| Toegegeven, er zijn enkele zaken in de huidige
leerstelling van het Wachttorengenootschap die niet logisch
zijn, maar er bestaat ook gegronde redden om deze vraag te
beschouwen, en de manier waarop die verband houdt met Jehovah's
Getuigen.
Het is niet zonder reden dat Jezus zijn verwijzing naar
de getrouwe en beleidvolle slaaf opwierp in de vorm van
een vraag: "Wie is werkelijk de getrouwe, de beleidvolle
beheerder, die door zijn meester over diens lichaam van
bedienden zal worden aangesteld om hun te rechter tijd hun
mate van voedselbenodigdheden te blijven geven? Gelukkig
is die slaaf wanneer zijn meester hem bij zijn aankomst
daarmee bezig vindt! Ik zeg u naar waarheid: Hij zal hem
aanstellen over al zijn bezittingen." (Lukas 12:42-44)
In het verslag van Lukas was Jezus' vraag aangaande de
getrouwe slaaf een antwoord op de vraag die Petrus hem stelde,
toen hij vroeg: "Heer, zegt gij deze illustratie tot
ons of ook tot allen?" (Lukas 12:41)
In de context, een paar verzen eerder, richtte Jezus zich
tot zijn discipelen en zei: "Vreest niet, kleine kudde,
want het heeft uw Vader goedgedacht u het koninkrijk te
geven." (Lukas 12:32) Vervolgens gebood Jezus zijn kleine
kudde om te blijven waken voor zijn terugkeer. Jezus' illustratie
heeft dus relevantie voor de kleine kudde van koninkrijkserfgenamen
die in leven zouden zijn op het moment dat het koninkrijk
komt.
Daar het verwoord is in de vorm van een retorische vraag
- wie is werkelijk de getrouwe beheerder - vereist
niet alleen dat elk gezalfd persoon voor zichzelf een antwoord
hierop zoekt, maar het suggereert tevens dat de ware getrouwe
slaaf wellicht niet volledig bekend wordt voordat de Meester
uiteindelijk aankomt om hem over al zijn bezittingen
aan te stellen - op welk moment Jehovah's zegening zichtbaar
zou zijn.
Het Wachttorengenootschap leert ons helaas dat Jezus de
getrouwe slaaf terug in 1919 over al zijn bezittingen
heeft aangesteld. Maar, indien dat het geval is, moeten
we veronderstellen dat de boze slaaf verwijderd is, ontheven
van zijn taken, en weggezonden in de duisternis van vergetelheid.
De context van de illustratie wijst er echter duidelijk
op dat het belonen of straffen van elke aangestelde slaaf
plaatsvindt in de setting van de komst van de Zoon des mensen
gelijk een dief in de nacht. Dat is de gebeurtenis waar
de Heer zijn slaven opdroeg gereed voor te zijn, wat in
eerste instantie de aanleiding was voor de bespreking van
de getrouwe slaaf.
Laat de lezer met onderscheidingsvermogen opmerken dat
er twee verschillende aanstellingen zijn. Er is de
eerste aanstelling over het huisgezin van huisknechten van
de Heer en er is een tweede aanstelling over alle bezittingen
van de Heer.
Volgens de verwante illustratie over de talenten, beloont
de meester zijn getrouwe slaven en stelt hij hen, als onmiddellijke
voorbode van de oordeelsdag waarop de schapen en bokken
gescheiden worden, aan tot positie met grotere verantwoordelijkheid.
Mattheüs 25:21-23 luidt: "Zijn meester zei tot hem: 'Wel
gedaan, goede en getrouwe slaaf! Gij zijt over weinig dingen
getrouw geweest. Ik zal u over veel dingen aanstellen.
Ga de vreugde van uw meester binnen.' Vervolgens trad degene
die de twee talenten had ontvangen naar voren en zei: 'Meester,
gij hebt mij twee talenten toevertrouwd; zie, ik heb er
nog twee talenten bij verworven.' Zijn meester zei tot hem:
'Wel gedaan, goede en getrouwe slaaf! Gij zijt over weinig
dingen getrouw geweest. Ik zal u over veel dingen aanstellen.
Ga de vreugde van uw meester binnen.'"
De aanstelling van de getrouwe slaaf over al zijn bezittingen
vindt dus in de toekomst plaats, ongetwijfeld op het moment
dat het koninkrijk feitelijk begint te regeren; met de andere
schapen als onderdanen.
Het onvermijdelijke feit van de illustratie is echter
dat er een getrouwe en beleidvolle slaaf is die Christus
erkent; een slaaf die, voorafgaand aan zijn beslissende
Komst, oorspronkelijk is aangesteld om de huisknechten van
de meester te voeden. Dus, wie is werkelijk de getrouwe
en beleidvolle slaaf?
De implicatie die verbonden is aan het feit dat de slaaf
nog niet aangesteld is over al Christus' bezittingen,
is dat het betekent dat Jezus' illustratie exclusief
van toepassing is op hedendaagse gezalfde personen. Het
Wachttorengenootschap erkent ook dat het huisgezin het gezalfde
huis van God vertegenwoordigt - Christus' gemeente. Evenzo
symboliseren de "huisknechten" of "lichaam van
bedienden" de individuele personen in Christus'
kudde.
Volgens de illustratie is de enige verantwoordelijkheid
van de beheerder dus het voeden van de kleine kudde, tot
de tijd waarop Christus zijn getrouwe beheerder over
al zijn bezittingen aanstelt. En dat is precies wat
het Wachttorengenootschap gedaan heeft. Zonder twijfel is
het Jehovah's wil dat de erfgenamen van het koninkrijk de
waarheid begrijpen. En zonder twijfel is het Wachttorengenootschap
een instrument geweest om vele lang verborgen essentiële
kwesties die te maken hebben met Jehovah's soevereiniteit
en het koninkrijk bekend te maken. Zonder het Wachttorengenootschap
zou er geen verzamelpunt zijn waar de leden van de kleine
kudde samen kunnen komen.
Eén complicerende factor bij onze identificatie van de
getrouwe slaaf is de aanwezigheid van een boze slaaf in
hetzelfde huisgezin met de getrouwe slaaf. We moeten ons
niet indenken dat het onderscheid tussen de twee slaven
eenvoudig voor ons te onderscheiden is. Zoals Jezus in zijn
illustratie van de tarwe en het onkruid aangaf, zouden de
ware zonen van het koninkrijk naast de op onkruid gelijkende
vertegenwoordigers van de Duivel bestaan in hetzelfde "veld,"
tot het moment van de oogst; dan zouden de engelen uitgaan
en fysiek de satanische imitaties met wortel en al uitrukken
en de ware zonen van het koninkrijk zouden op dat moment
schijnen als de zon in het koninkrijk van hun Vader.
De illustratie van de tarwe en het onkruid lijkt bedoeld
te zijn, niet om het onmiskenbare en nogal duidelijke onderscheid
tussen Jehovah's Getuigen en de geestelijken van de Christenheid
te illustreren, maar juist te illustreren hoe moeilijk het
zou zijn onderscheid te kunnen zien tussen de ware en valse
gezalfden en hoe het menselijkerwijs onmogelijk is het onkruid
voor de tijd van het einde uit ons midden te verwijderen.
Dat betekent dat er, in aanloop naar het feitelijke besluit
van het samenstel, geen uitgesproken onderscheid zou zijn
tussen de twee groepen. Dat maakt Jezus' vraag: "Wie
is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf" des te
intrigerender.
Een ander aspect om in aanmerking te nemen is datgene
wat Jezus tot besluit van zijn bespreking over de getrouwe
slaaf in Lukas 12:48 zei, waar we lezen: "Degene echter
die de wil niet heeft begrepen en daarom dingen heeft gedaan
die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen. Ja, van
een ieder aan wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist;
en van hem aan wie men het toezicht over veel heeft gegeven,
zal men meer dan gebruikelijk is eisen."
Er staan twee essentiële aanwijzingen in het bovenstaande
vers die ons kunnen helpen bij het beantwoorden van de vraag:
"Wie is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf?"
Eén is het nogal duidelijke feit dat de slaaf verantwoordelijk
wordt gehouden, omdat hem toevertrouwd is dat hij het
toezicht heeft. Het lijkt daarom redelijk te concluderen
dat de getrouwe slaaf een verantwoordelijke positie heeft
in Christus' gemeente. Dat zou gezalfde zusters uitsluiten
van het onderdeel uitmaken van de zogenoemde slaafklasse.
Op een andere plaats, bijvoorbeeld in het 25ste hoofdstuk
van Mattheüs, illustreerde Jezus op soortgelijke wijze hoe
al zijn gezalfde volgelingen geoordeeld zullen worden
overeenkomstig de wijze waarop zij omgegaan zijn met het
geld van de meester dat aan hen is toevertrouwd. En niet
alleen dat, zoals eerder vermeld worden degenen die als
getrouw worden geoordeeld in het gebruiken van de talenten
van de meester, ook aangesteld en krijgen ze grotere voorrechten
- net als de getrouwe en beleidvolle slaaf. Maar,
in de illustratie van de getrouwe en beleidvolle slaaf wees
Jezus erop dat er zelfs een grotere verantwoording
geëist wordt van de slaven "het toezicht" hebben.
Dat is in overeenstemming met het beginsel dat leraren een
"zwaarder oordeel" ontvangen.
Terwijl uiteindelijk van alle Christenen vereist wordt
dat ze voor Christus verantwoording afleggen voor zichzelf,
draagt de getrouwe slaaf de last om verantwoording af te
leggen voor de gehele organisatie, net zoals Paulus in Hebreeën
13:17 zei over degenen die de leiding nemen: "Weest gehoorzaam
aan hen die onder u de leiding nemen en weest onderdanig,
want zij waken over uw ziel als mensen die rekenschap
zullen afleggen."
Terugkerend naar de eerder geciteerde illustratie van
Christus; in overeenstemming met Jehovah's duidelijke beginsel
van rekenschap, zal zelfs de getrouwe slaaf in aanmerking
komen voor enkele welverdiende disciplinaire slagen, omdat
hij de wil van zijn meester niet volledig begrepen
heeft. Dat staat in contrast met de boze slaaf die gestraft
wordt met grootste strengheid en zijn erfdeel samen
met de veroordeelde hypocrieten toegewezen krijgt.
Maar, het feit dat de gewoonlijk getrouwe slaaf gestraft
wordt voor het niet begrijpen van de wil van zijn
meester, lijkt veel van de tekortkomingen van het
Wachttorengenootschap te verklaren - doch niet alle.
Bedenk echter dat de boze slaaf gestraft wordt omdat hij
zijn medeslaven slaat en deelneemt aan dronkenschap. En
niet allen dat, maar Jezus zei in de illustratie: "Dan
zal de slaaf die de wil van zijn meester heeft begrepen,
maar zich niet heeft gereedgemaakt of niet volgens zijn
wil heeft gehandeld, veel slagen ontvangen." (Lukas
12:46) Er komt dus meer bij kijken dan enkel onwetendheid.
Er is ook een element van weerspannige onverschilligheid
van de zijde van de boze slaaf. De invloed van de boze slaaf
blijkt duidelijk uit de schaamteloze geestelijke immoraliteit
van het Wachttorengenootschap in verband met bijvoorbeeld
het NGO schandaal.
Tot slot, met betrekking tot niet-gezalfde personen die
dienen op de schrijversafdeling en de huisknechten voeden,
is het interessant dat Jehovah in het 44ste hoofdstuk van
Ezechiël, wat in de context volledig gaat over God die uiteindelijk
zijn geestelijke huis op orde maakt, zijn priesters berispt
omdat ze toestaan dat niet-priesterlijke personen in Gods
heiligdom dienen.
De verzen 6-9 luiden: "Dit heeft de Soevereine Heer
Jehovah gezegd: "Ik heb genoeg van u wegens al uw verfoeilijkheden,
o huis van Israël, wanneer gij de buitenlanders onbesneden
van hart en onbesneden van vlees binnenbrengt, opdat die
zich in mijn heiligdom bevinden om het te ontheiligen, ja,
mijn huis; wanneer gij mijn brood, vet en bloed, aanbiedt,
terwijl zij mijn verbond blijven verbreken wegens al uw
verfoeilijkheden. Gij hebt noch de plicht ten opzichte van
mijn heilige dingen waargenomen, noch placht gij anderen
voor u als waarnemers van mijn plicht in mijn heiligdom
aan te stellen.""
|