Opdat
men weet dat gij, wiens naam JEHOVAH
is,
Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.
- Psalm 83:18

"What's in a name", vraag je jezelf
af? Alles - tenminste, als we het toevallig hebben
over de persoonlijke Naam van God. Terwijl wetenschappers
wellicht tot het einde van de wereld twisten over de exacte
uitspraak van YHWH, blijft het volgende eenvoudige schriftuurlijke
feit bestaan: De bijbelse godheid die we in het Nederlands
Jehovah noemen, benadrukt in zijn woord dat hij
ervoor zal zorgen dat zijn persoonlijke naam over de gehele
aarde gepredikt zal worden en dat hij een volk zal voortbrengen
dat zijn naam niet alleen zal aanroepen, maar dat zelf
ook bij zijn onderscheidende naam genoemd zal worden.
De vraag is: Zijn Jehovah's Getuigen dat volk?
Laten we, voordat we die vraag beantwoorden, eerst eens
enkele tegenwerpingen beschouwen op de bewering dat Jehovah's
Getuigen patronen en profetieën vervullen door een volk
voor Gods naam te zijn.
Het is ironisch dat de meest krachtige tegenwerping
afkomstig is van een voormalig Jehovah's Getuige
en lid van het Besturend Lichaam, Ray Franz. In zijn boek
In Search of Christian Freedom wijdt Franz een
heel hoofdstuk aan de vraag of Jehovah's Getuigen "een
volk voor zijn naam" zijn, zoals het Wachttorengenootschap
leert.
Volgens Franz bestaat er slechts één aanvaardbare aanduiding
voor christenen en dat is - christenen. Ondanks
dat de Bijbel inderdaad vermeldt dat de volgelingen van
Christus door "goddelijke voorzienigheid" in de
eerste Eeuw bekend kwamen te staan als christenen, erkenden
de apostelen dat mensen der natiën door profetie tevens
werden aangesteld om een volk voor Jehovah's naam te zijn.
Het 15de hoofdstuk van Handelingen verslaat hoe de apostelen
en oudere mannen uiteindelijk de besnijdeniskwestie oplosten.
Bij die gelegenheid vaardigden de apostelen een openbare
verklaring uit die gebaseerd was op de Profeten, waarbij
ze specifiek citeerden uit de profetie van Amos: "Mannen,
broeders, hoort mij. Simeon heeft uitvoerig verhaald hoe
God voor de eerste maal zijn aandacht op de natiën heeft
gericht om uit hen een volk voor zijn naam te nemen.
En hiermee stemmen de woorden van de Profeten overeen,
zoals er geschreven staat: 'Na deze dingen zal ik terugkeren
en de hut van David, die vervallen is, herbouwen, en ik
zal haar puinhopen herbouwen en haar weer oprichten, opdat
zij die overblijven van de mensen, Jehovah ernstig mogen
zoeken, te zamen met mensen uit alle natiën, mensen
die naar mijn naam zijn genoemd, zegt Jehovah, die
deze dingen doet, die vanouds bekend zijn.'" (Handelingen
15:13-18)
Voor een ieder die bereid is over de zaak te redeneren,
is het duidelijk dat Jezus niet "vanouds bekend"
was in de 1ste Eeuw. Jezus Christus was toentertijd een
nieuwkomer op het toneel. Jehovah was echter niet
onbekend! Jehovah was de historische God van de Joden
- "vanouds bekend." Verder onthulde God aan Mozes
dat de naam Jehovah een gedachtenis aan hem was - "van
geslacht tot geslacht."
Dat spreekt degenen tegen die zich inbeelden dat Jehovah
zijn naam in Jezus veranderd heeft of dat God meer dan
één persoonlijke naam heeft, of meer van die onzin.
Toch bestaat er geen bewijs voor dat de oorspronkelijke
christenen feitelijk naar de persoonlijke naam van God
vernoemd waren. De profetie van Amos verbindt de unieke
naam van God echter onbetwistbaar aan de volgelingen van
Christus. Wat ons zeer zou moeten interesseren
is dat de profetie van Amos zichzelf leent voor een toepassing
op een andere tijd. Laten we, gezien de belangrijkheid
van dit onderwerp, de oorspronkelijke profetie eens nader
bestuderen.
"Op die dag zal ik de hut van David, die vervallen
is, oprichten, en ik zal stellig hun bressen herstellen.
En haar puinhopen zal ik oprichten, en ik zal haar stellig
opbouwen als in de dagen van weleer, opdat zij in bezit
mogen nemen wat er van Edom overgebleven is, en alle natiën
waarover mijn naam is uitgeroepen', is de uitspraak van
Jehovah, die dit doet." (Amos 9:11, 12)
Het 10-stammen koninkrijk Israël werd oorspronkelijk
vernietigd door het Assyrische rijk en het Judeese koninkrijk
werd te gronde gericht door Nebukadnezar's Babylonische
koninkrijk. Uiteindelijk herstelde Jehovah alle verstrooide
stammen van Israël tot het thuisland van hun voorvaders.
De zogenaamde hut van David werd echter niet
hersteld toen Jeruzalem herbouwd werd door de gerepatrieerde
Joden. In werkelijkheid werd Davids koninkrijk nooit
hersteld voor het aardse Jeruzalem. De hut van David
is echter eenvoudigweg een andere manier om het huis van
David aan te duiden, wat zoveel wil zeggen als het koninkrijk
van David. En daar Jezus een nakomeling van David was
en daarmee de rechtmatige erfgenaam van de Davidische
troon, is de hut van David in werkelijkheid Christus'
koninkrijk.
Daar de apostelen die profetie op de nieuw gevormde
internationale christelijke gemeente van toepassing brachten,
is het duidelijk dat de profetieën die oorspronkelijk
gericht waren tot Israël en Juda op dat moment verschoven
werden zodat ze van toepassing waren op een geestelijk
Israël. De vernietiging en wederoprichting van de hut
van David heeft daarom te maken met Christus' koninkrijk.
De profetie van Amos is in overeenstemming met alle
andere profetieën die vooruit wijzen naar de tijd als
God zijn organisatie zal oordelen, waarbij een definitieve
zifting zal plaatsvinden om de ontrouwen af te
scheiden van de getrouwen. Amos 9:9, 10 luidt:
Want ziet! ik geef bevel, en ik wil het huis van Israël
onder alle natiën schudden, net zoals men de zeef schudt,
zodat er geen steentje ter aarde valt. Door het zwaard
zullen zij sterven - alle zondaars van mijn volk, degenen
die zeggen: "De rampspoed zal niet naderbij komen noch
tot aan ons reiken."
Volgens Ray Franz veronderstellen Jehovah's Getuigen
echter onterecht dat Jehovah ook maar enige interesse
heeft om de zaken in de hedendaagse organisatie recht
te zetten. Als vermeend schriftuurlijke onderbouwing van
zijn bewering, schrijft Franz op blz. 523 van zijn In
Search of Christian Freedom het volgende over de vroegere
Joden: "Geen volk op aarde was intiemer verbonden aan
de naam die vertegenwoordigd wordt door het Tetragrammaton
(Yahweh of Jehovah) dan de Israëlitische natie, tot wie
de woorden, "Gij zijt mijn getuigen," oorspronkelijk gericht
waren. Toch "richtte" God die natie niet, noch heeft zijn
Zoon dat gedaan."
Natuurlijk weet iedereen die ooit de Bijbel heeft gelezen
dat God die natie bij diverse gelegenheden wel degelijk
"richtte". Dat is de reden dat Jehovah Israël en Jeruzalem
tuchtigde en vernietigde, juist om zijn dwalende volk
te richten. Ja, juist in het vers dat Franz citeert en
waarin Jehovah zegt "Gij zijt mijn getuigen," roept God
zijn volk op om getuigen te zijn van zijn tuchtiging en
de daarop volgende vergeving.
Franz speculeert verder door te zeggen: "God die
'een volk voor zijn naam' neemt, heeft daarom een diepere
betekenis dan enkel de toepassing van een nominatief woord,
en bewijzen dat we tot degenen behoren die Gods naam heiligen
en bekendmaken vereist veel meer dan eenvoudig Yahweh
of Jehovah of enig andere uitdrukking herhaaldelijk te
gebruiken."
Wat Franz zegt is waar - één van Jehovah's Getuigen
zijn brengt inderdaad veel meer met zich mee dan
enkel Gods naam op te ratelen. Franz wil zijn goedgelovige
lezers echter laten geloven dat Jehovah's Getuigen enkel
Jehovah's naam aanroepen alsof het een soort van Hindoeïstische
mantra is. In werkelijkheid is het echter zo dat het Wachttorengenootschap
vanaf het begin de eigenschappen en het voornemen
van de persoon Jehovah heeft benadrukt en niet enkel zijn
naam, zoals Franz trouwens zelf ook heel goed weet, gezien
het feit dat hij heeft geholpen bij het schrijven van
de encyclopedie Hulp tot Begrip van de Bijbel.
Eén voorbeeld van de wijze waarop Jehovah's Getuigen
Gods naam hebben verkondigd en geheiligd, is door de godslasterlijke
katholieke leerstelling van eeuwige vernietiging in een
hellevuur omver te werpen. Franz houdt echter vol dat
Jehovah's Getuigen niets meer of minder gedaan hebben
om Gods naam en persoonlijkheid bekend te maken dan de
Katholieke Kerk.
Eenvoudig gezegd: Raymond Franz is een grote leugenaar.
De waarheid is dat gezalfde Jehovah's Getuigen in een
unieke verhouding staan tot Jehovah God, persoonlijk en
als gemeente. Echter, net zoals dat gold voor onze joodse
voorgangers, brengt het in een verbondsverhouding staan
met Jehovah God verantwoordelijkheid met zich.
Het 36ste hoofdstuk van Ezechiël zegt bijvoorbeeld:
"'Niet ter wille van u doe ik het, o huis van Israël,
maar voor mijn heilige naam, die gij ontheiligd
hebt onder de natiën waar gij zijt gekomen. En ik zal
mijn grote naam stellig heiligen, die onder de
natiën werd ontheiligd, die gij in hun midden hebt ontheiligd;
en de natiën zullen moeten weten dat ik Jehovah ben',
is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, 'wanneer
ik voor hun ogen onder u word geheiligd. En ik wil u uit
de natiën halen en u bijeenbrengen uit alle landen en
u brengen op uw grond.'" (vers 22-24)
Het huis van Israël ontheiligde de grote naam van Jehovah
op diverse manieren. Ten eerste ontheiligde ze Jehovah's
naam onmiskenbaar door het beoefenen van valse religie.
Ten tweede verplichtte hun afgoderij Jehovah ertoe zijn
volk streng te straffen, wat hij deed door toe te staan
dat Israël en later ook Juda overwonnen werden door de
natiën. Dit ontheiligde Gods naam, omdat het de schijn
wekte dat Jehovah niet de macht bezat zijn volk te beschermen
tegen afgodenaanbiddende natiën. Nadat Jehovah zijn volk
gestraft had, ondernam hij dus actie tegen de natiën zodat
zijn naam van hun smaad ontdaan werd.
Sommigen zijn geneigd profetieën als bovenstaande weg
te wuiven met de bewering dat ze enkel van toepassing
zijn op de vroegere natie Israël. De context van Ezechiëls
profetie wijst er echter verder op dat hij feitelijk van
toepassing is op christenen die leven gedurende de terugkeer
van Christus en het einde van de wereld - wat in Ezechiël
38:16 "het laatst der dagen" wordt genoemd. Ezechiël
37:25 zegt bijvoorbeeld dat "David" overste zal
zijn over Gods bijeenverzamelde volk. Zoals eerder opgemerkt
hebben de gerepatrieerde Joden nooit een nakomeling van
David als hun leider gehad. Het is daarom duidelijk dat
de profetie verwijst naar christenen die onder het leiderschap
van Christus staan, die "de Leeuw die uit de stam Juda
en de wortel van David" wordt genoemd. (Openbaring
5:5) In één van de laatste verzen van Openbaring zegt
Christus over zichzelf: "Ik ben de wortel en de
nakomeling van David, en de heldere morgenster."
(Openbaring 22:16)
De gedetailleerde oordelen in de profetie van Ezechiël
zijn duidelijk van toepassing op christenen die leven
gedurende de tijd van Christus wederkomst. Het is daarom
de gezalfde christelijke gemeente die op een zeer speciale
wijze "moet weten dat ik Jehovah ben." Het is in
relatie met Christus' oordeel over het geestelijke huis
van God en de uiteindelijke stichting van het geestelijk
paradijs dat Jehovah zegt "gij zijt mijn getuigen."
Het is daarom duidelijk dat Jehovah's Getuigen passen
in het profetische profiel van een volk dat de naam van
Jehovah ontheiligt.
Dat brengt ons terug bij de vraag die aan het begin
werd gesteld: Vervullen Jehovah's Getuigen heden ten dage
de profetie van Amos door te dienen als een volk voor
Gods naam?
Het antwoord is nee - nog niet in ieder geval.
Volgens Amos bestaat het volk dat naar Gods naam genoemd
wordt uit degenen die dat pas worden nadat het
'schudden' heeft plaatsgevonden. Het schudden heeft betrekking
op de tijd waarin Jehovah de natiën zal schudden gedurende
de komende verdrukking.
De profetie van Joël voorzegt op soortgelijke wijze
een grote wereldwijde catastrofe wanneer er wordt gezegd:
"En ik wil wondertekenen geven in de hemel en op de
aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zelf zal in
duisternis worden veranderd en de maan in bloed, vóór
de komst van de grote en vrees inboezemende dag van Jehovah."
(Joël 2:30, 31)
Ons geloof in de reddende kracht van de naam van Jehovah
zal in die tijd van het grootste belang zijn daar de overlevenden
van de komende holocaust degenen zullen zijn die de naam
van Jehovan aanroepen: "En het moet geschieden dat
een ieder die de naam van Jehovah aanroept, veilig
zal ontkomen; want op de berg Sion en in Jeruzalem zullen
de ontkomenen blijken te zijn, juist zoals Jehovah heeft
gezegd, en onder de overlevenden, die Jehovah roept."
(Joël 2:32)
De profetie van Maleachi voorzegt evenzo hoe er een
onderscheid zal worden gemaakt tussen de rechtvaardige
en de goddeloze, waarmee de belangrijkheid van de naam
van Jehovah in onze redding wordt benadrukt: In die
tijd spraken degenen die Jehovah vreesden met elkaar,
elkeen met zijn metgezel, en Jehovah bleef aandacht schenken
en luisteren. En er werd voorts een gedenkboek voor zijn
aangezicht geschreven voor degenen die Jehovah vrezen
en voor degenen die aan zijn naam denken. "En zij
zullen stellig van mij worden", heeft Jehovah der legerscharen
gezegd, "op de dag dat ik een speciaal bezit voortbreng.
En ik wil hun mededogen betonen, net zoals een man mededogen
toont jegens zijn zoon die hem dient. En gijlieden zult
stellig weer het onderscheid zien tussen een rechtvaardige
en een goddeloze, tussen iemand die God dient en iemand
die hem niet heeft gediend." (Maleachi 3:16-18)
Laat de lezer opmerken dat de profetie erop wijst dat
degenen die de naam van Jehovah vrezen en "denken aan
zijn naam" op die tijd het "speciale bezit"
van Jehovah worden. Wederom, wanneer vindt dat plaats?
De volgende verzen in Maleachi geven aan dat Jehovah een
speciaal bezit voortbrengt dat bestaat uit degenen die
gedurende de verdrukking zijn naam vrezen. Maleachi 4:1,
2 luidt: "Want ziet! de dag komt die brandt als de
oven, en alle overmoedigen en al degenen die goddeloosheid
bedrijven, moeten als stoppels worden. En de dag die komt,
zal hen stellig verslinden," heeft Jehovah der legerscharen
gezegd, "zodat die hun wortel noch tak zal overlaten.
En voor u die mijn naam vreest, zal stellig de
zon der rechtvaardigheid gaan schijnen, met genezing in
haar vleugelen; en gij zult werkelijk uitgaan en de grond
omwoelen als mestkalveren."
Daarom, ondanks dat de religie die bekend staat als
Jehovah's Getuigen de profetieën over "een volk voor
zijn naam" op dit moment niet vervullen, ligt het
zeker in de lijn dat we dat in de nabije toekomst wél
zullen doen. Jehovah's Getuigen hebben echter zonder twijfel
een essentiële rol gespeeld door de basis te leggen voor
de oordelen die snel zullen volgen.
De Schrift doet zelfs vermoeden dat de symbolische naam
"Jehovah's Getuigen" weggedaan zal worden en vervangen
zal worden door een andere naam, misschien gebaseerd
op Gods eigen openbaring van de precieze uitspraak van
YHWH. Sprekend over zijn op een vrouw gelijkende organisatie,
voorzegt Jesaja 62:2: "En gij zult werkelijk met een
nieuwe naam worden genoemd, die Jehovah's eigen mond zal
aanduiden."