| De toekomst kennen voordat die plaats
heeft gevonden is niet eenvoudig. Zelfs onderzoekers van Bijbelprofetie
kunnen het zeer moeilijk vinden om een blik in de toekomst
te accepteren die tegen de huidige verwachtingen van de organisatie
ingaat.
Maar, bezie als leerzaam voorbeeld eens de moeilijkheden
die de apostelen hadden om de realiteit van Jezus' dood
te aanvaarden. Voor ons is het nu een elementair feit dat
de Hebreeuwse profetieën voorzeiden dat de Messias ter dood
zou worden gebracht en vervolgens een opstanding zou krijgen
en dat er tevens een tweede komst zou zijn. Het was
echter niet zo klip-en-klaar voor de 1ste eeuwse dicipelen.
Ondanks dat Jezus hen keer op keer vertelde dat hij overgeleverd
zou worden aan de Joden en ter dood zou worden gebracht,
konden de dicipelen het eenvoudig niet accepteren. Het enige
wat ze wisten is wat ze voor hun ogen zagen gebeuren. Het
was voor hen onbegrijpelijk dat de wereldoverwinnende Messias
gedood zou gaan worden door zijn vijanden. Ze konden niet
bevatten dat er in de toekomst een tweede komst zou zijn.
De situatie onder hedendaagse Jehovah's Getuigen gelijkt
vrij nauwkeurig op het dilemma waarvoor de apostelen zich
gesteld zagen. Net als Jezus' eerste dicipelen is ons begrip
van profetie hoofdzakelijk gebaseerd op wat we voor ons
ogen zien gebeuren. We hebben in werkelijkheid geen waar
inzicht in toekomstige gebeurtenissen - afgezien
van onze kennis van de Duizend Jarige regering. Net zoals
de gesprekken over Jezus' dood oorspronkelijk onbegrijpelijk
waren voor de apostelen, zo valt het op dit moment voor
ons niet te begrijpen hoe de profetieën op enige andere
manier in vervulling zouden kunnen gaan als dat ons is geleerd.
Als voorbeeld hoe het inzicht van het Wachttorengenootschap
voornamelijk gericht is op hetgeen voor onze ogen zichtbaar
is, in contrast met het feitelijk voorzien van gebeurtenissen
voordat ze plaatsvinden, beschouw het volgende citaat eens
uit de Wachttoren van 1 september 1994. De 12de paragraaf
op blz. 16 luidt:
Hoe geloofversterkend is het voor
christenen in deze tijd bijbelse profetieën voor hun
eigen ogen in vervulling te zien gaan! Beschouw bijvoorbeeld
de woorden uit Jesaja 60:22 eens: "De kleine zelf zal
tot duizend worden, en de geringe tot een machtige natie.
Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen."
Bij de geboorte van het Koninkrijk in 1914 bedroeg het aantal
actieve predikers slechts 5100 - een "kleine". Maar de afgelopen
vijf jaar is de wereldwijde broederschap in omvang toegenomen
met een gemiddelde van 5628 pasgedoopte Getuigen per week!
In 1993 werd er een hoogtepunt van 4.709.889 actieve bedienaren
bereikt. Denk u eens in! Dit betekent dat "de kleine" uit
1914 letterlijk al bijna tot "duizend" geworden is!
De lezer zal het er waarschijnlijk mee eens zijn dat de beweringen
van het Wachttorengenootschap waarin sterk wordt benadrukt
dat Jehovah's Getuigen "Bijbelse profetieën voor hun eigen
ogen in vervulling te zien gaan," weinig ruimte laat voor
enige alternatieve uitleggingen met betrekking tot mogelijke
toekomstige vervullingen. En overtuigend genoeg lijkt zelfs
de wiskunde aangaande de relatieve groei van het aantal Jehovah's
Getuigen vanaf 1914 tot het heden grofweg te kloppen: 5.000
X 1.000 = 5.000.000.
Ja, waarom zou iemand in twijfel trekken dat we nu de
vervulling van de profetie zien?
We doen er ten eerste goed aan ons te herinneren dat de
apostelen er ook stevig van overtuigd waren dat ze
"Bijbelse profetieën voor hun eigen ogen in vervulling
[zagen] gaan." En natuurlijk was dat ook het geval -
alleen niet de profetieën die zij dachten. De waarheid
is dat God hen niet toestond te begrijpen waar Jezus over
sprak toen hij het had over zijn dood, ondanks dat Jehovah
aan de apostelen onthulde dat Jezus de Christus was.
Lukas 9:45 legt uit waarom de apostelen Jezus niet konden
begrijpen. Er staat: "Knoopt deze woorden in uw oren,
want de Zoon des mensen zal stellig in de handen der mensen
worden overgeleverd." Zij begrepen dit woord echter nog
steeds niet. Ja, het was voor hen verborgen,
opdat zij het niet konden vatten, en zij waren bevreesd
hem over dit woord te vragen.
De passage in Lukas 9:45 geeft duidelijk aan de het Gods
doel kan dienen om essentiële informatie voor zelfs zijn
gewoonlijk geestelijk verlichte dienstknechten te verbergen.
Denken we ons heden ten dage in dat we op één of andere
manier superieur zijn aan de apostelen en dat God niet op
soortgelijke wijze essentiële waarheden voor ons verborgen
kan houden wanneer hij dat verkiest?
Beschouw ook Jehovah's bemoeienissen met Jeremia, toen
de profeet het volgende in protest tegen God zei: "Gij
hebt mij misleid, o Jehovah, zodat ik mij heb laten misleiden.
Gij hebt uw sterkte tegen mij aangewend, zodat gij hebt
gezegevierd. Ik ben een voorwerp van gelach geworden, de
gehele dag; iedereen bespot mij." (Jeremia 20:7)
Zijn wij zo wijs dat Jehovah ons niet evenzo zou kunnen
misleiden door toe te staan dat we geloof stellen in het
waanidee dat we nu Bijbelse profetieën voor onze ogen in
vervulling zien gaan, terwijl dat niet het geval is?
Laten we, met bovenstaande waarschuwingen in gedachte,
eens nauwkeuriger de context van de profetie in het 60ste
hoofdstuk van Jesaja beschouwen.
Jesaja 60:1-2 luidt: "Sta op, o vrouw, verspreid licht,
want uw licht is gekomen en de heerlijkheid van Jehovah
zelf is over u gaan schijnen. Want zie! niets dan duisternis
zal de aarde bedekken, en dikke donkerheid de nationale
groepen; maar over u zal Jehovah gaan schijnen, en over
u zal zíjn heerlijkheid worden gezien."
Volgens de profetie verheerlijkt Jehovah zijn op een vrouw
gelijkende organisatie gedurende een periode waarin de natiën
van de wereld in duisternis en donkerheid worden gestort.
Natuurlijk erkennen we dat de wereld altijd onder
de sluier van demonische misleiding heeft gestaan; oftewel,
verstoken is van het licht van God. De profetie moet dus
waarschuwen voor een uitzonderlijk donkere periode
welke de natiën te wachten staat. Het Wachttorengenootschap
rekent natuurlijk dat 1914 het begin van de tijd was waarop
de natiën in uitzichtloze duisternis gehuld werden, terwijl
Gods volk begon te wandelen in goddelijk licht. Maar, is
dat redelijk?
Aan de ene kant zouden de twee wereldoorlogen, die de
eerste helft van de 20ste eeuw hebben gedomineerd, beschreven
kunnen worden als een periode van uitzonderlijke duisternis
voor de natiën, vooral de natiën in Europa. De bijna 50
jaren die sinds het einde van WOII echter voorbij
zijn gegaan, worden over het algemeen gekenmerkt door cultureel
optimisme en vooruitgang. Hoe kunnen we dan bepalen of de
natiën gedurende de 20ste eeuws werkelijk omhuld werden
door duisternis en donkerheid als vervulling van de profetie
in kwestie?
De profeet Jezus sprak ook over een periode van uitzonderlijke
tekenen toen hij in het 21ste hoofdstuk van Lukas het volgende
zei: "Ook zullen er tekenen zijn in zon en maan en sterren,
en op de aarde radeloze angst der natiën, die vanwege het
gebulder der zee en haar onstuimigheid geen uitweg weten,
terwijl de mensen mat worden van vrees en verwachting omtrent
de dingen die over de bewoonde aarde komen; want de krachten
der hemelen zullen worden geschokt." (Lukas 21:25)
De "tekenen in zon en maan en sterren," en de uitdrukking
"de krachten van de hemelen zullen worden geschokt"
moeten worden begrepen als een parallelle uitdrukking van
het verslag in Mattheüs, waar Jezus volgens het verslag
het volgende zei: "Onmiddellijk na de verdrukking van
die dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan zal
haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel
vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt."
(Mattheüs 24:29)
Volgens Christus vindt de periode waarin de natiën van
de wereld in duisternis gestort worden, alsof de hemelse
lichten werkelijk ophouden te schijnen, "onmiddellijk
na de verdrukking van die dagen" plaats.
Kunnen we de mensen uit de natiën heden ten dage op redelijke
wijze karakteriseren als mat van vrees door wat er volgens
hen over de wereld gaat komen? Nauwelijks! Terwijl sommige
personen gevoelens van ongerustheid en bezorgdheid hebben
over kwesties als terrorisme, achteruitgang van het milieu
of overbevolking, kunnen we over het algemeen zeggen dat
de meeste mensen op dit moment relatief onbezorgd
zijn over de toekomst van de wereld.
Het feit dat de periode van hartverscheurende angst onmiddellijk
volgt op de verdrukking en onmiddellijk vooraf
gaat aan de openbaring van het teken van de Zoon des
mensen uit de hemel, geeft aan dat de periode van duisternis
voor de natiën, welke door Jesaja wordt voorzegd, in de
toekomst ligt. Daar dit zo is, is de heerlijkheid van God
ook nog niet over de Christelijke organisatie uitgestort.
Beschouw nu eens Jesaja 60:3, waar staat: "En natiën
zullen stellig tot uw licht gaan, en koningen tot de glans
van uw schijnen."
Wie zijn de koningen die tot de glans van het schijnen
van Gods op een vrouw gelijkende organisatie zullen gaan?
Het Wachttorengenootschap leert dat de koningen uit Jesaja's
profetie het overblijfsel van de 144.000 sinds 1914 is.
Maar, in welke betekenis zouden zij koningen genoemd kunnen
worden? Herinner dat zelfs Paulus zichzelf niet in enige
betekenis bezag als koning en hij zich zelfs afkeurend uitliet
over de gezalfde Korinthische broeders voor hun gemakkelijke
levensstijl, door tot hen te zeggen: "Gij zijt toch als
koningen gaan regeren zonder ons? En ik wenste inderdaad
dat gij als koningen waart gaan regeren, opdat ook wij met
u als koningen mochten regeren."
Het hedendaagse gezalfde overblijfsel regeert ook niet
als koningen; ondanks dat sommigen, net als de Korinthiërs,
een koninklijke air zouden kunnen aannemen. Maar, in werkelijkheid
is het niet gepast om op dit moment naar hen te verwijzen
als koningen. Wanneer Christus echter uiteindelijk arriveert
in zijn koninkrijk om het besluit van het samenstel van
dingen te initiëren, zal er een beslissende verzegeling
van de levende heiligen plaatsvinden en op dat moment worden
de zonen van het koninkrijk meer dan enkel vertegenwoordigers
van het koninkrijk. Zij worden werkelijk koningen, samen
met hun opgestane broeders in de hemel. Verder is het het
martelaarschap van de vleselijke koningen van Gods koninkrijk,
gedurende de zogenoemde aanval van Gog, dat zal dienen als
een rechtstreekse aanval op het koninkrijk van God
en wat Jehovah's woede zal doen ontbranden, wat zal leiden
tot de oorlog van Armageddon.
Er valt zeker nog meer te zeggen over het martelaarschap
van de heiligen, maar laat dit voldoende zijn voor dit moment.
Toch moet er worden opgemerkt dat de goedgekeurde regeerders
van het koninkrijk, wanneer het koninkrijk komt, in een
positie zullen zijn waarop de profetie op een manier in
vervulling kan gaan die nu onmogelijk is. Door die redenering
zijn we toegerust om te "zien" hoe de profetie zijn vervulling
kan hebben in de toekomst.
Beschouw het volgende vers in Jesaja 60:4, waar staat:
"Sla uw ogen rondom op en zie! Zij zijn allen bijeengebracht;
zij zijn tot u gekomen. Van verre blijven uw eigen zonen
komen, en uw dochters, die aan de zijde verzorgd zullen
worden."
Zijn al Gods gezalfde zonen en dochters reeds bijeengebracht?
Het Wachttorengenootschap leert ons dat de zalving eindigde
in 1935 en dat een ieder die na die tijd beweert gezalfd
te zijn ofwel bedriegers zijn ofwel enkel vervangers zijn
voor de ontrouwen. We geloven dus dat alle zonen reeds bijeenverzameld
zijn.
Volgens Jesaja 26:15-18 breidt Gods geestelijke natie
haar symbolische "grenzen" echter gedurende de ellende van
de verdrukking uit wanneer Jehovah zijn volk tuchtigt. Net
zoals het 12de hoofdstuk van Openbaring de moeilijke geboorte
van het koninkrijk beschrijft, voorzegt Jesaja's profetie
dat er complicaties zullen zijn bij de "bevalling" van de
natie.
Die verzen luiden: "Gij hebt aan de natie toegevoegd;
o Jehovah, gij hebt aan de natie toegevoegd; gij hebt uzelf
verheerlijkt. Gij hebt alle grenzen van het land ver uitgebreid.
O Jehovah, in benauwdheid hebben zij hun aandacht op u gericht;
zij hebben een fluistergebed uitgestort toen uw strenge
onderricht hen trof. Net zoals een zwangere vrouw het moment
nadert om te baren, weeën heeft, het uitschreeuwt in haar
barensweeën, zo zijn wij geworden wegens u, o Jehovah. Wij
zijn zwanger geworden, wij hebben weeën gehad; wij hebben
als het ware wind gebaard. Geen werkelijke redding bewerken
wij met betrekking tot het land, en er worden voorts geen
bewoners voor het produktieve land als bij een geboorte
uitgeworpen."
De hierboven geciteerde profetie wijst erop dat de "geboorte"
van de zonen en dochters van het koninkrijk eigenlijk een
miskraam is - waardoor het nodig is dat Jehovah een reddingswonder
moet verrichten. Het punt met betrekking tot ons argument
is hier dus dat het voorbarig is om te zeggen dat God zijn
werk aangaande de bijeenvergadering van al zijn zonen
en dochters reeds voleindigd heeft. En wederom, volgens
Jezus vindt de definitieve bijeenverzameling van de uitverkorenen
van zijn koninkrijk plaats gedurende de verdrukking. Dat
is wanneer "hij zijn engelen zal uitzenden met een luid
trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen
van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen
tot het andere uiteinde daarvan."
Wat valt er te zeggen over Jesaja 60:8? Daar staat: "Wie
zijn dezen die komen aanvliegen net als een wolk, en als
duiven naar de gaten van hun til?"
Volgens de huidige leerstelling van het Wachttorengenootschap
zijn de duiven die naar hun til vliegen een afbeelding van
de bijeenvergadering van de grote schare uit Openbaring.
Een ogenschijnlijk kleine onnauwkeurigheid in onze theocratische
terminologie is echter dat de grote schare, volgens de engel
die het visioen aan Johannes verklaarde, bestaat uit personen
die "uit de grote verdrukking komen." Daar de grote
schare volledig bestaat uit degenen die de grote verdrukking
overleven en daar het duidelijk is dat zo'n verdrukking
nog niet heeft plaatsgevonden, is het ongepast om naar de
andere schapen te verwijzen als de grote schare. Meer dan
waarschijnlijk zal de grote schare zich vormen gedurende
de grote verdrukking. Dat is wanneer, volgens Jezus, "de
één meegenomen en de ander achtergelaten zal worden."
Op zijn minst zouden we niet-gezalfde Christenen moeten
aanspreken als de toekomstige leden van de grote
schare.
Maar, dat onbeduidende punt even ter zijde schuivend,
vervult de geleidelijke groei van het aantal Jehovah Getuigen
gedurende de afgelopen jaren de profetie? Niet noodzakelijkerwijs.
Wanneer we bijvoorbeeld de betekenis van Jehovah's illustratie
aangaande de duiven die als een wolk komen aanvliegen naar
hun til analyseren, suggereert dit een plotselinge migratie,
en masse, naar een plaats van veiligheid. Het plaatje
lijkt geen afschildering te zijn van de jaarlijkse toename
van 2% van het aantal Jehovah's Getuigen, zoals we nu denken.
Volgens het volgende vers, Jesaja 60:10, krijgt Jehovah
een afkeer van zijn organisatie en dient het een slag toe;
later is er een herstel. Dat is wanneer "buitenlanders
werkelijk uw muren [zullen] bouwen, en hun eigen koningen
zullen u dienen; want in mijn verontwaardiging zal ik u
hebben geslagen, maar in mijn goede wil zal ik u stellig
barmhartig zijn."
Volgens de interpretatie van het Wachttorengenootschap
was Jehovah gebelgd over de vroegere Bijbelonderzoekers
en sloeg hij hen in 1918 met zijn disciplinaire roede. Gods
tuchtiging kwam over de organisatie toen acht functionarissen
van het Wachttorengenootschap enkele maanden in de gevangenis
werden geworpen. Volgens het vers uit het 26ste hoofdstuk
van Jesaja dat eerder geciteerd werd, komt Jehovah's tuchtiging
gedurende een tijd van benauwdheid waarin geen redding mogelijk
lijkt. En volgens de context, vindt de tuchtiging van Gods
dienaren onmiddellijk voor Gods veroordeling van de wereld
plaats, daarom zegt God tegen zijn gelouterden zich voor
een tijdje in de binnenkamers te verschuilen, totdat de
veroordeling voorbij is. Voor mensen met een nuchtere geest
moet het duidelijk zijn dat Gods verbolgenheid met zijn
volk nog niet tot uiting is gekomen.
Helaas ontberen Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
kennelijk echter de eerlijkheid en nederigheid om te erkennen
dat Jehovah mogelijk verbolgen over ons zou kunnen
raken. Het gaat werkelijk ons verstand te boven dat de organisatie
verbrijzeld zou kunnen worden en nadien weer hersteld. Maar,
als dat het geval zal zijn, en we kunnen er zeker van zijn
dat dat zo is, dan is de profetie van de duiven die als
een wolk terugvliegen naar hun tillen, bedoeld om degenen
af te schilderen die Jehovah's tuchtiging gedurende de verdrukking
verduren en nadien nederig samenkomen in een gereinigde
en gelouterde organisatie.
Heeft Jehovah reden om verbolgen te zijn over degenen
die zijn naam heden ten dage dragen?
Beschouw eens het vers dat direct voorafgaat aan het oorspronkelijke
vers dat we bespreken, vers 21: "En wat uw volk betreft,
zij zullen allen rechtvaardig zijn; tot onbepaalde
tijd zullen zij het land in bezit houden, de spruit van
mijn planting, het werk van mijn handen, opdat mij luister
wordt verleend."
Merk alsjeblieft op dat het bovenstaande vers zegt dat
"allen rechtvaardig zullen zijn," dat betekent dat
alle mensen die Gods land zullen bewonen rechtvaardig
zullen zijn. Durven we nu te beweren dat alle hedendaagse
Jehovah's Getuigen rechtvaardig zijn? Geen enkel redelijk
persoon zou zo'n bewering doen. Hoe konden we zoiets geloven
terwijl er elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen worden
uitgesloten vanwege de beoefening van diverse vormen van
immoraliteit en vele anderen berispt worden voor zulke grove
zonden? Wordt Jehovah "luister verleend" door zo'n
organisatie? Zelfs wanneer we menselijke onvolmaaktheid
in aanmerking nemen, kunnen we dan beweren dat allen rechtvaardig
zijn? In geen geval!
Verder voorzegt Jesaja 60:17 in symbolische taal hoe Jehovah
bepaalde verbeteringen zal aanbrengen in de structuur van
zijn organisatie en zijn volk rechtvaardige opzieners zal
geven. Het vers luidt: "In plaats van het koper zal ik
goud brengen, en in plaats van het ijzer zal ik zilver brengen,
en in plaats van het hout, koper, en in plaats van de stenen,
ijzer; en ik wil vrede tot uw opzieners aanstellen en rechtvaardigheid
tot uw taaktoewijzers."
Hebben we de vervulling van bovenstaande profetie gezien?
Wel, beschouw als voorbeeld eens dat juist in de periode
van de afgelopen maanden diverse artikelen zijn verschenen
in het nieuws waarin verslag werd gedaan van diverse delicten
die specifiek door ouderlingen van Jehovah's Getuigen gepleegd
zijn. Er was bijvoorbeeld de beruchte zaak in Montana waar
twee ouderlingen schaamteloos een vertrouwende oudere weduwe
voor miljoenen dollars hebben opgelicht. Een soortgelijke
zaak van fraude en misleiding van de kant van een vertrouwde
oudeling werd recentelijk gerapporteerd in Florida. Er zijn
ook diverse zaken geweest waarbij aangestelde dienaren in
de gemeenten niet alleen zijn beschuldigd van het verleiden
en verkrachten van minderjarige kinderen, maar daarvoor
ook veroordeeld zijn.
Terwijl de gemeenten jammerlijk gefaald hebben in het
beschermen van wezen en weduwen tegen roofzuchtige ouderlingen
in ons midden, hebben de regeringsmachten die er zijn gelukkig
de autoriteit van God gekregen om zulke verraderlijke mannen
achter de tralies te zetten, waar ze ook thuishoren.
Maar, om te voorkomen dat we het punt uit het oog verliezen:
Hoe kan het Wachttorengenootschap zulk slecht gedrag eenvoudig
wegwuiven onder het mom van enkel menselijke onvolmaaktheid
en blijven volhouden dat we leven in het voorzegde geestelijk
paradijs? Is het voor ons teveel om te verwachten dat onze
door God aangestelde ouderlingen in het schitterende koninkrijk
uit Jesaja's profetie de weduwen en wezen onder hun hoede
niet zullen bestelen of verkrachten? Ja, hoe kunnen zulke
moreel verdorven mannen heden ten dage dienen als rechtvaardige
"taaktoewijzers" en opzieners van vrede in een organisatie
waarvan God zegt dat iedereen rechtvaardig is, tot
zijn eigen heerlijkheid? Het moge duidelijk zijn dat dat
niet kan. Het lijkt zelfs een waanidee te zijn van onze
zijde, zo niet godslasterlijk, om nu aan God toe te schrijven
dat hij ons reeds op goud en zilver gelijkende organisatorische
verbeteringen heeft gegeven, terwijl we duidelijk nog steeds
geplaagd worden door inferieure elementen. Het is tragisch
dat onze organisatie juist datgene dringend nodig heeft
waarvan het Wachttorengenootschap aanneemt dat God het ons
reeds toegediend heeft.
Wanneer we niet de bedoeling hebben onszelf te misleiden,
zullen we de niet te ontkennen waarheid aanvaarden dat Jehovah
zijn organisatie nog niet gelouterd heeft. In plaats van
tegenover de wereld constant te pochen over hoe rein en
rechtvaardig Jehovah's organisatie is, zouden Jehovah's
Getuigen nederig moeten erkennen dat onze God, Jehovah,
alle reden heeft om verbolgen over ons te zijn; vooral over
het leiderschap van de Wachttorenorganisatie voor de koppige
weigering recht te doen en voor de hardnekkige ontkenning
van de waarheid omtrent deze zaken.
Volgens Jehovah's goede belofte zal geen enkel probleem
waardoor we heden ten dage geplaagd worden meer bestaan
nadat hij zijn op een stad gelijkende organisatie loutert
en zal opluisteren. Daarom luidt vers 18: "Van geweld
zal niet meer worden gehoord in uw land, noch van gewelddadige
plundering of verbreking binnen uw grenzen. En gij zult
uw eigen muren stellig Redding noemen en uw poorten Lof."
Wederom, volgens de grootste profeet, Jezus, zal het besluit
van het samenstel gekenmerkt worden door een toename van
wetteloosheid, bedrog en struikelingen. Met andere woorden,
Jehovah's Getuigen moeten binnen onze grenzen nog onderworpen
worden aan geweld, verwoesting en ineenstorting. Degenen
die tot het einde volharden mogen verwachten door de poort
binnen te gaan en redding te vinden achter de veilige muren
van Jehovah's fort.
Jesaja 60:19 zegt uiteindelijk: "Voor u zal de zon
niet meer een licht blijken te zijn bij dag, en wat glans
betreft, de maan zelf zal u geen licht meer geven. En Jehovah
moet voor u een voor onbepaalde tijd durend licht worden,
en uw God uw luister."
Nauwkeurige studenten van de Bijbel zullen opmerken dat
deze uitdrukking gelijk is aan Openbaring 22:3-5, waar staat:
"En er zal geen enkele vervloeking meer zijn. Maar de
troon van God en van het Lam zal in de stad zijn, en zijn
slaven zullen heilige dienst voor hem verrichten; en zij
zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hun voorhoofd
zijn. Ook zal er geen nacht meer zijn, en zij hebben geen
lamplicht nodig, noch hebben zij zonlicht, want Jehovah
God zal hen verlichten, en zij zullen als koningen regeren
tot in alle eeuwigheid."
Het visioen in Openbaring beschrijft niets minder dan
het glorieuze koninkrijk van God wanneer het begint te regeren
over de natiën. Daar gaat het 60ste hoofdstuk van Jesaja
ook over. Terwijl het pijnlijk duidelijk is dat we nog niet
de zegeningen mogen ervaren van de verlichte stad van God,
ondanks dat we nu denken dat het koninkrijk lang geleden
in 1914 begon met regeren, zouden we ons ook niet moeten
indenken dat de profetieën ná Armageddon in vervulling gaan.
De waarheid die nog helderder dan de zon in de lucht moet
gaan schijnen, is dat Gods koninkrijk de zegening van verlichting
en redding brengt gedurende de kilste periode in de geschiedenis
- tijdens de verdrukking. Volgens Jesaja 30:26 zal Jehovah's
waarheid in de onmiddellijke nasleep van de door hem toegebrachte
slag schijnen met een intensiteit die nooit tevoren is gezien
door zijn dicipelen. Het vers luidt: "En het licht van
de volle maan moet worden als het licht van de gloeiende
zon; en ook het licht van de gloeiende zon zal zevenmaal
sterker worden, als het licht van zeven dagen, op de dag
dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs de
zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte
slag geneest."
Het Wachttorengenootschap zou niet langer de oren van
Jehovah's Getuigen moeten kittelen door te leren dat de
bovenstaande profetie enkel in de nieuwe wereld in vervulling
zal gaan. Het voorafgaande vers zegt heel duidelijk dat
God zijn volk verlicht "op de dag van de grote slachting,
wanneer de torens vallen." Dat wil zeggen - tijdens
de grote verdrukking. Kennelijk kan de onbuigzame blindheid
welke de organisatie heden ten dage in de greep heeft, als
het ware enkel genezen worden door een intense lichtflits
van een nucleaire ontploffing.
Als gevolg van het accepteren van de tuchtiging, de catastrofe
die God zal toelaten over zijn afgedwaalde organisatie,
zullen de getuchtigde gezalfde zonen van het koninkrijk
uiteindelijk "zo helder schijnen als de zon," waarbij
ze een korte tijd, die onmiddellijk voorafgaat aan hun vertrek,
stralende aardse lichten zullen zijn voor het koninkrijk
van hun hemelse Vader.
Nu zijn we in een positie om te begrijpen hoe het in de
toekomst kan gebeuren dat "de kleine zelf tot duizend
zal worden, en de geringe tot een machtige natie. Ikzelf,
Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen."
Laat er ten eerste opgemerkt worden dat klein of gering
zijn volgens schriftuurlijk gebruik ook kan betekenen vernederd
en verlaagd te worden voor het oog van anderen. Jehovah's
oordeel in Obadja tegen Edom zegt bijvoorbeeld: "Zie!
Klein heb ik u gemaakt onder de natiën. Gij wordt
zeer veracht." (Obadja 1:2)
Evenzo luidt Jehovah's oordeel tegen zijn gezalfde priesters
in Maleachi 2:9 als volgt: "En ook ik, van mijn kant,
zal stellig voor heel het volk verachtelijk en gering
maken, net zoals gij mijn wegen niet hebt onderhouden, doch
partijdigheid hebt betoond inzake de wet."
Evenzo voorzegt Jesaja 60:15 dat de stad van God aangetast
en gehaat zal worden, maar dat Jehovah het opnieuw in bezit
zal nemen en het zal verheerlijken. Zodat, "in plaats
dat gij geheel verlaten en gehaat bleekt te zijn, zonder
dat iemand erdoorheen trok, wil ik u zelfs stellen tot een
trots voor onbepaalde tijd, een uitbundige vreugde voor
geslacht op geslacht. En gij zult werkelijk de melk van
natiën zuigen, en aan de borst van koningen zult gij zuigen;
en gij zult stellig weten dat ik, Jehovah, uw Redder ben
en dat de Machtige van Jakob uw Terugkoper is."
In het licht van al het voorgaande zijn we hopelijk toegerust
om werkelijk in de toekomst te zien. In plaats van ons in
te denken dat we Bijbelse profetieën voor onze ogen in vervulling
zien gaan, zal de "kleine" die tot "duizend"
zal worden en de "geringe tot een machtige natie"
ongetwijfeld zijn vervulling vinden in de toekomst;
als gevolg van Jehovah die zijn volk weer terugkoopt uit
een gevangen toestand die we nog moeten meemaken. We moeten
onszelf niet langer op kinderlijke wijze indenken dat de
"Machtige van Jakob" terug in 1918 de Redder van
de organisatie werd toen de broeders werden vrijgelaten.
In plaats daarvan is de grote bijeenverzameling klaarblijkelijk
een herverzameling van de schapen die nog verstrooid
en gekweld moeten worden.
Verder, in het licht van het trieste feit dat de groei
van het aantal Jehovah's Getuigen aan het stagneren is en
op sommige plaatsen zelfs aan het dalen is, lijkt het erop
dat de "bespoediging" feitelijk aan het vertragen is. Maar,
nogmaals, in plaats van te denken dat de profetie reeds
vervuld is in de geleidelijke groei van het aantal dicipelen,
zal de tijd waarin Jehovah "het zal bespoedigen"
waarschijnlijk plaatsvinden tijdens de kritieke fase wanneer
de verdrukking ten behoeve van de uitverkorenen "verkort"
wordt. Dan kunnen we verwachten dat de volledig verlichte,
teruggewonnen personen die Jehovah liefhebben samen zullen
komen, en masse, als een grote schare, en optrekken naar
het schitterende op een stad gelijkende koninkrijk van God,
als onmiddellijk begin van hun redding aan het einde van
de wereld.
|