| |
Week van: 15 t/m 28 December 2003
|
| Gezien het feit dat
de profetie zegt dat het tarwe en het onkruid samen zouden
opgroeien, met welke reden zijn we afgesplitst van de Katholieke
Orthodoxe kerken, welke rechtstreeks ontstaan zijn uit de
oorspronkelijke gemeenten waaraan de Evangelieën geschreven
zijn? |
|
|
|
Toen Jezus de
illustratie van de tarwe en het onkruid had uitgelegd aan
zijn apostelen, vroeg hij hen rechtstreeks: "Hebt gij
dit alles begrepen?" Ze zeiden "ja," waarop Jezus
zei: "Daarom is iedere openbare onderwijzer, wanneer
hij met betrekking tot het koninkrijk der hemelen is onderwezen,
gelijk aan een mens, een heer des huizes, die uit zijn voorraadschat
nieuwe en oude dingen te voorschijn haalt."
Wat bedoelde
Jezus daarmee? Hoe kon hun begrip van die illustratie als
een heer des huizes zijn die zowel oude als nieuwe schatten
in zijn voorraadschuur brengt? Daar de apostelen tegen wie
Jezus sprak in die tijd de op tarwe gelijkende zonen van
het koninkrijk zouden worden, was het een belangrijke illustratie
voor hen. In overeenstemming met Jezus' illustratie verscheen
het onkruid ook langzaam aan toen de Christelijke gemeente
zich gedurende de 1ste eeuw begon te ontwikkelen. De superfijne
apostelen die door Paulus als verborgen vertegenwoordigers
van de Duivel beschreven werden, waren voorbeelden van het
tevoorschijn komen van enkele onkruidachtige imitatie zonen
van het koninkrijk. Dus, de waarheid omtrent het onkruid
in hun midden, zoals de 1ste eeuwse dicipelen het toen begrepen,
kon worden vergeleken met een nieuwe schat die ze bezaten
en hen hielp het bestaande fenomeen uit te leggen.
Naarmate de
tijd vorderde, werden de apostelen ertoe geïnspireerd te
profeteren dat op onkruid gelijkende Christenen uiteindelijk
het meest prominent zouden worden, in dat er een grootschalige
afval van de waarheid zou plaatsvinden. Dus, tegen de tijd
dat de voorzegde afvalligheid zich volledig ontwikkeld had,
werd een ander aspect van Christus' illustratie duidelijk
voor de weinige overgeblevenen van de tarweklasse. Vanuit
het gezichtspunt van de ware zonen van het koninkrijk bezien,
zouden er een paar tarwe-aren zijn in een veld vol met onkruid,
in plaats van een beetje onkruid tussen de tarwe.
In het hedendaagse
tijdperk hebben de Bijbelonderzoekers, en nu Jehovah's Getuigen,
het onkruid geïdentificeerd als alle nominale Christenen
van de Christenheid en de tarwe als de gezalfden. In de
tijd dat het Wachttorengenootschap voor het eerst tot bestaan
kwam, kwamen vrijwel alle oorspronkelijke leden in de waarheid
vanuit de kerken van de Christenheid. Voor hen leek het
alsof Jezus eindelijk zijn geliefde tarwe naar zijn voorraadschuur
aan het oogsten was. In die betekenis werden de op
tarwe gelijkende Christenen dus rechtstreeks vanuit het
onkruid verzameld. Hun begrip van de illustratie van het
tarwe en het onkruid was voor hen in die tijd als een nieuwe
schat.
Toch leent Jezus'
illustratie zich ervoor op een geheel ander niveau toegepast
te worden. Nu dat het Wachttorengenootschap zelf een grote
instelling is geworden, gelijk een veld dat bebouwd wordt,
heeft de Duivel de mogelijkheid wederom onkruid te zaaien
tussen de tarwe, net zoals hij dat in de eerste eeuw heeft
gedaan. Daar Jezus' illustratie in het besluit van het gehele
samenstel van dingen uitmondt, wanneer de engelen uit zullen
gaan om al degenen die wetteloosheid beoefenen te verwijderen,
is het duidelijk dat de uiteindelijk oogst nog in de toekomst
ligt. Terwijl ons begrip van de illustratie eens relevant
was met betrekking tot de Christenheid, is het niet langer
toereikend om uit te leggen wat er in recente jaren onder
Jehovah's Getuigen heeft plaatsgevonden.
De heer des
huizes moet nu de oude schat uit zijn schuur halen, wil
hij een bevredigende uitleg kunnen geven over het opnieuw
verschijnen van onkruid tussen het tarwe. Dat komt omdat
onze situatie nu meer overeenkomt met de ontwikkelingen
in de 1ste eeuw, toen het onkruid voor het eerst tussen
het pasgezaaide tarwe begon te verschijnen.
|
|
| De Katholieke en Orthodoxe
kerken beweren dat hun rechtsgeldigheid en claim op autoriteit
afkomstig is van hun aaneengesloten lijn waarin de overlevering
uit 2 Thessalonicenzen 2:15 zijn doorgegeven. Daar Jehovah's
Getuigen alle overleveringen overboord hebben gegooid, in
hun poging "menselijke overleveringen" niet boven
de Bijbel te plaatsen, hoe weten ze dan dat ze niet enkele
van deze mondelinge overleveringen die in de Bijbel worden
genoemd en waarbij Paulus de Thessalonicenzen aanmoedigde
daarin standvastig te zijn, overboord hebben gegooid? |
|
|
|
De voetnoot in de Studiebijbel zegt bij 2 Thessalonicenzen
3:6 dat het woord overlevering ook weergegeven kan
worden als onderricht. Toen het Christendom zich
in de 1ste eeuw net aan het ontwikkelen was, was er ook
weinig geschreven onderricht. Wat wij kennen als
het zogenoemde Nieuwe Testament, of, meer gepast, de Christelijke
Griekse Geschriften, is over vele jaren ontwikkeld, samengesteld,
gedupliceerd en verspreid. In de tussentijd werden de broeders
en de gemeenten eenvoudigweg mondeling onderwezen en door
de overlevering of het verbale onderricht welke door de
apostelen werden aangereikt.
Maar, toen meer en meer van de Griekse Geschriften werd
opgeschreven, werden de mondelinge onderwijzingen op schrift
gesteld. In 1 Korinthiërs 11:23 schreef Paulus bijvoorbeeld:
"Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik ook aan u
heb doorgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin hij
overgeleverd zou worden, een brood nam en, na gedankt te
hebben, het brak en zei..."
Wat Paulus doorgaf aan de Korinthiërs was het verslag
van hoe Christus de herdenking van zijn eigen dood instelde.
Klaarblijkelijk waren de evangelieverslagen op dat moment
nog niet opgeschreven, of, wanneer dat wel al was gebeurd,
waren ze wellicht niet in grote aantallen verspreid. Het
evangelie zelf werd daarom doorgegeven in mondelinge
overlevering. Naarmate de tijd vorderde, werd die mondelinge
overlevering echter opgeschreven, wat duidelijk wordt uit
het feit dat Paulus in een brief aan de Korinthiërs schreef
wat hij daarvoor mondeling aan hen had doorgegeven.
Een ander voorbeeld van hoe mondelinge overlevering geschreven
onderricht werd, is de context van het vers dat je aanhaalde.
In 2 Thessalonicenzen 3:6 geeft Paulus het geschreven onderricht
zich "terug te trekken van iedere broeder die wanordelijk
en niet overeenkomstig de overlevering die gij van ons hebt
ontvangen, wandelt." Datgene waar Paulus als "overlevering"
naar verwees, was wederom oorspronkelijk via voorbeeld en
mondeling onderricht aan de gemeente doorgegeven, maar uiteindelijk
werden dit onderricht opgeschreven in een vorm die nu een
onderdeel vormt van de Bijbel.
Een paar verzen eerder, in 2 Thessalonicenzen 2:15, wordt
gezegd: "Staat vast en houdt u aan de overleveringen
die u, hetzij door middel van een mondelinge boodschap hetzij
door middel van een brief van ons, werden geleerd."
Paulus beschrijft hier zowel geschreven als mondeling onderricht
waaraan Christenen moesten vasthouden. Het is daarom redelijk
te veronderstellen dat de geschreven en mondelinge overlevering
elkaar niet tegenspreken, maar in basis hetzelfde waren.
2 Timotheüs 3:16-17 zegt dat "de gehele Schrift door
God is geïnspireerd... opdat de mens Gods volkomen bekwaam
zij, volledig toegerust voor ieder goed werk" Wanneer
we geloven dat dat waar is, moeten we geloven dat de noodzakelijke
mondelinge overleveringen van de apostelen onderdeel zijn
geworden van de geïnspireerde canon, zodat we niets essentiëels
missen om volledig bekwame dienstknechten te kunnen zijn.
|
|
|
|
|