïnspireerde uiting zal waanzinnig worden
wegens de overvloed van uw dwaling, terwijl zelfs de vijandige
gezindheid overvloedig is. De wachter van Efraïm was met
mijn God. Wat een profeet aangaat, het klapnet van een vogelvanger
is op al zijn wegen; er is een vijandige gezindheid in het huis
van zijn God."
Heden ten dage is er beslist sprake van een groeiende 'vijandige
gezindheid' in Gods huisgezin als gevolg van de schande die de
organisatie over de heilige naam van Jehovah heeft gebracht, om
nog maar niet te spreken over de vele duizenden die reeds gestruikeld
zijn in hun geloof als gevolg van het VN/NGO-lidmaatschap
van het Wachttorengenootschap, vals profetische
interpretaties en het ruïneuze beleid inzake kindermisbruik.
The Watchman vestigt in dit verband de aandacht op Jehovah's komende
oordeel over zijn huis.
Jehovah's komende oordeel behelst onder meer dat hij de zaken
met zijn herders zal rechtzetten. Jakobus waarschuwde christelijke
mannen dat leraren een zwaarder oordeel ontvangen. Paulus bevestigt
dat door te zeggen dat opzieners degenen zijn "die rekenschap
zullen afleggen" aan God. Het 34ste hoofdstuk van Ezechiël
vormt de rechterlijke basis voor Gods oordeel over zijn herders.
Ezechiël 34:4 zegt: "De ziek geworden dieren hebt
gij niet gesterkt en het kranke hebt gij niet genezen, en het
gebrokene hebt gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij
niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet gezocht, maar
met hardvochtigheid hebt gij hen in onderworpenheid gehad, ja,
met tirannie."
Ezechiël voorzegt verder ter aanmoediging dat God de zichzelf
dienende, nalatige herders zal oordelen en hen van hun taak als
herders van zijn volk zal ontheffen. Hierna zal hij persoonlijk
de verloren schapen terugbrengen naar de kudde, en hun wonden
verbinden en genezen. Jehovah's komende oordeel zal dus gerechtigheid
betekenen voor de misbruikte kinderen die geleden hebben onder
hun goddeloze misbruikers en falende herders die niet op de juiste
manier voor hen gezorgd hebben.
Ondanks het feit dat geen enkel mens, hoe zorgzaam hij of zij
ook is, de diepe emotionele littekens bij de slachtoffers van
kindermisbruik kan wegnemen, kan en zal Jehovah hen volledige
genezing geven. Ondanks het feit dat geen enkele therapeut of
psychiater, hoe bekwaam hij of zij ook is, hun geroofde onschuld
kan teruggeven, kan en zal Jehovah een splinternieuw persoon
scheppen. Ondanks het feit dat geen enkele ouderling, hoe rechtvaardig
en meelevend hij ook is, het afgrijselijke onrecht ongedaan kan
maken, kan en zal Jehovah in volmaakte gerechtigheid voorzien.
Jehovah heeft de wijsheid, de macht en - het belangrijkste van
alles - de wens om alle dingen recht te zetten.
We hebben in de gemeenten van Jehovah's Getuigen niet meer juristen
nodig die sleutelen aan het organisatorisch beleid. We hebben
meer dan ooit Jehovah's oordeel nodig. Het Wachttorengenootschap
heeft Jehovah's Getuigen in het algemeen - en in het bijzonder
de slachtoffers van kindermisbruik - vaak aangeraden om "op
Jehovah te wachten." Ironisch genoeg impliceert 'het
wachten op Jehovah' een zeer strenge goddelijke terechtwijzing
voor personen die waarschijnlijk van zichzelf denken dat ze die
helemaal niet verdienen. In Jezus beschrijving van de "getrouwe
slaaf" verwijst hij naar de rekenschap die deze slaaf aan
hem moet afleggen. Hij zegt in Lukas 12:48: "Ja, van een
ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist;
en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven, zal
men meer dan gebruikelijk is eisen."
Tot op heden wijzen de broeders elke verantwoordelijkheid voor
enig onrecht dat tijdens hun waken plaatsgevonden heeft, van de
hand. Het is niet te verwachten dat ze hiervoor uit zichzelf verantwoordelijkheid
zullen aanvaarden. Maar Jezus verzekert ons dat de zaken met
al zijn dienaren rechtgezet zullen worden. Jehovah
heeft zich voorgenomen om de gehele organisatie op de knieën
te krijgen, net zoals hij dat meerdere keren met Israël gedaan
heeft. Alleen als we onze fouten toegeven, zal Jehovah zijn volk
de zegeningen geven waar we gebedsvol naar uitkijken.
In het laatste hoofdstuk van Hosea nodigt Jehovah zijn terechtgewezen
en vernederde volk uit tot hem terug te keren. Vers 1 zegt: "Keer
toch terug, o Israël, tot Jehovah, uw God, want gij zijt
gestruikeld in uw dwaling." Het is interessant dat het
3de vers laat zien dat het door God is dat aan "een vaderloze
jongen barmhartigheid [wordt] betoond." Dat impliceert
kennelijk dat een deel van de zonde die ons tot struikelen heeft
gebracht, te maken heeft met ons verzuim om barmhartigheid te
betonen aan de vaderloze jongen (De vaderloze jongen symboliseert
hier kennelijk elke beklagenswaardige persoon die misbruikt of
gekweld is). Ondanks al onze dwaasheid en zonden belooft Jehovah
als onze liefdevolle en vergevensgezinde Vader het volgende: "Ik
zal hun ontrouw genezen. Ik zal hen uit eigen vrije wil liefhebben,
omdat mijn toorn zich van hem heeft afgewend."
Of u nu persoonlijk een slachtoffer van kindermisbruik bent,
of behoort tot de velen die verontrust of zelfs gestruikeld zijn
over het onrecht dat in de organisatie heeft plaatsgevonden, hopelijk
heeft onze beschouwing van een aantal profetieën, die laten
uitkomen hoe Jehovah zich voorgenomen heeft om de zaken recht
te zetten, uw geloof in God hersteld en versterkt. De apostel
Paulus beschrijft Gods woord als "levend en scherper dan
enig tweesnijdend zwaard." Hoe waar zijn die woorden!
Hoe geruststellend is het te weten dat mensen niet de touwtjes
in handen hebben. Jehovah verzekert ons door middel van zijn geschreven
woord dat hij op de hoogte is van alles wat in het geheim gebeurd
is. Zijn oplossing is zowel zeker als vast.
Of u nu misbruikt bent of hartzeer hebt van wat in Jehovah's
organisatie plaatsgevonden heeft, schep moed uit de belofte dat
de ware herder nabij is. Deze belofte luidt:
"Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah tot hen
gezegd: "Hier ben ik, ikzelf, en ik zal stellig richten tussen
een vet schaap en een mager schaap, omdat gij met flank en met
schouder bleeft wegdringen en met uw horens bleeft stoten allen
die ziek geworden waren, totdat gij hen naar buiten hadt verstrooid.
En ik zal mijn schapen stellig redden, en zij zullen niet langer
tot plundering worden; en ik wil richten tussen een schaap en
een schaap. En ik wil één herder over hen verwekken,
en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen
weiden en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal
stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste in hun
midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."" (Ezechiël
34:20-24)
|