Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
   

28 Mei 2004

 
 

 

 

 

 

Opties
Print Essay
Download Essay *


* Vereist Adobe Acrobat Reader 5 of nieuwer, gratis te downloaden vanaf Adobe.com


 

Opdat men weet dat gij, wiens naam JEHOVAH is,
Gij alleen de Allerhoogste zijt over heel de aarde.
- Psalm 83:18


"What's in a name", vraag je jezelf af? Alles - tenminste, als we het toevallig hebben over de persoonlijke Naam van God. Terwijl wetenschappers wellicht tot het einde van de wereld twisten over de exacte uitspraak van YHWH, blijft het volgende eenvoudige schriftuurlijke feit bestaan: De bijbelse godheid die we in het Nederlands Jehovah noemen, benadrukt in zijn woord dat hij ervoor zal zorgen dat zijn persoonlijke naam over de gehele aarde gepredikt zal worden en dat hij een volk zal voortbrengen dat zijn naam niet alleen zal aanroepen, maar dat zelf ook bij zijn onderscheidende naam genoemd zal worden.

De vraag is: Zijn Jehovah's Getuigen dat volk? Laten we, voordat we die vraag beantwoorden, eerst eens enkele tegenwerpingen beschouwen op de bewering dat Jehovah's Getuigen patronen en profetieën vervullen door een volk voor Gods naam te zijn.

Het is ironisch dat de meest krachtige tegenwerping afkomstig is van een voormalig Jehovah's Getuige en lid van het Besturend Lichaam, Ray Franz. In zijn boek In Search of Christian Freedom wijdt Franz een heel hoofdstuk aan de vraag of Jehovah's Getuigen "een volk voor zijn naam" zijn, zoals het Wachttorengenootschap leert.

Volgens Franz bestaat er slechts één aanvaardbare aanduiding voor christenen en dat is - christenen. Ondanks dat de Bijbel inderdaad vermeldt dat de volgelingen van Christus door "goddelijke voorzienigheid" in de eerste Eeuw bekend kwamen te staan als christenen, erkenden de apostelen dat mensen der natiën door profetie tevens werden aangesteld om een volk voor Jehovah's naam te zijn.

Het 15de hoofdstuk van Handelingen verslaat hoe de apostelen en oudere mannen uiteindelijk de besnijdeniskwestie oplosten. Bij die gelegenheid vaardigden de apostelen een openbare verklaring uit die gebaseerd was op de Profeten, waarbij ze specifiek citeerden uit de profetie van Amos: "Mannen, broeders, hoort mij. Simeon heeft uitvoerig verhaald hoe God voor de eerste maal zijn aandacht op de natiën heeft gericht om uit hen een volk voor zijn naam te nemen. En hiermee stemmen de woorden van de Profeten overeen, zoals er geschreven staat: 'Na deze dingen zal ik terugkeren en de hut van David, die vervallen is, herbouwen, en ik zal haar puinhopen herbouwen en haar weer oprichten, opdat zij die overblijven van de mensen, Jehovah ernstig mogen zoeken, te zamen met mensen uit alle natiën, mensen die naar mijn naam zijn genoemd, zegt Jehovah, die deze dingen doet, die vanouds bekend zijn.'" (Handelingen 15:13-18)

Voor een ieder die bereid is over de zaak te redeneren, is het duidelijk dat Jezus niet "vanouds bekend" was in de 1ste Eeuw. Jezus Christus was toentertijd een nieuwkomer op het toneel. Jehovah was echter niet onbekend! Jehovah was de historische God van de Joden - "vanouds bekend." Verder onthulde God aan Mozes dat de naam Jehovah een gedachtenis aan hem was - "van geslacht tot geslacht."

Dat spreekt degenen tegen die zich inbeelden dat Jehovah zijn naam in Jezus veranderd heeft of dat God meer dan één persoonlijke naam heeft, of meer van die onzin.

Toch bestaat er geen bewijs voor dat de oorspronkelijke christenen feitelijk naar de persoonlijke naam van God vernoemd waren. De profetie van Amos verbindt de unieke naam van God echter onbetwistbaar aan de volgelingen van Christus. Wat ons zeer zou moeten interesseren is dat de profetie van Amos zichzelf leent voor een toepassing op een andere tijd. Laten we, gezien de belangrijkheid van dit onderwerp, de oorspronkelijke profetie eens nader bestuderen.

"Op die dag zal ik de hut van David, die vervallen is, oprichten, en ik zal stellig hun bressen herstellen. En haar puinhopen zal ik oprichten, en ik zal haar stellig opbouwen als in de dagen van weleer, opdat zij in bezit mogen nemen wat er van Edom overgebleven is, en alle natiën waarover mijn naam is uitgeroepen', is de uitspraak van Jehovah, die dit doet." (Amos 9:11, 12)

Het 10-stammen koninkrijk Israël werd oorspronkelijk vernietigd door het Assyrische rijk en het Judeese koninkrijk werd te gronde gericht door Nebukadnezar's Babylonische koninkrijk. Uiteindelijk herstelde Jehovah alle verstrooide stammen van Israël tot het thuisland van hun voorvaders. De zogenaamde hut van David werd echter niet hersteld toen Jeruzalem herbouwd werd door de gerepatrieerde Joden. In werkelijkheid werd Davids koninkrijk nooit hersteld voor het aardse Jeruzalem. De hut van David is echter eenvoudigweg een andere manier om het huis van David aan te duiden, wat zoveel wil zeggen als het koninkrijk van David. En daar Jezus een nakomeling van David was en daarmee de rechtmatige erfgenaam van de Davidische troon, is de hut van David in werkelijkheid Christus' koninkrijk.

Daar de apostelen die profetie op de nieuw gevormde internationale christelijke gemeente van toepassing brachten, is het duidelijk dat de profetieën die oorspronkelijk gericht waren tot Israël en Juda op dat moment verschoven werden zodat ze van toepassing waren op een geestelijk Israël. De vernietiging en wederoprichting van de hut van David heeft daarom te maken met Christus' koninkrijk.

De profetie van Amos is in overeenstemming met alle andere profetieën die vooruit wijzen naar de tijd als God zijn organisatie zal oordelen, waarbij een definitieve zifting zal plaatsvinden om de ontrouwen af te scheiden van de getrouwen. Amos 9:9, 10 luidt: Want ziet! ik geef bevel, en ik wil het huis van Israël onder alle natiën schudden, net zoals men de zeef schudt, zodat er geen steentje ter aarde valt. Door het zwaard zullen zij sterven - alle zondaars van mijn volk, degenen die zeggen: "De rampspoed zal niet naderbij komen noch tot aan ons reiken."

Volgens Ray Franz veronderstellen Jehovah's Getuigen echter onterecht dat Jehovah ook maar enige interesse heeft om de zaken in de hedendaagse organisatie recht te zetten. Als vermeend schriftuurlijke onderbouwing van zijn bewering, schrijft Franz op blz. 523 van zijn In Search of Christian Freedom het volgende over de vroegere Joden: "Geen volk op aarde was intiemer verbonden aan de naam die vertegenwoordigd wordt door het Tetragrammaton (Yahweh of Jehovah) dan de Israëlitische natie, tot wie de woorden, "Gij zijt mijn getuigen," oorspronkelijk gericht waren. Toch "richtte" God die natie niet, noch heeft zijn Zoon dat gedaan."

Natuurlijk weet iedereen die ooit de Bijbel heeft gelezen dat God die natie bij diverse gelegenheden wel degelijk "richtte". Dat is de reden dat Jehovah Israël en Jeruzalem tuchtigde en vernietigde, juist om zijn dwalende volk te richten. Ja, juist in het vers dat Franz citeert en waarin Jehovah zegt "Gij zijt mijn getuigen," roept God zijn volk op om getuigen te zijn van zijn tuchtiging en de daarop volgende vergeving.

Franz speculeert verder door te zeggen: "God die 'een volk voor zijn naam' neemt, heeft daarom een diepere betekenis dan enkel de toepassing van een nominatief woord, en bewijzen dat we tot degenen behoren die Gods naam heiligen en bekendmaken vereist veel meer dan eenvoudig Yahweh of Jehovah of enig andere uitdrukking herhaaldelijk te gebruiken."

Wat Franz zegt is waar - één van Jehovah's Getuigen zijn brengt inderdaad veel meer met zich mee dan enkel Gods naam op te ratelen. Franz wil zijn goedgelovige lezers echter laten geloven dat Jehovah's Getuigen enkel Jehovah's naam aanroepen alsof het een soort van Hindoeïstische mantra is. In werkelijkheid is het echter zo dat het Wachttorengenootschap vanaf het begin de eigenschappen en het voornemen van de persoon Jehovah heeft benadrukt en niet enkel zijn naam, zoals Franz trouwens zelf ook heel goed weet, gezien het feit dat hij heeft geholpen bij het schrijven van de encyclopedie Hulp tot Begrip van de Bijbel.

Eén voorbeeld van de wijze waarop Jehovah's Getuigen Gods naam hebben verkondigd en geheiligd, is door de godslasterlijke katholieke leerstelling van eeuwige vernietiging in een hellevuur omver te werpen. Franz houdt echter vol dat Jehovah's Getuigen niets meer of minder gedaan hebben om Gods naam en persoonlijkheid bekend te maken dan de Katholieke Kerk.

Eenvoudig gezegd: Raymond Franz is een grote leugenaar.

De waarheid is dat gezalfde Jehovah's Getuigen in een unieke verhouding staan tot Jehovah God, persoonlijk en als gemeente. Echter, net zoals dat gold voor onze joodse voorgangers, brengt het in een verbondsverhouding staan met Jehovah God verantwoordelijkheid met zich.

Het 36ste hoofdstuk van Ezechiël zegt bijvoorbeeld:

"'Niet ter wille van u doe ik het, o huis van Israël, maar voor mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de natiën waar gij zijt gekomen. En ik zal mijn grote naam stellig heiligen, die onder de natiën werd ontheiligd, die gij in hun midden hebt ontheiligd; en de natiën zullen moeten weten dat ik Jehovah ben', is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, 'wanneer ik voor hun ogen onder u word geheiligd. En ik wil u uit de natiën halen en u bijeenbrengen uit alle landen en u brengen op uw grond.'" (vers 22-24)

Het huis van Israël ontheiligde de grote naam van Jehovah op diverse manieren. Ten eerste ontheiligde ze Jehovah's naam onmiskenbaar door het beoefenen van valse religie. Ten tweede verplichtte hun afgoderij Jehovah ertoe zijn volk streng te straffen, wat hij deed door toe te staan dat Israël en later ook Juda overwonnen werden door de natiën. Dit ontheiligde Gods naam, omdat het de schijn wekte dat Jehovah niet de macht bezat zijn volk te beschermen tegen afgodenaanbiddende natiën. Nadat Jehovah zijn volk gestraft had, ondernam hij dus actie tegen de natiën zodat zijn naam van hun smaad ontdaan werd.

Sommigen zijn geneigd profetieën als bovenstaande weg te wuiven met de bewering dat ze enkel van toepassing zijn op de vroegere natie Israël. De context van Ezechiëls profetie wijst er echter verder op dat hij feitelijk van toepassing is op christenen die leven gedurende de terugkeer van Christus en het einde van de wereld - wat in Ezechiël 38:16 "het laatst der dagen" wordt genoemd. Ezechiël 37:25 zegt bijvoorbeeld dat "David" overste zal zijn over Gods bijeenverzamelde volk. Zoals eerder opgemerkt hebben de gerepatrieerde Joden nooit een nakomeling van David als hun leider gehad. Het is daarom duidelijk dat de profetie verwijst naar christenen die onder het leiderschap van Christus staan, die "de Leeuw die uit de stam Juda en de wortel van David" wordt genoemd. (Openbaring 5:5) In één van de laatste verzen van Openbaring zegt Christus over zichzelf: "Ik ben de wortel en de nakomeling van David, en de heldere morgenster." (Openbaring 22:16)

De gedetailleerde oordelen in de profetie van Ezechiël zijn duidelijk van toepassing op christenen die leven gedurende de tijd van Christus wederkomst. Het is daarom de gezalfde christelijke gemeente die op een zeer speciale wijze "moet weten dat ik Jehovah ben." Het is in relatie met Christus' oordeel over het geestelijke huis van God en de uiteindelijke stichting van het geestelijk paradijs dat Jehovah zegt "gij zijt mijn getuigen." Het is daarom duidelijk dat Jehovah's Getuigen passen in het profetische profiel van een volk dat de naam van Jehovah ontheiligt.

Dat brengt ons terug bij de vraag die aan het begin werd gesteld: Vervullen Jehovah's Getuigen heden ten dage de profetie van Amos door te dienen als een volk voor Gods naam?

Het antwoord is nee - nog niet in ieder geval.

Volgens Amos bestaat het volk dat naar Gods naam genoemd wordt uit degenen die dat pas worden nadat het 'schudden' heeft plaatsgevonden. Het schudden heeft betrekking op de tijd waarin Jehovah de natiën zal schudden gedurende de komende verdrukking.

De profetie van Joël voorzegt op soortgelijke wijze een grote wereldwijde catastrofe wanneer er wordt gezegd: "En ik wil wondertekenen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zelf zal in duisternis worden veranderd en de maan in bloed, vóór de komst van de grote en vrees inboezemende dag van Jehovah." (Joël 2:30, 31)

Ons geloof in de reddende kracht van de naam van Jehovah zal in die tijd van het grootste belang zijn daar de overlevenden van de komende holocaust degenen zullen zijn die de naam van Jehovan aanroepen: "En het moet geschieden dat een ieder die de naam van Jehovah aanroept, veilig zal ontkomen; want op de berg Sion en in Jeruzalem zullen de ontkomenen blijken te zijn, juist zoals Jehovah heeft gezegd, en onder de overlevenden, die Jehovah roept." (Joël 2:32)

De profetie van Maleachi voorzegt evenzo hoe er een onderscheid zal worden gemaakt tussen de rechtvaardige en de goddeloze, waarmee de belangrijkheid van de naam van Jehovah in onze redding wordt benadrukt: In die tijd spraken degenen die Jehovah vreesden met elkaar, elkeen met zijn metgezel, en Jehovah bleef aandacht schenken en luisteren. En er werd voorts een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven voor degenen die Jehovah vrezen en voor degenen die aan zijn naam denken. "En zij zullen stellig van mij worden", heeft Jehovah der legerscharen gezegd, "op de dag dat ik een speciaal bezit voortbreng. En ik wil hun mededogen betonen, net zoals een man mededogen toont jegens zijn zoon die hem dient. En gijlieden zult stellig weer het onderscheid zien tussen een rechtvaardige en een goddeloze, tussen iemand die God dient en iemand die hem niet heeft gediend." (Maleachi 3:16-18)

Laat de lezer opmerken dat de profetie erop wijst dat degenen die de naam van Jehovah vrezen en "denken aan zijn naam" op die tijd het "speciale bezit" van Jehovah worden. Wederom, wanneer vindt dat plaats? De volgende verzen in Maleachi geven aan dat Jehovah een speciaal bezit voortbrengt dat bestaat uit degenen die gedurende de verdrukking zijn naam vrezen. Maleachi 4:1, 2 luidt: "Want ziet! de dag komt die brandt als de oven, en alle overmoedigen en al degenen die goddeloosheid bedrijven, moeten als stoppels worden. En de dag die komt, zal hen stellig verslinden," heeft Jehovah der legerscharen gezegd, "zodat die hun wortel noch tak zal overlaten. En voor u die mijn naam vreest, zal stellig de zon der rechtvaardigheid gaan schijnen, met genezing in haar vleugelen; en gij zult werkelijk uitgaan en de grond omwoelen als mestkalveren."

Daarom, ondanks dat de religie die bekend staat als Jehovah's Getuigen de profetieën over "een volk voor zijn naam" op dit moment niet vervullen, ligt het zeker in de lijn dat we dat in de nabije toekomst wél zullen doen. Jehovah's Getuigen hebben echter zonder twijfel een essentiële rol gespeeld door de basis te leggen voor de oordelen die snel zullen volgen.

De Schrift doet zelfs vermoeden dat de symbolische naam "Jehovah's Getuigen" weggedaan zal worden en vervangen zal worden door een andere naam, misschien gebaseerd op Gods eigen openbaring van de precieze uitspraak van YHWH. Sprekend over zijn op een vrouw gelijkende organisatie, voorzegt Jesaja 62:2: "En gij zult werkelijk met een nieuwe naam worden genoemd, die Jehovah's eigen mond zal aanduiden."


 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman