Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

18 September 2002

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Essay
Download Essay *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

Het is zelfs voor godvrezende mensen nooit gemakkelijk geweest geloof te stellen in een God die ze niet kunnen zien. Het is veel gemakkelijker naar mensen te kijken dan naar God. En keer op keer vielen de Joden voor de strik van afgoderij, door te denken dat ze een zichtbare vertegenwoordiging van God konden aanbidden. Het was niet zo dat God volledig buiten werd gesloten, maar dat hij verkeerd werd vertegenwoordigd. Toen Aäron een gouden kalf vormde, introduceerde hij dit aan de Hebreeën, die toen uitriepen: "Dit is uw God, o Israël, die u uit het land Egypte heeft opgevoerd."

De neiging van alle religieuze mensen is toe te staan dat hun aanbidding degenereert tot aanbidding van de religie zelf in plaats van aanbidding van God door middel van religie. We zien dat dit patroon zich keer op keer herhaalt. De Joden in de tijd van Jeremia hadden bijvoorbeeld zo veel ontzag voor Salomo's grootse tempel, dat ze simpelweg niet konden geloven dat Jehovah ooit toe zou kunnen staan dat zo'n gebouw verwoest zou worden. Dit is klaarblijkelijk de reden waarom God Jeremia beval in de poort te gaan staan en het volgende tegen hen te zeggen: "Stelt uw vertrouwen niet in bedrieglijke woorden, doordat gij zegt: 'De tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah, de tempel van Jehovah zijn zij!'" (Jeremia 7:4)

De Joodse apostelen waren klaarblijkelijk even verzot op de herbouwde tempel in Jeruzalem en waren geschokt toen Jezus hen vertelde dat "er geen steen op de andere gelaten zou worden." Zelfs jaren later in het Christelijke tijdperk voelde Paulus de noodzaak de Hebreeuwse Christenen, waarvan velen vochten tegen de neiging terug te keren naar het eerdere Judaïsme, aan het volgende te herinneren: "Wij hebben hier geen blijvende stad."

Het patroon van het gericht zijn op het fysieke, aardse, materiële aspect van de aanbidding van Jehovah, heeft zich heden ten dage vastgeworteld onder Jehovah's Getuigen. Het valt niet te ontkennen dat de Wachttoren het centrum van de organisatie is. Vele video's, tijdschriften, brochures en boeken zijn gepubliceerd, waarin keer op keer wordt benadrukt dat het Wachttorengenootschap Gods "zichtbare organisatie" is. Elk jaar ontvangen we een jaarboek waarin wordt geschreven over de bouw van nieuwe bijkantoren, kringhallen en andere indrukwekkende faciliteiten verbonden aan "Jehovahs's zichtbare organisatie."

Jehovah's Getuigen zijn zozeer gaan geloven in de blijvendheid van het Wachttoren instituut, dat velen aannemen dat de fysieke infrastructuur van het Genootschap zelfs na de grote oorlog van Armageddon zal blijven bestaan. Onze aangestelde profeten hebben Jesaja's verwijzing naar de "binnenkamers" zelfs toegepast op onze vele koninkrijkszalen, alsof dit de plaatsen van toevlucht zullen zijn in de komende holocaust. De geïnspireerde Psalmist voorzegt echter dat onze koninkrijkszalen wellicht iets heel anders staat te wachten. Psalm 74:8 laat zien wat onze vijanden zullen zeggen: "Alle samenkomstplaatsen van God moeten in het land worden verbrand."

Geen wonder dat de Schriften verwijzen naar de "de schuilplaats van de Allerhoogste" als zijnde de enige plaats van veiligheid wanneer God dit samenstel zal oordelen. Koninkrijkszalen kunnen zeker niet beschreven worden als een schuilplaats! Het is in die zin een schuilplaats dat enkel degenen met waar geloof als het ware zullen worden binnengelaten, wanneer de tijd is gekomen dat Jehovah deze wereld op haar grondvesten zal doen schudden.

Om een voorbeeld te geven van hoe ons geloof in God subtiel vervangen is door geloof in mensen, beschouw eens de simpele vraag die werd gesteld in De Wachttoren van 1 augustus 2002. De laatste vraag van het 1ste studie-artikel luidde: "Hoe heeft een overzicht van het verslag van Korach uw geloof in Jehovah's zichtbare organisatie versterkt?"

In tegenstelling tot wat de apostel Paulus leerde, is ons laten geloven dat we hier op aarde wel degelijk een blijvende stad hebben. Maar, de ontnuchterende vraag die we onszelf moeten stellen is: Als ons geloof gesteld is in de personen die naar wij aannemen Jehovah's zichtbare organisatie vertegenwoordigen, wat zal er dan gebeuren met ons geloof wanneer Gods zichtbare organisatie afdwaalt, zoals dat is gebeurd en ook zal gebeuren? En nog beangstigender: Waar zal ons geloof zijn wanneer Gods zogenaamde zichtbare organisatie vertreden zal worden zoals de profeten dat voorzegd hebben?

Dat brengt ons wederom bij het 28ste hoofdstuk van Jesaja, waar Jehovah de volgende woorden spreekt: "Wij hebben een verbond gesloten met de Dood, en met Sjeool hebben wij een visioen tot stand gebracht; de overstromende stortvloed, ingeval die doortrekt, zal ons niet bereiken, want wij hebben leugen tot onze toevlucht gemaakt en in bedrog hebben wij ons verborgen"

Is dit oordeel van God gericht tot de Christenheid? Klaarblijkelijk niet, daar in vers 12 wordt gesproken over Gods wil voor zijn zogenoemde zichtbare organisatie: ""Dit is de rustplaats. Geeft de vermoeide rust. En dit is de plaats van verademing", maar die niet wilden horen." Zijn we bereid te geloven dat God de Christenheid beschreef als een plaats van geestelijke toevlucht voor de vermoeiden? Zo niet, dan moeten we onder ogen zien dat God de gemeente niet aan zijn maatstaven vindt voldoen. Klaarblijkelijk zijn de gemeenten in Jehovah's ogen plaatsen van verdrukking geworden, in plaats van plaatsen van ware geestelijke opbouwing.

In plaats dat we geloof stellen in de indrukwekkende, materiële infrastructuur van het Wachttorengenootschap of zelfs in het leiderschap van de getrouwe slaaf, zouden we in werkelijkheid niet alleen in Christus Jezus moeten geloven? Is Christus niet het absolute onwrikbare fundament van Jehovah's onzichtbare organisatie? Geloof stellen in de organisatie, in plaats van de Organisator, is de waarheid uit het oog verliezen. Een vraag die Paulus heden ten dage aan Jehovah's Getuigen zou kunnen stellen is: Wandelen we werkelijk in geloof in plaats van waarneming?

We hebben onze toevlucht genomen tot een leugen en verstoppen onszelf achter onwaarheid, wanneer we denken dat onze redding komt door enkel onze omgang met het Wachttoren, Bijbel en Traktaatgenootschap. Ongetwijfeld hebben we een idee gevormd van de toekomst welke elke disciplinaire actie door God tegen zijn eigen organisatie uitsluit. De leerstellige basis die de oorzaak is van het toevlucht nemen tot een leugen, is de mythe dat Gods koninkrijk is begonnen te regeren in 1914; dat sindsdien het koninkrijk werkt door middel van de Wachttoren. Op een andere plaats spreekt de apostel over God die een mate van dwaling toestaat onder zijn volk, zodat degene die feitelijk geen liefde voor de waarheid heeft, geoordeeld kan worden. De waarheid is dat Jehovah's glorierijke Messias niet in 1914 het koninkrijk der wereld gegeven is. Dat is zo'n mate van dwaling waarmee we binnenkort sterk geconfronteerd zullen worden, wanneer Christus Jezus uiteindelijk arriveert in zijn koninkrijk om de aanzet te geven tot het oordeel over Jehovah's huis.

Daar spreekt Jehovah over in Jesaja 28:16 waar hij zegt: "Daarom heeft de Soevereine Heer Jehovah dit gezegd: "Ziet, ik leg als fundament in Sion een steen, een beproefde steen, de kostbare hoek van een vast fundament. Niemand die geloof oefent, zal in paniek geraken.""

Als Jehovah's koninkrijk tientallen jaren geleden is begonnen te regeren, waarom voorzegt Jesaja dan dat God zijn messiaanse hoeksteen zal leggen gedurende de tijd van oordeel? En ook het feit dat degenen die geloof oefenen "niet in paniek zullen raken," geeft aan dat het een tijd voor paniek is, maar dat degenen met geloof in Christus niet bezwijken onder de vloed van tirannie en onderdrukking die in die tijd zal worden losgelaten. Bedenk dat Satan en zijn demonen naar alle waarschijnlijkheid nog niet naar beneden geslingerd zijn. Daar dit klaarblijkelijk het geval is, verklaart het zeker waarom Gods tijd van oordeel een periode van paniek op gang zal brengen, wanneer mensen zwak van angst zullen worden, wanneer ze te maken krijgen met een woedend leger van demonen.

Jehovah's wegvagen van leugens en het verbreken van ons verbond met de dood is verbonden aan het feit dat Gods aardse plaats van aanbidding een plaats van vertreding zal worden. Jesaja 28:18 zegt hierover: "En uw verbond met de Dood zal stellig ontbonden worden, en dat visioen van u met Sjeool zal geen stand houden. De overstromende stortvloed, wanneer die doortrekt - dan moet gij er een plaats van vertreding voor worden." Dit oordeel is in harmonie met het feit dat Jesaja en de profeten, inclusief Jezus, hebben voorzegd dat Gods heilige plaats vertreden zal worden door de natiën als inleiding tot Armageddon.

De 118de Psalm is bruikbaar in verband met Jesaja, omdat het verifiëerd dat Christus niet geïnstalleerd wordt als koning tot gedurende de tijd van verdrukking. Psalm 118:18 voorzegt de straf die God binnenkort zal toedienen. Het vers luidt: "Jah heeft mij streng gecorrigeerd, Maar aan de dood heeft hij mij niet overgegeven. Opent voor mij de poorten der rechtvaardigheid. Ik zal erdoor binnengaan; ik zal Jah prijzen." In verband met Gods strenge terechtwijzing van zijn volk, zegt vers 22, 23: "De steen die de bouwlieden hebben verworpen, Is het hoofd van de hoek geworden. Vanwege Jehovah is dit geschied; Het is wonderbaar in onze ogen."

De hedendaagse "bouwers" kunnen niemand anders dan het Wachttorengenootschap zijn. Maar, waar zullen we zijn wanneer Jehovah ervoor zorgt dat het werk van de bouwers vertreden zal worden? Wat een strenge tuchtiging gaat Jah zijn eigen "bouwlieden" toedienen! Degenen met waar geloof in God zullen de correctie accepteren en zullen de grotere geestelijke realiteit die Jehovah dan zal onthullen, erkennen. Klaarblijkelijk zal de Wachttoren dan zijn doel hebben gediend en Jehovah zal het opzij schuiven. Degenen die enkel geloof hadden in de Wachttoren zullen Christus, als zijnde de ware hoeksteen, uiteindelijk verwerpen en zullen zodoende hun redding verliezen, redding waarvan ze hoopten die te kunnen verdienen door middel van Gods zichtbare organisatie.

Psalm 118:25-27 lijkt symbolisch te zijn voor de activiteiten van de grote schare uit Openbaring, wanneer Jehovah hen samenbrengt voor redding tijdens de verdrukking. Met betrekking tot de palmtakken waarmee zij voor hun Redder zwaaien, zegt vers 27: "Jehovah is de Goddelijke, En hij geeft ons licht. Bindt de feestoptocht met grote takken, Tot aan de hoornen van het altaar."

Wat ook opgemerkt moet worden, is dat Jehovah beschreven wordt als licht gevend in die tijd. In overeenstemming hiermee, voorzegt Jesaja 30:26 dat Jehovah een zevenvoudige toename van "licht op de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen" zal geven. De Wachttoren heeft onderwezen dat de toename van licht in het paradijs zal zijn. Maar, volgens Jesaja, is de tijd voor het geven van een toename van geestelijke verlichting voor zijn volk "op de dag dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs de zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte slag geneest." Hoe het ook zij, Jehovah is voornemens ons sterk te tuchtigen en te testen gedurende de komende verdrukking, en pas daarna zullen we worden gezegend met zijn goddelijke licht.

Ongetwijfeld zullen veel Jehovah's Getuigen het moeilijk vinden te geloven dat God voornemens is zijn volk streng te tuchtigen en terecht te wijzen en dat de Wachttoren zelf weggevaagd zou kunnen worden. Daarom verwijst Jehovah in Jesaja 28:21 naar zijn voornemen als vreemd en ongewoon. Het vers zegt gedeeltelijk: "om zijn daad te verrichten - zijn daad is vreemd - en om zijn werk te doen - zijn werk is ongewoon." Jesaja waarschuwt ons hierna specifiek voor het bespotten van Jehovah's vreemde en ongewone werk: "En nu, betoont u geen spotters, opdat uw banden niet sterk worden, want van een verdelging, ja, iets waartoe besloten is, heb ik gehoord van de Soevereine Heer, Jehovah der legerscharen, voor het gehele land."

Jesaja geeft een illustratie over hoe een landbouwer bepaalde passende technieken gebruikt om het gewenste resultaat te bereiken voor elk gewas. Vers 27 zegt bijvoorbeeld: "Want niet met een dorswerktuig wordt zwarte komijn getreden; en over komijn wordt geen wagenwiel gewenteld. Want met een stok wordt zwarte komijn gewoonlijk uitgeklopt, en komijn met een staf."

Wat was het doel van deze illustratie? Zoals vers 26 aangeeft, heeft het te maken met hoe God zijn eigen volk zal terechtwijzen. Hij zal ons niet volkomen vernietigen, maar ons in de juiste mate treffen met als doel ons te beleren. Jeremia 46:28 zegt ons dit: "Nochtans zal ik u in de juiste mate moeten tuchtigen, en ik zal u absoluut niet ongestraft laten."

Nu, we moeten onszelf ernstig afvragen hoe deze wonderbaarlijke profetie in Jesaja ooit op de Christenheid van toepassing kan zijn. De waarheid is dat dat niet kan. Anders zou God hen niet terecht hoeven te wijzen en hun leraar te worden gedurende de tijd van verdrukking. Hoe redelijk is dat? Daar de Schriften aangeven dat Jehovah zijn volk sterk terecht zal wijzen door zijn strenge berisping, kan de profetie in Jesaja enkel op ons van toepassing zijn.

Jehovah gaat het frauduleuse verbond van de Wachttoren met Dood en Sjeool wegvagen. Maar degenen die Gods correctie aanvaarden, en die volledig geloof en vertrouwen in God hebben, zullen worden gezegend met het voorrecht Christus Jezus te verwelkomen, wanneer hij komt om zijn Vaders geestelijke tempel te inspecteren en te reinigen en zijn glorieuze koninkrijksregering op zal nemen.


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman