| |
Week van: 7 t/m 13 September 2003
| |
|
Gedurende de aankomende
paar weken zal de postzak exclusief gewijd zijn aan het
beantwoorden van 65 vragen die op het Internet gericht worden
aan Jehovah's Getuigen. De vragen kunnen gevonden worden
door hier
te klikken. Deze week zullen de vragen 1-20 worden beantwoord.
UPDATE:
Kort nadat e-Watchman een openbaar antwoord had geschreven
op de 65 Vragen, heeft degene die de 65 Vragen stelde de
URL veranderd en zijn "uitdaging" opnieuw online
gezet als '101 Vragen.' Een bijgewerkt en uitgebreid antwoord
van e-Watchman hierop zal binnenkort beschikbaar worden
(9 oktober 2003).
|
| |
|
| 1. Het WTG beweert
dat het de Bijbel als "opperste autoriteit" gebruikt.
Waar in de Bijbel telt iemand zijn predikingstijd op een papiertje
en zijn er kaarten waarop de activiteit wordt bijgehouden,
waarbij deze gebruikt worden als "meter voor geestelijke
gesteldheid"? Waar in de Bijbel vinden we Pioniers, Speciale
Pioniers, Districtsopzieners, Kringopzieners, Bethelieten
en Koninkrijkszalen? |
|
|
|
In beschouwing genomen dat alle hedendaagse Christelijke
denominaties dingen doen die onbekend waren voor de 1ste
Eeuwse Christenen, is dit meer een muggenzifterige en vittende
vraag over de manier waarop Jehovah's Getuigen op organisatorisch
niveau opereren, dan een zoektocht naar waarheid of
we de zaken op een Bijbelse manier uitvoeren. De 1ste Eeuwse
Christenen bezaten bijvoorbeeld geeneens persoonlijke exemplaren
van de Schriften, welke in die tijd vervat waren in vele
moeilijk te hanteren, op zichzelf staande boekrollen en
brieven die gekopiëerd waren en onder de gemeenten
de ronde deden. De vroegere Christenen kwamen ook samen
in particuliere huizen en op openbare plaatsen. Er waren
geen kerken, geen kathedralen en geen koninkrijkszalen.
Beschouw als bewijs daarvan eens Paulus' begroeting in Kolossenzen
4:15 aan een vrouw genaamd "Nymfa en aan de gemeente
die in haar huis samenkomt." Het is trouwens
zo dat Jehovah's Getuigen, naast samenkomsten in onze koninkrijkszalen,
ook regelmatig bijeenkomen in kleine groepjes in particuliere
huizen - net als de vroegere Christenen.
Wat betreft de organisatorische structuur van de vroegere
Christelijke kerk, in Efeziërs 4:11 schreef Paulus
dat God de gemeente voorzag van diverse gaven in mensen:
"sommigen als apostelen, sommigen als profeten,
sommigen als evangeliepredikers, sommigen als herders en
leraren." Ondanks dat alle Christenen geroepen
worden om een openbare bekendmaking van hun geloof te doen,
waren sommige vroegere Christenen buitengewone predikers.
Filippus werd bijvoorbeeld "de evangelieprediker"
genoemd. De zogenoemde pioniers onder Jehovah's Getuigen
worden ook volletijds predikers genoemd, omdat ze een aanzienlijke
tijd besteden aan hun bediening.
Hedendaagse kringopzieners en districtsopzieners volgen
het patroon van de apostel Paulus en Barnabas, in dat de
apostel en zijn metgezellen in een kring rondreisden,
waarbij ze broeders en gemeenten bezochten en opnieuw bezochten
en brieven van aanmoediging en instructie schreven. Trouwens,
Markus 6:6 vermeldt dat Jezus ook "in een kring
de dorpen rond [ging] en onderwees." Eén
functie van onze hedendaagse KO (Kringopziener) is dat hij,
wanneer hij zijn halfjaarlijkse bezoek brengt aan elke gemeente,
niet alleen onderwijs geeft, maar ook de geestelijke kwalificaties
van elke toekomstige ouderling bespreekt en in overweging
neemt hen tot een ambt aan te stellen. In Titus 1:5 instrueerde
Paulus Titus juist dat te doen op het eiland Kreta. Er staat:
"Om deze reden heb ik u op Kreta achtergelaten,
opdat gij de dingen waaraan wat ontbrak, in orde zoudt brengen
en in stad na stad oudere mannen zoudt aanstellen, zoals
ik u opgedragen heb."
Jehovah's Getuigen hebben op vele manieren het model en
methoden van de oorspronkelijke Christenen overgenomen.
De feitelijke organisatorisch-toegewezen namen aan diverse
posities van verantwoordelijkheid worden wellicht niet teruggevonden
in het verslag dat behouden is gebleven in de Griekse Geschriften,
maar de posities van verantwoordelijkheid kunnen
daar wel gevonden worden. De benaming is enkel een
afspraak, welke in alle denominaties wordt gemaakt.
Aangaande het bijhouden van de tijd die besteed is aan
de prediking en het bijhouden van een "kaart van activiteit,"
ondanks dat hiervan geen gebeurtenis in de Bijbel staat
vermeldt, bestaat er ook geen verbod op zoiets; eenvoudig
gezegd: de Bijbel zwijgt erover, in beide gevallen.
|
|
| 2. Waarnaar verwees
Jezus met de uitdrukking "deze tempel" in Johannes
2:18, 19? In Johannes 2:21 zegt Johannes duidelijk dat wanneer
Jezus de uitdrukking "deze tempel" gebruikte, hij
naar zijn lichaam verwees. Als datgene wat het WTG leert over
Jezus' lichaam na zijn dood correct is, hoe leg je deze verzen
dan uit? |
|
|
|
Jezus sprak in geestelijke termen, welke de Joden
en zelfs zijn eigen apostelen eerst niet begrepen. De meeste
mensen denken bij een tempel aan een fysiek gebouw
waar een vorm van formele aanbidding of offergave wordt
uitgevoerd. In Jezus' dagen was de tempel van God het uit
stenen en mortel bestaande gebouw in Jeruzalem. Jezus sprak
die woorden oorspronkelijk tot de Joden om hen opnieuw te
laten beschouwen hoe God vanaf dat moment aanbeden wilde
worden. Jezus voorzei dat de Joodse tempel met de grond
gelijk zou worden gemaakt, waarbij geen steen op de andere
zou worden gelaten. De Christelijke gemeente zou de Joodse
natie als Gods organisatie vervangen. Maar, in plaats van
een fysieke tempel, vormen Christus en zijn gezalfde volgelingen
een geestelijke tempel voor God om in geest te wonen,
en wordt Jezus, als hoofd van die organisatie, de fundament-hoeksteen
van dat "gebouw" genoemd.
Verder zou Jezus' vleselijke lichaam aan God geofferd worden,
als op een tempelaltaar. En na zijn opstanding werd Jezus
de hogepriester, dienst verrichtend op grond van zijn eigen
offer. Daarom verwees Jezus naar de tempel van zijn lichaam.
Hier volgen enkele relevante verzen die wijzen op de geestelijke
natuur van Gods tempel.
1 Korinthiërs 3:16, 17: "Weet gij niet dat
gijlieden Gods tempel zijt en dat de geest van God
in u woont? Indien iemand de tempel van God vernietigt,
zal God hem vernietigen; want de tempel van God is
heilig, welke tempel gijlieden zijt."
1 Korinthiërs 6:19: "Wat! Weet gij niet dat
ulieder lichaam de tempel is van de heilige geest
die in u is, die gij van God hebt?"
2 Korinthiërs 6:16: "Want wij zijn een tempel
van een levende God, zoals God heeft gezegd: "Ik zal
onder hen verblijven en onder hen wandelen, en ik zal hun
God zijn en zij zullen mijn volk zijn.""
Efeziërs 2:20-22: "Terwijl Christus Jezus
zelf de fundament-hoeksteen is. In eendracht met hem groeit
het gehele gebouw, harmonisch samengevoegd, uit tot een
heilige tempel voor Jehovah. In eendracht met hem wordt
ook gij mede opgebouwd tot een plaats waarin God door geest
woont."
Zoals Gods Woord bevestigt, onderwijzen Jehovah's Getuigen
de waarheid omtrent de geestelijke natuur van Gods tempel.
|
|
| 3. Als de Heilige Geest
Gods onpersoonlijke "werkzame kracht" is, waarom
spreekt hij dan rechtstreeks en verwijst hij naar zichzelf
als "ik" en "mij" in Handelingen 13:2?
|
|
|
|
Het vers in kwestie luidt: "Terwijl zij openbare
dienst voor Jehovah verrichtten en vastten, zei de heilige
geest: "Zondert mij van allen Barnabas en Saulus af
voor het werk waarvoor ik hen heb geroepen.""
De heilige geest is, ondanks dat het geen individueel persoon
is, ook niet echt onpersoonlijk. In aanmerking nemende
dat het van God afkomstig is en voor hem spreekt, is het
passend de geest van God te personifiëren, wat de Bijbelschrijvers
soms deden. We moeten bedenken dat de oorspronkelijke Christelijke
gemeente toegerust was met vele gaven van de geest die we
heden ten dage niet bezitten. Eén van de gaven van
de geest was dat personen in tongen spraken. Toen dat verschijnsel
plaatsvond, was het de geest die voor God tot hen sprak.
Kennelijk is het vers dus bedoeld om aan te tonen dat de
heilige geest zich duidelijk manifesteerde toen het bij
die gelegenheid tot hen sprak. Onder die omstandigheden
is het begrijpelijk waarom ze eenvoudigweg "de heilige
geest zegt" zouden zeggen. Het zou echter onwijs
zijn de overhaaste conclusie te trekken dat de heilige geest
een feitelijk hemels persoon als God en Christus is. In
de context van het lasteren van de heilige geest, verwees
Jezus er eens naar als "Gods vinger." Wanneer
de heilige geest een gelijkwaardig onderdeel van God in
de mysterieuze Drieëenheid is, zou het niet erg gepast
zijn naar hem te verwijzen als Gods vinger, toch?
Zoals Gods Woord bevestigt, onderwijzen Jehovah's Getuigen
de waarheid omtrent de natuur van Gods heilige geest.
|
|
| 4. Kolossenzen 1:16
zegt, sprekend over Jezus, dat "...Alle [andere] dingen
zijn door tussenkomst van hem en VOOR HEM geschapen".
Als Jezus de Aartsengel Michaël ten tijde van de schepping
was, zou een engel alle dingen voor zichzelf geschapen hebben?
Jesaja 43:7 zegt dat God "een ieder...tot mijn EIGEN
heerlijkheid..." geschapen heeft. |
|
|
|
Wanneer we voorzetsels willen ontleden en analyseren, moeten
we ook beschouwen wat het betekent dat "alle dingen
door tussenkomst van hem geschapen" zijn.
De definitie in het woordenboek van door tussenkomst
in die context wijst erop dat Christus niet de initiatiefnemer
was van het scheppingsproces, maar dat de Schepper de voormenselijke
Jezus enkel gebruikte als het middel waardoor hij
zijn goede voornemens bewerkstelligde. Daar Jehovah zijn
zijn eerstgeboren zoon op zo'n wonderbaarlijke wijze gebruikte,
waarbij hij klaarblijkelijk tot hem zei: "Laten
we de mens maken naar ons beeld," was het met scheppingsvermogen
begiftigde Woord van God de aangewezen begunstigde voor
het delen in de vreugde tijdens de Schepping. Dat God zo'n
eer aan zijn zoon verleende, betekent niet dat de Zoon op
één of andere wijze de Vader bestolen heeft
van enige heerlijkheid. Integendeel, het feit dat het Opperwezen
van het universum de vreugde van de schepping met zijn zoon
deelde, geeft juist meer Heerlijkheid aan God vanwege zijn
edelmoedigheid.
De eenvoudige waarheid is dat Jehovah gemakkelijk alle
dingen had kunnen scheppen zonder een beroep te doen op
zijn hemelse zoon, maar de Zoon had zelf geen schepping
kunnen ondernemen zonder zijn Vader. Daarom noemt Jezus
zichzelf nooit de Schepper. Zelfs toen hij het Genesis verslag
van de Schepping in Mattheüs 19:4 citeerde, nam Jezus
niet de eer voor de schepping van Adam en Eva; ondanks dat
hij ongetwijfeld degene was tot wie Jehovah sprak toen hij
zei: "Laten we de mens maken naar ons beeld."
In plaats van die gelegenheid te baat te nemen om zijn aandeel
aan de Schepping te onthullen, verwees Jezus nederig naar
God als degene die Adam en Eva onder één juk
heeft samengebracht.
Wederom, zoals Gods Woord bevestigt, onderwijzen Jehovah's
Getuigen de waarheid omtrent Jezus Christus.
|
|
| 5. Het WTG beweert
dat Ezechiëls profetie over de Joden die terugkeren naar
hun land in vervulling gaat in hun organisatie. Ezechiël
36:24, 28 zegt: "En ik wil u uit de natiën halen
en u bijeenbrengen uit alle landen en u brengen op uw grond"
en "Gij zult stellig wonen in het land dat ik aan uw
voorvaders heb gegeven, en gij moet mijn volk worden en ikzelf
zal uw God worden." Als dit in de Wachttorenorganisatie
in vervulling gaat, hoe keren zij dan terug naar het land
KANAÄN zoals beloofd aan de voorvaders? Psalm 105:8-11.
|
|
|
|
De menselijke geest werkt op zo'n manier dat het complexe
en abstracte ideeën het beste kan bevatten wanneer
ze een patroon heeft om het vanaf te leiden. Zonder in de
ingewikkeldheden van de profetieën zelf te duiken,
kan er worden gesteld dat de profetieën die gericht
zijn aan het oude Israël voorbeelden en patronen
stellen voor de Christelijke organisatie van het geestelijk
Israël gedurende de tijd van Gods definitieve oordeel.
Paulus verwees naar dat principe toen hij het volgende aan
Christenen schreef: "Deze dingen nu bleven hun overkomen
als voorbeelden en ze werden opgeschreven tot een waarschuwing
voor ons, tot wie de einden van de samenstelsels van dingen
gekomen zijn."
Paulus werd ook geïnspireerd om uit te leggen hoe
alle aspecten van de oorspronkelijke tabernakel-aanbidding
en de tempelregeling enkel "een voorafbeelding en
een schaduw van de hemelse dingen" was.
Het 36ste hoofdstuk van Ezechiël is één
van de vele profetieën die spreken over de verzameling
en het herstel van de Joodse natie. Israël stond in
een verbondsverhouding met Jehovah en die verhouding werd
bijna verbroken door de afgoderij en immoraliteit van de
Joden. Jehovah strafte hen door hen uit het land te werpen
dat hij hen gegeven had; maar later nam hij hen weer aan
als zijn volk.
Volgens Paulus is de gezalfde Christelijke gemeente het
werkelijke zaad van Abraham. En wanneer we het patroon
van de profetieën gericht aan de tegenhanger uit de
oudheid volgen, wordt het hedendaagse Israël evenzo
getuchtigd door God; verstrooid gedurende een tijd van verdrukking.
Maar, zoals Jezus zei, zullen Gods uitverkorenen uiteindelijk
verzameld worden vanuit de vier uithoeken van de aarde.
Evenzo, in plaats van de beërving van een letterlijk
land Kanaän, gebruikte Jesaja de uitdrukking "nieuwe
hemelen" en "nieuwe aarde" om
het herstelde Joodse thuisland te beschrijven. Bijbelstudenten
merken natuurlijk direct op dat de apostelen Petrus en Johannes
ook specifiek verwezen naar een nieuwe hemel en nieuwe aarde,
welke door getrouwe Christenen beërfd zal worden aan
het eind van deze huidige oude hemelen en het oude aardse
samenstel van dingen.
|
|
| 6. Beschouw ook wat
er gezegd wordt over degenen die de profetie vervullen. Ezechiël
36:22 zegt: "Daarom, zeg tot het huis van Israël:
'Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: "Niet ter
wille van u doe ik het, o huis van Israël, maar
voor mijn heilige naam, die gij ONTHEILIGD hebt onder de natiën
waar gij zijt gekomen."'" Daar het WTG beweert dat
het het geestelijk Israël is en deze profetieën
in Ezechiël vervult, hoe geloven Jehovah's Getuigen dan
dat ze Gods naam onder natiën hebben ontheiligd? |
|
|
|
Je 65 vragen werden enkele jaren geleden gepubliceerd.
Sinds die tijd zijn er echter diverse schandalen
aan het licht gekomen en zijn wijds gepubliceerd. In het
bijzonder hebben Jehovah's Getuigen Gods naam in de ogen
van de mensen ontheiligd door het bedekken van pedofilie
in onze gemeenten. Toch moeten we niet verwachten dat Jehovah's
Getuigen gemakkelijk de verantwoordelijkheid accepteren
voor het brengen van smaad over de naam van Jehovah. Als
we de profeten als patroon mogen nemen, moet God eerst
zijn volk veroordelen met gebruik van vrij strenge maatregelen
voordat ze nederig zullen toegeven Gods naam te hebben
ontheiligd. Daar de Oordeelsdag nog steeds in de toekomst
ligt, heeft de dag van onze afrekening nog niet plaatsgevonden.
Ondanks dat Jehovah ons nog veel te leren heeft, lijken
Jehovah's Getuigen in ieder geval de sleutel tot het ontsluiten
van toekomstige kennis aangaande de heilige geheimen van
profetie toevertrouwd te hebben gekregen.
|
|
| 7. Daar het WTG het
gebruik van bloedtransfusies verbiedt, waarom staat het dan
de infusie van albumine, stollingsfactoren en gammaglobulinen
toe, welke allemaal afkomstig zijn uit menselijk bloed? Daar
Handelingen 15:29 duidelijk verwijst naar de oude Joodse wet
van het niet ETEN van bloed (Gen. 9:4, Lev. 3:17, Deut. 12:16),
en daar het WTG haar leerstellingen zo vaak heeft gewijzigd
op belangrijke gebieden zoals orgaantransplantaties, de definitie
van "geslacht," het jaar van Armageddon, enz., enz.,
en deze veranderingen eenvoudigweg "Nieuw Licht"
noemt, hoe kan je er dan zeker van zijn dat ze op een dag
hun leerstelling omtrent bloedtransfusies niet zullen wijzigen
en ook daarnaar verwijzen als "Nieuw Licht." |
|
|
|
Ten eerste, Gods verbod op het eten van bloed in Genesis
9:4, is vele eeuwen ouder dan de Joodse wet. Daar de hele
mensheid nakomelingen van Noach zijn, mogen we de wet die
God aan onze voorvader gaf niet lichtzinnig van de hand
wijzen.
Ten tweede, in het 15de hoofdstuk van Handelingen trachtten
de apostelen het eens te worden over de verdeeldheid zaaiende
vraag of de niet-Joodse Christenen verplicht waren de Joodse
wet te onderhouden. Hun conclusie was dat die last niet
op hen gelegd moest worden - "dan deze noodzakelijke
dingen," waarvan "u te blijven onthouden
van bloed" er één was.
De apostelen waren duidelijk niet bekend met bloedtransfusies,
maar ze erkenden dat Jehovah, als de Schepper en Levengever,
specifiek gezegd had dat het bloed van elk aards schepsel
exclusief aan hem toebehoorde. Dus, hedendaagse Godvrezende
Christenen zien zich geconfronteerd met de uitdaging zich
te houden aan het principe wat opgesloten ligt in
het apostolische gebod zich als noodzakelijk iets te blijven
onthouden van bloed.
Maar, heden ten dage is het niet zo duidelijk wat er wordt
verstaan onder "onthouden van bloed." Nieuwe
produkten en technologieën waarbij bloed, bloedfracties
en miniscule bloedprodukten worden gebruikt, zijn constant
in ontwikkeling. Als gevolg van de altijd veranderende uitdagingen
waar we mee te maken hebben, is het voor het Besturende
Lichaam van Jehovah's Getuigen noodzakelijk geweest soortgelijke
apostolisch-achtige beslissingen te nemen over de kwestie.
Waar het op neerkomt is echter dat we allemaal, individueel,
verantwoording moeten afleggen aan God. Dus, elk van ons
heeft voor God de verantwoordelijkheid zichzelf bekend te
maken met de kwesties en vervolgens te doen wat ons geweten
ons zegt wat het juiste is ten opzichte van God.
Jehovah's Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent onze
verplichting voor God ons te onthouden van bloed.
|
|
| 8. Rechtvaardigt Spreuken
4:18 werkelijk een organisatie die leerstellingen en gefaalde
profetieën vervangt met nieuwe leerstellingen en profetieën,
of contrasteert het enkel het voordeel van de "rechtvaardige"
voor het gehoorzamen van een wijze vader (Spreuken 4:10-19)?
Verkeerde leerstellingen kunnen "leugenwoorden"
worden genoemd en Spreuken 13:5 zegt: "Een leugenwoord
is iets dat de rechtvaardige haat..." Als het WTG een
leerstelling verandert naar iets wat totaal anders is, is
het dan als een licht dat helder en helderder wordt of meer
als een leugenlicht (woord) dat volledig uitgedaan wordt en
een compleet nieuw licht wat aangeknipt wordt? Denk je dat
het WTG kritiek zou hebben op andere organisaties die haar
leerstellingen zo vaak op zoveel gebieden verandert als het
WTG de laatste 100 jaar heeft gedaan? |
|
|
|
We hebben kritiek op andere religies die hun verkeerde
leerstellingen niet veranderen!
Wanneer een bepaalde leerstelling verkeerd wordt bevonden,
is verandering dan geen goed iets?
In alle eerlijkheid, een deel van het probleem ligt in
het feit dat de vroegere Bijbelonderzoekers opgezadeld zaten
met een groot aantal leugens overgeërfd uit de Christenheid.
We vierden bijvoorbeeld Kerstmis en Pasen. Maar we erkenden
op een gegeven moment dat die vieringen in het geheel niet
Christelijk waren, maar feitelijk heidense feesten die door
de Katholieke Kerk aangekleed waren als Christelijke feestdagen.
We hebben die feestdagen daarom terzijde geschoven als onchristelijk.
We hadden ook bepaalde veronderstellingen aangaande profetieën.
Tot de 1920'er jaren geloofden we bijvoorbeeld dat de vele
profetieën aangaande Israël dat hersteld zou worden
van toepassing zou zijn op het hedendaagse Joodse volk -
in plaats van op het geestelijk Israël. We dachten
in fysieke termen in plaats van geestelijke. Christelijke
fundamentalisten en anderen geloven nog steeds in
de leugen dat de hedendaagse Zionistische politieke beweging
op één of andere manier Bijbelprofetieën
vervult. Maar, we hebben reeds lange tijd zo'n absurd begrip
terzijde geschoven. De ware test van dicipelschap is, zoals
één vroegere Bijbelonderzoeker het verwoordde,
of we bereid zijn 'onze langgekoesterde fouten los te laten.'
Ondanks dat Jehovah's Getuigen niet mogen pochen over volledige
geestelijke verlichting en we inderdaad vele dwaze fouten
hebben gemaakt, bevinden we ons toch op een algemene stijgende
lijn richting God. In dat opzicht kunnen we
zeggen dat het licht van de dag helder en helderder wordt.
|
|
| 9. Aangaande Jezus'
terugkeer op aarde, Jehovah's Getuigen geloven dat het in
1914 als onzichtbare terugkomst heeft plaatsgevonden. Die
gebeurtenis wordt in Zacharia 14:4 beschreven, waar staat:
"En zijn voeten zullen op die dag werkelijk staan op
de berg der olijfbomen, die tegenover Jeruzalem ligt, aan
de oostkant." Als Jezus geen lichaam heeft en indien
zijn terugkeer onzichtbaar was, hoe leg je dit vers dan uit?
|
|
|
|
Een algemene fout die Christenen vaak maken is te denken
in fysieke termen. De apostelen van Christus vielen
in die valkuil door te denken dat Christus' koninkrijk letterlijk
zou gaan regeren vanuit het kleine, minieme Jeruzalem. Paulus
omschreef in 1 Korinthiërs 2:14 ronduit het probleem
door te zeggen: "Maar een fysiek mens aanvaardt
niet de dingen die van de geest Gods zijn, want ze zijn
hem dwaasheid; en hij kan ze niet te weten komen omdat ze
geestelijk worden onderzocht."
De profetie in het 14de hoofdstuk van Zacharia is afkomstig
uit de geest van God en kan, behalve geestelijk, niet worden
bestudeerd. Ongeacht onze huidige gehechtheid aan 1914,
beschrijft Zacharia de gebeurtenissen met betrekking tot
Gods volk die leiden tot de oorlog van Armageddon. Het 11de
hoofdstuk van Openbaring is een parallelle profetie welke
laat zien dat de heilige stad feitelijk Gods koninkrijk
op aarde afbeeldt - niet het letterlijke Jeruzalem. Dat
kan worden afgeleid uit het feit dat vers 15 verwijst naar
Christus' koninkrijk. Maar, Openbaring bevestigt ons dat
wanneer die heilige stad, een afbeelding van Christus' koninkrijk,
aangevallen wordt door de wilde beest-achtige politieke
koning, dat dat Gods woede doet ontsteken.
Toen Mozes de Wet van Jehovah ontving op de top van de
berg Sinaï, werd Jehovah beschreven als letterlijk
neerdalend op de top van de berg, waardoor die zichtbaar
schudde en rookte als een vulkaan. Maar, God was duidelijk
niet zichtbaar voor de Israëlieten die het spektakel
vanaf een afstand bekeken. Zacharia beeldt eenzelfde scenario
af van Jehovah die neerdaalt in een symbolisme dat verbonden
is aan Jeruzalem en de Olijfberg.
Jehovah's Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent Zacharia
4:14
|
|
| 10. Paulus zei: "...want
zo dikwijls als gij dit brood eet en deze beker drinkt, blijft
gij de dood des Heren verkondigen, totdat hij gekomen is."
(1 Korinthiërs 11:26) Als Christus in 1914 gekomen is,
waarom blijven Jehovah's Getuigen dan nemen van het brood
en de wijn? Zouden ze daarmee in 1914 niet gestopt moeten
zijn? |
|
|
| Niet noodzakelijkerwijs. Of Jezus' parousia
nu begon in 1914 of in een toekomende tijd zal beginnen, de
uitdrukking "totdat hij gekomen is," zoals
het in verband staat met de gerechtigde deelnemers aan het
brood en de wijn, heeft te maken met Jezus die aankomt om
zijn op zijn bruid gelijkende gemeente tot zichzelf aan te
nemen. Jezus zei dat de definitieve verzameling van zijn uitverkorenen
gedurende zijn tegenwoordigheid zou plaatsvinden; gedurende
een tijd van ongekende wereldwijde verdrukking. Wanneer het
laatste overlevende lid van de bruid van Christus gestorven
is en de bruiloft van het Lam in de hemel plaatsvindt, zal
er niet langer een ceremonieel eten van de symbolen van Christus'
dood plaatsvinden. Hij zal in die tijd volledig gekomen zijn.
|
|
| 11. Daar het WTG aanspraak
maakt op "apostolische successie," kan het haar
wortels helemaal tot Christus nagaan (Matth. 16:18)? Zo ja,
wie was degene die "de fakkel van Gods geest doorgaf"
aan C.T. Russell toen hij de organisatie stichtte? Wat was
de naam van deze persoon of personen? |
|
|
|
Je hebt het fout. Het Wachttorengenootschap maakt geen
aanspraak op zo'n geschenk van autoriteit als gevolg van
apostolische successie. Dat is een Katholieke leerstelling,
en wel een onschriftuurlijke.
De apostelen onderwezen dat ze geen opvolger zouden
hebben. Paulus zei in Handelingen 20:29, 30: "Ik
weet dat er na mijn heengaan onderdrukkende wolven
bij u zullen binnendringen, die de kudde niet teder zullen
behandelen, en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan
die verdraaide dingen zullen spreken om de discipelen achter
zich aan te trekken."
Paulus werd ook geïnspireerd om te onthullen wat enkelen
van die verdraaide leerstellingen zouden inhouden. In 1
Timotheüs 4:1-3 schreef de apostel: "De geïnspireerde
uitspraak zegt echter uitdrukkelijk dat in latere tijdsperiodes
sommigen zullen afvallen van het geloof, omdat zij aandacht
schenken aan misleidende geïnspireerde uitspraken en
leringen van demonen, door de huichelarij van mensen die
leugens spreken, die in hun geweten gebrandmerkt zijn, die
verbieden te trouwen en gebieden zich te onthouden van spijzen
die God heeft geschapen om met dankzegging te worden gebruikt
door hen die geloof hebben en de waarheid nauwkeurig kennen."
Deze profetie wijst rechtstreeks met een beschuldigende
vinger naar het Vaticaan, die fundamentele doch door demonen-geïnspireerde
leerstellingen houdt als het priesterlijk celibaat en diverse
voedselvoorschriften, zoals de straf tegen het eten van
vlees op Vrijdag, en andere restricties die verbonden zijn
aan Vasten.
In plaats van autoriteit te ontvangen door middel van apostolische
successie, ontlenen Jehovah's Getuigen hun autoriteit rechtstreeks
aan Christus als gevolg van het feit dat het hart van de
organisatie bestaat uit gezalfde Christenen die door middel
van Christus in een verbondsverhouding staan met Jehovah,
net zoals de oorspronkelijke apostelen en eerste Eeuwse
Christenen. Ook voorzei Christus dat hij enkele van zijn
slaven rechtstreeks zou aanstellen over zijn huisgezin van
dienaren en dat ze uiteindelijk als verantwoordelijke mannen
geoordeeld zullen worden.
|
|
| 12. De NWV vertaalt
Johannes 1:1 met: "...en het Woord was BIJ God en het
Woord was een god." Hoe kan het Woord (Jezus) "een
god" zijn wanneer God in Deut. 32:39 zegt: "Ziet
nu dat ik ik het ben En er zijn GEEN goden naast
mij..."? |
|
|
|
Toen Jehovah zich door middel van Mozes aan de Israëlieten
onthulde, was het een openbaring voor hen dat er geen andere
goden waren. Hun voormalige Egyptische meesters, en alle
natiën en volken toentertijd, waren polytheïsten;
aanbaden honderden goden en godinnen. De Hebreeën waren
uniek in hun aanbidding van de ene Godheid - Jehovah.
Mozes zei de Hebreeën echter dat Jehovah hen uiteindelijk
een andere profeet zou sturen, gelijk in autoriteit als
hijzelf. Die profeet bleek Jezus te zijn. En net zoals Mozes
anderszins verborgen waarheden exclusief aan de Hebreeën
onthulde, zou ook Jezus verdere openbaringen doen van voorheen
onbekende waarheden aangaande God en zijn voornemens. Met
betrekking tot de rol van Christus, zegt Kolossenzen 2:3:
"Zorgvuldig verborgen in hem zijn alle schatten
van wijsheid en van kennis."
Voordat Christus naar de aarde kwam, was het onmogelijk
de speciale relatie die God had met zijn eerstgeboren zoon
te kennen. Spreuken 30:4, ongeveer een millenium voor Christus
geschreven, zinspeelde op het bestaan van een zoon van God,
maar het was onmogelijk zijn naam te bepalen, zoals de Spreuk
retorisch vraagt, wanneer er staat: "Wie is ten
hemel opgestegen opdat hij kan neerdalen? Wie heeft de wind
in de holte van beide handen vergaderd? Wie heeft de wateren
in een mantel gewikkeld? Wie heeft al de einden der aarde
opgericht? Hoe is zijn naam en hoe de naam van zijn zoon,
ingeval gij het weet?"
Met de komst van Christus werd aan de mensheid onthuld
dat er iemand in het begin bij God was - Jehovah's
Enig-geboren zoon. Maar, in plaats dat het Woord een wedijverende
rivaal was, zoals alle valse goden van de natiën, is
Gods zoon, die uiteindelijk de man Jezus werd, een god van
Gods makelij. En nadat Jezus terug tot de hemel was opgewekt,
installeerde Jehovah Jezus als zijn absolute vertegenwoordiger,
zodat God de hele schepping gebood de Zoon net zo te eren
als dat ze de Vader eren.
Enkele Trinitariërs hebben Jehovah's Getuigen beschuldigd
van het promoten van polytheïsme, omdat we een onderscheid
maken tussen Jehovah en Jezus, en ondanks dat Jezus
als een machtige god erkennen. Maar, volgens Jezus' eigen
woorden in Johannes 17:3 is Jehovah de enige ware God.
In plaats van de overhaaste gevolgtrekking te maken dat
Jezus óf God zelf moet zijn óf één
van de valse goden, onthullen de Schriften dat Jezus vanaf
het begin een ondergeschikte rol naast God heeft gespeeld.
Jehovah's Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent de bijzondere
relatie tussen Jehovah en Jezus.
|
|
| 13. Het WTG leert dat
de 144.000 uit Openbaring 7:4 letterlijk genomen moet worden.
Als hoofdstuk 7 van Openbaring letterlijk moet worden genomen,
wat zegt de Bijbel dan over de herkomst van de 144.000? Zie
Openbaring 7:5-8. |
|
|
|
Die verzen beschrijven de 144.000 als bestaande uit 12.000
leden van elk van de 12 stammen van Israël. Als je
wilt beweren, wat velen doen, dat dat een letterlijke verwijzing
is naar de Joodse natie, dat is eenvoudigweg verkeerd. Zo'n
interpretatie gaat volledig voorbij aan het bestaan van
het geestelijk Israël.
Openbaring 14:3 verwijst ook naar de 144.000 en zegt dat
niemand zich Gods nieuwe lied eigen kon maken dan zij. Maar,
Openbaring 5:8-10 verwijst naar de heiligen die een nieuw
lied zingen voor God en zegt van hen dat Christus "uit
elke stam en taal en elk volk en elke natie personen voor
God [heeft] gekocht, en gij hebt hen gemaakt tot een koninkrijk
en tot priesters voor onze God, en zij zullen als koningen
over de aarde regeren."
Trouwens, in Mattheüs 21:43 zei Jezus tot de Joden:
"Daarom zeg ik u: Het koninkrijk Gods zal van u
worden weggenomen en aan een natie worden gegeven die de
vruchten daarvan voortbrengt." Wanneer het koninkrijk
Gods van de natie Israël werd weggenomen en aan een
andere "natie" gegeven zou worden, moeten we onszelf
het volgende afvragen: Aan welke natie werd het koninkrijk
Gods gegeven? Het werd gegeven aan de natie van het geestelijk
Israël. In zijn brief aan de Galaten, verpletterde
Paulus het idee dat Gods beloften nog steeds van toepassing
zijn op de vleselijke Joodse natie volledig. In Galaten
6:16 verwijst Paulus naar de Christelijke gemeente als het
"Israël Gods."
Verder begon Jakobus zijn brief door groeten te brengen
aan "de twaalf stammen die overal verstrooid zijn."
Hij verwees niet naar de letterlijke 12 stammen van Israël,
maar naar Christenen. Laat de lezer zich te binnen brengen
dat Christus zijn gemeente op de 12 apostelen bouwde, die
de 12 stammen van Israël als Jehovah's natie vervingen.
Met deze essentiële Bijbelse waarheden in gedachten
en door gebruik te maken van ons redeneringsvermogen, is
het daarom duidelijk dat de 144.000 feitelijk uitverkoren
zijn vanuit alle volken en natiën en niet slechts
Israël. Maar, zij worden ook passend gesymboliseerd
als een organisatie die bestaat uit de 12 stammen van Israël.
Deze cruciale Bijbelse verbanden niet kunnen leggen, is
een aanduiding van grove geestelijke blindheid. Jehovah's
Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent Christus en zijn
144.000 medekoningen en priesters.
|
|
| 14. Daar het WTG op
dit moment de meeste leerstellingen van haar stichter, Charles
Taze Russell (die van 1879-1916 president van de organisatie
was) heeft verworpen, en daar ze ook "rechter" Joseph
Franklin Rutherford verworpen hebben, die Russell opvolgde
als president van 1916-1942, hoe kan je er dan zeker van zijn
dat het WTG over 25 jaar niet de huidige president, Milton
Henschel (1992-nu) verwerpt, zoals ze bij Russell en Rutherford
hebben gedaan? Welk vertrouwen kun je hebben in een organisatie
die de stichter en eerste twee presidenten uit de 63 eerste
jaren van haar bestaan verwerpt - meer dan 50% van de tijd
dat ze bestaat? |
|
|
| Het Wachttorengenootschap verwerpt de leerstellingen
van haar Stichter niet. Russell heeft een solide leerstellig
fundament gelegd, wat tot op de dag van vandaag op zijn plaats
ligt. |
|
| 15. Als er geen bewustzijn
is na de dood, hoe kon er dan tot de "geesten in de gevangenis,"
die leefden gedurende de tijd van Noach, gepredikt worden
door Christus na Zijn dood (1 Petrus 3:18-20) en hoe kon het
goede nieuws "zelfs aan de doden worden bekendgemaakt"?
(1 Petrus 4:5, 6) |
|
|
|
De "geesten in de gevangenis" zijn niet
de onstoffelijke zielen van dode mensen, zoals je wellicht
aanneemt. De geesten waartoe Jezus zich richtte waren de
ongehoorzame zonen van God die zich materialiseerde tot
mannen om sexuele betrekkingen te hebben met vrouwen voor
de Vloed. Hun daad van opstand was trouwens de reden dat
God de wereldwijde overstroming veroorzaakte.
In 2 Petrus 2:4, 5 maakt de apostel duidelijk dat de gevangen
geesten de zogenoemde gevallen engelen zijn. Er staat: "Stellig,
indien God zich er niet van heeft weerhouden de engelen
die zondigden te straffen, maar hen, door hen in Tártarus
te werpen, aan afgronden van dikke duisternis heeft overgeleverd
om voor het oordeel bewaard te worden; en hij zich er niet
van heeft weerhouden een wereld uit de oudheid te straffen,
maar Noach, een prediker van rechtvaardigheid, met zeven
anderen veilig heeft bewaard toen hij een geweldige vloed
over een wereld van goddeloze mensen bracht."
De engelen die demonen werden, waren niet gevangen in de
zin van opgesloten zitten - nog niet. Jehovah wierp "hen
in de afgronden van dikke duisternis" in de zin
dat hij hen buiten zijn gezin van verheerlijkte hemelse
zonen stelde. Jehovah heeft niets meer met hun te maken,
en klaarblijkelijk begrensde God hen na de Vloed zodat hij
hun macht zich wederom als mensen te kunnen materialiseren,
wegnam. Verder bevinden de demonen zich in een staat van
"bewaard [worden] voor het oordeel,"
in dat ze als het ware in de dodencel zitten, wachtend op
hun terechtstelling.
Ondanks dat God in Eden het definitieve oordeel uitvaardigde
dat de slang en zijn verachtelijke zaad vertrapt zouden
worden door het messiaanse zaad van de vrouw, moest er nog
steeds worden bezien of Christus onder beproeving getrouw
zou blijven aan God - en zich aldus te kwalificeren als
Jehovah's Opper verdediger. Als de Duivel en zijn wanhopige
demonen er op één of andere wijze in geslaagd
zouden zijn Christus zijn integriteit te laten compromitteren
terwijl hij op aarde was, hadden ze hun strijdvraag, dat
geen enkel schepsel onder beproeving getrouw kon blijven
aan God, bewezen. De demonen vochten voor hun leven. Maar,
toen Jezus tot het einde toe getrouw en gehoorzaam aan God
bleef, de gruwelijkste dood verdragend die men kan bedenken,
waren zijn laatste woorden: "Het is volbracht."
Jezus' getrouwheid aan God tot het einde bewees dat de
Duivel een leugenaar was. Daarom uitte Jezus vlak voor zijn
dood de bewering dat hij de wereld had overwonnen. Hij had
de satanische god van deze wereld ook overwonnen. De dood
en daarop volgende opstanding van Christus verzegelde de
ondergang van de Duivel en ook die van zijn demonen.
Het prediken van Christus tot de geesten in de gevangenis
heeft te maken met het bekendmaken aan de demonen dat zijn
overwinning op de dood betekende dat de demonen die Jezus'
dood veroorzaakt hadden, zelf ter dood zouden worden gebracht
door Christus en zijn overwinnende 144.000. Daarom schreef
Paulus in het laatste hoofdstuk van Romeinen aan zijn mede
gezalfde Christenen dat God "Satan binnenkort onder
uw voeten [zal] verbrijzelen."
De Bijbel leert heel eenvoudig dat de doden zich van niets
bewust zijn in het graf. Echter, de Bijbel verwijst soms
naar mensen die geen relatie met God hebben als zijnde dood
- geestelijk dood. Jezus zei bijvoorbeeld eens: "Laat
de doden hun doden begraven. Christus zei dat
om aan te geven dat, tenzij we een levende relatie hebben
met hem en zijn Vader, we zo goed als dood zijn in hun ogen,
ondanks dat we misschien op het zicht een goed leven leiden.
Zo is het dat het andere vers in kwestie verwijst naar
mensen van de wereld, degenen die in de context worden beschreven
als vleselijk-gericht, die dood zijn voor Gods aangezicht,
maar die desalniettemin in de gelegenheid gesteld werden
om Gods boodschap welke tot hen werd gepredikt te horen.
Het is interessant dat 2 Petrus 3:16 zegt dat er dingen
in de Bijbel staan die moeilijk te begrijpen zijn, en als
gevolg daarvan verdraaien de niet-onderwezenen en onstandvastigen
de Schriften tot hun eigen vernietiging.
Jehovah's Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent de toestand
van de doden en de natuur van de demonen. Er bestaat werkelijk
geen excuus voor enig belijdend Christen onwetend te zijn
aangaande deze fundamentele Bijbelse leerstellingen.
|
|
| 16. Daar het WTG "nieuw
licht" heeft ontvangen aangaande het geslacht van 1914
en hun zienswijze hierover volledig veranderd heeft, betekent
dit dat alle voormalige Getuigen die jaren geleden uitgesloten
zijn voor het hebben van dezelfde gedachten die de organisatie
nu zelf leert, automatisch weer opgenomen worden in de broederschap?
Werden deze ex-Getuigen in feite uitgesloten voor wat nu als
"de Waarheid" wordt onderwezen? |
|
|
|
Ik heb nog nooit gehoord van iemand die voor zo'n onbeduidend
iets is uitgesloten - alhoewel het mogelijk is dat enkelen
uitgesloten zijn op grond van gerelateerde kwesties.
Naarmate de laatste jaren van het afgelopen millenium naderden,
werd er aangenomen dat het geslacht dat niet voorbij zou
gaan niet de in de Bijbel opgetekende 80 jaar zou overschrijden,
welke in de Bijbel als de dagen van onze jaren beschreven
wordt en past in de huidige gemiddelde 75-jarige levensduur.
1994 was het einde van de 80 jaar vanaf 1914, dus werd het
Wachttorengenootschap er door omstandigheden toe gedwongen
met een verklaring te komen. Voordat die 80 jaar voorbij
waren gegaan, kon niemand met zekerheid zeggen dat het geslacht
niet betekende wat het Genootschap aannam dat het betekende.
Natuurlijk moet het laatste hoofdstuk hier nog over geschreven
worden.
|
|
| 17. Als er 144.000
met geest gezalfde mensen zijn die een hemelse hoop hebben
en een grote schare van mensen die een andere hoop hebben
van eeuwig leven op een paradijs aarde, waarom zegt Paulus
dan dat er slechts ÉÉN hoop is (Efeziërs
4:4), in plaats van twee? |
|
|
|
Paulus sprak specifiek over het lichaam van Christus, wat
bestaat uit de 144.000. Het volledige vers luidt: "Eén
lichaam is er en één geest, zoals gij ook
werdt geroepen in de ene hoop waartoe gij werdt geroepen;
één Heer, één geloof, één
doop; één God en Vader van allen, die boven
allen en door allen en in allen is."
In Efeziërs 1:10 verwijst Paulus echter naar God die
alle dingen op de aarde alsook de dingen in de hemel weer
bijeen vergadert en beide groepen onderwerpt aan Christus.
Daar wordt gesproken over degenen die geen deel uitmaken
van het lichaam van Christus, maar de hoop hebben op eeuwig
leven op aarde.
Jehovah's Getuigen onderwijzen de waarheid omtrent het
feit dat enkelen van de mensheid een hemelse hoop hebben
en anderen de hoop op het voor eeuwig leven in een paradijs
op aarde.
|
|
| 18. Op blz. 66, 69,
211, 423, 560, 648 en 719 van Jehovah's Getuigen - Verkondigers
van Gods Koninkrijk, wordt verwezen naar The Finished Mystery,
wat het 7de deel van de serie Studies in the Scriptures was
dat in 1917 door het WTG werd uitgegeven (blz. 66, 719), en
in die tijd een belangrijke publicatie was van het WTG. Op
blz. 88, 648 en 651 verschijnt een afbeelding van het boek,
compleet met het gevleugelde schijf-symbool van de zonnegod
Ra op de voorkant. Is het waar dat The Finished Mystery onderwees
dat Christus de Almachtige was uit Openb. 1:8 (blz. 15), dat
Christus een "Kerk" stichtte (blz. 17), en dat Christus
onzichtbaar teruggekomen was in 1874 (blz. 54, 60, 68), dat
de Heilige Geest een persoonlijkheid bezat (blz. 57), dat
de grote pyramide van Gizeh Gods stenen getuige was en werd
gebruikt om het jaar van Armageddon te voorspellen (blz. 60),
dat Armageddon absoluut zou plaatsvinden in de lente van 1918
(blz. 62), dat Christus gekruisigd was (blz. 68), dat Leviathan
uit de Bijbel een verwijzing was naar de stoomlocomotief (blz.
85), en dat Michaël de Paus van Rome is en de engelen
zijn bisschops zijn (blz. 188)? Volgens de "huidige"
WTG leerstellingen keerde Christus in 1914 onzichtbaar terug
en koos hij in 1918 het WTG als zijn aardse organisatie uit,
omdat zij de enigen waren die "de Waarheid" onderwezen.
Indien dit zo was, zou Jezus bekend moeten zijn geweest met
de leerstellingen van het WTG zoals die in The Finished Mystery,
uitgegeven in 1917, stonden. Denk je werkelijk dat Christus
een organisatie uitgekozen zou hebben die zoveel dingen onderwees
die naar "huidige" WTG leerstellingen verkeerd waren
en niet langer worden geleerd als "de waarheid"?
|
|
|
|
Jezus' oorspronkelijke apostelen en dicipelen hadden heel
wat verkeerde begrippen die pas opgehelderd werden nadat
Jezus was opgestaan. Daarom zei Christus in Lukas 24:25
tot hen: "O onverstandigen, die traag van hart zijt
om alle dingen te geloven die de profeten hebben gesproken!"
Ondanks dat Christus zijn geliefde apostelen beschreef als
onverstandig en traag van hart om Gods woord te geloven,
had hij hen even tevoren toch de verantwoordelijkheid toevertrouwd
hem te vertegenwoordigen wanneer ze door het land trokken
om te prediken dat het koninkrijk Gods nabij was gekomen.
Dat is buitengewoon wanneer we beschouwen dat de apostelen
in de tijd dat ze erop uit werden gezonden niet eens wisten
dat het koninkrijk in de hemel zou zijn.
Jehovah's Getuigen staan in dezelfde positie ten opzichte
van Christus' aankomst, als dat de apostelen stonden voor
Christus' dood en opstanding. Maleachi 3:1,2 voorzegt dat
de aankomst van Gods Messiaanse boodschapper zal resulteren
in een loutering en reiniging van Gods dienstknechten. Er
staat: "Ziet! Ik zend mijn boodschapper, en hij
moet een weg voor mijn aangezicht banen. En plotseling zal
tot Zijn tempel komen de ware Heer, die gijlieden zoekt,
en de boodschapper van het verbond, in wie gij behagen hebt.
Ziet! Hij zal stellig komen", heeft Jehovah der legerscharen
gezegd. "Doch wie zal de dag van zijn komst verdragen,
en wie zal standhouden wanneer hij verschijnt? Want hij
zal zijn als het vuur van een louteraar en als het loog
van de wassers."
Wanneer er een definitieve afrekening en loutering zal
plaatsvinden voor het ware volk van God, zoals de Schriften
zeggen, is het logisch dat er onreine leerstellingen en
standpunten bestaan die verwijderd moeten worden. De fouten
van Jehovah's Getuigen, in het verleden en heden, diskwalificeren
ons daarom op zichzelf niet van vertegenwoordiging van Gods
koninkrijk, net zoals de apostelen niet ongeschikt waren
in hun geestelijk onverlichte toestand. De kwalificerende
factor is onze welwillendheid om onszelf te laten tuchtigen
en onderwijzen door Christus.
|
|
| 19. In Johannes 20:28
verwijst Johannes in het Grieks naar Christus als "Ho
kyrios moy kai ho theos moy". Dit wordt letterlijk vertaald
als "de Heer van mij en DE God van mij". Waarom
bevestigt Jezus Thomas in Johannes 20:29 voor het komen tot
dit besef? Als Jezus in werkelijkheid niet de Heer en DE God
van Thomas was, waarom verbeterde Jezus hem dan niet voor
óf het maken van een verkeerde veronderstelling óf
voor het uiten van een godslasterlijke bewering? |
|
|
|
De reden dat Jezus Thomas niet verbeterde, is omdat Jezus
uit Thomas bewering niet begreep wat jij denkt dat hij bedoelde.
Een paar verzen verder wordt gezegd: "Maar deze
zijn opgetekend opdat gij moogt geloven dat Jezus de Christus
is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven
leven moogt hebben door middel van zijn naam."
Toen Johannes het verslag jaren later optekende, was hij
kennelijk ook niet in verwarring. De apostelen erkenden
Jezus als de Zoon van God. Ze stonden toen niet onder Trinitarische
misleiding. Veel hedendaagse lezers zien echter de uitdrukking
"Zoon van God," en hun jaren lang door Trinitarische
theologie geconditioneerde geest zet die uitdrukking onwillekeurig
om in "God de Zoon."
Het is interessant dat Jezus dezelfde Griekse uitdrukking
gebruikte als Thomas toen hij met zijn laatste adem voor
zijn dood uitbracht: "De God van mij, de God van
mij, met wat laat gij mij achter"? (Vertaald: "Mijn
God, Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?) De vraag is:
Wanneer Thomas naar Jezus verwees toen hij zei "De
God van mij," naar wie verwees Jezus dan als zijn
God? De Trinitariër zal je waarschijnlijk het onzinnige
antwoord geven dat "God de Zoon," éénderde
van de triade, sprak tegen de andere tweederde van de zogenaamde
Drieënige Godheid.
De meer redelijke uitleg is dat Thomas, overweldigd door
zijn verbazing over de realiteit van Christus' opstanding,
welke hij daarvoor ontkend had, bewogen werd een uiting
te doen om te bevestigen dat hij Jezus als zijn Heer erkende
en als vergetenwoordiger van Jehovah God.
|
|
| 20. Als Christus geen
zichtbare terugkeer op aarde zal hebben, hoe zal hij dan gezien
worden door "ALLE stammen der aarde" (Matth. 24:30),
en door "ELK oog" (Openb. 1:7), wanneer hij terugkeert?
Hoe kan Christus een tweede maal "VERSCHIJNEN" (Hebr.
9:28) wanneer hij geen zichtbare terugkeer op aarde zal hebben?
|
|
|
|
Toen Jezus op aarde was, verwierpen de meeste Joden hem
uiteindelijk als Gods Messias. Ondanks dat ze met hun eigen
ogen zagen hoe Jezus allerlei krachtige werken en wonderen
verrichtte, waren ze verblind voor de betekenis ervan. Toen
Jezus terechtstond voor het Joodse Hooggerechtshof zei hij,
nadat hij erkent had dat hij de zoon van God was, tot hen:
"Gijzelf hebt het gezegd. Maar ik zeg ulieden: Van
nu af zult gij de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand
der kracht en hem zien komen op de wolken des hemels."
Maar, zagen de Farizeeën de Zoon des mensen letterlijk
aan Gods rechterhand zitten? Nee, dat voorrecht werd hen
niet gegeven. Maar, een paar uur later zagen ze de wonderbaarlijke
verschijnselen die zich voordeden bij Jezus' dood. De zon
werd bijvoorbeeld van het begin van de middag tot drie in
de namiddag verduisterd.
Enkele tijd later, direct voordat hij ter dood gestenigd
werd door een woedende God-hatende troep Joden, werd Stefanus
echter vervuld met heilige geest en staarde naar de hemel
en zag de Zoon des mensen zitten aan de rechterhand van
God. Dat verslag is terug te vinden in het 8ste hoofdstuk
van Handelingen.
We mogen daarom concluderen dat Christus' uitverkorenen,
bij zijn terugkeer, letterlijk de Zoon des mensen zullen
zien, maar dat Gods vijanden hem niet letterlijk zullen
zien.
Hedendaagse mensen zijn, ongeacht hun religieuze overtuiging,
evenzo blind voor geestelijke waarheid. Jezus zei dat de
mensen der aarde in aanloop naar zijn aankomst voor het
oordeel geen acht zouden slaan op de tekenen die er zouden
zijn. De profetieën voorzeggen daarom dat de ongelovige
wereld gedwongen zal worden de realiteit van Christus' wederkomst
in een zeer vervelende confrontatie onder ogen te zien.
Maar, in plaats dat de wereld Christus persoonlijk zal zien,
zegt Mattheüs 24:30 dat ze enkel het "teken
van de Zoon des mensen" dat aan de hemel zal verschijnen
zullen zien, waardoor de natiën zich in weeklacht zullen
slaan.
|
|
|
|
|