Ten Dienste van Jehovah's Getuigen en het Wachttorengenootschap
 

Week van: 29 Augustus t/m 4 September 2004


 

Ik diende in de 1960'er jaren op Bethel, nadat ik daar wegging als een ouderling in New York en later als ouderling in Washington. Ik heb uit mezelf besloten "mijn ambt neer te leggen" en ben daarna met rust gelaten. Eén ding dat ik als ouderling gedaan heb is alle jaargangen van oudere Wachttorens gelezen. (In die context stel ik deze vraag.)

De Bijbel geeft Gods betrekkingen weer met zijn uitverkoren volk, wat er werd onthuld, hoe dat werd gedaan en wanneer dat werd gedaan. Waarom gaan mensen zich niet realiseren dat er eenvoudig geen precedent in de hele Schrift bestaat voor de manier waarop "waarheid" volgens het Genootschap aan hen wordt onthuld, geleidelijk, met verbeteringen en vervolgens tegenovergestelde verbeteringen, enz? Een nauwkeurige studie van de gehele Bijbel maakt duidelijk dat zoiets nooit is voorgekomen. God heeft NOOIT op die manier met zijn volk gehandeld. Er bestaat daarom geen basis om te veronderstellen dat hij daar nu mee begonnen is, alsof mensen van nu anders zijn dan die in het verleden. Hoe komt dit denk je?

Wat is de grootste nachtmerrie voor JG's? Is het sterven te Armageddon, of is dit op een dag wakker worden en realiseren dat Gods liefde voor zijn kinderen zich niet beperkt tot de nauwe beperkingen van een georganiseerde religie? Ik denk persoonlijk dat het het laatste is, maar ik zou graag horen dat iemand anders er iets over zegt.



Was Christus' oorspronkelijke gemeente een "georganiseerde religie," door middel waarvan Christus exclusief Gods voornemen onthulde? Dat was zeker zo. Maar, wist de vroege gemeente onmiddellijk alles wat er te weten viel over Jehovah en Christus? Nee, dat wisten ze niet. Omtrent de terugkeer van Christus en de opstanding en het koninkrijk waren er bijvoorbeeld vele dingen die voor hen niet duidelijk waren. De onderlinge relatie tussen Joodse Christenen en Heidense Christenen was bijvoorbeeld een verdeeldheid zaaiende kwestie die de vroegere gemeente tijdens haar gehele bestaan kwelde.

Jij spreekt in de negatieve zin over de "nauwe beperkingen van georganiseerde religie." Het is ironisch dat Jezus twee wegen die ogenschijnlijk naar God leidden tegenover elkaar stelde - een smalle weg en een brede weg. In werkelijkheid leidt er echter één weg naar de vernietiging en velen lopen daarop, terwijl Jezus zei dat er in vergelijking slechts enkelen zouden zijn die de smalle en nauwe weg zouden vinden die tot eeuwig leven leidt.

Welke problemen er ook bestaan onder Jehovah's Getuigen (en het zijn er velen), ons geloof past binnen de beschrijving van de smalle en nauwe weg die naar leven voert. De ergste nachtmerrie van de wereld is dat Jehovah's Getuigen gelijk hebben.



We hebben een vraag over Job. Hij was een getrouw man, maar geen Jood… Hoe valt dat te rijmen met Jehovah die slechts één organisatie zou gebruiken?

Heeft het boek Job heden ten dage betekenis? Hoe kunnen we dit in overeenstemming brengen met "slechts één weg" of organisatie, wat ons is geleerd?



Het boek Job is een essentiële openbaring over wat wij een "universele strijdvraag" noemen, welke nog beslecht moet worden. Door middel van het boek Job worden we in de gelegenheid gesteld mee te kijken in de hemel en mee te luisteren naar een conversatie die plaatsvond tussen Jehovah en Satan over de integriteit van één man - Job. Satans geuite twijfels over de diepte en oprechtheid van Jobs liefde voor God strekt zich in werkelijkheid uit tot alle aanbidders van God - of het nu mensen of engelen zijn.

Satan beweerde dat Job God enkel uit eigenbelang diende. En Satan beschuldigde God ervan dat hij een beschermende haag om Job had gesteld en Job als zodanig omkocht om getrouw te blijven. Jehovah aanvaardde Satans uitdaging en trok zijn bescherming van Job terug.

Zoals je reeds opmerkte in je vraag was Job geen Israëliet. Hij was geen lid van Gods natie Israël, hij was zelfs geen inwonende vreemdeling - daar de natie zich in de tijd van Job nog niet eens gevormd had. Dit lijkt juist zo bedoeld te zijn. De strijdvraag die Satan opwierp richtte zich namelijk op één man. Zou Job deel uit hebben gemaakt van de natie Israël - op dat moment Jehovah's organisatie - dan zou dit de aandacht afgeleid hebben van de strijdvraag omtrent individuele integriteit. De organisatie zelf was als een beschermende haag rond God volk - juist datgene waar de Duivel moeilijkheden om maakte. In zijn wijsheid verkoos God het kennelijk de strijdvraag over onze persoonlijke integriteit apart te zetten van de kwesties die verband hielden met een organisatie die in verbondsverhouding met God stond.

In dat opzicht lijkt Job een afbeelding te zijn van de Grote Schare. Hoe dat zo? Job stond niet in enige verbondsverhouding met God - zoals de Hebreeën dat stonden. Ook de andere schapen die uiteindelijk de Grote Schare zullen vormen bevinden zich niet in een verbondsverhouding met God. En ondanks dat Jehovah heden ten dage een organisatie heeft, moeten we uiteindelijk allen individueel voor de Oordeelstroon van God staan - net als Job.

Job verlangde er ook naar weer op aarde te leven. Dat wordt duidelijk uit het 14de hoofdstuk waar Job zegt: "O, dat gij mij in Sjeool zoudt verbergen, dat gij mij verborgen zoudt houden totdat uw toorn zich afwendt, dat gij mij een tijdslimiet zoudt stellen en aan mij zoudt denken!"

Het is interessant hoe Jehovah Job een voorproefje van de aardse opstanding gaf. God deed dit door al de verloren bezittingen van Job in dubbele mate terug te geven. Job had bijvoorbeeld 7000 schapen, 3000 kamelen, 500 span runderen en 500 ezelinnen - alsook 10 kinderen. Nadat Satan al Jobs rijkdom had weggenomen en zijn kinderen had gedood, verdubbelde Jehovah alles wat Job oorspronkelijk bezat. Dus, in plaats van 7000 schapen kreeg Job 14000 schapen. Al het andere vee werd ook verdubbeld. God gaf Job echter slechts tien kinderen die de oorspronkelijke tien vervingen. De vraag is waarom God het aantal kinderen van Job niet verdubbelde zoals hij dat met al het andere had gedaan? Dat komt omdat Job in de opstanding 20 kinderen zal hebben - de oorspronkelijke 10, plus de vervangingen - waarmee het dus een verdubbeld aantal zal zijn.



Ik vroeg me af of er profetieën zijn die de huidige toename van personen die Jehovah God aanbidden voorzeggen. Ik weet dat de meeste profetieën die door het WTG worden aangehaald met betrekking tot het herstel van ware aanbidding verkeerd toegepast zijn, omdat ze feitelijk spreken over de tijd na de komende drie en een half jaar. In het licht van de bijbel lijkt het echter passend dat er iets wordt voorzegd over de hedendaagse opmerkelijke "opstanding" van ware aanbidding.

Logischerwijs moeten er ware aanbidders zijn op aarde - anders zouden de profetieën waarin Jehovah hen "terechtwijst" nooit vervuld kunnen worden. Spreken de profeten echter specifiek over een inzameling van ware aanbidders vóór de tijd van het einde? Of wordt het slechts geïmpliceerd in wat zijn zeggen?



Zoals je weet haalt het Wachttorengenootschap diverse profetieën uit Jesaja en andere profetische boeken aan die naar men aanneemt op dit moment in vervulling gaan door de groei van het aantal Jehovah's Getuigen. Het Genootschap past Jesaja 60:22 bijvoorbeeld regelmatig toe op het hedendaagse werk van Jehovah's Getuigen. Dat vers luidt: "De kleine zelf zal tot duizend worden, en de geringe tot een machtige natie. Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen."

De context van die profetie heeft echter te maken met het eindresultaat van Gods tuchtiging van zijn organisatie. Merk alsjeblieft op wat de voorstaande verzen zeggen: "Uw zon zal niet meer ondergaan, noch zal uw maan afnemen; want Jehovah zelf zal voor u tot een voor onbepaalde tijd durend licht worden, en de dagen van uw rouw zullen voltooid zijn. En wat uw volk betreft, zij zullen allen rechtvaardig zijn; tot onbepaalde tijd zullen zij het land in bezit houden, de spruit van mijn planting, het werk van mijn handen, opdat mij luister wordt verleend."

"De dagen van uw rouw" zijn niet alleen nog niet voleindigd, ze zijn nog niet eens begonnen! Hoe weten we dat de dagen van rouw voor Gods volk nog voor ons liggen? Wel, beschouw eens nauwkeurig de profetie van Joël. De interpretatie van het Wachttorengenootschap van Joël is onlogisch en had reeds tientallen jaren geleden weggedaan moeten worden. Bekijken we het van een duistere kant dan lijkt het zelfs bedoeld te zijn om Gods woord te verdoezelen in plaats van er licht op te werpen. Als inleiding tot de vrees inboezemende dag van Jehovah, lezen we in Joël 1:9 bijvoorbeeld de volgende woorden gericht tot Jehovah's gezalfde priesters: "Graanoffer en drankoffer zijn afgesneden van het huis van Jehovah; de priesters, de dienaren van Jehovah, hebben getreurd."

Het Wachttorengenootschap laat Jehovah's Getuigen geloven dat de priesters en dienaren van Jehovah, degenen die in het "huis van Jehovah" dienen, de geestelijkheid van de christenheid is. Bestaat er iets onzinnigers? Geen wonder dat Jehovah's stekende berisping gericht is tot de geestelijke dronkaards onder zijn volk in de tijd dat de koning met een bars gelaat verwoesting brengt over Jehovah's geestelijke natie: "Ontwaakt, gij dronkaards, en weent; en jammert, al gij wijndrinkers, vanwege de zoete wijn, want hij is van uw mond afgesneden. Want er is een natie die is opgekomen over mijn land, machtig en zonder tal." (Joël 1:5)

Het punt is in ieder geval dat de periode van rouw in de nabije toekomst ligt; dat geldt daarom tevens voor het bespoedigen van de kleine die tot duizend wordt - hoe zich dat ook zal manifesteren.

Gebaseerd op de overtuiging dat God de zaken tussen hem en zijn volk in 1919 heeft rechtgezet, doet het Wachttorengenootschap de onterechte aanname dat Jehovah's Getuigen altijd Jehovah's voortdurende en onvoorwaardelijke zegen bezitten. Het is duidelijk dat het Wachttorengenootschap zo bedwelmd is geraakt van macht en succes dat het voor de meeste Jehovah's Getuigen ondenkbaar is dat God ooit zijn zegen zou terugtrekken. Zonder twijfel is dat de reden dat het Genootschap zich niet genoodzaakt voelt de waarheid te vertellen over hun ongepaste NGO verbond en de berispelijke wijze waarop ze is omgegaan met kindermisbruik.

Het is echter niet wijs op die manier te rekenen op Jehovah.

Hosea 4:9-12: "En het zal voor het volk net zo moeten worden als voor de priester; en ik zal hun stellig rekenschap vragen van hun wegen; en hun handelingen zal ik op hen doen terugkomen. En zij zullen werkelijk eten, maar zullen niet verzadigd raken. Zij zullen werkelijk vrouwen als hoeren behandelen; maar zij zullen niet in aantal toenemen, omdat zij hebben nagelaten aandacht te schenken aan Jehovah zelf. Hoererij en wijn en zoete wijn zijn het die de goede beweegreden wegnemen. Bij hun houten afgod blijft mijn eigen volk navraag doen en hun eigen staf blijft hen inlichten; want juist de geest van hoererij heeft hen doen afdwalen, en door hoererij gaan zij van onder hun God vandaan."

De toestand waarin Jehovah's Getuigen zich heden ten dage bevinden, is zeer vergelijkbaar met de deplorabele toestand van de Israëlieten die in Hosea's profetie wordt beschreven. De hedendaagse "houten afgod" is het Wachttorengenootschap zelf, die zulk een plaats heeft ingenomen in de harten en geesten van Jehovah's Getuigen. En door middel van de intrige van het Wachttorengenootschap in de NGO affaire, is de gehele organisatie in Jehovah's ogen misleid tot het plegen van geestelijke hoererij door vrienden met de wereld te worden. In plaats van een voortdurende groei zegt de profetie: "maar zij zullen niet in aantal toenemen."

In veel landen is de groei van de afgelopen jaren veranderd in een jaarlijkse 1 á 2% afname in het aantal Jehovah's Getuigen. Het is welbekend dat de meeste personen die in recente jaren gedoopt zijn kinderen van Jehovah's Getuigen ouders zijn. Wanneer we de toename in het verleden hebben toegeschreven aan Jehovah's zegen, dan moet een overeenkomstige afname erop wijzen dat Jehovah zijn zegen heeft teruggetrokken. We zullen zien hoe de huidige trend zich verder zal ontwikkelen.



Ik kwam een boek tegen getiteld: Jehovah's Witnesses the New World Soceity, geschreven door Marley Cole. Was Marley Cole één van Jehovah's Getuigen toen hij dit boek schreef? In de omslag van het boek staat enkel dat hij reeds lang geïnteresseerd was in Jehovah's Getuigen. Zijn boek is in 1955 uitgegeven door Vantage Press. Bedankt voor je hulp bij deze vraag.


Ik dacht dat Marley Cole geen Jehovah's Getuige was toen hij het boek schreef.


Hoe begrijp jij het 8ste hoofdstuk van Spreuken? Het spreekt over wijsheid, maar wij passen het toe op Jezus als het eerst geschapen schepsel (vooral vers 22-31). Ik heb de uitleg van het Wachttorengenootschap gelezen en begrijp hem, maar ik zou graag willen weten hoe jij erover denkt.


Ik ben het eens met de uitleg van het Wachttorengenootschap. Jehovah is de Bron van alle wijsheid en kennis. Daar Jehovah echter reeds een eeuwigheid alleen was voordat hij de Schepper werd, bestond er niemand die zijn wijsheid kon erkennen totdat God een ander intelligent persoon schiep. Op een andere plaats in de schrift wordt Jezus de eerstgeborene van de gehele schepping genoemd. God achtte het verder goed in Christus alle schatten van wijsheid en kennis te verbergen. Het is dus passend voor de Spreukendichter om de voormenselijke Jezus af te beelden als de personificatie van wijsheid en de eerste van Gods scheppingen.

"Jehovah zelf heeft mij voortgebracht als het begin van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van oudsher. Vanaf onbepaalde tijd was ik aangesteld, van de aanvang af, vanaf tijden vroeger dan de aarde."



Ik ben opgegroeid als een Rooms Katholiek persoon en er waren vele Katholieke leerstellingen die ik niet kon begrijpen, maar als meegaand persoon heb ik jaren lang "een mysterie" aanvaard, omdat ik eenvoudig niet anders wist. Toen ik na vele jaren van heen en weer gedreven worden als schaap zonder herder en het vele verdriet om die situatie "de waarheid" vond, koesterde ik wrok tegenover de Katholieke Kerk omdat ze me zo lang misleid heeft en me weggehouden heeft van de hemelse Vader die ik zo liefheb. Na het lezen van enkelen van je artikelen, vooral degenen die spreken over de verbintenis aan de VN, heb ik het gevoel dat het Genootschap van Jehovah's Getuigen hetzelfde heeft gedaan. Waar kan ik echte waarheid vinden en hoe kan ik weten dat ik niet weer voorgelogen wordt?


De echte waarheid is heel eenvoudig. Jehovah is God. Als gevolg van zijn onuitputtelijke liefde gaf hij Jezus Christus als een loskoopoffer voor de mensheid. Jehovah had tevens uitgevaardigd dat de Zoon, vanwege Jezus' gehoorzaamheid, alle autoriteit in het universum gegeven zal worden. Het koninkrijk van God zal de wereld van de Duivel uiteindelijk volledig vernietigen en een tijdperk van wereldwijde vrede, rechtvaardigheid en voorspoed met zich brengen. Een ontelbare grote schare van mensen van over de gehele wereld die de naam van Jehovah aanroepen, zal het einde van de wereld overleven en de zaden voor het paradijs zaaien. De doden zullen weer tot leven komen.

Laten we niet de belangrijke zaken uit het oog verliezen. Wanneer je de echte waarheid kent zul je Jehovah dankbaar zijn, maar je kunt tevens het Wachttorengenootschap dankbaar zijn voor het uitleggen en bekend maken van deze waarheden. Welke leugens en zonden de leidende mannen van het Wachttorengenootschap ook begaan hebben, ze doen de waarheid uit Gods Woord niet teniet. Zij zullen ook verantwoording aan God moeten afleggen, net als ieder ander.



Hoe denk jij over het "ouderlingen" boek ("Schenk Aandacht Aan Uzelf en Aan de Gehele Kudde") dat reeds een tijd op het web circuleert?


Het handboek voor de ouderlingen is niet zo bijzonder. Net zoals het pioniersboek wordt het verder uitgewerkt gedurende de besprekingen op de bedienarenschool.


"Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God. Want wie Gods rust is ingegaan, heeft ook zelf gerust van zijn eigen werken, zoals God van de zijne." Mijn vraag is: Wijst deze schriftplaats er niet op dat christenen zich zouden moeten houden aan een wekelijkse sabbat van vrijdag zonsondergang tot zaterdag zonsondergang?

Ik weet dat het "Genootschap" leert dat we elke dag van onze eigen werken van zelfrechtvaardiging moeten rusten en Gods rust door geloof moeten binnengaan. Deze schriftplaats zegt echter dat we moeten rusten "van onze werken, zoals God van de zijne". Jehovah rustte duidelijk niet van zijn "werken van zelfrechtvaardiging", maar als voorbeeld voor ons rustte hij van zijn fysieke scheppingswerk. Ik denk dat we het bij het verkeerde eind zouden kunnen hebben met betrekking tot de sabbat. Wat denk jij? Wanneer we rusten zoals hij dat deed, moeten we dan niet rusten van fysieke werken?



Jehovah rustte inderdaad van zijn eigen scheppingswerken. In het 3de en 4de hoofdstuk van Hebreeën wees Paulus er echter op dat de Joodse Sabbat betekenis had voor christenen, niet dat we een letterlijke wekelijkse rustdag moesten houden, maar dat we moeten rusten van het behagen van God door middel van zelfrechtvaardigende werken.

Paulus schreef: "En van wie kreeg God veertig jaar lang een afkeer? Was het niet van hen die zondigden, wier lijken vielen in de wildernis? Maar aan wie anders zwoer hij dat zij zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen die ongehoorzaam handelden? Zo zien wij dat zij niet konden ingaan wegens ongeloof.

Laten wij derhalve, aangezien er een belofte blijft gelden om zijn rust in te gaan, ervoor vrezen dat te eniger tijd iemand van u zou blijken achtergebleven te zijn. Want ook aan ons is het goede nieuws bekendgemaakt, evenals aan hen; maar het woord dat werd gehoord, baatte hun niet, omdat zij niet door geloof verenigd waren met hen die wèl hoorden. Want wij die geloof hebben geoefend, gaan de rust wèl binnen, zoals hij heeft gezegd: "Daarom heb ik in mijn toorn gezworen: 'Zij zullen mijn rust niet ingaan'", hoewel zijn werken sedert de grondlegging der wereld voleindigd waren. Want op één plaats heeft hij over de zevende dag het volgende gezegd: "En God rustte op de zevende dag van al zijn werken", en wederom op deze plaats: "Zij zullen mijn rust niet ingaan."

Aangezien daarom sommigen er nog zullen binnengaan en degenen aan wie het goede nieuws het eerst werd bekendgemaakt, niet zijn binnengegaan wegens ongehoorzaamheid, bepaalt hij wederom een zekere dag door na zo lange tijd in Davids psalm te zeggen "Heden", zoals in het bovenstaande is gezegd: "Heden, indien gij naar zíjn stem luistert, verhardt uw hart niet." Want indien Jozua hen in een plaats van rust had geleid, zou God later niet over een andere dag hebben gesproken. Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God. Want wie Gods rust is ingegaan, heeft ook zelf gerust van zijn eigen werken, zoals God van de zijne."

Paulus besprak niet de wekelijkse sabbat van zonsondergang tot zonsondergang. Hoe weten we dat? Dat wordt duidelijk omdat Paulus zei dat de Israëlieten Gods rust niet waren binnengegaan, omdat ze ongehoorzaam waren en een gebrek aan geloof hadden. Vergde het echter geloof om één dag per week te rusten? Nee, een dag vrij nemen van werk is geen maatstaf voor ons geloof. Tot op de dag van vandaag vieren Moslims, Joden en de Christenheid een wekelijkse Sabbat, op welke wijze dat dan ook gedaan moge worden. Is dat echter een indicatie dat ze geloof stellen in Jehovah's goede nieuws? Klaarblijkelijk niet. De Joden vierden een wekelijkse sabbat, maar hadden geen geloof in God. Paulus benadrukte dat christenen Gods rust binnengaan door te rusten van hun eigen werken van zelfrechtvaardiging en door geloof te stellen in Gods redding door middel van Christus.

Jehovah's Getuigen zouden Gods rust binnen kunnen gaan door onszelf niet te proberen te rechtvaardigen door het houden van organisatorische vereisten; dingen als antwoord geven op de vergaderingen, het inleveren van velddienstrapportjes, pionieren enzovoort. Hoeveel we ook doen in Gods dienst, we kunnen onszelf buiten geloof stellen in Gods Zoon nimmer rechtvaardig bewijzen in Gods ogen. Al het andere moet slechts een bijkomstigheid zijn bij onze gehoorzaamheid aan het geloof.



Ik heb het Genootschap geschreven over de VN kwestie en heb twee brieven van ze ontvangen, en helaas zeiden ze dat "een ieder die er een geschilpunt van maakt ofwel onwetend, ofwel kwaadwillend is". Wat moeten we echter doen wanneer degenen die ons zouden moeten helpen niet langer vertrouwenswaardig zijn? Ik weet niet hoe ik er mee om moet gaan ofwel "onwetend, ofwel kwaadwillend" genoemd te worden door degenen die ons zouden moeten leiden. Zoals Petrus zegt: 'waar moeten wij heengaan?' Er staat echter niet wie we moeten vertrouwen en wie niet. Het lijkt bijna alsof het Genootschap in een hedendaags Sanhedrin is veranderd; "heiliger dan gij," terwijl ze ons afval voorschotelt. Ik weet dat mijn persoonlijke verhouding met Jehovah het belangrijkst is; het lijkt echter alsof voor vrijwel elke getuige geldt dat een verhouding met Jehovah HETZELFDE is als één met het Genootschap hebben en omgekeerd. Ik kan mezelf er niet toe brengen dit te geloven… hoe ga ik om met het Genootschap en de plaatselijke gemeente - veel van mijn goede vrienden - die blijven steken bij "het Genootschap liefhebben is hetzelfde als Jehovah liefhebben"?


Ten eerste, is het mogelijk dat je de antwoorden van het Wachttorengenootschap inscant en naar me mailt? Ik zou ze graag willen lezen en ze wellicht op de e-watchman website zetten met een openbaar commentaar. Als je geen scanner hebt, wil ik je een privé postadres geven zodat je eenvoudig kopieën van de brieven kunt sturen. Natuurlijk zal je naam niet worden gepubliceerd. Je kunt je naam zelfs uitwissen voordat je de brieven aan me stuurt. Ik zou je hulp in deze zeer waarderen.

Wat betreft je vraag, allen die afweten van de huichelarij en het bedrog van het Genootschap hebben persoonlijk te maken met dezelfde geloofskwesties als jij. Voor de meeste Jehovah's Getuigen is het precies zoals je zegt - ons geloof in Jehovah is onlosmakelijk verbonden aan het Wachttorengenootschap. Dat is niet goed. De eerste eeuwse christenen zagen zich tegenover eenzelfde valstrik gesteld, daar sommigen beweerden volgelingen van Paulus te zijn en anderen van Petrus.

Het Wachttorengenootschap heeft ons echter wel de benodigde werktuigen gegeven om ons geloof in God te behouden, ongeacht hun eigen afdrijving. Door te denken aan de grote kwesties die voor ons liggen, de zogenaamde universele strijdvraag met betrekking tot Jehovah's soevereiniteit en onze integriteit ten opzichte van God, kwesties waar alleen het Wachttorengenootschap tientallen jaren lang voorvechter van is geweest, zullen we de gelegenheid die voor ons persoonlijk ligt waarderen - de gelegenheid en het voorrecht om onze plaats in te nemen op het toneel van het universele theaterschouwspel, om voor mensen en engelen te bewijzen dat ons geloof in Jehovah onwrikbaar is, ondanks het feit dat ons geestelijke leven gedomineerd wordt door het Wachttorengenootschap en ongeacht de struikelblokken waardoor vele van onze broeders en zusters uit de wedloop van het leven gestapt zijn.



 
         
Home | Essays | Postzak | Commentaren | Gastenboek | Links | Tools | Site Map | The Watchman