| |
Week van: 13 t/m 19 Juli 2003
|
|
Ezechiël zegt dat wanneer Gog en zijn legers
over Israël komen, dat Gods vurige ijver dan opkomt en hij
tussenbeide komt. Jij lijkt echter het tegenovergestelde
te zeggen - dat God zal toestaan dat het Wachttorengenootschap
gedecimeerd wordt als straf voor de gemaakte fouten? Ook
zeg je dat de Wachttoren vernederd zal worden vóór valse
religie in het algemeen. Waarom zouden de natiën in vredesnaam
enkel ons willen vernietigen en andere religies met rust
laten? Dat slaat volgens mij nergens op.
Ten slotte, je suggereert dat de uiteindelijke
beproeving ligt in het niet aanbidden van de Koning van
het Noorden in zijn toekomstige monsterlijke tirannieke
manifestatie en dat vele JG's hier niet op voorbereid zijn
en kunnen falen, en dat degenen die Jehovah aanroepen gered
zullen worden. Als dat de uiteindelijk beproeving voor het
overleven van het einde is, dan zal Satan in staat zijn
99,9% van de wereldbevolking met zich mee te slepen. Het
lijkt erop dat hij dan de overwinnaar is, niet Jehovah,
wanneer hij zelfs JG's het toekomstige Wilde Beest kan laten
aanbidden. Welke hoop is er voor een ieder, met uitzondering
van enkelen, in het scenario wat jij beschrijft?
|
|
|
| Om te beginnen zijn er kennelijk twee verschillende
fasen in de vervolging die volgens profetieën over Jehovah's
volk zal komen gedurende de tijd van het einde. De Wachttoren
erkent dit feit ook, maar het probleem is dat ze het eerste
deel van Gods oordeel van toepassing hebben gebracht op de
reeds achter ons liggende periode van 1916-1919. Zo'n toepassing
van diverse profetieën blijft bij onderzoek echter niet overeind.
Maar, aangaande de twee onderscheiden fasen van Jehovah's
komende oordeel, merk eerst de profetie aangaande de koning
van het noorden gedurende de tijd van het einde eens op.
Daniël 11:41 zegt: "Ook zal hij (koning van het noorden)
werkelijk het Sieraadland binnentrekken, en vele landen
zullen tot struikelen worden gebracht."
Merk op dat de konings eerste binnendringing van "het
Sieraadland" zich voltrekt in de context van vele
landen die tot struikelen worden gebracht. Het is daarom
waarschijnlijk dat de vervolgingen die over de inwoners
van het geestelijke "Sieraadland" komen niet het
gevolg zijn van eruit gepikt worden voor vernietiging, maar
het resultaat zal zijn van wereldoorlog, financiële ineenstorting,
staat van beleg - dat soort dingen. In het geval van een
nationale noodtoestand bijvoorbeeld, is het in het geheel
niet uitgesloten dat regerings rantsoenering toegepast zal
worden. Wat bijvoorbeeld wanneer de regering besluit dat
papier op rantsoen gaat en de Wachttoren aan het einde van
de lijst staat? Waar zal het Wachttorengenootschap zijn
zonder het tijdschrift De Wachttoren - vooral gedurende
een crisistijd? Wat zal er gebeuren met de gemeenten wanneer
ze tegenover zo'n scenario komen te staan - wanneer ze geen
leiding meer hebben?
Enkele verzen later zegt de profetie in Daniël echter
het volgende: "En hij (de koning van het noorden)
zal zijn paleistenten planten tussen [de] grote zee en
de heilige Sieraadberg." Merk op dat de koning van het
noorden bij zijn tweede binnendringing niet eenvoudigweg
het land binnentrekt, maar dat hij werkelijk zijn
paleistent aan de voet van de Sieraadberg zal opzetten.
De "Sieraadberg" symboliseert ongetwijfeld het koninkrijk
van God. Wat is dus het onderscheid? De tweede gebeurtenis
is meer een rechtstreekse aanval, die het gevolg is van
verontrustende berichten die de koning van het noorden in
woede doen ontsteken.
Daar alle profetieën met elkaar verbonden zijn, is het
interessant dat de twee getuigen in het 11de hoofdstuk van
Openbaring 42 maanden in zakken gehuld profeteren. In zakken
gehuld is een symbool van het feit dat ze vernederd en in
de rouw zijn. De twee getuigen van God zijn in de rouw,
omdat het tempelheiligdom door de natiën vertreden wordt.
Dit zou overeenkomen met de eerste keer dat de koning van
het noorden zich op verboden terrein begeeft. Maar, wat
gebeurt er wanneer de twee getuigen hun getuigenis beëindigen?
Het 7de vers zegt dat het wilde beest hen overwint en doodt.
Dat is in harmonie met het feit dat de koning van het noorden
zijn tenten als een illegale landbezetter in Gods heilige
Sieraadland neerzet. De berichten die de koning van het
noorden tot zijn uiteindelijke, moordende dolheid drijven,
moeten dus de getuigenissen zijn van Jehovah's twee gezalfde
getuigen die hem laten weten dat Christus regeert en dat
het koninkrijk er is en het voor de koningen van de wereld
tijd is om te gaan. De twee aan elkaar verbonden profetieën
zijn het dus met elkaar eens dat er twee verschillende fasen
zijn.
Wanneer we ons dan tot Ezechiël wenden en de profetie
van Gog waarnaar je in je vraag verwees; Ezechiël 38:8 plaatst
het tijdstip van Gogs aanval direct nadat Jehovah
zijn volk redt en hen vanuit de vijand bijeenverzamelt.
Er staat: "In het laatst der jaren zult gij (Gog)
komen naar het land van mensen die teruggewonnen zijn
van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken, op de
bergen van Israël, die een voortdurend verwoeste plaats
zijn gebleken; ja, een land dat uit de volken is uitgeleid,
waar zij in zekerheid hebben gewoond, zij allen." Kunnen
we werkelijk zeggen dat Jehovah ons reeds heeft teruggewonnen
van het zwaard, wellicht in 1919? Niet echt. Tenzij we een
mythe willen bedenken om in te geloven. Jehovah verzamelt
zijn getrouwen gedurende de tijd van verdrukking, nadat
de herder geslagen is en de schapen verspreid zijn, en nadat
hij zijn eigen huis geoordeeld heeft en zijn dwalende bedienaren
bevrijd heeft, als een inleiding tot de definitieve aanval.
Bedenk alsjeblieft ook dat de profetie van Gog geen kleinere
vervulling had in Israël. Ezechiël had echter geprofeteerd
over de Babylonische moloch die alle natiën, inclusief Juda,
zou verpletteren, alsook specifiek de tempel. Nadien voorzeggen
de profetieën in het 36ste en 37ste hoofdstuk van Ezechiël
een geestelijk herstel vanuit een op dood gelijkende toestand.
Dan komt de aanval van Gog over een volk dat leeft
in een geestelijk paradijs, wat Jehovah's woede doet opwellen.
Jezus beschreef natuurlijk evenzo dezelfde progressie
van Gods oordelen; waarbij hij gedetailleerd beschreef hoe
een walgelijk ding Gods heilige plaats zal verwoesten, zodat
Gods uitverkorenen verspreid zullen worden, maar dat Gods
engelen, nadat de verdrukking verkort wordt, uit zullen
gaan en de uitverkorenen bijeen verzamelen van waar zij
verspreid zijn.
De 74ste Psalm spreekt over de ramp die uiteindelijk over
Jehovah's Getuigen zal komen. Het 7de vers spreekt erover
dat de vijand Gods naam en heilige plaats ontwijdt, zoals
Jezus en de profeten hebben voorzegd. Het 4de vers zegt
verder: "Zij die blijk geven van vijandschap jegens u,
hebben midden in uw plaats van samenkomst gebruld. Zij hebben
hun eigen tekens opgesteld als de tekens." Is dit iets
wat Gods volk aan ziet komen? Klaarblijkelijk niet, daar
de Psalm verder voor ons spreekt door te zeggen: "Onze
tekens hebben wij niet gezien; er is geen profeet meer.
En er is niemand bij ons die weet hoe lang."
"Onze tekens" die de Psalmist noemt, zouden heel
goed van toepassing kunnen zijn op onze ongefundeerde verwachtingen
aangaande Babylon de Grote dat als eerste vernietigd wordt
en andere soortgelijke fouten waarmee de institutionele
profeten ons hebben opgezadeld, welke ervoor zorgen dat
Jehovah's Getuigen in de war raken wanneer dingen zich niet
ontvouwen op de manier zoals we ons dat voorstellen.
Wat betreft Satan die als winnaar uit de strijd komt omdat
hij in staat is zovelen met hem mee te slepen in vernietiging:
De Schriften voorzeggen dat een grote schare "uit de grote
verdrukking" zullen komen. Een grote schare kan enkele
miljoenen mensen bevatten. Dat is zeker meer dan de acht zielen
die de laatste keer dat een wereld eindigde, overleefden. |
|
| Zonder de leerstelling
van 1914 betekent het dat Jezus niet wedergekomen is om zijn
aardse tempel te inspecteren en hij zijn volk niet in 1914-1919
gelouterd heeft en toen dus niet de getrouwe en beleidvolle
slaaf heeft aangesteld over al zijn bezittingen, oftewel,
het huidige 'regerende lichaam' van JG's in New York heeft
geen goddelijk mandaat om te zeggen: 'luister naar ons of
anders… wij alleen zijn de getrouwe en beleidvolle slaaf!'
Zal er dus een toekomstige getrouwe en beleidvolle slaafklasse
opkomen? Of is er sowieso geen feitelijke 'klasse'? Kunnen
Jezus' woorden in Mattheüs 24 niet enkel een illustratie zijn
van getrouwe INDIVIDUELE gezalfden die door het Wachttorengenootschap
volledig uit zijn verband getroken is om hun eigen afgod-achtige
positie te rechtvaardigen? |
|
|
| Het is belangrijk op te merken dat er twee
verschillende aanstellingen zijn die bij twee verschillende
gelegenheden plaatsvinden. Volgens Jezus' illustratie stelt
de meester zijn beheerder aan "over diens lichaam van bedienden
om hun te rechter tijd hun mate van voedselbenodigdheden te
blijven geven." Maar, dan, bij de aankomst van de meester
als dief in de nacht, wordt de slaaf geoordeeld op grond van
zijn getrouwheid in het uitoefenen van zijn oorspronkelijke
taak. Daarom zegt Jezus verder: "Gelukkig is die slaaf
wanneer zijn meester hem bij zijn aankomst daarmee bezig vindt!
Ik zeg u naar waarheid: Hij zal hem aanstellen over al zijn
bezittingen."
De tweede aanstelling over al de bezittingen van de meester
vindt plaats in de context van Christus' op een dief gelijkende
aankomst. Jezus is nog niet gekomen als dief in de nacht;
daarom heeft de tweede aanstelling nog niet plaatsgevonden.
Aangesteld worden over alle bezittingen van de meester is
ongetwijfeld van toepassing op de getrouwe slaven die koningen
van Gods koninkrijk worden. In de verwante illustratie van
de minen in het 19de hoofdstuk van Lukas, illustreerde Jezus
hoe elk van zijn slaven een bepaald aantal munten is toevertrouwd
en dat van hen wordt verwacht dat ze het bezit van de meester
vergroten tijdens zijn afwezigheid. Degenen die getrouw
waren in hun aanstelling werden beloond door het opzicht
en de "autoriteit over tien steden" te krijgen. Het
geven van "autoriteit over tien steden" heeft ongetwijfeld
te maken met hun regeren in Christus' koninkrijk. Zo is
het dus dat de aanstelling over "al zijn bezittingen"
evenzo van toepassing is op de uiteindelijke beloning van
koningschap.
Maar, de vraag is: Wanneer is de slaaf oorspronkelijk
over het huisgezin van de meester aangesteld? Volgens de
illustratie in het 12de hoofdstuk van Lukas werd Jezus'
illustratie van de getrouwe en beleidvolle slaaf opgeroepen
door Petrus' vraag, die luidde: "Heer, zegt gij deze
illustratie tot ons of ook tot allen?" Jezus had zijn
slaven net opgedragen wakker te blijven en gereed te blijven
met betrekking tot zijn terugkeer en hij antwoordde op Petrus
vraag door de volgende vraag te stellen: "Wie is werkelijk
de getrouwe, de beleidvolle beheerder, die door zijn meester
over diens lichaam van bedienden zal worden aangesteld?"
Ongetwijfeld begrepen Petrus en de apostelen dat de illustratie
op hen van toepassing was, daar Jezus hen duidelijk had
opgedragen zijn lammeren te voeden. Maar, Jezus zei niet
dat de apostelen de enigen waren die die aanstelling kregen.
De illustratie heeft duidelijk relevantie in de tijd waarin
Christus feitelijk aankomt om te oordelen, wat lang na de
tijd van de apostelen is. De criteria voor de aanstelling
is daarom niet gebaseerd op één of andere chronologie die
aan 1914 verbonden is. Iedereen die gezalfd is en die zich
in een verantwoordelijke positie in de organisatie bevindt,
moet zichzelf beschouwen als staande onder de verplichting
van de getrouwe slaaf.
Dus, ondanks dat Christus zijn gezalfde slaven niet "over
al zijn bezittingen" heeft aangesteld in 1919, is het
door het werk dat de Wachttoren gedaan heeft, en doet, duidelijk
dat ze terecht zijn aangesteld om Gods huisgezin te voeden
en overeenkomstig geoordeeld zullen worden wanneer de meester
onverwachts aankomt.
|
|
| In het essay: Oordeelsdag:
Het Laatste Uur van de Achtste Koning citeerde je Openbaring
6:12-17 waar wordt beschreven dat bergen en eilanden van hun
plaats verwijderd worden. Jij suggereerde dat dit de tijd
is wanneer de Anglo-Amerikaanse diade de bijna dodelijke slag
ontvangt. Dit lijkt redelijk te zijn, totdat we de laatste
twee verzen van Openbaring 6 lezen. Daar worden de natiën
beschreven die zeggen: "Valt op ons en verbergt ons voor het
aangezicht van Degene die op de troon zit en voor de gramschap
van het Lam." Deze verzen, en daarmee ook de gehele passage,
lijken over Armageddon zelf te spreken in plaats van de door
mensen veroorzaakte Derde Wereldoorlog. Waarom zouden de natiën
de regeringen en instellingen anders vragen "op ons te vallen,"
als bescherming tegen Jehovah en Jezus? Het is toch te Armageddon
of de goddelijk geïnspireerde Grote Verdrukking dat de gehele
wereld zich zal realiseren wie deze calamiteit veroorzaakt?
|
|
|
| De gebeurtenissen waarnaar je verwijst zijn
het gevolg van het openen van het 6de zegel. Als het openen
van het 6de zegel resulteert in de oorlog van Armageddon,
zou er geen reden meer zijn het overgebleven 7de zegel te
openen. Het openen van het 7de zegel resulteert echter in
een serie trompetstoten en door engelen gedane aankondigingen
die een inleiding zijn voor de feitelijke vernietiging van
Babylon de Grote en Armageddon.
De mensheid wordt bij het openen van het 6de zegel beschreven
als smekend om bescherming voor Gods wraak, omdat de verdrukking
plaatsvindt omdat Gods oordeel dit toestaat, ook al is het
een menselijke ramp. Toen de Babyloniërs en Romeinen bijvoorbeeld
Jeruzalem binnenvielen en vernietigden, werd dit beschouwd
als een daad van God, omdat Jehovah had voorzegd dat hij
die werktuigen zou gebruiken om verdrukking over de Joden
te brengen.
In het geval van de komende verdrukking, start Jezus in
werkelijkheid een kettingreactie van gebeurtenissen op wanneer
hij de Duivel en zijn demonen uit de hemel schopt. De instelling
van Christus' koninkrijk is dus de cruciale gebeurtenis
die het begin van het einde van deze wereld initiëert, en
alle opvolgende gebeurtenissen die door Satans aanval na
zijn uitdrijving teweeg worden gebracht, worden beschouwd
als Jehovah's oordelen.
|
|
| We hebben ons reeds
lange tijd opgemaakt voor een aanval op de Wachttoren. Ik
dacht dat daar de nieuwe regeling van boekstudieopziener voor
bedoeld was. Ik heb altijd gedacht dat dit zou gebeuren en
dat we in kleine groepjes bij elkaar zouden komen tot Armageddon.
Waarom zou de ineenstorting van het WTB&TG als een operationele
entiteit zo verwoestend zijn als jij doet voorkomen? Het lijkt
erop dat we voldoende lektuur hebben om jaren vooruit te kunnen
zonder dat het Genootschap iets nieuws drukt. |
|
|
| De Wachttoren laat hierover meerdere geluiden
horen. In het Wachttoren studieartikel van vorige week, stond
er in de 16de paragraaf bijvoorbeeld het volgende: "Op
Jehovah vertrouwen betekent ook vertrouwen op het hedendaagse
zichtbare kanaal waarvan hij al tientallen jaren onmiskenbaar
gebruik maakt om zijn voornemens te dienen. Dan zullen ware
christenen als nooit tevoren hun vertrouwen moeten stellen
op medeaanbidders die door Jehovah en zijn regerende Koning
zijn gemachtigd om de leiding te nemen. Deze getrouwe mannen
zullen Gods volk leiden. Het negeren van hun leiding zou op
rampspoed kunnen uitlopen."
De boodschap is dat de Wachttoren er altijd zal zijn om
Jehovah's Getuigen te leiden. Die bewering gaat echter rechtstreeks
tegen Bijbelse profetieën in. Joël voorzegt bijvoorbeeld
dat de "waterkanalen" zullen opdrogen en dat Jehovah's
schapen als gevolg daarvan de fouten van onze leiders moeten
dragen. Het 29ste hoofdstuk van Jesaja zegt dat Ariël, Gods
natie, tot zwijgen zal worden gebracht, waarbij zijn eigen
woord als een zachte fluistering uit het stof zal klinken.
Zacharia voorzegt dat wanneer Jehovah's oordeel over zijn
volk komt, de herder geslagen zal worden en de schapen verspreid
worden. Degenen die dienen als profeten zullen die roeping
niet erkennen en zich voordoen als gewone mannen. Micha
voorzegt dat Jehovah zal veroorzaken dat zijn volk verward
zal raken. En natuurlijk spreken vele Psalmen ook voor Christenen
vanuit een vernederde toestand van verbijstering en verwarring,
welke het gevolg is van Jehovah's straf.
Wat de Wachttoren echter buiten beschouwing laat, is dat
Jehovah's Getuigen tot op dit moment in vele aspecten van
profetieën zijn misleid. Vooral door 1914 en alle gerelateerde
profetieën die op die periode van toepassing zijn gebracht.
Maar ook met betrekking tot onze verwachtingen voor de toekomst
aangaande de volgorde van gebeurtenissen. Tot dusver heeft
de Wachttoren geen geneigdheid geuit hun leerstellingen
te corrigeren.Ze lijken te rekenen op het einde van wereld
om hen uit hun benarde situatie te bevrijden. Dat gaat echter
niet gebeuren. De Wachttoren heeft er zo'n zootje van gemaakt
dat ze niet eenvoudigweg kunnen weglopen zonder verantwoording
af te leggen voor hun fouten. Hoe kan de God van waarheid
toelaten dat zijn naam en reputatie op zo'n manier door
zijn dienaren wordt gedenigreerd?
Dit is bijvoorbeeld Jehovah's opgetekende berisping in
Jesaja 48:1-2, waar staat: "Hoort dit, o huis van Jakob,
gij die u noemt naar de naam Israël en die zelfs uit de
wateren van Juda zijt voortgekomen, gij die zweert bij de
naam van Jehovah en die zelfs gewag maakt van de God van
Israël, niet in waarheid en niet in rechtvaardigheid. Want
zij hebben zich genoemd als afkomstig zijnde uit de heilige
stad, en op de God van Israël hebben zij gesteund, Jehovah
der legerscharen is zijn naam."
Het is duidelijk dat hedendaagse Jehovah's Getuigen, vooral
de gezalfden, beweren het geestelijk Israël te zijn en inwoners
van de hemelse stad Jeruzalem, zoals de profetie beschrijft.
En we maken zeker gewag van de God van Israël en zweren
bij de naam van Jehovah, in de zin dat de Wachttoren plechtig
Gods naam verbindt aan alles wat zij doet. Maar, vanuit
Gods standpunt is onze bediening niet in waarheid, noch
zijn we rechtvaardig. Het doet er niet toe of de Wachttoren
zelf verklaart de nooit-falende waarheidslievende
en rechtvaardige leider te zijn. Jehovah's oordeel is datgene
wat telt. Dus, wil God de zaken rechtzetten en zichzelf
heiligen, moet hij degenen die schande over zijn naam hebben
gebracht, vernederen.
Verderop in Jesaja, in het 11de vers, stelt God de volgende
rethorische vraag: "Om mijnentwil, om mijnentwil zal
ik handelen, want hoe zou men zich kunnen laten ontwijden?"
|
|
|
|
|