Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
 

Week van: 28 September t/m 4 Oktober 2003


 

Wanneer geloof in of acceptatie van de leerstelling omtrent 1914 niet vereist is voor redding, waarom is het dan een vereiste voor goedgekeurde omgang onder Jehovah's Getuigen, zoals in de Wachttoren van 1 april 1986 stond: "Voordat iemand door Jehovah's Getuigen als een goedgekeurde verbondene wordt beschouwd, moet hij het geheel van ware bijbelse leerstellingen aanvaarden, met inbegrip van de schriftuurlijke geloofsovertuigingen die uniek zijn voor Jehovah's Getuigen." (Vragen van Lezers, blz. 31) Waarom zou een Getuige die de leerstelling omtrent 1914 niet accepteert (of gerelateerde verkeerde leerstellingen) ermee voortgaan vergaderingen te bezoeken om slechts gemeden te worden door de broeders en zusters voor het niet "volgen van de lijn" en het niet accepteren van het geheel van leerstellingen? Wanneer we ten slotte geboden worden "onderling te vergaderen," hoe noodzakelijk of geloofsversterkend zal vergaderen zijn, wanneer degenen die ons zouden moeten aanmoedigen tot liefde en voortreffelijke werken ons in feite zouden mijden en ons als "geestelijk zwak" zullen zien, omdat we niet het "geheel van leerstellingen" accepteren?


Het Wachttorengenootschap is verkeerd bezig wanneer ze acceptatie van diverse interpretaties van profetie en chronologie tot speerpunten van ons geloof maken. Maar, je vroeg waarom we nog steeds omgang moeten blijven houden wanneer we niet het geheel van leerstellingen van het Genootschap accepteren?

Om die vraag bevredigend te beantwoorden, zou elke persoon die zich gesteld ziet tegenover die situatie, of soortgelijke omstandigheden, zichzelf de volgende vraag moeten stellen: Waarom ben ik überhaupt één van Jehovah's Getuigen geworden?

Waarschijnlijk zal je antwoord zijn dat je één van Jehovah's Getuigen bent geworden, niet alleen omdat je oorspronkelijk dacht dat Getuigen de waarheid hadden, maar ook omdat je Jehovah wilde dienen. Nu twijfel je er echter aan of Jehovah's Getuigen werkelijk Jehovah's dienstknechten zijn. Maar, het zou goed kunnen zijn alle factoren te beschouwen zodat in onze geest opnieuw wordt bevestigd wat het ware geloof precies inhoudt.

Hier volgen de fundamentele waarheden die belangrijk voor ons moeten zijn: Het eerste en belangrijkste is dat Jehovah God is - punt. Ten tweede, hij zond zijn eerstgeboren zoon, Jezus, om te sterven voor de mensheid. We zijn gezegend daar we zeker weten dat Jezus en Jehovah niet verenigd zijn in een mystieke, onbegrijpelijk Drieëenheid, zoals honderden miljoenen mensen door bedrog zijn gaan geloven.

We zijn geestelijk verlicht doordat we weten dat Satan niet één of ander onderaards, mythologisch figuur is, maar dat hij de slinkse god van deze wereld is. We zijn gewaarschuwd voor het feit dat de Duivel regeringen en religies van deze wereld van boven tot onder bestuurt en dat de mensen van deze wereld subtiel doordrongen zijn met zijn karakter en geest; daarom moeten we geen deel van de wereld zijn.

Een ander essentiëel aspect van de waarheid is de strijdvraag tussen Jehovah en Satan; die Gods karakter en zijn recht om te regeren, alsook onze integriteit ten opzichte van God in twijfel heeft getrokken.

Om de kwestie eens en voor altijd te beslechten, onthult de Bijbel dat God een koninkrijksregering heeft geschapen met Christus aan het hoofd, welke tevens bestaat uit 144.000 personen die gekocht zijn van de aarde. Het is Jehovah's voornemen om het koninkrijk uiteindelijk volledige macht te geven zodat ze de aardse aangelegenheden volledig onder controle heeft en Satan en zijn demonen in een uiteindelijke, beslissende oorlog, welke de gehele hedendaagse goddeloze maatschappij zal vernietigen, zal lozen.

Verder heeft Jehovah zich voorgenomen dat een ontelbare grote schare van Christenen het einde van de wereld zullen overleven om bewoners te worden van een nieuwe-wereldmaatschappij. Daarom worden Jehovah's Getuigen trouwens ook "Nieuwe Wereldmaatschappij" genoemd.

Er bestaan zeker vele details, maar dit zijn de fundamenten van de waarheid welke als een anker voor ons geloof moeten zijn.

Maar, wat betekent het nu feitelijk om één van Jehovah's Getuigen te zijn? Betekent het dat ons getuigenis geven enkel moet bestaan uit het verspreiden van de tijdschriften Wachttoren en Ontwaakt aan de mensen en commentaar te geven op vergaderingen in de koninkrijkszaal? Nee, dat is niet de betekenis van het één van Jehovah's Getuigen zijn. Eén van Jehovah's Getuigen zijn betekent dat we bekend zijn met de opperste universele strijdvraag tussen Jehovah en Satan en dat we er opzettelijk voor kiezen Jehovah's kant van de controverse te ondersteunen. Het kiezen van Jehovah's zijde betekent dat we Jehovah als de Soevereine Heer erkennen en we beloven onze levens op te dragen aan zijn zaak, ongeacht de persoonlijke prijs die daarmee gemoeid is.

In dat opzicht was Jezus één van Jehovah's getuigen - de belangrijkste getuige van de zaak van zijn God en Vader. Daarom stierf Christus - niet alleen om als losprijs voor ons te dienen, maar om te bewijzen dat de Duivel een leugenaar is. Dat is ook de reden waarom vele vroegere Christenen evenzo hun leven hebben gegeven. Gedurende de afgelopen eeuw zijn duizenden Jehovah's Getuigen ook vervolgd, gevangen gezet en zelfs gedood met betrekking tot de strijdvraag omtrent Jehovah's universele soevereiniteit.

Hecht Jehovah waarde aan zijn getuigen die dit absolute offer geven? Ja, dat doet hij zeker. Psalm 116:15 zegt: "Kostbaar in de ogen van Jehovah is de dood van zijn loyalen." Denk je dat het er voor Jehovah toe doet of duizenden van zijn volk, waarvan velen gezalfde Christenen zijn, die tot de dood toe pal gestaan hebben tegen de Nazi tirannie, wellicht in een leugen aangaande 1914 hebben geloofd? Kan zoiets onbeduidends het feit teniet doen dat ze willens en wetens hun leven voor Jehovah's zaak hebben gegeven?

Dat zou ons moeten helpen de zaken in het juiste perspectief te bezien, zodat we niet toestaan dat we van de weg afwijken of struikelen door datgene wat het Wachttorengenootschap wellicht doet, of nalaat te doen. Wanneer we werkelijk Jehovah's Getuigen zijn, zijn we een persoonlijke relatie met God en Christus aangegaan welke onze relatie met elke zogenoemde zichtbare organisatie ver overstijgt.

De context van de 116de Psalm , welke hierboven werd aangehaald, spreekt met zekerheid over de situatie waarmee velen van ons te maken krijgen. De verzen zes tot en met acht luiden bijvoorbeeld: "Jehovah behoedt de onervarenen. Ik was verarmd, en voorts heeft hij zelfs mij gered. Keer terug tot uw rustplaats, o mijn ziel, want Jehovah zelf heeft passend tegenover u gehandeld. Want gij hebt mijn ziel verlost van de dood, mijn oog van tranen, mijn voet van struikelen."

De Psalmist geeft Jehovah de eer voor het behoeden tegen struikelen, wat opzichzelf toegeeft dat er struikelblokken op ons pad zijn die niet overwonnen kunnen worden door onze eigen menselijke krachtsinspanningen. Dat komt omdat we onervaren zijn, zoals het 6de vers opmerkt. Wie heeft ten slotte de lange levenservaring als onze tegenstander de Duivel? Hoe kunnen we dan mogelijkerwijs hopen dat we, zonder Jehovah's hulp, over al zijn listig neergelegde struikelblokken kunnen stappen? Als gevolg van onze onervarenheid zijn we er vatbaar voor om tot struikelen te worden gebracht en daardoor raken we geestelijk behoeftig en uitgeput. Maar, de Psalmist spreekt vanuit het gezichtspunt van degenen met geloof in God. Daarom luiden de volgende verzen: "Ik wil voor het aangezicht van Jehovah wandelen in de landen der levenden. Ik had geloof, want ik ging spreken. Ikzelf was zeer gekweld. Ik voor mij zei, toen ik in paniek geraakte: "Ieder mens is een leugenaar.""

Beschrijft de Psalm niet onze moeilijke toestand? Zijn we niet "zeer gekweld" door gevoelens van verraad en teleurstelling? We zijn tot de conclusie gekomen dat iedereen, inclusief de getrouwe slaaf van het Wachttorengenootschap, "een leugenaar is." We zijn in "paniek" geraakt met betrekking tot ons geloof, alsof Jehovah niet langer meester over de situatie is, waarvan we voorheen in ons geloof verzekerd waren. Maar, volgens de Psalm is ons geloof de remedie. Daarom zei de Psalmist: "Ik had geloof, want ik ging spreken."

Wanneer we Jezus geloven dat niet één musje op de aarde valt zonder dat Jehovah dat weet, en dat God zo intens in ons persoonlijk geïnteresseerd is dat hij de haren op ons hoofd geteld heeft, hoe kan Jehovah ons dan mogelijkerwijs rond laten dolen en niet in middelen voorzien die ons geloof in tijden van moeilijkheden waar we tegenover kunnen komen te staan intact kunnen houden? Het is ondenkbaar dat hij dat zou doen. Maar, het komt wel neer op de diepte van ons geloof en onze vasthoudendheid in het smeken tot Jehovah om ons het inzicht en geloof te geven dat we nodig hebben om te volharden in de wedloop voor leven.

Wanneer we geloven dat onze doop als Jehovah's Getuigen enige waarde had voor God, dan moeten we accepteren dat niets in de hemel of op aarde onze opdracht teniet kan doen. Het maakt eenvoudigweg niet uit wat het Wachttorengenootschap leert of wat individuele personen binnen de gemeente wellicht denken; we hebben nog steeds een verplichting ten opzichte van God. Het feit dat we op dit moment in leven zijn, de lucht inademen die God goedgunstig geeft, verplicht ons ertoe hem te erkennen. De volgende verzen in Psalm 116 spreken over deze realiteit. Er staat: "Wat zal ik Jehovah vergelden voor al zijn weldaden jegens mij? De beker van grootse redding zal ik opnemen en de naam van Jehovah zal ik aanroepen. Mijn geloften zal ik aan Jehovah betalen, ja, in het bijzijn van heel zijn volk."

En natuurlijk heeft het Wachttorengenootschap ons teleurgesteld. Ja, ze hebben ons verraden. Maar, dat doet er niet toe. Jehovah heeft ons nooit verraden. God is waar. Daarom moeten we nu meer dan ooit het voorbeeld van de Psalmist volgen en de naam van Jehovah aanroepen en onze geloften aan Jehovah betalen, "ja, in het bijzijn van heel zijn volk."

Het is onontkoombaar dat de gehele op 1914 gerichte profetische structuur van het Wachttorengenootschap uiteindelijk als een kaartenhuis ineen zal storten. Ik zie het zo, het is beter nu te struikelen en het maar achter de rug te hebben, zodat we de kwesties in onze eigen geest kunnen oplossen en ons weer kunnen oprichten, zodat we er zullen zijn om anderen te helpen wanneer zij onvermijdelijk zullen struikelen gedurende de komende tijd van verwarring en verdrukking die in de Schrift wordt voorzegd. In plaats van onszelf als slachtoffers te bezien, moeten we liefde voor onze broeders hebben, in de wetenschap dat zij uiteindelijk ook geconfronteerd zullen worden met dezelfde struikelblokken. We zouden er voor hen moeten willen zijn. Paulus zei dat we niemand ook maar iets verschuldigd moeten zijn - met uitzondering van liefde. Onze beloften aan Jehovah betalen, verplicht ons ertoe onze Christelijke broeders lief te hebben, welke soort van dwaasheid hen op dit moment ook in bezit moge hebben.

En laten we ons niet vergissen: Jehovah gaat een zeer strenge tuchtiging toedienen aan dezelfde getrouwe en beleidvolle slaaf die ons in deze situatie gebracht heeft. Psalm 118:18 spreekt over dat oordeel door te zeggen: "Jah heeft mij streng gecorrigeerd, maar aan de dood heeft hij mij niet overgegeven." Door middel van Maleachi heeft Jehovah gezegd dat hij drek op het aangezicht van zijn priesters zal strooien die het verbond te gronde hebben gericht en velen hebben doen struikelen.

Maar, wanneer we geloof hebben in Gods toekomstige oordelen zullen we niet toestaan dat wrok en ontmoediging door de zonden van het Wachttorengenootschap ons tot struikelen zal blijven brengen, maar we zullen de koers van toewijding blijven volgen en toestaan dat Jehovah ons sterkt en loutert en ons gebruikt tot grotere heerlijkheid van zichzelf en de uiteindelijke zegening van anderen. En bovenal zullen we ons steeds meer gaan realiseren dat we het voorrecht en de mogelijkheid hebben om alle waarnemers, zowel aardse als hemelse, te laten zien dat we werkelijk Jehovah's getuigen zijn, in de ware zin van het woord, en dat niets ons ervan kan weerhouden Jehovah te blijven dienen - zelfs niet de tirannie of dwaasheid van het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap.



Geachte Watchman, leg ons alsjeblieft uit waarom je gelooft dat personen die een opstanding hebben gekregen zullen trouwen. Dank je.


Er zijn enkele verslagen waar Jezus antwoord gaf op de vraag van de Sadduceeën met betrekking tot de opstanding der doden en het huwelijk. Eén zo'n verslag is Lukas 20:34-36 waar staat: "Jezus zei tot hen: "De kinderen van dit samenstel van dingen huwen en worden ten huwelijk gegeven, maar zij die waardig gerekend zijn dat samenstel van dingen en de opstanding uit de doden te verwerven, huwen niet noch worden zij ten huwelijk gegeven. Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven, want zij zijn gelijk de engelen, en zij zijn Gods kinderen doordat zij kinderen van de opstanding zijn.""

De vraag is: sprak Jezus over degenen die een aardse opstanding krijgen of degenen die een hemelse opstanding krijgen? Wel, het is duidelijk dat Jezus sprak over degenen die de hemelse opstanding verkrijgen. Waarom kunnen we dat zo zeker stellen? Omdat Jezus tot hen zei: "Zij kunnen trouwens ook niet meer sterven, want zij zijn gelijk de engelen, en zij zijn Gods kinderen doordat zij kinderen van de opstanding zijn."

Zoals we weten zullen velen die een aardse opstanding krijgen opnieuw sterven gedurende het oordeel aan het einde van de duizend jaar. Toen Jezus zei: "zij kunnen trouwens ook niet meer sterven," sprak hij over onsterfelijkheid. Dat is wat onsterfelijkheid betekent - dat het onmogelijk is om vernietigd te worden of door welke oorzaak maar ook te sterven. Zelfs wanneer een persoon voor altijd op aarde leeft, zoals voor Adam en Evan de bedoeling was, is dit niet het gevolg van het feit dat ze onsterfelijk zijn en niet kunnen sterven. Het zal het gevolg zijn van het feit dat ze altijd getrouw en gehoorzaam zijn en Jehovah hen dus niet vernietigt. Onsterfelijkheid is iets geheel anders. Onsterfelijkheid en onvernietigbaarheid zijn het gevolg van God die een nieuwe schepping schept die leven in zichzelf bezitten, net zoals God leven in zichzelf bezit, en daardoor zijn ze zelfs niet langer afhankelijk van God om hun leven in stand te houden. Zelfs de engelen zijn sterfelijk, maar degenen die de hemelse opstanding verkrijgen zijn gelijk de engelen, in de zin dat ze geslachtsloos zijn. Paulus schreef dat er onder de nieuwe schepping noch mannelijk noch vrouwelijk bestaat.

Volgens het verslag van Markus zie Jezus tot de Sadduceeën: "Is uw vergissing niet hierin gelegen, dat gij noch de Schriften noch de kracht Gods kent? Want wanneer zij uit de doden opstaan, huwen de mannen niet noch worden de vrouwen ten huwelijk gegeven, maar zij zijn als engelen in de hemelen."

Als Jezus naar de hemelse opstanding verwees, over welk gedeelte van de Schrift waren de Sadduceeën dan onwetend dat een verwijzing kan zijn geweest naar zoiets als mannen en vrouwen die niet zullen huwen? Jesaja 56:4, 5 schiet ons te binnen. Daar zei Jehovah: "Want dit heeft Jehovah gezegd tot de eunuchen die mijn sabbatten houden en die datgene hebben verkozen waarin ik een welbehagen heb gevonden en die aan mijn verbond vasthouden: "Ik wil hun in mijn huis en binnen mijn muren zelfs een monument en een naam geven, iets wat beter is dan zonen en dochters. Een naam tot onbepaalde tijd zal ik hun geven, een die niet afgesneden zal worden.""

In werkelijkheid spreekt Jehovah over degenen die het nieuwe verbond vasthouden en die opgenomen worden in Gods grote geestelijk tempel in de hemelen. In Openbaring worden de gezalfden afgebeeld als pilaren in het gebouw van Gods koninkrijk. Het hebben van die eeuwigdurende, hemelse beloning is beter dan de verheuging over zonen en dochters. De Sadduceeën waren onwetend over Gods voornemen om een hemels koninkrijk samen te stellen uit degenen die de geneugten van menselijke sexuele relaties achter zich laten om te dienen binnen de muren van het hemelse koninkrijk.

Ten tweede verwees Jezus, zij het niet in dezelfde setting, naar het nieuwe samenstel als een herschepping. Het hemelse koninkrijk is geen herschepping. Het is een nieuwe schepping - iets wat nooit eerder heeft bestaan. Maar, de herschepping is wanneer Jehovah het samenstel, wat oorspronkelijk in de Hof van Eden bestond, herschept. Volgens Jezus schiep God de mensheid oorspronkelijk als mannelijk en vrouwelijk en gebood hen zichzelf voort te planten. Wanneer God dat samenstel dus herschept, ligt het voor de hand dat mannen, net als nu, trouwen en vrouwen ten huwelijk gegeven worden.



Geliefde broeder, ik zou willen weten waarom we beweren dat de andere schapen die in Johannes 10:16 worden genoemd een andere klasse van Christenen is. Ik heb altijd geloofd dat die andere schapen de Heidenen zijn, daar Christus' bediening toen hij op aarde was alleen tot de Joden gericht was. Kun jij me helpen? Hoe weten we dat de andere schapen niet de Heidenen zijn?


Het vers in kwestie luidt: "En ik heb nog andere schapen, die niet van deze kooi zijn; ook die moet ik brengen, en zij zullen naar mijn stem luisteren, en zij zullen één kudde, één herder worden."

Laten we hierover eens redeneren. Wanneer Jezus zegt dat zijn andere schapen "niet van deze kooi" zijn, kunnen we begrijpen dat er nog een andere kooi met schapen is. Een kooi is een bepaalde subgroep uit een kudde schapen. Het is waar dat Jezus sprak tegen zijn Joodse dicipelen. We zouden daardoor kunnen aannemen dat hij verwees naar de Joden als één kooi met schapen en niet-Joodse gelovigen als de andere kooi. Het probleem met dat begrip is dat Jezus zei dat de Joden zelf "gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder." Maar, zelfs wanneer we volhouden dat de Joden één kooi waren, waarom zou Jezus dan naar de Heidenen verwijzen als zijnde in een andere kudde? In Efeziërs zei Paulus dat de wereld vervreemd was van God en de staat van Israël. Het lijkt daarom niet passend om naar niet-Christenen te verwijzen alsof ze zich in enig soort van een op een kooi gelijkende groep van Gods volk bevinden. Toen ze gelovigen werden, kwamen ze in de schaapskooi die luisterde naar de stem van de herder.

Maar, zelfs wanneer we het verdelende strijdpunt omtrent de besnijdenis in aanmerking nemen, Joodse en niet-Joodse Christenen vormden nog steeds één gemeente van gelovigen.

In werkelijkheid was Jezus' onderricht over dat onderwerp niet uniek. Jezus was ongetwijfeld diepgaand bekend met de profetie in het 34ste hoofdstuk van Ezechiël, waar dezelfde taal en beeldspraak wordt gebruikt. Vers 22-24 luiden bijvoorbeeld: "En ik zal mijn schapen stellig redden, en zij zullen niet langer tot plundering worden; en ik wil richten tussen een schaap en een schaap. En ik wil één herder over hen verwekken, en hij moet hen weiden, ja, mijn knecht David. Hijzelf zal hen weiden en hijzelf zal hun herder worden. En ikzelf, Jehovah, zal stellig hun God worden, en mijn knecht David een overste in hun midden. Ikzelf, Jehovah, heb gesproken."

Ezechiëls profetie heeft te maken met Jehovah's oordelen gedurende de finale. "David" is niemand anders dan Jezus Christus. In welke betekenis oordeelt Jehovah echter "tussen een schaap en een schaap"? We moeten niet veronderstellen dat het ene schaap een ongunstig oordeel ontvangt en het andere schaap een gunstig oordeel. In dat vers zegt Jehovah namelijk dat hij zijn schapen zal redden. Beide schapen zijn dus een afbeelding van degenen die redding verkrijgen. Dus, wederom, waarom wordt er dan gezegd dat Jehovah oordeelt tussen zijn schapen?

Volgens Paulus zijn degenen in het nieuwe verbond rechtvaardig verklaard door God. Dat betekent dat Jehovah hen uiteindelijk als absoluut volmaakt beschouwt. Dat is zeer verbazingwekkend wanneer we bedenken dat de gezalfden feitelijk zondig zijn. Maar, op grond van Christus' zonde-verzoenende offer en zijn middelaarswerk als hun hogepriester, schenkt Jehovah hen Christus' eigen rechtvaardigheid. Datzelfde gebeurt niet met degenen die de verdrukking overleven. Zij worden niet in dezelfde betekenis rechtvaardig verklaard. Dat komt omdat de Christenen van de grote schare geen onsterfelijk leven wordt gegeven, zoals de gezalfden. Degenen die het einde van de wereld overleven, zullen langzamerhand tot een toestand van volmaaktheid opgeheven worden en daarna, aan het einde van de duizend jaar, rechtvaardig verklaard worden.

In die betekenis worden gezalfde en niet-gezalfde Christenen dus verschillend geoordeeld. Toegegeven, ze volgen beide dezelfde leidende beginselen, maar Jehovah gebruikt eenvoudigweg een andere oordeelsmaatstaf om de gezalfde schapen en de niet-gezalfde schapen met zichzelf te verzoenen.

In het licht van het feit dat Ezechiëls profetie twee typen schapen onder één herder identificeert en dat er gesproken wordt over een periode ver na de 1ste Eeuw, is het redelijk te concluderen dat Jezus evenzo verwees naar de twee kooien van gezalfde en niet-gezalfde schapen.



 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman