Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
 

Week van: 4 t/m 10 Januari 2004


 

Voor Jehovah's Getuigen is het algemeen bekend dat Jesaja 60:22 altijd van toepassing is gebracht op het predikingswerk dat sinds 1914 aan de gang is. Het Wachttorengenootschap leert dat "de kleine die zelf tot duizend zal worden en de geringe tot een machte natie" in vervulling gaat in onze tijd door middel van het predikingswerk. Maar, de context lijkt iets anders aan te geven en te wijzen op een toekomstige vervulling. Wat zijn jouw gedachten over dit specifieke gedeelte uit de schrift?

Wat we verder interessant vonden is de context. Vooral vers 20 waar wordt gezegd: "…en de dagen van uw rouw zullen voltooid zijn." Kan dit een verwijzing zijn naar Openbaring 11:3 waar Johannes spreekt over de twee getuigen die gedurende 1260 dagen in zakken gehuld profeteren? In zakken gehuld zijn, betekende naar Joods gebruik dat men in rouw was. Wederom, wat zijn je gedachten hierover?



De toekomst kennen voordat die plaats heeft gevonden is niet eenvoudig. Zelfs onderzoekers van Bijbelprofetie kunnen het zeer moeilijk vinden om een blik in de toekomst te accepteren die tegen de huidige verwachtingen van de organisatie ingaat.

Maar, bezie als leerzaam voorbeeld eens de moeilijkheden die de apostelen hadden om de realiteit van Jezus' dood te aanvaarden. Voor ons is het nu een elementair feit dat de Hebreeuwse profetieën voorzeiden dat de Messias ter dood zou worden gebracht en vervolgens een opstanding zou krijgen en dat er tevens een tweede komst zou zijn. Het was echter niet zo klip-en-klaar voor de 1ste eeuwse dicipelen. Ondanks dat Jezus hen keer op keer vertelde dat hij overgeleverd zou worden aan de Joden en ter dood zou worden gebracht, konden de dicipelen het eenvoudig niet accepteren. Het enige wat ze wisten is wat ze voor hun ogen zagen gebeuren. Het was voor hen onbegrijpelijk dat de wereldoverwinnende Messias gedood zou gaan worden door zijn vijanden. Ze konden niet bevatten dat er in de toekomst een tweede komst zou zijn.

De situatie onder hedendaagse Jehovah's Getuigen gelijkt vrij nauwkeurig op het dilemma waarvoor de apostelen zich gesteld zagen. Net als Jezus' eerste dicipelen is ons begrip van profetie hoofdzakelijk gebaseerd op wat we voor ons ogen zien gebeuren. We hebben in werkelijkheid geen waar inzicht in toekomstige gebeurtenissen - afgezien van onze kennis van de Duizend Jarige regering. Net zoals de gesprekken over Jezus' dood oorspronkelijk onbegrijpelijk waren voor de apostelen, zo valt het op dit moment voor ons niet te begrijpen hoe de profetieën op enige andere manier in vervulling zouden kunnen gaan als dat ons is geleerd.

Als voorbeeld hoe het inzicht van het Wachttorengenootschap voornamelijk gericht is op hetgeen voor onze ogen zichtbaar is, in contrast met het feitelijk voorzien van gebeurtenissen voordat ze plaatsvinden, beschouw het volgende citaat eens uit de Wachttoren van 1 september 1994. De 12de paragraaf op blz. 16 luidt:

Hoe geloofversterkend is het voor christenen in deze tijd bijbelse profetieën voor hun eigen ogen in vervulling te zien gaan! Beschouw bijvoorbeeld de woorden uit Jesaja 60:22 eens: "De kleine zelf zal tot duizend worden, en de geringe tot een machtige natie. Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen." Bij de geboorte van het Koninkrijk in 1914 bedroeg het aantal actieve predikers slechts 5100 - een "kleine". Maar de afgelopen vijf jaar is de wereldwijde broederschap in omvang toegenomen met een gemiddelde van 5628 pasgedoopte Getuigen per week! In 1993 werd er een hoogtepunt van 4.709.889 actieve bedienaren bereikt. Denk u eens in! Dit betekent dat "de kleine" uit 1914 letterlijk al bijna tot "duizend" geworden is!
De lezer zal het er waarschijnlijk mee eens zijn dat de beweringen van het Wachttorengenootschap waarin sterk wordt benadrukt dat Jehovah's Getuigen "Bijbelse profetieën voor hun eigen ogen in vervulling te zien gaan," weinig ruimte laat voor enige alternatieve uitleggingen met betrekking tot mogelijke toekomstige vervullingen. En overtuigend genoeg lijkt zelfs de wiskunde aangaande de relatieve groei van het aantal Jehovah's Getuigen vanaf 1914 tot het heden grofweg te kloppen: 5.000 X 1.000 = 5.000.000.

Ja, waarom zou iemand in twijfel trekken dat we nu de vervulling van de profetie zien?

We doen er ten eerste goed aan ons te herinneren dat de apostelen er ook stevig van overtuigd waren dat ze "Bijbelse profetieën voor hun eigen ogen in vervulling [zagen] gaan." En natuurlijk was dat ook het geval - alleen niet de profetieën die zij dachten. De waarheid is dat God hen niet toestond te begrijpen waar Jezus over sprak toen hij het had over zijn dood, ondanks dat Jehovah aan de apostelen onthulde dat Jezus de Christus was.

Lukas 9:45 legt uit waarom de apostelen Jezus niet konden begrijpen. Er staat: "Knoopt deze woorden in uw oren, want de Zoon des mensen zal stellig in de handen der mensen worden overgeleverd." Zij begrepen dit woord echter nog steeds niet. Ja, het was voor hen verborgen, opdat zij het niet konden vatten, en zij waren bevreesd hem over dit woord te vragen.

De passage in Lukas 9:45 geeft duidelijk aan de het Gods doel kan dienen om essentiële informatie voor zelfs zijn gewoonlijk geestelijk verlichte dienstknechten te verbergen. Denken we ons heden ten dage in dat we op één of andere manier superieur zijn aan de apostelen en dat God niet op soortgelijke wijze essentiële waarheden voor ons verborgen kan houden wanneer hij dat verkiest?

Beschouw ook Jehovah's bemoeienissen met Jeremia, toen de profeet het volgende in protest tegen God zei: "Gij hebt mij misleid, o Jehovah, zodat ik mij heb laten misleiden. Gij hebt uw sterkte tegen mij aangewend, zodat gij hebt gezegevierd. Ik ben een voorwerp van gelach geworden, de gehele dag; iedereen bespot mij." (Jeremia 20:7)

Zijn wij zo wijs dat Jehovah ons niet evenzo zou kunnen misleiden door toe te staan dat we geloof stellen in het waanidee dat we nu Bijbelse profetieën voor onze ogen in vervulling zien gaan, terwijl dat niet het geval is?

Laten we, met bovenstaande waarschuwingen in gedachte, eens nauwkeuriger de context van de profetie in het 60ste hoofdstuk van Jesaja beschouwen.

Jesaja 60:1-2 luidt: "Sta op, o vrouw, verspreid licht, want uw licht is gekomen en de heerlijkheid van Jehovah zelf is over u gaan schijnen. Want zie! niets dan duisternis zal de aarde bedekken, en dikke donkerheid de nationale groepen; maar over u zal Jehovah gaan schijnen, en over u zal zíjn heerlijkheid worden gezien."

Volgens de profetie verheerlijkt Jehovah zijn op een vrouw gelijkende organisatie gedurende een periode waarin de natiën van de wereld in duisternis en donkerheid worden gestort. Natuurlijk erkennen we dat de wereld altijd onder de sluier van demonische misleiding heeft gestaan; oftewel, verstoken is van het licht van God. De profetie moet dus waarschuwen voor een uitzonderlijk donkere periode welke de natiën te wachten staat. Het Wachttorengenootschap rekent natuurlijk dat 1914 het begin van de tijd was waarop de natiën in uitzichtloze duisternis gehuld werden, terwijl Gods volk begon te wandelen in goddelijk licht. Maar, is dat redelijk?

Aan de ene kant zouden de twee wereldoorlogen, die de eerste helft van de 20ste eeuw hebben gedomineerd, beschreven kunnen worden als een periode van uitzonderlijke duisternis voor de natiën, vooral de natiën in Europa. De bijna 50 jaren die sinds het einde van WOII echter voorbij zijn gegaan, worden over het algemeen gekenmerkt door cultureel optimisme en vooruitgang. Hoe kunnen we dan bepalen of de natiën gedurende de 20ste eeuws werkelijk omhuld werden door duisternis en donkerheid als vervulling van de profetie in kwestie?

De profeet Jezus sprak ook over een periode van uitzonderlijke tekenen toen hij in het 21ste hoofdstuk van Lukas het volgende zei: "Ook zullen er tekenen zijn in zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst der natiën, die vanwege het gebulder der zee en haar onstuimigheid geen uitweg weten, terwijl de mensen mat worden van vrees en verwachting omtrent de dingen die over de bewoonde aarde komen; want de krachten der hemelen zullen worden geschokt." (Lukas 21:25)

De "tekenen in zon en maan en sterren," en de uitdrukking "de krachten van de hemelen zullen worden geschokt" moeten worden begrepen als een parallelle uitdrukking van het verslag in Mattheüs, waar Jezus volgens het verslag het volgende zei: "Onmiddellijk na de verdrukking van die dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt." (Mattheüs 24:29)

Volgens Christus vindt de periode waarin de natiën van de wereld in duisternis gestort worden, alsof de hemelse lichten werkelijk ophouden te schijnen, "onmiddellijk na de verdrukking van die dagen" plaats.

Kunnen we de mensen uit de natiën heden ten dage op redelijke wijze karakteriseren als mat van vrees door wat er volgens hen over de wereld gaat komen? Nauwelijks! Terwijl sommige personen gevoelens van ongerustheid en bezorgdheid hebben over kwesties als terrorisme, achteruitgang van het milieu of overbevolking, kunnen we over het algemeen zeggen dat de meeste mensen op dit moment relatief onbezorgd zijn over de toekomst van de wereld.

Het feit dat de periode van hartverscheurende angst onmiddellijk volgt op de verdrukking en onmiddellijk vooraf gaat aan de openbaring van het teken van de Zoon des mensen uit de hemel, geeft aan dat de periode van duisternis voor de natiën, welke door Jesaja wordt voorzegd, in de toekomst ligt. Daar dit zo is, is de heerlijkheid van God ook nog niet over de Christelijke organisatie uitgestort.

Beschouw nu eens Jesaja 60:3, waar staat: "En natiën zullen stellig tot uw licht gaan, en koningen tot de glans van uw schijnen."

Wie zijn de koningen die tot de glans van het schijnen van Gods op een vrouw gelijkende organisatie zullen gaan? Het Wachttorengenootschap leert dat de koningen uit Jesaja's profetie het overblijfsel van de 144.000 sinds 1914 is. Maar, in welke betekenis zouden zij koningen genoemd kunnen worden? Herinner dat zelfs Paulus zichzelf niet in enige betekenis bezag als koning en hij zich zelfs afkeurend uitliet over de gezalfde Korinthische broeders voor hun gemakkelijke levensstijl, door tot hen te zeggen: "Gij zijt toch als koningen gaan regeren zonder ons? En ik wenste inderdaad dat gij als koningen waart gaan regeren, opdat ook wij met u als koningen mochten regeren."

Het hedendaagse gezalfde overblijfsel regeert ook niet als koningen; ondanks dat sommigen, net als de Korinthiërs, een koninklijke air zouden kunnen aannemen. Maar, in werkelijkheid is het niet gepast om op dit moment naar hen te verwijzen als koningen. Wanneer Christus echter uiteindelijk arriveert in zijn koninkrijk om het besluit van het samenstel van dingen te initiëren, zal er een beslissende verzegeling van de levende heiligen plaatsvinden en op dat moment worden de zonen van het koninkrijk meer dan enkel vertegenwoordigers van het koninkrijk. Zij worden werkelijk koningen, samen met hun opgestane broeders in de hemel. Verder is het het martelaarschap van de vleselijke koningen van Gods koninkrijk, gedurende de zogenoemde aanval van Gog, dat zal dienen als een rechtstreekse aanval op het koninkrijk van God en wat Jehovah's woede zal doen ontbranden, wat zal leiden tot de oorlog van Armageddon.

Er valt zeker nog meer te zeggen over het martelaarschap van de heiligen, maar laat dit voldoende zijn voor dit moment. Toch moet er worden opgemerkt dat de goedgekeurde regeerders van het koninkrijk, wanneer het koninkrijk komt, in een positie zullen zijn waarop de profetie op een manier in vervulling kan gaan die nu onmogelijk is. Door die redenering zijn we toegerust om te "zien" hoe de profetie zijn vervulling kan hebben in de toekomst.

Beschouw het volgende vers in Jesaja 60:4, waar staat: "Sla uw ogen rondom op en zie! Zij zijn allen bijeengebracht; zij zijn tot u gekomen. Van verre blijven uw eigen zonen komen, en uw dochters, die aan de zijde verzorgd zullen worden."

Zijn al Gods gezalfde zonen en dochters reeds bijeengebracht? Het Wachttorengenootschap leert ons dat de zalving eindigde in 1935 en dat een ieder die na die tijd beweert gezalfd te zijn ofwel bedriegers zijn ofwel enkel vervangers zijn voor de ontrouwen. We geloven dus dat alle zonen reeds bijeenverzameld zijn.

Volgens Jesaja 26:15-18 breidt Gods geestelijke natie haar symbolische "grenzen" echter gedurende de ellende van de verdrukking uit wanneer Jehovah zijn volk tuchtigt. Net zoals het 12de hoofdstuk van Openbaring de moeilijke geboorte van het koninkrijk beschrijft, voorzegt Jesaja's profetie dat er complicaties zullen zijn bij de "bevalling" van de natie.

Die verzen luiden: "Gij hebt aan de natie toegevoegd; o Jehovah, gij hebt aan de natie toegevoegd; gij hebt uzelf verheerlijkt. Gij hebt alle grenzen van het land ver uitgebreid. O Jehovah, in benauwdheid hebben zij hun aandacht op u gericht; zij hebben een fluistergebed uitgestort toen uw strenge onderricht hen trof. Net zoals een zwangere vrouw het moment nadert om te baren, weeën heeft, het uitschreeuwt in haar barensweeën, zo zijn wij geworden wegens u, o Jehovah. Wij zijn zwanger geworden, wij hebben weeën gehad; wij hebben als het ware wind gebaard. Geen werkelijke redding bewerken wij met betrekking tot het land, en er worden voorts geen bewoners voor het produktieve land als bij een geboorte uitgeworpen."

De hierboven geciteerde profetie wijst erop dat de "geboorte" van de zonen en dochters van het koninkrijk eigenlijk een miskraam is - waardoor het nodig is dat Jehovah een reddingswonder moet verrichten. Het punt met betrekking tot ons argument is hier dus dat het voorbarig is om te zeggen dat God zijn werk aangaande de bijeenvergadering van al zijn zonen en dochters reeds voleindigd heeft. En wederom, volgens Jezus vindt de definitieve bijeenverzameling van de uitverkorenen van zijn koninkrijk plaats gedurende de verdrukking. Dat is wanneer "hij zijn engelen zal uitzenden met een luid trompetgeschal, en zij zullen zijn uitverkorenen bijeenvergaderen van de vier windstreken, van het ene uiteinde der hemelen tot het andere uiteinde daarvan."

Wat valt er te zeggen over Jesaja 60:8? Daar staat: "Wie zijn dezen die komen aanvliegen net als een wolk, en als duiven naar de gaten van hun til?"

Volgens de huidige leerstelling van het Wachttorengenootschap zijn de duiven die naar hun til vliegen een afbeelding van de bijeenvergadering van de grote schare uit Openbaring. Een ogenschijnlijk kleine onnauwkeurigheid in onze theocratische terminologie is echter dat de grote schare, volgens de engel die het visioen aan Johannes verklaarde, bestaat uit personen die "uit de grote verdrukking komen." Daar de grote schare volledig bestaat uit degenen die de grote verdrukking overleven en daar het duidelijk is dat zo'n verdrukking nog niet heeft plaatsgevonden, is het ongepast om naar de andere schapen te verwijzen als de grote schare. Meer dan waarschijnlijk zal de grote schare zich vormen gedurende de grote verdrukking. Dat is wanneer, volgens Jezus, "de één meegenomen en de ander achtergelaten zal worden." Op zijn minst zouden we niet-gezalfde Christenen moeten aanspreken als de toekomstige leden van de grote schare.

Maar, dat onbeduidende punt even ter zijde schuivend, vervult de geleidelijke groei van het aantal Jehovah Getuigen gedurende de afgelopen jaren de profetie? Niet noodzakelijkerwijs. Wanneer we bijvoorbeeld de betekenis van Jehovah's illustratie aangaande de duiven die als een wolk komen aanvliegen naar hun til analyseren, suggereert dit een plotselinge migratie, en masse, naar een plaats van veiligheid. Het plaatje lijkt geen afschildering te zijn van de jaarlijkse toename van 2% van het aantal Jehovah's Getuigen, zoals we nu denken.

Volgens het volgende vers, Jesaja 60:10, krijgt Jehovah een afkeer van zijn organisatie en dient het een slag toe; later is er een herstel. Dat is wanneer "buitenlanders werkelijk uw muren [zullen] bouwen, en hun eigen koningen zullen u dienen; want in mijn verontwaardiging zal ik u hebben geslagen, maar in mijn goede wil zal ik u stellig barmhartig zijn."

Volgens de interpretatie van het Wachttorengenootschap was Jehovah gebelgd over de vroegere Bijbelonderzoekers en sloeg hij hen in 1918 met zijn disciplinaire roede. Gods tuchtiging kwam over de organisatie toen acht functionarissen van het Wachttorengenootschap enkele maanden in de gevangenis werden geworpen. Volgens het vers uit het 26ste hoofdstuk van Jesaja dat eerder geciteerd werd, komt Jehovah's tuchtiging gedurende een tijd van benauwdheid waarin geen redding mogelijk lijkt. En volgens de context, vindt de tuchtiging van Gods dienaren onmiddellijk voor Gods veroordeling van de wereld plaats, daarom zegt God tegen zijn gelouterden zich voor een tijdje in de binnenkamers te verschuilen, totdat de veroordeling voorbij is. Voor mensen met een nuchtere geest moet het duidelijk zijn dat Gods verbolgenheid met zijn volk nog niet tot uiting is gekomen.

Helaas ontberen Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap kennelijk echter de eerlijkheid en nederigheid om te erkennen dat Jehovah mogelijk verbolgen over ons zou kunnen raken. Het gaat werkelijk ons verstand te boven dat de organisatie verbrijzeld zou kunnen worden en nadien weer hersteld. Maar, als dat het geval zal zijn, en we kunnen er zeker van zijn dat dat zo is, dan is de profetie van de duiven die als een wolk terugvliegen naar hun tillen, bedoeld om degenen af te schilderen die Jehovah's tuchtiging gedurende de verdrukking verduren en nadien nederig samenkomen in een gereinigde en gelouterde organisatie.

Heeft Jehovah reden om verbolgen te zijn over degenen die zijn naam heden ten dage dragen?

Beschouw eens het vers dat direct voorafgaat aan het oorspronkelijke vers dat we bespreken, vers 21: "En wat uw volk betreft, zij zullen allen rechtvaardig zijn; tot onbepaalde tijd zullen zij het land in bezit houden, de spruit van mijn planting, het werk van mijn handen, opdat mij luister wordt verleend."

Merk alsjeblieft op dat het bovenstaande vers zegt dat "allen rechtvaardig zullen zijn," dat betekent dat alle mensen die Gods land zullen bewonen rechtvaardig zullen zijn. Durven we nu te beweren dat alle hedendaagse Jehovah's Getuigen rechtvaardig zijn? Geen enkel redelijk persoon zou zo'n bewering doen. Hoe konden we zoiets geloven terwijl er elk jaar tienduizenden Jehovah's Getuigen worden uitgesloten vanwege de beoefening van diverse vormen van immoraliteit en vele anderen berispt worden voor zulke grove zonden? Wordt Jehovah "luister verleend" door zo'n organisatie? Zelfs wanneer we menselijke onvolmaaktheid in aanmerking nemen, kunnen we dan beweren dat allen rechtvaardig zijn? In geen geval!

Verder voorzegt Jesaja 60:17 in symbolische taal hoe Jehovah bepaalde verbeteringen zal aanbrengen in de structuur van zijn organisatie en zijn volk rechtvaardige opzieners zal geven. Het vers luidt: "In plaats van het koper zal ik goud brengen, en in plaats van het ijzer zal ik zilver brengen, en in plaats van het hout, koper, en in plaats van de stenen, ijzer; en ik wil vrede tot uw opzieners aanstellen en rechtvaardigheid tot uw taaktoewijzers."

Hebben we de vervulling van bovenstaande profetie gezien? Wel, beschouw als voorbeeld eens dat juist in de periode van de afgelopen maanden diverse artikelen zijn verschenen in het nieuws waarin verslag werd gedaan van diverse delicten die specifiek door ouderlingen van Jehovah's Getuigen gepleegd zijn. Er was bijvoorbeeld de beruchte zaak in Montana waar twee ouderlingen schaamteloos een vertrouwende oudere weduwe voor miljoenen dollars hebben opgelicht. Een soortgelijke zaak van fraude en misleiding van de kant van een vertrouwde oudeling werd recentelijk gerapporteerd in Florida. Er zijn ook diverse zaken geweest waarbij aangestelde dienaren in de gemeenten niet alleen zijn beschuldigd van het verleiden en verkrachten van minderjarige kinderen, maar daarvoor ook veroordeeld zijn.

Terwijl de gemeenten jammerlijk gefaald hebben in het beschermen van wezen en weduwen tegen roofzuchtige ouderlingen in ons midden, hebben de regeringsmachten die er zijn gelukkig de autoriteit van God gekregen om zulke verraderlijke mannen achter de tralies te zetten, waar ze ook thuishoren.

Maar, om te voorkomen dat we het punt uit het oog verliezen: Hoe kan het Wachttorengenootschap zulk slecht gedrag eenvoudig wegwuiven onder het mom van enkel menselijke onvolmaaktheid en blijven volhouden dat we leven in het voorzegde geestelijk paradijs? Is het voor ons teveel om te verwachten dat onze door God aangestelde ouderlingen in het schitterende koninkrijk uit Jesaja's profetie de weduwen en wezen onder hun hoede niet zullen bestelen of verkrachten? Ja, hoe kunnen zulke moreel verdorven mannen heden ten dage dienen als rechtvaardige "taaktoewijzers" en opzieners van vrede in een organisatie waarvan God zegt dat iedereen rechtvaardig is, tot zijn eigen heerlijkheid? Het moge duidelijk zijn dat dat niet kan. Het lijkt zelfs een waanidee te zijn van onze zijde, zo niet godslasterlijk, om nu aan God toe te schrijven dat hij ons reeds op goud en zilver gelijkende organisatorische verbeteringen heeft gegeven, terwijl we duidelijk nog steeds geplaagd worden door inferieure elementen. Het is tragisch dat onze organisatie juist datgene dringend nodig heeft waarvan het Wachttorengenootschap aanneemt dat God het ons reeds toegediend heeft.

Wanneer we niet de bedoeling hebben onszelf te misleiden, zullen we de niet te ontkennen waarheid aanvaarden dat Jehovah zijn organisatie nog niet gelouterd heeft. In plaats van tegenover de wereld constant te pochen over hoe rein en rechtvaardig Jehovah's organisatie is, zouden Jehovah's Getuigen nederig moeten erkennen dat onze God, Jehovah, alle reden heeft om verbolgen over ons te zijn; vooral over het leiderschap van de Wachttorenorganisatie voor de koppige weigering recht te doen en voor de hardnekkige ontkenning van de waarheid omtrent deze zaken.

Volgens Jehovah's goede belofte zal geen enkel probleem waardoor we heden ten dage geplaagd worden meer bestaan nadat hij zijn op een stad gelijkende organisatie loutert en zal opluisteren. Daarom luidt vers 18: "Van geweld zal niet meer worden gehoord in uw land, noch van gewelddadige plundering of verbreking binnen uw grenzen. En gij zult uw eigen muren stellig Redding noemen en uw poorten Lof."

Wederom, volgens de grootste profeet, Jezus, zal het besluit van het samenstel gekenmerkt worden door een toename van wetteloosheid, bedrog en struikelingen. Met andere woorden, Jehovah's Getuigen moeten binnen onze grenzen nog onderworpen worden aan geweld, verwoesting en ineenstorting. Degenen die tot het einde volharden mogen verwachten door de poort binnen te gaan en redding te vinden achter de veilige muren van Jehovah's fort.

Jesaja 60:19 zegt uiteindelijk: "Voor u zal de zon niet meer een licht blijken te zijn bij dag, en wat glans betreft, de maan zelf zal u geen licht meer geven. En Jehovah moet voor u een voor onbepaalde tijd durend licht worden, en uw God uw luister."

Nauwkeurige studenten van de Bijbel zullen opmerken dat deze uitdrukking gelijk is aan Openbaring 22:3-5, waar staat: "En er zal geen enkele vervloeking meer zijn. Maar de troon van God en van het Lam zal in de stad zijn, en zijn slaven zullen heilige dienst voor hem verrichten; en zij zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hun voorhoofd zijn. Ook zal er geen nacht meer zijn, en zij hebben geen lamplicht nodig, noch hebben zij zonlicht, want Jehovah God zal hen verlichten, en zij zullen als koningen regeren tot in alle eeuwigheid."

Het visioen in Openbaring beschrijft niets minder dan het glorieuze koninkrijk van God wanneer het begint te regeren over de natiën. Daar gaat het 60ste hoofdstuk van Jesaja ook over. Terwijl het pijnlijk duidelijk is dat we nog niet de zegeningen mogen ervaren van de verlichte stad van God, ondanks dat we nu denken dat het koninkrijk lang geleden in 1914 begon met regeren, zouden we ons ook niet moeten indenken dat de profetieën ná Armageddon in vervulling gaan.

De waarheid die nog helderder dan de zon in de lucht moet gaan schijnen, is dat Gods koninkrijk de zegening van verlichting en redding brengt gedurende de kilste periode in de geschiedenis - tijdens de verdrukking. Volgens Jesaja 30:26 zal Jehovah's waarheid in de onmiddellijke nasleep van de door hem toegebrachte slag schijnen met een intensiteit die nooit tevoren is gezien door zijn dicipelen. Het vers luidt: "En het licht van de volle maan moet worden als het licht van de gloeiende zon; en ook het licht van de gloeiende zon zal zevenmaal sterker worden, als het licht van zeven dagen, op de dag dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs de zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte slag geneest."

Het Wachttorengenootschap zou niet langer de oren van Jehovah's Getuigen moeten kittelen door te leren dat de bovenstaande profetie enkel in de nieuwe wereld in vervulling zal gaan. Het voorafgaande vers zegt heel duidelijk dat God zijn volk verlicht "op de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen." Dat wil zeggen - tijdens de grote verdrukking. Kennelijk kan de onbuigzame blindheid welke de organisatie heden ten dage in de greep heeft, als het ware enkel genezen worden door een intense lichtflits van een nucleaire ontploffing.

Als gevolg van het accepteren van de tuchtiging, de catastrofe die God zal toelaten over zijn afgedwaalde organisatie, zullen de getuchtigde gezalfde zonen van het koninkrijk uiteindelijk "zo helder schijnen als de zon," waarbij ze een korte tijd, die onmiddellijk voorafgaat aan hun vertrek, stralende aardse lichten zullen zijn voor het koninkrijk van hun hemelse Vader.

Nu zijn we in een positie om te begrijpen hoe het in de toekomst kan gebeuren dat "de kleine zelf tot duizend zal worden, en de geringe tot een machtige natie. Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen."

Laat er ten eerste opgemerkt worden dat klein of gering zijn volgens schriftuurlijk gebruik ook kan betekenen vernederd en verlaagd te worden voor het oog van anderen. Jehovah's oordeel in Obadja tegen Edom zegt bijvoorbeeld: "Zie! Klein heb ik u gemaakt onder de natiën. Gij wordt zeer veracht." (Obadja 1:2)

Evenzo luidt Jehovah's oordeel tegen zijn gezalfde priesters in Maleachi 2:9 als volgt: "En ook ik, van mijn kant, zal stellig voor heel het volk verachtelijk en gering maken, net zoals gij mijn wegen niet hebt onderhouden, doch partijdigheid hebt betoond inzake de wet."

Evenzo voorzegt Jesaja 60:15 dat de stad van God aangetast en gehaat zal worden, maar dat Jehovah het opnieuw in bezit zal nemen en het zal verheerlijken. Zodat, "in plaats dat gij geheel verlaten en gehaat bleekt te zijn, zonder dat iemand erdoorheen trok, wil ik u zelfs stellen tot een trots voor onbepaalde tijd, een uitbundige vreugde voor geslacht op geslacht. En gij zult werkelijk de melk van natiën zuigen, en aan de borst van koningen zult gij zuigen; en gij zult stellig weten dat ik, Jehovah, uw Redder ben en dat de Machtige van Jakob uw Terugkoper is."

In het licht van al het voorgaande zijn we hopelijk toegerust om werkelijk in de toekomst te zien. In plaats van ons in te denken dat we Bijbelse profetieën voor onze ogen in vervulling zien gaan, zal de "kleine" die tot "duizend" zal worden en de "geringe tot een machtige natie" ongetwijfeld zijn vervulling vinden in de toekomst; als gevolg van Jehovah die zijn volk weer terugkoopt uit een gevangen toestand die we nog moeten meemaken. We moeten onszelf niet langer op kinderlijke wijze indenken dat de "Machtige van Jakob" terug in 1918 de Redder van de organisatie werd toen de broeders werden vrijgelaten. In plaats daarvan is de grote bijeenverzameling klaarblijkelijk een herverzameling van de schapen die nog verstrooid en gekweld moeten worden.

Verder, in het licht van het trieste feit dat de groei van het aantal Jehovah's Getuigen aan het stagneren is en op sommige plaatsen zelfs aan het dalen is, lijkt het erop dat de "bespoediging" feitelijk aan het vertragen is. Maar, nogmaals, in plaats van te denken dat de profetie reeds vervuld is in de geleidelijke groei van het aantal dicipelen, zal de tijd waarin Jehovah "het zal bespoedigen" waarschijnlijk plaatsvinden tijdens de kritieke fase wanneer de verdrukking ten behoeve van de uitverkorenen "verkort" wordt. Dan kunnen we verwachten dat de volledig verlichte, teruggewonnen personen die Jehovah liefhebben samen zullen komen, en masse, als een grote schare, en optrekken naar het schitterende op een stad gelijkende koninkrijk van God, als onmiddellijk begin van hun redding aan het einde van de wereld.



Als de laatste dagen niet begonnen zijn, heeft dan ook maar iets wat in de afgelopen honderd jaar met de organisatie is gebeurd te maken met de vervulling van profetie?


Ja. Veel dingen zijn relevant voor hedendaagse Jehovah's Getuigen. Het is een voorzegde zekerheid dat er ware Christenen op aarde zullen zijn gedurende de periode die onmiddellijk voorafgaat aan het einde van het samenstel. Jezus beloofde dat hij de gehele weg met zijn ware dicipelen zou zijn tot het besluit. Er is dus een gemeente van ware Christenen. Waarom niet de Jehovah's Getuigen?

Ten eerste passen Jehovah's Getuigen binnen het beschrijving van degenen die bij Gods naam genoemd worden en die prediken over het koninkrijk. Verder vestigen veel van de essays en commentaren op e-watchman de aandacht op diverse profetieën in de Hebreeuwse Geschriften die van toepassing zijn op de organisatie die onder Gods oordeel komt gedurende het hoogtepunt van de dingen. Wil dat plaats kunnen vinden, dan kunnen we beredeneren dat er voorafgaand aan de oordeelsperiode een functionerende organisatie van Christenen moet zijn.

In het essay over Gerechtigheid voor de Misbruikte Kinderen wordt de lezer bijvoorbeeld verwezen naar het boek Hosea met betrekking tot de wijze waarop de "zonde van Gibea" een verbazingwekkende parallel in zich draagt met de afschuwelijke wijze waarop het Wachttorengenootschap de vele schokkende zaken van seksueel kindermisbruik in de organisatie heeft bedekt. Natuurlijk ziet het Wachttorengenootschap dat anders, maar hun trotse ontkenning van enig kwaaddoen is ironisch genoeg ook een deel van profetieën.

Ondanks dat het Wachttorengenootschap zich indenkt dat het oordeel over het huis van God lang geleden in 1918 plaats heeft gevonden, is zo'n mening onredelijk en past het niet binnen de manier waarop profetieën het oordeel situeren als plaatsvindend gedurende de uiteindelijk verdrukkingsperiode.

Maar, terwijl de meest interpretaties van profetieën van het Wachttorengenootschap onjuist zijn, hebben ze het voor het grootste deel enkel mis in hun timing, wat overeenkomt met de manier waarop de apostelen de overhaaste conclusie trokken dat het koninkrijk toen onmiddellijk opgericht zou worden.

Het belangrijkste is geduldig en getrouw te zijn en te wachten op Jehovah om de dingen eens flink op te schudden. Hopelijk is ons geloof in Gods Woord sterker dan de dwaasheid van het Wachttorengenootschap.



In de Wachttoren van 1 februari 2004 spuugt het Genootschap wederom dezelfde oude misselijk makende nonsens over 1914 uit en lepelt het dezelfde oude chronologie op en andere "bewijzen" dat het koninkrijk in 1914 is opgericht. Ze doen dat nadat ze zelfs al jouw materiaal en inzichten hebben gekregen, alsook diverse brieven en materiaal uit andere bronnen. Jehovah wil dat zijn dienstknechten hem in geest en "in waarheid" aanbidden en Jehovah "kan niet liegen", het is daarom gewoon teveel om te geloven dat hij toelaat dat zulke onzin en leugens elke keer herhaald worden en in zijn naam gepredikt worden. Hoe geeft Jehovah mensen "nauwkeurige kennis" die vereist is voor redding (Joh. 17:3), terwijl hij toestaat dat zovelen struikelen door zulke verkeerde leerstellingen? In plaats dat Jehovah toestaat dat zijn volgelingen voor altijd blind blijven aangaande deze zaken, waardoor vele duizenden oprechte Christenen struikelen, geloof ik dat deze alsmaar herhaalde onjuistheden bewijzen dat Jehovah JG's niet rechtstreeks gebruikt of leidt. Als God niet liegen kan, zou hij ook geen organisatie toestaan die zijn zogenaamde naam gebruikt om te liegen.


E-watchman is online gekomen met twee redenen. Ten eerste om te dienen als een soort van open brief aan het Wachttorengenootschap, soortgelijk aan de manier waarop Paulus Petrus publiekelijk terechtwees in de 1ste eeuw en de manier waarop de Hebreeuwse profeten publiekelijk de Joodse instelling veroordeelde. Ten tweede is het mijn hoop dat enkelen van de gestruikelde en ontmoedigde zielen wellicht gesterkt en aangemoedigd worden om de problemen waarmee Jehovah's Getuigen te maken hebben vanuit een fris profetisch perspectief te bezien.

Het is duidelijk dat je iets weet over Jehovah. Je zei dat Jehovah niet voor altijd toe zal staan dat zijn dienstknechten blind blijven voor de waarheid. En daarin heb je zeer gelijk. Maar, realiseer je alsjeblieft dat er meer mee verbonden is. De relevantere vraag, als ik die voor je mag stellen, is: Waarom laat God überhaupt toe dat zijn dienstknechten in blindheid ronddolen?

Om je te helpen de zaken in perspectief te bezien, beschouw eens enkelen van de vele, vele profetieën die niet alleen spreken over de huidige aanwezige geestelijke blindheid, maar die ook Jehovah's uiteindelijke genezing ervoor bespreken.

Beschouw Jesaja 48:1, 2 eens waar staat: "Hoort dit, o huis van Jakob, gij die u noemt naar de naam Israël en die zelfs uit de wateren van Juda zijt voortgekomen, gij die zweert bij de naam van Jehovah en die zelfs gewag maakt van de God van Israël, niet in waarheid en niet in rechtvaardigheid. Want zij hebben zich genoemd als afkomstig zijnde uit de heilige stad, en op de God van Israël hebben zij gesteund, Jehovah der legerscharen is zijn naam."

Vraag jezelf eens af, zweren Jehovah's Getuigen bij de naam van Jehovah en maken ze gewag van de God van Israël? Steunen wij op Jehovah God? Natuurlijk doen we dat. De gezalfde getuigen noemen zichzelf specifiek de inwoners van het hemelse Sion en het geestelijk Israël. Jehovah's priemende visioen meldt echter ronduit dat onze dienst aan hem "niet in waarheid en niet in rechtvaardigheid" is.

Maar, gebruik nu eens je redenatievermogen. Als Jehovah zelf zijn eigen organisatie van mensen de les leest voor het niet aanbidden van hem in waarheid en rechtvaardigheid, betekent dat dan dat het volk dat profetisch wordt aangesproken door middel van Jesaja niet zijn volk is? Nee, het betekent juist precies het tegenovergestelde. Het betekent dat Jehovah inderdaad een specifieke groep mensen erkent die wel een relatie met hem hebben, maar die afgedwaald zijn en blind zijn voor bepaalde aspecten van de waarheid. Dat is een perfecte beschrijving van onze huidige situatie.

Wat is het probleem precies? Jehovah legt het verder uit en bezie eens of dit niet precies de wortel van het probleem, waarmee het Wachttorengenootschap te kampen heeft, beschrijft.

"De eerste dingen heb ik zelfs van die tijd af verteld, en uit mijn eigen mond zijn ze uitgegaan, en ik liet ze voortdurend horen. Plotseling handelde ik, en toen kwamen de dingen tot stand. Omdat ik wist dat gij hard zijt en dat uw nek een ijzeren pees is en uw voorhoofd koper, bleef ik het u ook van die tijd af vertellen. Voordat het kon komen, deed ik het u horen, opdat gij niet zoudt zeggen: 'Mijn eigen afgod heeft ze gedaan, en mijn eigen gesneden beeld en mijn eigen gegoten beeld hebben ze bevolen.'"

Ten eerste, begrijp dat het grootste deel van Jesaja, van hoofdstuk 40-60, een monoloog van God is. Wanneer we het bezien als de feitelijke vooraf opgetekende rechterlijke beslissing van God die gedurende de oordeelsfase tot leven zal komen, dan kunnen we, geleid door ons geloof, werkelijk in de toekomst kijken en meeluisteren met God terwijl hij spreekt tot zijn organisatie gedurende de komende ineenstorting.

Nu, door je eigen observatie heb je reeds bevestigd dat de Wachttorenorganisatie koppig weigert te veranderen en de foute 1914 chronologie los te laten en alles wat daarmee samenhangt. Maar, is dat niet precies wat Jehovah zegt, dat zijn organisatie halsstarrig en koppig is? Maar, meer dan dat, het echte probleem is niet enkel koppigheid, het is afgoderij! Maar, hoe kunnen Jehovah's Getuigen zich mogelijkerwijs schuldig maken aan afgoderij? Volgens Jehovah is de afgod die door zijn volk aanbeden wordt in staat om bevelend te spreken over de komende dingen. We zullen het er ongetwijfeld over eens zijn dat dat geen gewone afgod is. Maar, wat zou het kunnen zijn?

Vanuit Jehovah's standpunt bezien aanbidt zijn volk hem niet in waarheid en rechtvaardigheid, omdat ze een afgod aanbidden welke Jehovah vertegenwoordigt; een afgod die spreekt als de eigen mond van God. Klinkt dat bekend in de oren? Dat zou wel moeten. Het Wachttorengenootschap zelf is een afgod geworden. We kijken niet op naar een enkel cultfiguur. We verafgoden een beeld van een alwetende, rechtvaardige instelling die bekend is met alle heilige geheimen van God. We zijn ertoe misleid om Jehovah's zichtbare organisatie te aanbidden in plaats van de onzichtbare God die het leidt. Dat is het probleem.

En volgens de rest van de profetie is het Jehovah's oplossing om zijn waarheid in reserve te houden, zodat de afgod waarnaar we opkijken voor leiding tot schande wordt gemaakt. God erkent dat zijn volk doof is en de dingen die God in reserve houdt niet kent.

Jesaja 48:8, 9 zegt: "Bovendien hebt gij niet gehoord, noch hebt gij geweten, noch is van die tijd af uw oor geopend geweest. Want ik weet maar al te goed dat gij zonder mankeren trouweloos bleeft handelen, en een 'overtreder van de buik af' zijt gij genoemd. Ter wille van mijn naam zal ik mijn toorn inhouden, en om mijn lof zal ik mij jegens u bedwingen, opdat men u niet afsnijdt."

Het is duidelijk dat het Jehovah's intentie is om de organisatorische heilige koe die we zijn gaan aanbidden volledig tot schande te maken. Het feit dat het Wachttorengenootschap volledig onbewust is van bepaalde waarheden in de Bijbel die nu via een alternatief kanaaal beschikbaar worden gesteld aan Jehovah's Getuigen, is een voorbode van de dingen die komen gaan.

Gods geestelijke genezing zal tot stand komen doordat hij toestaat dat de "geïnspireerde" aankondigingen van onze afgod ons op een doodlopende weg zullen laten belanden. Gedurende onze kwelling en vernedering horen we Jehovah's stem luid boven het zachte gefluister van onze op dat moment tot schande gemaakte Wachttorenafgod uit.

Beschouw de vleiende profetie in het 30ste hoofdstuk van Jesaja eens. Daar wordt onthuld dat Jehovah's volk blind zal zijn voor bepaalde waarheden, totdat God toestaat dat tegenspoed en catastrofe over ons komen. Dan, en alleen dan, zullen de schellen van onze ogen vallen zodat we de waarheid als nooit tevoren zullen zien - vrij van de organisatorische verafgoding waardoor we heden ten dage geplaagd worden.

Hij zal u zonder mankeren gunst betonen op het geluid van uw geroep; zodra hij het hoort, zal hij u werkelijk antwoorden. En Jehovah zal ulieden stellig brood in de vorm van benauwdheid geven en water in de vorm van onderdrukking; toch zal uw Grootse Onderwijzer zich niet langer verbergen, en uw ogen moeten ogen worden die uw Grootse Onderwijzer zien. En uw eigen oren zullen een woord achter u horen, dat luidt: "Dit is de weg. Wandelt daarop", ingeval gijlieden rechts of ingeval gij links zoudt gaan."

De uitdaging voor ons is nu de verafgoding van de organisatie te verwerpen zonder ook ons geloof als Jehovah's Getuigen terzijde te schuiven.

In zekere zin is het juist de verafgoding van het Wachttorengenootschap waardoor we struikelen. Dat komt omdat de meeste Jehovah's Getuigen veel teveel belangrijkheid toekennen aan het "Genootschap."

Het begint al vroeg, wanneer we voor het eerst studeren. We zijn wellicht met ontzag vervuld door de waarheid, wat terecht is, daar we de waarheid in zekere mate kennen, anders zou Jehovah zich niet eens de moeite getroosten om ons te corrigeren. Maar de onwaarheid en onrechtvaardigheid treedt in doordat we geleidelijk gecharmeerd raken van het Wachttorengenootschap alsof het de bron van waarheid is, en dat is het probleem.

Wanneer ons namelijk duidelijk gemaakt wordt dat onze afgod onze verering die we eraan geven niet waard is, voelen we ons op één of andere manier verraden door onze religie. En we zijn geneigd uit te kijken naar een ander waardiger object voor onze verering - wellicht een andere religie, of we eindigen eenvoudig bij het aanbidden van de god van onze eigen buik, of sexorganen of iets even degraderends.

Het is zeker dat we ons in een serieuze bende bevinden. Maar, er is geen probleem dat God niet recht kan zetten.

Wanneer we echter luisteren naar God die in de toekomst tot ons spreekt, kan het helpen om nu een bepaald perspectief te ontwikkelen. In de toekomst is wanneer God ingrijpt, alsof hij hoog verheven is boven onze nietige planeet, dan maakt Jehovah zijn grootsheid in meer dan enkel woorden bekend. Dan spreekt Jehovah met een donderende stem tot zijn gezalfde gemeente die de rillingen over de rug van ieder godvrezend persoon zal laten lopen. Dan zal Jehovah niet alleen zijn grootsheid bekend maken, maar hij zal demonstreren, in een kracht die nooit eerder gezien is, waarom hij alle mensen van de aarde vergelijkt met nietige sprinkhanen.

We kunnen terecht verwachten dat de Wachttoren instelling zal smelten in de gloed van Jehovah's heerlijkheid en de hitte van zijn woede. Maar, het geloof dat Jehovah in ons hart heeft geplant zal overeind blijven - mits we echt geloof hebben.

Lees het 29ste hoofdstuk van Jesaja. Het beschrijft Jehovah's oordeel over Ariël en beschrijft wederom hoe Gods woordvoerders geestelijk dronken en blind zijn. Het vuur van de verdrukking zal Gods organisatie ontdoen van goddeloze mensen en afgodische houdingen.

Maar het schenkt ook hoop op verlichting voor de zachtmoedigen, zelfs gedurende de tijd van Oordeel over de organisatie. Jesaja 29:18-21 luidt: "En op die dag zullen de doven stellig de woorden van het boek horen, en uit het donker en uit de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden zien. En de zachtmoedigen zullen hun verheuging in Jehovah zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de mensheid zullen blij zijn in de Heilige Israëls zelf, want de tiran moet aan zijn eind komen en met de snoever moet het gedaan zijn, en allen die er voortdurend op uit zijn kwaad te doen, moeten worden afgesneden, zij die een mens doen zondigen door zijn woord, en zij die zelfs strikken spannen voor degene die terechtwijst in de poort, en zij die de rechtvaardige terzijde dringen met nietszeggende argumenten."

Het bovenstaande gedeelte uit de profetie wijst erop dat Gods kinderen geestelijk blind en doof zijn tot de tijd waarop onze ramp de organisatorische snoevers en tirannen waaronder we nu te lijden hebben, verwijdert.

Tot slot, de laatste verzen van Jesaja 29 zijn Gods verzekering dat het geloof dat door Gods organisatie overgebracht is het ter ziele gaan van de organisatie zal overleven. Dat is in werkelijkheid de manier waarop God zijn naam heiligt.

Daarom heeft Jehovah dit tot het huis van Jakob gezegd, hij die Abraham verloste: "Jakob zal nu niet beschaamd staan, noch zal zijn eigen gezicht nu bleek worden; want wanneer hij zijn kinderen ziet, het werk van mijn handen, in zijn midden, zullen zij mijn naam heiligen, en zij zullen stellig de Heilige Jakobs heiligen, en voor de God van Israël zullen zij ontzag hebben. En zij die dwalen in hun geest, zullen werkelijk verstand krijgen, en zelfs zij die morren, zullen onderricht leren."



Het Wachttorengenootschap zegt dat Openbaring 6:2, waar Jezus wordt beschreven als met een kroon op zijn hoofd en op een wit paard tot de overwinning uittrekkend, in 1914 in vervulling is gegaan, maar Openbaring 19:11-15 geeft een vrijwel identieke beschrijving van Jezus wat nog in vervulling moet gaan. Dit lijkt wederom een voorbeeld van arbitraire toepassing van de schrift te zijn om het 1914 dogma te ondersteunen. Ben je het daarmee eens?


"Vrijwel identiek" is een doeltreffende uitdrukking. Een nauwkeurige bestudering onthult namelijk enkele intrigerende verschillen. Merk ten eerste op dat hun wapens van elkaar verschillen. In het zesde hoofdstuk van Openbaring wordt Jezus afgeschilderd als dat hij een boog draagt. In Openbaring 19 draagt hij een zwaard. Wat is de betekenis daarvan? Wel, een boog is een langafstand wapen. Het wordt gebruikt wanneer de vijand nog niet heel dichtbij is. Het zwaard is dan echter niet bruikbaar, daarvoor is een man-tegen-man gevecht nodig. Oké, dus?

Wel, het openen van het 1ste zegel is wanneer Christus aanvankelijk ten strijde trekt? En wat is het eerste dat Jezus doet? Hij werpt Satan uit de hemel, wat als teken dient dat Christus' oorlogspaard is galop is. Maar, er moeten ook andere dingen plaatsvinden. Andere apocalyptische paarden volgen en brengen oorlog, voedseltekorten, enzovoorts. Wanneer Jezus zijn kroon wordt gegeven en begint te vechten voor zijn koninkrijk, is het vanuit ons perspectief op aarde bezien alsof hij nog steeds op een bepaalde afstand van het feitelijke slagveld is, maar dat hij zich snel in de strijd werpt, door van achter de schermen precisiepijlen vanuit zijn boog te schieten.

Het visioen in het 19de hoofdstuk beeldt Christus echter in een veel later stadium in zijn strijd af. Dan treden Christus en zijn legers de vijanden van het koninkrijk met een getrokken zwaard tegemoet, wat betekent dat Jezus en zijn gevolg op het feitelijke slagveld van Armageddon staan.

Ten tweede wijst de context erop dat er twee verschillende aspecten zijn. De opening van de eerste zes zegels leiden tot de uiteindelijke vernietiging van Babylon de Grote, gevolgd door de bruiloft van het Lam. Na de bruiloft van het Lam zal Christus, vergezeld door alle opgestane heiligen, de koninkrijksstrijd voleindigen door alle overgebleven vijanden te vernietigen.

Maar, in plaats dat het 1ste zegel 90 jaar geleden geopend is, kunnen we verwachten dat het teken van Christus' die ten strijde trekt zichtbaar wordt aan het begin van de volgende uitgebarsten wereldoorlog. Dan zal zijn strijd in een relatief korte tijd beslecht zijn.



Is de overleving van het Genootschap niet noodzakelijk om de slechtheid van Babylon de Grote te benadrukken? Waarom zou God de enige organisatie vernietigen die zijn vijanden in de laatste dagen geïdentificeerd en aangevallen heeft? Het lijkt alsof de Org. nodig is om te voorzien in een soort van meetlat aan het einde. En hoe zie je de interpretatie van het "aanraken van de oogappel"?


Ja, op de eerste vraag. Eén van de subthema's van de Bijbel is de voortdurende oorlog tussen Sion en Babylon. De vernietiging van Sion door Babylon, op het hoogtepunt der dingen, is de situatie die vereist dat Jehovah in een wonderbaarlijke redding en herstelling van zijn gevallen "stad" zal voorzien (Zie het meest recente essay: Babylon versus Sion).

Volgens de profeten diende de vernietiging van Sion door Nebukadnezar als terechtwijzing voor Gods volk. Nadien wordt de herstelde natie opnieuw aangevallen door de symbolische Gog van Magog. Die tweede aanval wordt vergeleken met het steken in Gods oog, daar het niet dient als tuchtiging voor zijn volk, maar in plaats daarvan dient als de reden voor God om Satans wereld te vernietigen.

Hoe dit zich feitelijk zal ontvouwen in de toekomst; we kunnen verwachten dat de organisatie, gedurende de verdrukking, vertrapt zal worden door de 8ste koning en zijn hoerige metgezellin. Het zal dus lijken alsof Babylon de Grote wederom Gods volk overwonnen heeft. Dat zal dienen als onze tuchtiging. Dan zal Jehovah met wonderbaarlijke middelen zorgen voor een herstel, op een nu niet te anticiperen wijze. (Ik verwacht een tweede op Pinksteren gelijkende uitstorting op de getrouwen.) Daarna wordt Babylon de Grote volledig vernietigd door de politieke machten. Na haar vernietiging en nadat we hersteld zijn in Gods gunst komt de tweede aanval. (De profetie van de koning van het noorden spreekt ook over 2 verschillende aanvallen.)

De tweede ongeoorloofde aanval is analoog aan God die in zijn oog gestoken zal worden - wat voor de 8ste koning zal resulteren in onmiddellijke vernietiging.



In je essay over het einde van de tijden der heidenen zeg je: "Jezus waarschuwde zijn discipelen daarom in plaats daarvan voor een toekomstige tijd wanneer de tempel en de heilige stad van Jeruzalem verwoest zou worden door de Romeinse legioenen. Er is echter geen Schriftuurlijke of historische aanduiding dat zo'n soort bestemde tijd der natiën is begonnen in 66 CE toen de Romeinse keizerlijke legioenen voor het eerst voet zette in de heilige plaats."

Waarom sprak Jezus dan überhaupt over de tijden der heidenen in die context? Mattheüs, Markus en Lukas spreken in basis over hetzelfde - de komende vernietiging van Jeruzalem (en ook over de 2de vervulling, maar dat is iets anders). De profetieën van Mattheüs 24:15-22, Markus 13:14-20 en Lukas 21:20-24 zijn parallel, toch? Met andere woorden, Jezus vertelde slechts eenmaal over het teken van zijn tegenwoordigheid, maar er staan drie versies van in de Bijbel. Dus, wanneer de vergelijkbare verzen in Mattheüs en Markus over de "heilige plaats" (of "Jeruzalem" zoals Lukas het verwoordt) en het walgelijke ding (of "insluitende legers") toen in vervulling gingen, moeten de woorden in Lukas 21:24b naar mijn bescheiden mening ook in vervulling zijn gegaan. In het andere geval moeten we concluderen dat de 3 versies van deze schitterende profetie niet geheel parallel zijn of dat er in de versie van Lukas iets extra's is toegevoegd.



Het moet opgemerkt worden dat, terwijl Jezus de eerste eeuwse setting gebruikte voor de profetie van zijn tegenwoordigheid, er enkele dingen zijn die eenvoudig niet van toepassing zijn op de 1ste eeuw.

In Lukas 21:35 zegt Jezus bijvoorbeeld dat de dag van smart "over allen [zal komen] die op de gehele aardoppervlakte wonen." Het is duidelijk dat de Romeinse legers niet de gehele aarde vertraden. Zij vernietigde enkel Jeruzalem. We kunnen daarom niet volhouden dat alle aspecten van Jezus' profetie, die vele facetten heeft, een eerste eeuwse parallel heeft.

Het punt in het essay waarnaar je verwijst is dat we in Christus' profetie geen gegronde basis vinden om te beweren dat het vertreden van Jeruzalem door de natiën, voor een tijdsperiode die bekend staat als de zogenoemde tijden der heidenen, begon toen Nebukadnezar Jeruzalem voor het eerst vernietigde. Het is waar dat die vernietiging het einde betekende van de koninklijke Davidische dynastie en Juda en Jeruzalem onder langdurige buitenlandse overheersing bracht, maar dat feit rechtvaardigt niet dat we Christus' woorden op die eerste vernietiging van toepassing brengen.

Jezus sprak over een toekomstige vertreding van Gods heilige stad die zou plaatsvinden voor de tijdsduur van de bestemde tijden der natiën. Het punt is echter dat de vernietiging van de letterlijke stad Jeruzalem in 70 G.T. ook niet de start van de bestemde tijden kan zijn geweest. Dat komt omdat Jeruzalem op dat moment niet langer de stad van God was. Het Nieuwe Jeruzalem wat in verband staat met het geestelijke Israël is de nieuwe stad van God. En het geheel aan profetieën voorzegt dat de symbolische stad die in verband staat met Christus' gemeente vertreden zal worden door de natiën gedurende het feitelijke besluit van het samenstel van dingen.

Openbaring 11:2 dat geschreven is nadat Jeruzalem woest was gelegd door de Romeinen, voorzegt dat de heilige stad die in verband staat met Gods geestelijke tempel 42 maanden lang zal worden vertreden door de natiën - een bestemde tijd der natiën.



Een pionier vertelde me dat er 'een tijd zal komen wanneer mensen in de rij zullen staan voor Bijbelstudie en we zullen hen moeten afwijzen omdat er een punt moet zijn waarop we ermee stoppen'. Ik kan dit niet terugvinden in de Bijbel. Het klinkt niet erg Christelijk. Het is toch zeker zo dat wanneer iemand Gods boodschap wil kennen, we de verplichting hebben die te delen?

Het schijnt mij toe dat wanneer het WTG een verklaring zal doen dat onze prediking voorbij is; laten we zeggen als het Vaticaan aangevallen wordt en een grote aardbeving Israël teistert, of iets soortgelijks; zou het slechts een grootse gebeurtenis zijn die BdG schade toebrengt. Zou een dergelijke verklaring afval zijn of slechts één van de vele struikelblokken? Ik heb opgemerkt dat recente lezingen wijzen op een mate van dringendheid. Alleen een mens der wetteloosheid zou toch zeker een dergelijke verklaring uiten? Wanneer een ramp toeslaat, beginnen veel mensen aan God te denken, het doel van het leven, enz… Als we hen kennis weigeren door te zeggen 'Het is te laat voor jou,' denk ik dat we waarschijnlijk terecht gehaat worden door alle natiën.



Natuurlijk is er een punt waarop de oogst stopt. Maar, geen enkel mens kan zoiets aankondigen. De huidige fase van ons predikingwerk zal stoppen wanneer het Wachttorengenootschap instort. Bedenk dat we gewend zijn geraakt aan het gebruiken van het Wachttorengenootschap als een "hulpmiddel" om te prediken, alsof ze een kruk is. Wanneer we er ooit verstoken van zijn, realiseren we ons dat we kreupel en lam zijn.

Het 1ste hoofdstuk van het boek Joël voorzegt zonder twijfel de gebeurtenissen die het einde van ons predikingwerk omgeven. Maar, in plaats dat Jehovah's Getuigen vrijwillig het oogstwerk zullen neerleggen en als het ware mensen zullen afwijzen, geeft Joël aan dat het werk abrupt eindigt als gevolg van een wereldwijde catastrofe die tevens de "landbouwers" en "wijngaardeniers" die het "veld" bewerken zal verlammen.

Joël beschrijft dit in symbolische beeldspraak, door te zeggen: "Het veld is gewelddadig geplunderd, de grond is gaan treuren; want het koren is gewelddadig geplunderd, de nieuwe wijn is verdroogd, de olie is verkwijnd. Landbouwers hebben zich beschaamd gevoeld; wijngaardeniers hebben gejammerd, vanwege de tarwe en vanwege de gerst; want de oogst van het veld is vergaan. De wijnstok zelf heeft dorheid vertoond en zelfs de vijgeboom is verwelkt. Wat de granaatappelboom betreft, alsook de palmboom en de appelboom, alle bomen van het veld, ze zijn verdord; want de uitbundige vreugde is beschaamd van de mensenzonen heengegaan." (Joël 1:10-12)

Jesaja 17:10-13 verhaalt dat de reden waarom de oogst verloren is, is omdat de oogsters Jehovah hebben vergeten.

"Want gij hebt de God van uw redding vergeten; en aan de Rots van uw vesting hebt gij niet gedacht. Daarom plant gij aangename plantingen, en met de rank van een vreemde bezet gij ze. Op de dag moogt gij uw planting zorgvuldig omheinen, en in de morgen moogt gij uw zaad doen uitspruiten, maar de oogst zal stellig vlieden op de dag der krankheid en ongeneeslijke smart."

Merk in de volgende verzen ook op dat het verlies plaatsvindt wanneer de natiën onstuimig worden en schuimen als de zee. Jezus voorzei natuurlijk dat dat plaats zou vinden in de verdrukking, wanneer de zee van de mensheid zal bulderen en mensen zullen verbleken van angst.

"Ha, het tumult van vele volken, die onstuimig zijn als met de onstuimigheid der zeeën! En het gebruis van nationale groepen, die een lawaai maken net als het gebruis van geweldige wateren! De nationale groepen zelf zullen een lawaai maken net als het gebruis van vele wateren."

Jesaja en Joël voorzeggen beiden dat het plotselinge begin van de verdrukking ons predikingwerk tot een einde zal brengen. Dat is echter niet het einde van de zaak. Er moet nog een laatste getuigenis worden gegeven. Maar, wellicht kan die discussie wachten tot een andere tijd.



 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman