Toen
Jezus het einde van zijn aardse bediening naderde, ging hij
nog eenmaal naar Jeruzalem om deel te nemen aan het Joodse
Paschafeest. Bij die gelegenheid wierp hij de geldwisselaars
uit de tempel en kondigde hij het oordeel over de tempel en
de natie aan. De discipelen, die niet precies begrepen wat
Jezus had gedaan, wilden Jezus er kennelijk aan herinneren
hoe indrukwekkend de tempel was. De discipelen moeten zeer
verbaasd zijn geweest toen Jezus hen ronduit zei dat de tempel
met de grond gelijk gemaakt zou worden.
Mattheüs 24:1, 2 verslaat de gebeurtenis en zegt: Terwijl
Jezus nu wegging en de tempel verliet, kwamen zijn discipelen
echter naar hem toe om hem de gebouwen van de tempel te
tonen. Hij gaf hun ten antwoord: "Ziet gij al deze dingen
niet? Voorwaar, ik zeg u: Hier zal geenszins een steen op
de andere worden gelaten die niet afgebroken zal worden."
De onderzoekende discipelen wilden natuurlijk weten wanneer
de tempel vernietigd zou worden. Er wordt ons gezegd: Toen
hij op de Olijfberg zat, kwamen de discipelen naar hem toe,
terwijl er verder niemand bij was, en zeiden: "Zeg ons:
Wanneer zullen deze dingen zijn, en wat zal het teken zijn
van uw tegenwoordigheid en van het besluit van het samenstel
van dingen?"
In antwoord op hun veelzijdige vraag gaf Jezus een eenvoudig,
doch diepgaand en verstrekkend antwoord. En nadat hij zijn
discipelen een algemene beschrijving had gegeven van wat
er plaats zou vinden, gaf Jezus een specifiek teken dat
Jeruzalems op handen zijnde vernietiging zou aankondigen.
Hij zei: "Wanneer gij daarom het walgelijke ding dat
verwoesting veroorzaakt, waarover door bemiddeling van de
profeet Daniël gesproken is, in een heilige plaats ziet
staan (de lezer gebruike onderscheidingsvermogen), laten
dan zij die in Judéa zijn, naar de bergen vluchten."
(Mattheüs 24:15, 16)
Ondanks dat Jezus' apostelen oorspronkelijk uit de omgeving
van Galilea kwamen, gingen ze na Christus' opstanding kennelijk
in Jeruzalem wonen; waardoor het de onofficiële bestuurszetel
van de internationale Christelijke gemeente werd. Voor de
apostelen en alle gemeenten in Jeruzalem en Juda zou het
daarom onvermijdelijk zijn het teken te zien wanneer het
verscheen.
Om te benadrukken hoe belangrijk het was acht te slaan
op het teken wanneer het verscheen, zei Jezus in Mattheüs
24:17-22 verder tot hen: "Laat de man die zich op het
dak bevindt, niet naar beneden komen om de goederen uit
zijn huis te halen; en laat de man die op het veld is, niet
naar huis terugkeren om zijn bovenkleed op te halen. Wee
de zwangere vrouwen en hen die een klein kind zogen in die
dagen! Blijft bidden dat uw vlucht niet in de wintertijd
geschiedt, noch op de sabbatdag; want er zal dan een grote
verdrukking zijn zoals er sedert het begin der wereld tot
nu toe niet is voorgekomen, neen, en ook niet meer zal voorkomen.
Indien die dagen trouwens niet werden verkort, zou geen
vlees worden gered; maar ter wille van de uitverkorenen
zullen die dagen worden verkort."
Als hulpmiddel voor zijn volgelingen het "walgelijke
ding" te kunnen herkennen wanneer het zichtbaar zou
worden, verwees Jezus naar de profetie van Daniël, door
tussen haakjes te zeggen ("de lezer gebruike onderscheidingsvermogen").
Welke profetie in Daniël moet Jezus in gedachte hebben
gehad? Ongetwijfeld richtte hij hun geest op het 9de hoofdstuk
van Daniël, waar we de volgende woorden vinden: "En na
de tweeënzestig weken zal de Messías worden afgesneden,
met niets voor zichzelf. En de stad en de heilige plaats
zullen door het volk van een leider die komt, ten verderve
worden gebracht. En het einde ervan zal door de vloed zijn.
En tot het einde zal er oorlog zijn; datgene waartoe besloten
is, is verwoestingen. En hij moet het verbond voor de velen
één week lang van kracht laten blijven; en op de helft van
de week zal hij slachtoffer en offergave doen ophouden.
En op de vleugel van walgelijkheden zal degene komen die
verwoesting veroorzaakt; en totdat een verdelging voltrokken
is, zal zich dan juist datgene waartoe besloten is, ook
over degene die woest ligt, uitstorten." (vers 26, 27)
Door naar Daniël te verwijzen, konden de 1ste Eeuwse Christelijke
lezers van die profetie onderscheiden dat het walgelijke
ding verbonden was aan een leider en een volk
dat over het land zou stromen gedurende een periode van
oorlog die zou volgen op Jezus' dood.
Verder zou de onderscheidende lezer de leider die verbonden
is aan de komst van het "walgelijke ding" kunnen linken
aan de koning van het noorden, die volgens het 11de hoofdstuk
van Daniël evenzo de Leider van het verbond zou breken.
Daniel 11:21-22 luidt: "En in zijn positie moet er
een opstaan die te verachten is, en men zal hem stellig
niet de waardigheid van het koninkrijk verlenen; en hij
zal werkelijk binnenkomen gedurende een tijd van onbezorgdheid
en door middel van geslepen gladheid het koninkrijk bemachtigen.
En wat de armen van de vloed betreft, ze zullen wegens hem
overstroomd worden, en ze zullen verbroken worden; zo ook
de Leider van het verbond."
Door te redeneren over Christus' bijkomende informatie,
zoals het opgetekend staat in het 21ste hoofdstuk van Lukas,
namelijk dat Jeruzalem voor een bestemde tijd door de
natiën vertreden zou worden, zagen de apostelen en discipelen
ongetwijfeld, lang voordat de legioenen gearriveerd waren
om verwoesting te brengen, dat het walgelijke ding geassocieerd
werd aan het Romeinse Rijk.
Jehovah's Getuigen realiseren zich natuurlijk dat niet
alleen Jezus' profetie een veel grotere vervulling heeft,
maar ook de profetie van Daniël. Ja, Daniëls profetie verwijst
naar een politiek walgelijk ding dat Gods heilige plaats
zou bedreigen. Jehovah's Getuigen hebben het walgelijke
ding dat verwoesting veroorzaakt van tevoren geïdentificeerd
en de Verenigde Naties als een walgelijk ding voor Gods
aangezicht herkend, daar het is bedoeld om een wereldregering
te worden en zich als zodanig indenkt dat ze kan
bereiken wat alleen Gods koninkrijk mogelijkerwijs kan bereiken.
In welke zin moet de hedendaagse lezer echter onderscheidingsvermogen
gebruiken? Nog een belangrijke vraag: Wat is de heilige
plaats die verwoest zal worden?
In Jezus' dagen werd Jeruzalem beschouwd als de heilige
stad van Jehovah. En ondanks dat verdorven Joden het in
een "rovershol" hadden veranderd, verwees Jezus nog
steeds naar de tempel in Jeruzalem met "het huis van
mijn Vader". Zelfs na het begin van het Christendom
bezagen de vroegere discipelen en apostelen de tempel in
Jeruzalem nog steeds als iets heiligs. Na zijn bekering
ging Paulus bijvoorbeeld nog steeds naar de tempel om te
bidden. Ja, de verheerlijkte Jezus sprak zelfs met Paulus
in de tempel.
Handelingen 22:17, 18 verslaat: "Maar toen ik naar
Jeruzalem was teruggekeerd en in de tempel aan het
bidden was, geraakte ik in trance en zag hem, terwijl hij
tot mij zei: 'Maak voort en ga vlug uit Jeruzalem, want
zij zullen uw getuigenis omtrent mij niet aanvaarden.'"
Vele jaren na zijn bekering reinigde Paulus zich als Nazireeër
in overeenstemming met de Wet ceremonieel, en hij ging wederom
naar de heilige tempel. Het 21ste hoofdstuk van Handelingen
verslaat de gebeurtenis: "Toen nam Paulus de volgende
dag de mannen mee en reinigde zich ceremonieel met hen en
ging de tempel binnen om aangifte te doen van de
dagen die met betrekking tot de ceremoniële reiniging vervuld
moesten worden totdat de offergave voor een ieder van hen
gebracht zou worden. Toen nu de zeven dagen bijna om waren,
zagen de joden uit Asia hem in de tempel, waarop zij de
gehele schare in verwarring brachten, en zij sloegen de
hand aan hem." (vers 26, 27)
Wat is nu het punt? Ondanks dat Christus de Joden had
gezegd dat hun huis hun verlaten was achtergelaten, beschouwden
Jezus en zijn apostelen en vele Joodse gelovigen in Christus
de tempel, uit respect voor Jehovah, als heilig tot
het moment dat hij vernietigd werd. Wat moet daarom de hedendaagse
heilige plaats zijn die vertreden zal worden door een walgelijk
ding?
Volgens het Wachttorengenootschap is het de Christenheid,
omdat Jeruzalem niet echt een heilige plaats was
voor God nadat het door Christus veroordeeld was. Het meest
recente artikel over dit onderwerp, in de Wachttoren
van 1 mei 1999, zegt: "Dit
helpt ons te begrijpen dat de eerste vervulling te maken
had met de Romeinse aanval op Jeruzalem en zijn tempel -
een plaats heilig voor de joden
maar niet langer een plaats heilig voor Jehovah -
die in 66 G.T. begon."
Daarom zegt de Wachttoren verder: "Wanneer
het 'scharlakengekleurde wilde beest' de religieuze hoer
aanvalt, zal "het walgelijke ding" dreigend in de zogenaamde
heilige plaats van de christenheid staan. De
verwoesting zal dus beginnen over de ontrouwe christenheid,
die zichzelf als heilig afschildert."
Terwijl het waar is dat Jehovah het aardse Jeruzalem en
haar tempel niet langer werkelijk als heilig bezag, deden
Jezus en de apostelen dit wel, in ieder geval in naam. Zoals
reeds eerder gezegd, hadden de apostelen hun hoofdzetel
in Jeruzalem. Ondanks dat geestelijk rijpe Christenen meer
keken naar een "Jeruzalem dat boven is" als de ware
stad van God, was Christus' gemeente nog steeds nauw verbonden
met het aardse Jeruzalem en de tempel, tot de tijd
waarop de heilige stad belegerd werd. Daarom verwees Jezus
naar Jeruzalem en de tempel als heilig.
Daar Jezus zijn gezalfde discipelen een specifiek teken
gaf, is het redelijk te concluderen dat Jezus verwees naar
iets dat zijn discipelen ook daadwerkelijk als heilig bezagen
- niet iets wat enkel onjuist beweerde een heilige
plaats te zijn.
In het licht van al het voorgaande is het duidelijk dat
er iets mist in de interpretatie van het Wachttorengenootschap.
Wellicht hebben we als lezers van profetie niet werkelijk
onderscheidingsvermogen gebruikt, zoals Jezus adviseerde.
Wanneer Jehovah's Getuigen werkelijk Gods volk
zijn, zoals we geloven, is het redelijker dat de heilige
plaats die verwoest zal worden de geestelijke tempel
van Jehovah afbeeldt, zoals die wordt vertegenwoordigd door
de heiligen en de organisatie die eraan verbonden is. Met
andere woorden, datgene wat gewoonlijk Jehovah's zichtbare
organisatie wordt genoemd.
Trouwens, wanneer het de bedoeling was dat de heilige
plaats de Christenheid moest symboliseren, waarom zouden
Jezus' hedendaagse discipelen de dreiging dan moeten onderscheiden
en moeten vluchten uit de tot ondergang gedoemde
"stad"? Als de heilige plaats écht de Christenheid is, zouden
Christus' discipelen er dan niet uit gevlucht zijn lang
voordat het walgelijke ding begint te staan waar het
niet hoort?
Dat brengt ons terug bij de woorden van Jezus: "De
lezer gebruike onderscheidingsvermogen" - samen met
de vraag: Wat moesten Christelijke lezers volgens
Jezus onderscheiden? Moeten we uit de profetie van Daniël
enkel onderscheiden dat het Romeinse leger het voorzegde
walgelijke ding was toen ze hun afgodische tekenen in de
tempel plaatste? Zeker niet. Welke waarde zou dat hebben
voor Christenen die leven gedurende de grotere vervulling
- gedurende het feitelijke besluit van het samenstel?
In Daniël 11:30, 31 wordt ons gezegd: "En tegen hem
zullen stellig de schepen van Kittim komen, en hij zal moedeloos
moeten worden. En hij zal werkelijk terugkeren en verdoemenissen
tegen het heilig verbond slingeren en doeltreffend handelen;
en hij zal moeten terugkeren en zal acht geven op hen die
het heilig verbond verlaten. En er zullen strijdkrachten
opstaan die uit hem voortkomen; en ze zullen werkelijk het
heiligdom, de vesting, ontwijden en het bestendige kenmerk
verwijderen. En men zal stellig het walgelijke ding dat
verwoesting veroorzaakt, plaatsen."
Het heiligdom, de vesting en het bestendige kenmerk die
hierboven genoemd worden, zijn een verwijzing naar datgene
wat God toebehoort - gebruikt in de aanbidding van God -
zoals dat het geval was met de oude tempel. Met andere woorden,
het heiligdom, de vesting en het bestendige kenmerk zijn
een heilige plaats voor God. Dit wordt ondersteund
door Daniël 8:13 waarin verwezen wordt naar de koning met
bars gelaat die verwoesting brengt over de "heilige plaats"
en het "bestendige kenmerk". Dus, het "plaatsen
[van het] walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt"
is een verwijzing naar het heiligdom van Jehovah, niet de
Christenheid en zeker niet Babylon de Grote. Tevens moet
de lezer van Daniël onderscheiden dat de koning met bars
gelaat en het walgelijke ding één en dezelfde zijn.
Dit creëert een probleem in de wijze waarop we op dit
moment de profetie van de koning van het noorden en zuiden
interpreteren.
Hoezo dat?
We nemen over het algemeen aan dat de profetie gelezen
moet worden alsof de gebeurtenissen zich in chronologische
volgorde ontvouwen; volgens het 8ste hoofdstuk van Daniël
wordt de heilige plaats echter verwoest gedurende de tijd
van het einde. Door echter aan te nemen dat de profetie
van de koning van het noorden en zuiden in chronologische
volgorde staat, vindt de verwoesting van de heilige plaats
en het plaatsen van het walgelijke ding echter plaats voor
de bestemde tijd van het einde. Dat komt omdat Daniël 11:35
zegt: "En enigen van hen die inzicht hebben, zullen tot
struikelen worden gebracht, opdat er wegens hen een louteringswerk
wordt verricht en om hen te reinigen en wit te maken, tot
de tijd van het einde toe; want het is nog voor de bestemde
tijd."
Natuurlijk geloven Jehovah's Getuigen dat de "tijd
van het einde" terug in 1914 begon. En om het probleem
ten aanzien van Daniël 11:35 op te lossen, waarin wordt
gezegd dat de tijd van het einde "nog voor de bestemde
tijd" is, interpreteert het Wachttorengenootschap díe
"tijd van het einde" handig als zijnde een andere
tijd van het einde.
Verwarrend?
Ja, het valt niet te ontkennen dat het Wachttorengenootschap
zich vrijheden heeft geoorloofd met betrekking tot Gods
Woord in een poging de inzakkende bewering overeind te houden
dat 1914 het begin van de tijd van het einde was. Lezers
met onderscheidingsvermogen zouden moeten inzien dat de
interpretatie van het Wachttorengenootschap compleet onbevredigend
is. Hoe passend is het dat de gewoonlijk inzichtvolle getrouwe
slaaf gestruikeld is over juist dát vers waarin zijn
struikeling wordt voorzegd!
Met het risico de lezer te irriteren met het herhalen
van eerder besproken onderwerpen; de "tijd
van het einde" is hetzelfde als het "besluit
van het samenstel van dingen." Het Griekse woord syntelia,
dat in Daniël wordt gebruikt en in het Nederlands wordt
vertaald met "de tijd van het einde," was hetzelfde Griekse
woord dat Jezus gebruikte en is vertaald met "besluit
van het samenstel." Jezus zei dat de oogst het besluit
van het samenstel van dingen is. Dan worden de engelen uitgezonden
om het tarwe van het onkruid te scheiden - het goede van
het slechte - en alle aanleiding tot struikelen uit
Christus' koninkrijk weg te nemen. Het is een waanidee te
geloven dat Gods engelen reeds een dergelijke definitieve
scheiding en reiniging van degenen die verbonden zijn aan
Gods koninkrijk hebben uitgevoerd.
In Mattheüs 13:47-50 gebruikte Jezus "syntelia" verder
in de illustratie van het sleepnet, waar hij zegt: "Wederom
is het koninkrijk der hemelen gelijk een sleepnet dat in
de zee werd neergelaten en vissen van allerlei soort bijeenbracht.
Toen het vol werd, trok men het op het strand, waarna men
erbij ging zitten en de voortreffelijke vissen in vaten
verzamelde, maar die welke ongeschikt waren, wegwierp. Zo
zal het gaan in het besluit van het samenstel van dingen:
de engelen zullen uitgaan en de goddelozen uit het midden
der rechtvaardigen afscheiden en hen in de vuuroven werpen.
Daar zullen zij wenen en knarsetanden."
Wederom, laten we niet zo onredelijk zijn vol te houden
dat de engelen hun werk reeds gedaan hebben. Het lijkt echter
wel redelijk te zijn dat het Wachttorengenootschap het sleepnet
is en niet de Christenheid, zoals we nu denken. Het Wachttorengenootschap
heeft inderdaad een grote verzameling van alle soorten van
mensen bereikt - waarvan sommigen goed zijn en anderen niet.
Daarom lijkt het erop dat we binnenkort als het ware "op
het strand getrokken worden" zodat de voorzegde scheiding
zal beginnen.
Het thema was - de lezer gebruike onderscheidingsvermogen
- en het punt is nu dat de tijd van het einde nog niet begonnen
is. De heilige plaats, de vesting en het bestendige kenmerk
zijn daarom nog niet verwoest, daar het 8ste hoofdstuk van
Daniël zegt dat dit zal gebeuren gedurende de tijd van het
einde. Om de twee profetieën in Daniël in overeenstemming
met elkaar te brengen, is Daniël 11:30, 31 kennelijk een
vooruitblik op wat de koning van het noorden uiteindelijk
zal bereiken gedurende de tijd van het einde.
Het komt er uiteindelijk echter op neer dat de ware kennis
van Daniël niet bekend zal worden totdat de profetie ontzegeld
wordt gedurende de komende tijd van het einde.
Om de waarheid omtrent een toekomstige verwoesting van
de ware Christelijke gemeente echter te achterhalen, moeten
we ons wenden tot een aantal profetische boeken.
Joël schildert Gods heilige plaats bijvoorbeeld af als
dat ze onmiddellijk voor "de grote en vreesinboezemende
dag van Jehovah" overstroomd wordt door schadelijke,
op sprinkhanen
gelijkende indringers. In overeenstemming met alle andere
profeten die een invasie vanuit het noorden voorzeggen,
verwijst Joël ook naar het leger sprinkhanen als "de
noorderling." Het laatste hoofdstuk van Joël wijst er
duidelijk op dat de symbolische sprinkhanenaanval een onmiddellijke
inleiding tot Armageddon is en dat de sprinkhanen de vreemden
zijn die datgene wat heilig is voor Jehovah ontheiligen;
en moeten daarom gelijk zijn aan het walgelijke ding dat
verwoesting veroorzaakt aan de heilige plaats. Daarom zegt
Joël 3:17: "En gijlieden zult moeten weten dat ik Jehovah,
uw God, ben, die verblijf houdt op Sion, mijn heilige berg.
En Jeruzalem moet een heilige plaats worden; en wat
vreemden betreft, zij zullen er niet meer doortrekken."
In de gerelateerde profetie van Nahum wordt het Assyrische
leger evenzo vergeleken met sprinkhanen en zegt Jehovah
tot hen: "Het zal u verslinden als de sprinkhanesoort.
Maak u zo talrijk als de sprinkhanesoort; maak u zo talrijk
als de sprinkhaan. Gij hebt uw handelaars meer vermenigvuldigd
dan de sterren aan de hemel. Wat de sprinkhanesoort aangaat,
ze stroopt werkelijk haar huid af; vervolgens vliegt ze
weg. Uw wachters zijn als de sprinkhaan, en uw werfbeambten
als de sprinkhanenzwerm. Ze legeren zich in de stenen kooien
op een koude dag. De zon zelf behoeft maar te gaan schijnen
en ze vluchten stellig weg; en hun plaats, waar ze zijn,
is werkelijk onbekend." (Nahum 3:15-17)
Nahum 1:15 geeft aan dat de sprinkhaan schuldig wordt
bevonden door God voor het binnenvallen van de heilige plaats:
"Zie! Op de bergen de voeten van iemand die goed nieuws
brengt, iemand die vrede verkondigt. O Juda, vier uw feesten.
Betaal uw geloften; want voortaan zal er geen nietswaardige
meer door u heen trekken. Hij zal stellig geheel en al worden
afgesneden."
Jesaja 43:25-28 is in overeenstemming met Daniël met betrekking
tot de vorsten van de heilige plaats die overgeleverd worden
aan hun vijanden vanwege overtreding - hun overtreding.
Er staat: "Ik - ik ben het die uw overtredingen uitwist
om mijnentwil, en uw zonden zal ik niet gedenken. Maak mij
indachtig; laten wij samen in het gericht gaan; laat uw
eigen relaas horen, opdat gij gelijk moogt hebben. Uw eigen
vader, de eerste, heeft gezondigd, en uw eigen woordvoerders
hebben overtredingen tegen mij begaan. Daarom zal ik de
vorsten van de heilige plaats ontwijden, en ik wil Jakob
overgeven als een man die aan de vernietiging prijsgegeven
is en Israël aan woorden van beschimping."
Zoals alle Jehovah's Getuigen weten, ontlenen we de naam
"Jehovah's Getuigen" aan het 43ste hoofdstuk van
Jesaja. Het lijkt er daarom op dat Jehovah rechtstreeks
tot zijn getuigen spreekt in een toekomende tijd, wanneer
ze neergeveld worden en redding en bevrijding nodig hebben.
Hoe past het Wachttorengenootschap de hierboven geciteerde
verzen daarom toe? Het vreemde is dat ze dat niet doet -
in ieder geval niet in het laatste commentaar op Jesaja.
Het Wachttorengenootschap merkt enkel op dat Jehovah overtredingen
van Christenen vergeeft - heel algemeen dus. Toch is de
profetie een gedetailleerde weerklank van die van Daniël.
Het is duidelijk dat de profetie niet van toepassing kan
zijn op de Christenheid. En het is even evident dat hij
niet van toepassing is op welke voorgaande periode van onderdrukking
van Jehovah's Getuigen maar ook.
Verder heeft de grote bevrijding die God heeft bewerkstelligd
voor de Israëlieten, toen hij ze bevrijdde uit Babylon,
geen hedendaagse parallel gehad - nog niet. Enkel het feit
dat Jehovah's Getuigen zich leerstellig bezien hebben onderscheiden
van de denominaties van de Christenheid is niet het resultaat
van de val van het hedendaagse Babylon de Grote. Dat is
niet redelijk. De Christenheid is vandaag de dag even levend
als ooit en in veel plaatsen over de gehele wereld gebruikt
ze nog steeds haar aanzienlijke politieke invloed om ons
werk te hinderen.
Wanneer de profetieën in vervulling zullen gaan in degenen
die getuigen voor Jehovah zijn, dan is het niet alleen duidelijk
dat Jehovah zijn getuigen nog niet bevrijd heeft uit Babylons
ketens - we zijn nog niet eens in ballingschap gegaan!
Op welke wijze kunnen het Wachttorengenootschap en Jehovah's
Getuigen echter overwonnen worden door hetgeen we herkennen
als het wereldrijk van valse religie?
Zoals we allen weten, schildert Openbaring Babylon de
Grote af als een hoer die op de rug van een scharlakengekleurd
wild beest zetelt. Het beest beeldt de achtste koning af
nadat de zevende koning opleeft na zijn doodsslag,
wat plaatsvindt in de verdrukking. Pas nadat het beest opleeft,
levert Jehovah zijn zondigende gezalfde vorsten over en
staat hij toe dat zijn heiligdom verwoest wordt. Gedurende
het tumult van oorlog en in de nasleep van het ter ziele
gaan van de Anglo-Amerikaanse macht zal het walgelijke ding
zich kennelijk manifesteren en in Jehovah's heilige plaats
staan. Wanneer het walgelijke ding daarom staat waar het
niet hoort, zal Babylon de Grote zeer zeker nog bloeien.
Ja, onze eeuwenoude vijandin, de hoer van Babylon, zal ogenschijnlijk
hebben getriomfeerd over Jehovah's koninkrijk!
Ja, zeer zeker een walgelijk ding dat in de heilige plaats
staat!
Wat een vernedering wacht alle Jehovah's Getuigen! Dat
is echter de prijs die betaald moet worden voor het zondigen
tegen Jehovah. Micha 7:8-10 geeft uitdrukking aan Jehovah's
vernederde getrouwe slaaf in die tijd door te zeggen: "Verheug
u niet over mij, o gij, mijn vijandin. Al ben ik gevallen,
ik zal stellig opstaan; al woon ik in de duisternis, Jehovah
zal mij een licht zijn. Jehovah's woede zal ik dragen -
want ik heb tegen hem gezondigd - totdat hij mijn rechtsgeding
voert en mij werkelijk recht verschaft. Hij zal mij uitleiden
tot het licht; ik zal zijn rechtvaardigheid aanschouwen.
En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken
die tot mij zei: "Waar is hij, Jehovah, uw God?" Mijn eigen
ogen zullen op haar neerzien. Nu zal zij een plaats van
vertrapping worden, als het slijk der straten."
Gedurende onze vernedering zal het lijken alsof
de laatste koning groter is dan Jehovah God. Daarom schreef
David onder inspiratie het volgende over de opschepperige
koning van het noorden: "En de koning zal werkelijk doen
naar zijn eigen wil, en hij zal zich verheffen en zich grootmaken
boven elke god; en tegen de God der goden zal hij verwonderlijke
dingen spreken. En hij zal stellig succesvol blijken te
zijn totdat de openlijke veroordeling tot een eind zal zijn
gekomen; want dat waartoe besloten is, moet geschieden."
(Daniël 11:36)
Het walgelijke ding dat in de heilige plaats staat, zal
daarom kennelijk fungeren als een teken voor Jehovah's Getuigen
om het Wachttorengenootschap te verlaten; daar ze tegen
die tijd haar doel heeft gediend. Hoe? Waarom? Wanneer?
Waar? - die vragen zijn op dit moment wellicht niet te beantwoorden
en zelfs onbelangrijk. Wat wel belangrijk is, is
te erkennen dat het dienen van Jehovah als zijn getuigen
een enorme verantwoordelijkheid met zich brengt en we moeten
accepteren wat Jehovah toelaat.
Eén ding is zeker: Willen we tot het einde met succes
dienen als zijn getuigen en willen we een bevrijding meemaken
op een schaal die Jehovah nooit eerder heeft gedaan, dan
vereist dit dat we in overeenstemming met de 60ste Psalm
eerst drinken uit de beker die gevuld is met Jehovah's woede.
Daar staat:
O God, gij hebt ons verstoten, gij hebt
een bres in ons geslagen.
Gij zijt vertoornd geworden. Moogt gij
ons toch herstellen.
Gij hebt de aarde doen schudden, gij
hebt haar opengespleten.
Heel toch haar bressen, want ze heeft
gewankeld.
Gij hebt uw volk moeilijkheden doen zien.
Gij hebt ons wijn doen drinken die ons
doet waggelen.
Gij hebt aan hen die u vrezen, een signaal
gegeven.
Om zigzagsgewijs te vluchten vanwege
de boog.
Opdat uw geliefden verlost mogen worden.
O red toch met uw rechterhand en antwoord ons.
|