|
De boeken van de Hebreeuwse profeten bevatten gedetailleerde
rechterlijke oordelen van diverse natien uit de vroegere wereld,
maar de profeten schreven Gods oordelen en raad vooral toe aan
de enige fysieke natie op aarde die Jehovah God ooit zijn eigen
volk heeft genoemd - Israël. Jehovah was hun Wetgever, Koning
en Rechter. En hij heeft hen bij diverse gebeurtenissen geoordeeld.
In de vele jaren dat de Wachttoren Jehovah's Getuigen Gods Woord
heeft onderwezen, is de overheersende tendens geweest dat we onszelf
in het best mogelijke licht hebben geplaatst door alle profetieën
die spreken over Jehovah's vernietigende terechtwijzingen toe
te passen op de Christenheid en alle positieve aspecten van profetieën
op onszelf. In het zeldzame geval dat we toegeven dat een bepaalde
profetische afkeuring op ons als organisatie van toepassing is,
verbinden we dit steevast aan de periode van 1916-1919. Door af
te wijken en het nietig maken van Gods eigen Woord dat tot zijn
geestelijke organisatie gericht is, hebben we onszelf tragisch
genoeg blind gemaakt voor Jehovah's komende oordelen over zijn
eigen volk.
Jehovah beschrijft onze huidige betreurenswaardige situatie in
Jesaja 28:20: "Want het rustbed is te kort gebleken om
er zich op uit te strekken, en zelfs het geweven laken is te smal
wanneer men zich erin wikkelt." Omdat we geen leerstellige
basis hebben om vooruit te kijken naar Jehovah's komende oordelen,
is het alsof we trachten onze rust te nemen op een bank die net
te kort is om onszelf uit te strekken, en alsof we ons proberen
in te pakken met een laken dat te klein is om ons volledig te
bedekken. Als gevolg hiervan hebben we er zelf voor gezorgd dat
we Gods reprimande nog meer waardig zijn.
Wat Jehovah's Getuigen uit het oog hebben verloren, is het feit
dat God zijn volk tuchtigt. De Hebreeuwse Christenen in Paulus'
dagen vergaten evenzo hoe God zijn kinderen behandelt, en daarom
achtte de apostel het nodig hen hieraan te herinneren: "maar
gij hebt de vermaning die tot u als zonen wordt gericht, helemaal
vergeten" Paulus schrijft verder aan hen, en ons: "Mijn
zoon, acht het strenge onderricht dat van Jehovah komt, niet gering
en bezwijk niet wanneer gij door hem wordt gecorrigeerd; want
die Jehovah liefheeft, wordt door hem streng onderricht, ja, hij
geselt een ieder die hij als zoon aanneemt."
Het Wachttorengenootschap zal bijvoorbeeld nooit de profetieën
in het 28ste en 29ste hoofdstuk van Jesaja op Jehovah's Getuigen
toepassen, en toch zijn er genoeg redenen om dit in alle nederigheid
wel te doen. Beschouw eens de niet echt vleiende beschrijving
van Efraïm in de eerste verzen van het 28ste hoofdstuk van
Jesaja: "Wee de eminente kroon van de dronkaards van Efraïm,
en de verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad, dat rust
op het hoofd van het vruchtbare dal van hen die door de wijn zijn
overmand!"
Zoals gewoonlijk denken we ons in dat dit een beschrijving is
van de Christenheid, maar is dat zo? Als de bovenstaande verzen
van toepassing zijn op de afvallige sekten van de Christenheid,
moeten we dan concluderen dat de Christenheid eens voor God stond
als een prachtige decoratie van bloemen, welke nu verwelkt is
en zijn schoonheid heeft verloren? Dat lijkt niet redelijk te
zijn. Maar het geestelijke Israël had wel een glorieus begin
in de 1ste eeuw, net als het letterlijke Israël toen ze in
het mooie Beloofde Land kwamen. De vraag is echter wat de toestand
van Jehovah's geestelijke natie zal zijn wanneer God zijn inspectie
zal doen aan het einde van het Christelijke tijdperk? Wel, het
lijkt erop dat Jesaja dat beschrijft.
In veel opzichten past de beschrijving van een eens mooie "verwelkende
bloesem van zijn luisterrijke sieraad" bij het Wachttorengenootschap.
Wij, die eens zonder vrees Jehovah's komende oordelen over Satans
wereld aankondigden, moeten nu omgaan met de beschamende realiteit
dat het samenstel niet plotseling is geëindigd zoals we dat
uitdroegen. Tot onze schaamte wordt het moedige standpunt dat
Jehovah's Getuigen een halve eeuw geleden innamen tegen de Nazi-overheersing
nu overschaduwd door de ongepaste NGO-verbintenis van de Wachttoren
met de Verenigde Naties. Wij, die de Christenheid berispt hebben
voor hun afnemende aantallen, moeten toegeven dat veel kerken
een herstel meemaken. In plaats dat Babylons religieuze wateren
opdrogen, zijn wij het juist die te maken hebben met een laag
bezoekersaantal op vergaderingen en een publiek dat niet meer
reageert op onze niet-meer-zo-urgente koninkrijksboodschap. Terwijl
Jehovah's Getuigen zich vroeger verkneukelden over de afvallige
conditie van de Christenheid, moeten we in recente jaren toegeven
dat ons eigen huis niet op orde is. Nog niet zo lang geleden pochte
we erover dat scheiding niet voorkwam onder Jehovah's Getuigen,
en nu is de trieste waarheid dat een groot percentage van onze
huwelijken stranden. We noemen onszelf zelfs zeer onbescheiden
"Jehovah's reine volk," ondanks het welbekende
feit dat er elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen terechtgewezen
worden als zijnde immorele overspelers, terwijl ontelbare anderen
een dubbelleven leiden. Terwijl we vroeger onze afkeuring uitspraken
over de Katholieke Kerk voor het overplaatsen van pedofiele priesters
van parochie naar parochie, moet de Wachttoren nu omgaan met de
pr-nachtmerrie van beschuldigingen door veel voormalige leden
voor het onder het tapijt schuiven van kindermisbruik in de gemeenten.
Geen wonder dat God zichzelf als volgt uitlaat tegen de niet-nederige
leiders van zijn geestelijke natie: "Daarom, hoort het
woord van Jehovah, gij snoevers, gij heersers van dit volk dat
in Jeruzalem is" (Jesaja 28:14)
Jehovah's afbeelding van zijn eigen volk als geestelijke dronkaards
is nauwkeurig. En het feit dat we geestelijk dronken zijn, weerhoudt
ons ervan Gods oordelen op onszelf te begrijpen. Dat komt omdat
een beschonken persoon niet erg goed kan denken. Veelal weet een
beschonken persoon niet hoe dronken hij eigenlijk is, ondanks
dat het voor buitenstaanders wel duidelijk is. Op een zelfde manier
is het voor ons niet mogelijk onze geestelijke conditie in Jehovah's
ogen nuchter te overdenken. Vanuit Gods standpunt bezien is zijn
volk onbekwaam doordat we denken dat we Gods Woord begrijpen,
terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. De Wachttoren is bedwelmd
met de macht van God zodat we zijn oordelen op iedereen, behalve
onszelf, van toepassing brengen. Daarom zegt God: "Talmt
en weest verbaasd; verblindt u en weest verblind. Zij zijn bedwelmd
geraakt, maar niet van wijn; zij hebben zich onvast voortbewogen,
maar niet vanwege bedwelmende drank." (Jesaja 29:9)
Omdat we gewend zijn geraakt aan het idee dat de Christenheid
de geestelijke dronkaard uit de profetie is, zullen Jehovah's
Getuigen zich opwinden over de suggestie dat wij het feitelijk
zijn die door God blinde, geestelijke dronkaards worden genoemd.
Maar redeneren over de volgende vraag die Jehovah stelt, zou ons
moeten helpen de zaken uit Gods perspectief te bezien: "Hoort,
gij doven; en kijkt toe om te zien, gij blinden. Wie is blind,
zo niet mijn knecht, en wie is doof als mijn bode die ik zend?
Wie is blind als de beloonde, of blind als de knecht van Jehovah?"
(Jesaja 42:18, 19)
Degenen naar wie Jehovah verwijst als zijn knechten en degenen
die door hem worden beloond, zijn degenen die God beschrijft als
doof en blind. Als we daarom beweren een organisatie te zijn die
Jehovah dient, en als we in het verleden gezegend en beloond zijn
door hem, dan zijn wij het die worden beschreven als doof en blind.
Ja, de context van het 42ste hoofdstuk van Jesaja heeft te maken
met Jehovah die zijn volk terugkoopt, degenen die hij zijn getuigen
noemt, vanuit de beklagenswaardige positie die over ons komt door
het op handen zijnde onheil. Het feit dat we doof, blind en bedweld
zijn, weerhoudt ons ervan dat we de nabije toekomst niet kunnen
onderscheiden, een toekomst waarvan we beweren dat we er volkomen
bekend mee zijn.
Nu zijn we wellicht in een betere positie geraakt om te kunnen
onderscheiden waar Jehovah naar verwijst in het 28ste hoofdstuk,
waar hij zegt: "Op die dag zal Jehovah der legerscharen
worden als een sierkroon en als een luisterrijke krans voor degenen
die overblijven van zijn volk, en als een geest der gerechtigheid
voor degene die ten gericht gezeten is, en als kracht voor hen
die de strijd afwenden van de poort."
Voor wie zal Jehovah een sierkroon en luisterrijke krans worden?
Hij noemt hen "degenen die overblijven van zijn volk."
Maar, hoe kan dat? Als Efraïm de Christenheid vertegenwoordigt,
wie zijn dan het overblijfsel van zijn volk die nadien door Jehovah
worden verhoogd? Degenen die in de profetie worden beschreven
als "degenen die overblijven van zijn volk,"
zijn degenen aan wie Jehovah redding verschaft wanneer hij zijn
geestelijke natie oordeelt. De verwelkende bloem van Efraïm
die vertreden wordt, die doorgeslikt wordt als een rijpe vijg,
kan enkel het hedendaagse Wachttorengenootschap zijn. (Zie het
essay getiteld: Was 1914 het
Einde van de Tijden der Heidenen?)
In onze aankondiging van dit oordeel tegen de Christenheid, hebben
we onbewust onszelf veroordeeld. Geen wonder dat God het volgende
zegt over de getrouwen: "En ook dezen - vanwege wijn hebben
zij gedwaald en vanwege bedwelmende drank hebben zij gedoold.
Priester en profeet - zij hebben gedwaald vanwege bedwelmende
drank, zij zijn verward geworden ten gevolge van de wijn, zij
hebben gedoold ten gevolge van de bedwelmende drank; zij hebben
gedwaald in hun zien, zij hebben gewaggeld met betrekking tot
de beslissing. Want de tafels zelf zijn allemaal vol vies uitbraaksel
geworden - er is geen plaats die schoon is." (Jesaja
28:7)
De profeten en priesters "hebben gedwaald" doordat
ze de betekenis van de in de Bijbel opgetekende profetieën
niet nauwkeurig begrijpen. Onze eigen getrouwe slaaf heeft, zonder
het te weten, borden met weerzinwekkend braaksel op Jehovah's
geestelijke tafel gezet, terwijl ze erover pochen dat ze Gods
volk niets anders dan het fijnste geestelijke voedsel voorzetten.
Ter bewijs dat dit zo is, beschouw eens de bekende profetie in
het 3de hoofdstuk van Zefanja waar de profeet voorzegt dat God
zijn "volken tot een zuivere taal zal doen overgaan."
De Wachttoren heeft ons geleerd dat we nu een zuivere taal
spreken van geestelijke waarheid. Merk de context van Zefanja
echter eens op, waar staat wanneer God zo'n verandering naar een
zuivere taal zal doorvoeren. Zefanja 3:8 zegt: "'Daarom,
blijft mij verwachten,' is de uitspraak van Jehovah, 'tot de dag
dat ik opsta tot de buit, want mijn rechterlijke beslissing is,
natiën te vergaderen, dat ik koninkrijken bijeenbreng, ten
einde mijn openlijke veroordeling erover uit te storten, heel
mijn brandende toorn; want door het vuur van mijn ijver zal heel
de aarde verslonden worden.'" Het volgende vers zegt:
"Want dan zal ik volken tot een zuivere taal doen
overgaan."
Wanneer is "dan"? De verandering doet zich voor
wanneer Jehovah zijn veroordeling uitstort. Hoe kunnen we dan
nu claimen een verheven, zuivere taal van onvervalste waarheid
te spreken, terwijl de profetie duidelijk zegt dat de verandering
pas zal zijn in de tijd van het uitgieten van Gods veroordeling?
Dat is slechts één voorbeeld van onze bedwelming,
hoe onze priesterlijke leraren en onze profeten de betekenis van
de profetieën niet begrijpen; hoe onze leiders verward zijn
geraakt en braaksel hebben opgediend onder de noemer van heilzaam
geestelijk voedsel. Net als Jesaja, waar Jehovah de leiders van
zijn volk "snoevers" noemt, onthult ook de profetie
van Zefanja dat een deel van het probleem dat Jehovah binnenkort
moet oplossen, is dat sommigen van degenen in verantwoordelijke
posities klaarblijkelijk dronken van macht en arrogantie zijn.
Daarom zegt Jehovah in het 11de vers: "want dan zal ik
uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen; en gij
zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg."
Einde van deel één, wordt vervolgd in het essay
getiteld: We Hebben een Verbond Gesloten
met de Dood
|