|
Als u terug in de tijd zou kunnen reizen, zoals het thema van
veel populaire boeken en films is, en u zou op een onbekende plaats
terecht komen, kan het in eerste instantie moeilijk zijn te ontdekken
waar u zich precies bevindt. Laten we bijvoorbeeld eens zeggen
dat u 4000 jaar terug in de tijd zou reizen naar een plaats dat
het Land van Kanaän wordt genoemd. U zou waarschijnlijk diep
onder de indruk zijn van de wonderschone natuur van het land;
een land dat door God zelf beschreven werd als vloeiende van melk
en honing. 'Schoonheid zo ver als het oog reikt en een vruchtbaar
en bloeiend gebied vergelijkbaar met de Tuin van God,' zou één
omschrijving kunnen zijn. Gelegen in het weelderige, groene dal
van weiden, olijftuinen, boomgaarden en wijngaarden die uitpuilen
van het fruit, is een grappig klein stadje. Al mijmerend denkt
u: 'Dit moet het paradijs zijn.' Op het moment dat u het stadje
binnengaat, op zoek naar onderdak, wordt u plotseling omringd
door een bende van lastige en verdorven mannen! Tot uw ontzetting
realiseert u zich dat u net de stad Sodom bent binnengewandeld!
Dat illustreert in zekere mate de toestand waarin Jehovah's Getuigen
zich nu bevinden. We zijn in zekere zin tijdreizigers, doordat
we door middel van de Bijbel terug zijn gegaan in de tijd om te
bepalen waar we ons heden ten dage bevinden in relatie tot lang
geleden opgetekende profetieën. Leven we heden ten dage in
het geestelijk paradijs dat door de profeet Jesaja werd beschreven,
of zijn we wellicht evenzo gedesoriënteerd als gevolg van
de ontwapende schoonheid van wat in feite de landstreek van Sodom
en Gomorra blijkt te zijn?
Eeuwen nadat de Israëlieten zich gevestigd hadden in het
Land van Kanaän, sprak Jehovah door middel van zijn profeten
Ezechiël en Jesaja en vergeleek de geestelijk verdorven toestand
van zijn natie met de verdorven steden Sodom en Gomorra. In het
eerste hoofdstuk van Jesaja richt Jehovah zich tot de Joden en
hun leiders, wanneer hij zegt: "Hoort het woord van Jehovah,
gij dictators van Sodom. Leent het oor aan de wet van onze
God, gij volk van Gomorra."
Ondanks deze onaangename en weinig complimenteuze beschrijving,
eerde Jehovah zijn volk door bereidwillig met hen te redeneren.
Het 18de vers zegt verder: "Komt nu, en laten wij de zaken
rechtzetten tussen ons", zegt Jehovah. "Al zouden uw
zonden als scharlaken blijken te zijn, ze zullen zo wit worden
gemaakt als sneeuw; al zouden ze rood zijn als karmozijnen stof,
ze zullen zelfs als wol worden."
Jehovah's oplossing voor de kwaal die zijn volk parten speelde,
was de Babyloniërs toe te staan het mooie land compleet van
de Joden weg te nemen en vervolgens een gelouterd en gereinigd
overblijfsel toestemming te geven het opnieuw te bewonen. Terwijl
Jehovah's correctie voor zijn vroegere, eigenzinnige volk ongetwijfeld
traumatisch en erg pijnlijk moet zijn geweest, was het eindresultaat
het allemaal waard. Gods onvergankelijke liefde voor zijn volk
bracht hem ertoe drastische maatregelen te nemen teneinde hen
te genezen van hun walgelijke geestelijke ziekte.
Eén van de meest vertroostende en schitterende profetieën
uit de Bijbel staat opgetekend in het 35ste hoofdstuk van Jesaja,
waar God aan zijn volk belooft dat ze terug zullen keren naar
hun thuisland. Jehovah voorzegt in Jesaja 35:8, 9 dat hij een
weg zal maken voor zijn volk zodat ze hun Babylonische gevangennemers
konden ontvluchten. "En daar zal stellig een hoofdweg
komen, ja, een weg, en de Weg der Heiligheid zal die worden genoemd.
De onreine zal er niet langs trekken. En hij zal zijn voor degene
die op de weg wandelt, en geen dwazen zullen erop ronddolen. Geen
leeuw zal daar blijken te zijn, en het roofdierachtige wild gedierte
zal er niet op komen. Niet één zal er aangetroffen
worden; en de teruggekochten moeten daarop wandelen."
Het is nogal een contrast wat Jehovah zo levendig via deze profetie
beschrijft. Aan het begin van Jesaja wordt Gods volk vergeleken
met Sodom en Gomorra en later opent Jehovah voor hen een speciale
hoofdweg, de Weg der Heiligheid genaamd, en worden de reizigers
op die weg de teruggekochten van Jehovah genoemd die zich voor
altijd verheugen.
De Wachttoren past deze profetie als volgt toe op het geestelijke
Sion: Jehovah's hedendaagse volk werd in 1919 uit ballingschap
van Babylon de Grote bevrijd en zette toen voet op de voorzegde
Weg der Heiligheid welke tot het geestelijk paradijs leidt. We
geloven dat deze hoofdweg kort na de moeilijke gebeurtenissen
van de Eerste Wereldoorlog werd geopend, toen enkele functionarissen
van de Wachttoren uit de federale gevangenis werden vrijgelaten
en het werk van de Bijbelstudenten met hernieuwde kracht werd
voortgezet.
Maar, komt de huidige realiteit werkelijk overeen met de profetische
beschrijving die Jehovah van het geestelijk paradijs gaf? In Handelingen
17:10 worden de Bereeërs geprezen, niet alleen omdat ze het
woord bereidwillig aannamen, maar ook omdat ze dagelijks zorgvuldig
de Schriften onderzochten zodat ze konden achterhalen of dat wat
ze hoorden werkelijk de waarheid was. Moeten wij ook niet hetzelfde
doen?
Merk ten eerste op dat de profetie geestelijk is en niet letterlijk,
wat wordt bewezen door het feit dat Jehovah eerst blinde ogen
moet openen en dove oren moet ontsluiten voordat de Joden de "hoofdweg"
kunnen nemen. Dat betekent dat God ervoor zal zorgen dat zijn
volk essentiële waarheden zal horen en zien, waarvoor ze
voordien blind en doof waren geweest. Is het mogelijk dat wij
blind en doof zijn voor bepaalde aspecten van Gods Woord?
Wel, beschouw eens de volgende zin uit de profetie: "De
onreine zal er niet langs trekken." En beschouw vervolgens
eens de realiteit van onze huidige situatie waarin elk jaar tienduizenden
Jehovah's Getuigen worden uitgesloten uit de Christelijke gemeente
voor diverse vormen van morele onreinheid. Maar Gods woord zegt
ons dat zulke personen niet op die weg zullen reizen, zodat het
uitsluiten van die personen niet eens nodig zou moeten zijn -
dat wil zeggen, als we ons werkelijk op de voorzegde Weg
der Heiligheid bevinden.
Of wat te denken van het feit dat het 9de vers zegt dat er daar
niet één van het roofdierachtig wild gedierte
aangetroffen zal worden? Het 11de hoofdstuk van Jesaja voorzegt
dat mannen die een geestelijk en moreel gevaar vormen voor hun
broeders, alsof ze roofzuchtige dieren zijn, een radicale verandering
van karakter zullen ondergaan zodat ze onschadelijk worden. Dus
zijn we dan aanmatigend wanneer we Gods Woord als van buitengewone
waarde achten? Wanneer Gods belofte zegt dat er niet één
roofzuchtig, beestachtig, onrein of dwaas persoon op zijn heilige
hoofdweg gevonden zal worden, moeten we aannemen wat daar staat;
namelijk dat zulke mensen zich niet onder heel Gods heilige volk
zullen bevinden. Toch is onze realiteit helaas nogal anders dan
de idyllische omstandigheden die ons door de profetie worden voorgespiegeld.
Dus eerlijk en recht door zee: Wanneer we in een geestelijk paradijs
leven, zullen er zich dan beestachtige sexuele roofdieren binnen
onze gemeenten bevinden die onze jonge mannen en vrouwen, ja,
zelfs kinderen, zullen besluipen? Zullen er zich dan trouweloze
afvalligen onder ons bevinden die op de loer liggen om hun struikelblokken
op onze weg te leggen? Zou zelfs één geval van kindermisbruik
of overspel niet aanduiden dat we ons niet op een Weg der Heiligheid
bevinden? Het is toch zeker niet te veel verwacht dat onze christelijke
broeders in dat opzicht te vertrouwen zijn? Kunnen we in het toekomstige
letterlijke paradijs na de oorlog van Armageddon, wanneer de zachtmoedigen
de aarde beërven, verwachten dat zich zo nu en dan zaken
van kindermisbruik en bedrieging door menselijke roofdieren zullen
voordoen? Zo niet, waarom beelden we ons dan in dat dat op Gods
Weg der Heiligheid anders zal zijn?
Om dit te beredeneren, moeten we onszelf enkele belangrijke vragen
stellen, zoals: Wat bedoelen we eigenlijk met geestelijk paradijs?
Heeft er ooit een zogenoemd geestelijk paradijs op aarde
bestaan?
"Hij
Werd Weggerukt Tot In
Het Paradijs en Hoorde
Onuitsprekelijke Woorden"
In het bovenstaande vers sprak Paulus in de derde persoon over
een bovennatuurlijk visioen dat hij had gekregen. Klaarblijkelijk
had hij het voorrecht een glimp op te vangen van het geestelijk
paradijs dat Jehovah eerder door middel van Jesaja had beschreven.
Bestond er onder deze met geest gezalfde Christenen in de eerste
eeuw zo'n geestelijk paradijs? Nee, anders had Paulus geen visioen
van een paradijs hoeven krijgen. En het wordt ook bewezen doordat
de eerste eeuwse Christenen net als wij te maken hadden met allerlei
morele en geestelijke problemen. Ze hadden problemen met seksuele
immoraliteit, sektevorming en afvalligheid; er was verdeeldheid
en twist over wat de juiste leerstelling was, enzovoort. Sommige
gemeenten hadden te maken met kleingeestige jalouzie, haat en
geroddel. Er waren verraderlijke, beestachtige mannen die aasten
op de onschuldigen en kwetsbaren. Paulus sprak over het geestelijke
gevaar van valse broeders waar hij mee te maken had en over de
satanische charlatans in Korinthe die hij sarcastisch de superfijne
apostelen noemde. Dit kunnen we niet bepaald de omstandigheden
van een geestelijk paradijs noemen.
Ondanks dat die vroegere gemeenten als lichtdragers in een verduisterde
wereld fungeerden, omdat zij de waarheid bezaten, worden zij nergens
beschreven alsof ze zich in een geestelijk paradijs bevonden.
Dus, enkel het kennen van essentiële waarheden en
ernaar leven, maakt nog geen geestelijk paradijs. Het hebben van
organisatorische eenheid en regelmaat maakt ook nog geen geestelijk
paradijs. Wat een geestelijk paradijs kenmerkt, is de absolute
afwezigheid van welk verderfelijke invloed of struikelblok
maar ook. Zulke omstandigheden waren er niet binnen de eerste
eeuwse gemeente, en ze bestaan heden ten dage ook niet.
De enige periode dat er een geestelijk paradijs op aarde bestond,
was die korte tijd in het Hof van Eden, voordat de Duivel de mensheid
tot opstand misleidde. Sindsdien heeft zo'n paradijs niet bestaan.
Volgens Jehovah's grootse belofte zal er echter zelfs te midden
van de huidige ontaarde wereld opnieuw een geestelijk paradijs
tot bestaan komen. Het zal niet ontstaan door enkel menselijke
inspanningen om Christus te volgen, maar door Gods kracht en onweerstaanbare
oordeel. Jezus gaf in het 13de hoofdstuk van Mattheüs enkele
illustraties die uitleggen hoe een geestelijk paradijs tot stand
zal komen. Hij zei uitdrukkelijk dat hij tijdens het besluit van
het samenstel van dingen zijn machtige engelen zou uitzenden die
"alle dingen die aanleiding tot struikelen geven en degenen
die wetteloosheid bedrijven, uit zijn koninkrijk [zullen] verzamelen."
Merk alstublieft op dat Christus' oordeel definitief en absoluut
is. Er wordt gezegd dat alle dingen die aanleiding tot
struikelen geven en alle personen die wetteloosheid bedrijven
zullen worden verwijderd.
Daar er op dit moment ontegenzeggelijk struikelblokken en personen
die wetteloosheid bedrijven in ons midden zijn, is het duidelijk
dat Jezus zijn engelen nog niet heeft uitgezonden om dat onderdeel
van Jehovah's voornemen uit te voeren. Dat betekent ook dat we
ons nog niet in de oogsttijd bevinden, of zoals Jezus het noemde:
het besluit van het samenstel van dingen. Maar dat is een geheel
ander onderwerp.
In de profetie van Maleachi wordt van de boodschapper van het
verbond gezegd dat hij zal komen om Gods volk te oordelen en te
louteren. Maleachi 3:2 zegt: "Doch wie zal de dag van
zijn komst verdragen, en wie zal standhouden wanneer hij verschijnt?
Want hij zal zijn als het vuur van een louteraar en als het loog
van de wassers."
We moeten ons niet inbeelden dat Jezus Christus zijn volk al
gelouterd en gereinigd heeft. Christus' eigen woorden in Lukas
21:35, 36 maken dat duidelijk, waar hij spak over de tijd van
verdrukking die "over allen die op de gehele aardoppervlakte
wonen" zal komen en waar hij waarschuwingen en instructies
gaf zodat we kunnen blijven "staan voor het aangezicht
van de Zoon des mensen." Daar deze verdrukking nog niet
over geheel de aarde is gekomen, zoals Jezus voorzei, zal ook
ons staan voor de Zoon des mensen in de toekomst plaatsvinden.
Daarom is Maleachi's vraag nog steeds van kracht: "Wie
zal standhouden wanneer hij verschijnt?"
Dat betekent dat Christus zijn gemeente nog van de goddeloze
moet ontdoen en de overgeblevenen nog moet louteren en reinigen.
Maleachi 3:5 zegt: "En ik wil tot ulieden naderen voor
het oordeel, en ik wil een snelle getuige worden tegen de tovenaars,
en tegen de overspelers, en tegen degenen die vals zweren, en
tegen degenen die bedrieglijk handelen met het loon van een loonarbeider,
met de weduwe en met de vaderloze jongen, en degenen die de inwonende
vreemdeling afwijzen, terwijl zij mij niet hebben gevreesd",
heeft Jehovah der legerscharen gezegd."
We moeten nederig en eerlijk de waarheid aanvaarden. De waarheid
is dat we als Jehovah's Getuigen niet in een geestelijk paradijs
leven, ondanks alle schitterende geestelijke zegeningen die we
genieten. We moeten toegeven dat we onder al dezelfde geestelijke
kwalen lijden als waarmee elke andere religie van de Christenheid
te kampen heeft. Waarom zou het anders nodig zijn voor Christus
ons van zulke praktijken te reinigen, zoals Maleachi voorzegd
heeft? Eens zullen we gedwongen worden te erkennen dat Jehovah's
woorden aan de "dictators van Sodom en gij volk
van Gomorra" in werkelijkheid woorden zijn die tegen
ons gesproken worden. Pas nadat we luisteren naar Gods
vernietigende berisping en die ook accepteren, zal hij het geestelijk
paradijs van onuitspreekbare schoonheid en vrede, zoals het door
de profeten is voorgesteld, voor ons openen.
Maar, hoe zal God tot ons spreken zodat we het begrijpen? En
ook, daar de beloofde Weg der Heiligheid pas geopend wordt nadat
Jehovah zijn gelouterden uit ballingschap heeft bevrijd en daar
het duidelijk moet zijn dat we ons nu niet kunnen verheugen in
zo'n geestelijk paradijs, kunnen we dan verwachten dat we in een
soort van ballingschap zullen gaan in de toekomst? Deze vragen
zullen in komende essays worden beantwoord.
|