|
Ondanks dat
de Wachttoren deze kwestie nooit heeft behandeld voor Jehovah's
Getuigen wil dit niet zeggen dat ons geloof geen verdediging
heeft tegen zulke redenaties. Je zou jezelf echter eerst
enkele onderzoekende vragen moeten stellen. Wat is bijvoorbeeld
je motief om Jehovah's Getuigen op deze manier te ondervragen?
Is het omdat je ze wilt vernederen en ze zichzelf "in bochten
wilt laten wringen," zoals je pocht, of wil je werkelijk
de waarheid weten? Wanneer je werkelijk de waarheid wilt
weten, moet je de neiging weerstaan enkel simpele ja of
nee antwoorden op kunstig in elkaar gezette vragen te verwachten
en te accepteren. Toegegeven, je hebt deze vraag niet zelf
bedacht, omdat tegenstanders deze redenatie reeds geruime
tijd tegen ons trachten te gebruiken. Feit is dat veel personen
dit, en andere beschuldigingen, eenvoudigweg napraten en
deze zaken aangrijpen als een voorwendsel om in een ongelovige
conditie te blijven.
Het is belangrijk te erkennen dat er personen zijn die
in de Psalmen als afvallige spotters worden beschreven,
die het volgende zeggen over Jehovah's gezalfden: "Ha!
Ha! ons oog heeft het gezien." (Zie de 35ste Psalm)
Klaarblijkelijk is het alsof ze zeggen: 'Aha, nu hebben
we ze te pakken!' Het is daarom om te beginnen essentiëel
te erkennen dat zulke vragen hun oorsprong vinden bij afvallige
Jehovah's Getuigen en bedoeld zijn om anderen tot struikelen
te brengen. Ondanks de motieven van sommigen, vertrouwen
we erop dat de relatief weinig eerlijke en oprechte waarheidszoekers
een antwoord op de gestelde vraag waarderen.
Laten we eerst je laatste vraag eens behandelen. Je vroeg:
"Zullen Jehovah God en Jezus Christus werkelijk valse
profeten gebruiken om hun boodschap te verspreiden?"
Deze vraag gaat ervan uit dat we de gedachtegang van God
kennen. Indien we geen ongefundeerde aannames willen doen,
moeten we enig inzicht verkrijgen in Jehovah's aangelegenheden
met degenen waarvan we weten dat ze zijn boodschappers
waren. Het kennen van God zou ten slotte ons uiteindelijke
motief en doel moeten zijn. Daarom moeten we het enige boek
dat Gods handtekening bevat, raadplegen - dat is de Bijbel.
Bij diverse gelegenheden zei Jezus zijn dicipelen dat
hij ter dood zou worden gebracht. In Lukas 9:44 zei Jezus
hen: "Knoopt deze woorden in uw oren, want de Zoon des
mensen zal stellig in de handen der mensen worden overgeleverd."
Maar, het volgende vers zegt ons dat de apostelen niet alleen
"dit woord nog steeds niet [begrepen]," maar dat
"het voor hen verborgen [was], opdat zij het niet konden
vatten." Dat zegt ons dat het Jehovah's wil was dat
de apostelen deze essentiële waarheid tijdelijk niet
begrepen; in ieder geval pas nadat Jezus ter dood gebracht
was.
Ondanks dat feit, sprak Jehovah echter zelf tot Petrus,
Jakobus en Johannes op de Berg van de transfiguratie en
droeg hen op te luisteren naar zijn zoon. Daarnaast vertrouwde
Jezus zijn boodschap aan hen toe en droeg hij zijn dicipelen
op voort te gaan en te verkondigen dat het koninkrijk van
God nabij gekomen was. En dat ondanks het feit dat Jezus
heel goed wist dat zijn apostelen de ware aard van Gods
koninkrijk in die tijd niet begrepen. Ze waren er nog steeds
van overtuigd dat het een aards koninkrijk was en dat Jezus
zijn regering zou beginnen in Jeruzalem. Ongetwijfeld was
dat de boodschap die zij de bewoners meegaven in hun dienst.
Zelfs nadat Jezus ter dood was gebracht en weer opgewekt,
vroegen de apostelen hem nog steeds of hij het koninkrijk
van Israël in die tijd zou herstellen.
De vraag is echter: Waarom denk je dat God opzettelijk
de waarheid verborgen zou houden voor degenen die tegelijkertijd
geboden werden een boodschap te prediken die fout moet zijn
geweest, als gevolg van hetgeen God voor hen verborgen had?
Het antwoord is van invloed op de manier waarop God met
zijn moderne organisatie heeft gehandeld.
Een ander verslag dat onze beschouwing verdient, staat
opgetekend in het 21ste hoofdstuk van Johannes. Daar wordt
ons gezegd dat de apostelen Jezus verkeerd begrepen toen
hij zei dat Johannes niet zou sterven voordat de Christus
wedergekomen was. Als gevolg van dat verkeerde begrip, volgens
de woorden van de Leidse Vertaling, "verspreidde zich
het gerucht onder de broeders dat die leerling niet sterven
zou" voordat Jezus terug kwam. Dat de oude apostel Johannes
de noodzaak voelde de zaak recht te zetten toen hij het
laatste evangelie verslag van de Bijbel schreef, wijst erop
dat het gerucht zo'n 60 jaar later nog steeds bestond.
De apostelen creëerde een situatie die veel gelijkenis
vertoont met Jehovah's Getuigen nu, doordat degenen in verantwoordelijke
posities, met betrekking tot de terugkeer van Jezus in die
specifieke generatie valse verwachtingen hebben gewekt in
de organisatie. Volgens de criteria die naar voren worden
gebracht door afvallige Jehovah's Getuigen, waren de apostelen
zelf valse profeten. De werkelijke vraag is echter:
Veroordeelde God de apostelen als valse profeten, omdat
zij het gerucht in de Christelijke gemeenschap verspreidden
dat Christus zou terugkeren voordat de apostel Johannes
zou sterven? Kennelijk niet. Het paste echter gedeeltelijk
in Gods voornemen zo'n mate van dwaling toe te staan, zodat
de eis van de Duivel, dat hem toegestaan zou worden de gezalfde
zonen van God als koren te ziften, ingewilligd zou worden.
Uit bovenstaande verslagen wordt dus duidelijk dat het
enkel verspreiden van verkeerde verwachtingen omtrent Christus'
terugkomst iemand in Gods beleving niet persé tot een valse
profeet maakt. Verder is het ook duidelijk dat Jehovah's
Wil bepaalt dat zijn hedendaagse dienaren verblind worden
voor essentiële geestelijke waarheden - net zoals de apostelen.
(Enkele van deze profetieën worden in detail beschouwd in
diverse essays, zoals: Wie
is Blind als de Knecht van Jehovah?)
Toegegeven, er is in ons geval meer aan de hand dan dat
God enkel begrip onthoudt aan zijn dientknechten of dat
hij toelaat dat zijn dienstknechten verkeerde verwachtingen
hebben en verspreiden. De waarheid is dat er valse profeten
in onze midden zijn, die Jehovah's Getuigen hebben
misleid. En het gaat verder dan enkel het hebben van verkeerde
verwachtingen, zoals dat het geval was in 1914, 1925 en
1975.
Het 13de hoofdstuk van Ezechiël spreekt over Jehovah's
oordelen "tegen de profeten die onwaarheid schouwen en
die een leugen waarzeggen." Verder wordt er gezegd:
"In de intieme groep van mijn volk zullen zij niet blijven,
en in het register van het huis van Israël zullen zij niet
geschreven worden, en op Israëls bodem zullen zij niet komen;
en gijlieden zult moeten weten dat ik de Soevereine Heer
Jehovah ben."
Het 10de vers vervolgt: "Omdat, ja, omdat zij mijn
volk op een dwaalspoor gebracht hebben, door te zeggen:
"Er is vrede!" terwijl er geen vrede is, en er is iemand
die een scheidsmuur bouwt, maar tevergeefs zijn er die hem
met witkalk bepleisteren.'"
De profetie van Ezechiël lokaliseert valse profeten binnen
de intieme groep van Jehovah's volk. Terwijl het in geen
geval aangaf dat de Israëlieten niet Gods bezit waren, verplichtte
het feit dat zij onder invloed stonden van degenen die beschreven
worden als 'die een leugen waarzeggen,' God er wel toe de
individuele valse profeten onder Gods volk te verwijderen.
De situatie onder Gods hedendaagse geestelijke natie is
niet anders. Bepaalde leidende mannen onder ons, handelen
op dezelfde wijze als dat Jehovah beschreef in Ezechiël.
Zij bepleisteren de serieuze problemen in de organisatie
met witkalk en hebben Jehovah's Getuigen ertoe misleid te
denken dat Jehovah zijn volk niet onder het oordeel zal
stellen. Onze leiders zeggen als het ware "Er is vrede."
Zij "schouwen onwaarheid" doordat ze Jehovah's Getuigen
in de fictie hebben laten geloven dat de verdrukking begint
wanneer de valse religie vernietigd wordt - ook al bestaat
er geen schriftuurlijke rechtvaardiging voor zo'n bewering.
En op vele andere manieren "waarzegt" de Wachttoren
"een leugen". Jehovah's Getuigen staan onder invloed
van dit verkeerde beeld van de nabije toekomst, doordat
het leiderschap van de organisatie ons geen reden heeft
gegeven te verwachten dat Jehovah zijn woede eerst op ons
zou kunnen uitstorten - aan het begin van de oordeelsperiode.
Maar, net als in het geval van Israël, is het Jehovah's
rechterlijke beslissing dat individuen die verantwoordelijk
zijn voor het dogmatisch promoten van leugens, persoonlijk
verantwoording zullen moeten afleggen voor hun dwaling.
In het 13de hoofdstuk van Zacharia, een profetie die werd
geschreven ná Jeruzalems vernietiging door de Babyloniërs
en zodoende duidelijk van toepassing is op een toekomstige
vernietiging van het geestelijk Israël, luidt vers 4 als
volgt: "En het moet geschieden op die dag dat de profeten
beschaamd zullen worden, een ieder om zijn visioen wanneer
hij profeteert." Het 6de vers beschrijft verder hoe
de valse profeten wonden zullen hebben van hun eigen broeders.
Er staat: "En men moet tot hem zeggen: 'Wat zijn deze
wonden aan u tussen uw handen?' En hij zal moeten zeggen:
'Die waarmee ik in het huis van wie mij intens liefhadden,
ben geslagen.'"
Het is interessant dat dit overeenkomt met het oordeel
dat volgens Christus over de getrouwe slaaf in het huis
van God zou komen; namelijk dat "[de slaaf] die de wil
niet heeft begrepen en daarom dingen heeft gedaan die slagen
verdienen, zal er weinige ontvangen."
De Schrift zegt dat de rechterlijke beslissingen van Jehovah
te ver van de goddeloze verwijderd zijn om ze te begrijpen.
Dat is duidelijk het geval met betrekking tot de manier
waarop Jehovah zich voorgenomen heeft met valse profeten
in het midden van zijn volk en andere fouten en verkeerde
houdingen die ons raken om te gaan. Maar, in plaats dat
valse profeten en valse profetieën bewijzen dat Jehovah's
Getuigen niet Gods volk zijn, zoals onze tegenstanders aannemen,
wijzen de profetieën er zelf op dat valse profeten in Gods
huisgezin ons zullen misleiden tot het moment waarop Jehovah's
oordelen hen achterhalen, wanneer een volledige en beslissende
reiniging van het huis zal plaatsvinden welke Gods huisgezin
in volledige harmonie zal brengen.
De waarheid is: Jehovah's Getuigen kunnen fouten maken
en toch de waarheid bezitten. Dat zal sommige personen frustreren,
maar zo is het nu eenmaal. Beschouw het verslag van Job:
Toen God voor het eerst aan de conversatie deelnam, vroeg
hij: "Wie is daar bezig raad te verduisteren door woorden
zonder kennis?" Job zei dat hij sprak zonder het gehele
verhaal te kennen en hij legde nederig zijn hand op zijn
mond. Enige tijd later berispte Jehovah echter Jobs drie
valse vertroosters en hij zei het volgende tot Elifaz: "Mijn
toorn is ontbrand tegen u en uw twee metgezellen, want gij
hebt niet naar waarheid over mij gesproken, zoals mijn knecht
Job."
Ondanks dat God Job dus bestrafte omdat hij waarheid verduisterde,
oordeelde Jehovah later, paradoxaal genoeg, dat hij de waarheid
had gesproken. We zijn vol vertrouwen dat Jehovah heden
ten dage evenzo zal oordelen in het geval van zijn moderne
getuigen en dat onze beschuldigers uiteindelijk door Jehovah
zelf het zwijgen zal worden opgelegd.
|