| |
Week van: 29 Augustus t/m 4 September 2004
|
|
Ik diende in de 1960'er jaren op Bethel,
nadat ik daar wegging als een ouderling in New York en later
als ouderling in Washington. Ik heb uit mezelf besloten
"mijn ambt neer te leggen" en ben daarna met rust gelaten.
Eén ding dat ik als ouderling gedaan heb is alle jaargangen
van oudere Wachttorens gelezen. (In die context stel ik
deze vraag.)
De Bijbel geeft Gods betrekkingen weer
met zijn uitverkoren volk, wat er werd onthuld, hoe dat
werd gedaan en wanneer dat werd gedaan. Waarom gaan mensen
zich niet realiseren dat er eenvoudig geen precedent in
de hele Schrift bestaat voor de manier waarop "waarheid"
volgens het Genootschap aan hen wordt onthuld, geleidelijk,
met verbeteringen en vervolgens tegenovergestelde verbeteringen,
enz? Een nauwkeurige studie van de gehele Bijbel maakt duidelijk
dat zoiets nooit is voorgekomen. God heeft NOOIT op die
manier met zijn volk gehandeld. Er bestaat daarom geen basis
om te veronderstellen dat hij daar nu mee begonnen is, alsof
mensen van nu anders zijn dan die in het verleden. Hoe komt
dit denk je?
Wat is de grootste nachtmerrie voor JG's?
Is het sterven te Armageddon, of is dit op een dag wakker
worden en realiseren dat Gods liefde voor zijn kinderen
zich niet beperkt tot de nauwe beperkingen van een georganiseerde
religie? Ik denk persoonlijk dat het het laatste is, maar
ik zou graag horen dat iemand anders er iets over zegt.
|
|
|
| Was Christus' oorspronkelijke gemeente een
"georganiseerde religie," door middel waarvan Christus exclusief
Gods voornemen onthulde? Dat was zeker zo. Maar, wist de vroege
gemeente onmiddellijk alles wat er te weten viel over Jehovah
en Christus? Nee, dat wisten ze niet. Omtrent de terugkeer
van Christus en de opstanding en het koninkrijk waren er bijvoorbeeld
vele dingen die voor hen niet duidelijk waren. De onderlinge
relatie tussen Joodse Christenen en Heidense Christenen was
bijvoorbeeld een verdeeldheid zaaiende kwestie die de vroegere
gemeente tijdens haar gehele bestaan kwelde.
Jij spreekt in de negatieve zin over de "nauwe
beperkingen van georganiseerde religie." Het is ironisch
dat Jezus twee wegen die ogenschijnlijk naar God leidden
tegenover elkaar stelde - een smalle weg en een brede
weg. In werkelijkheid leidt er echter één weg naar de vernietiging
en velen lopen daarop, terwijl Jezus zei dat er in vergelijking
slechts enkelen zouden zijn die de smalle en nauwe
weg zouden vinden die tot eeuwig leven leidt.
Welke problemen er ook bestaan onder Jehovah's Getuigen
(en het zijn er velen), ons geloof past binnen de beschrijving
van de smalle en nauwe weg die naar leven voert. De ergste
nachtmerrie van de wereld is dat Jehovah's Getuigen gelijk
hebben.
|
|
| We hebben een vraag
over Job. Hij was een getrouw man, maar geen Jood… Hoe valt
dat te rijmen met Jehovah die slechts één organisatie zou
gebruiken?
Heeft het boek Job heden ten dage betekenis?
Hoe kunnen we dit in overeenstemming brengen met "slechts
één weg" of organisatie, wat ons is geleerd?
|
|
|
| Het boek Job is een essentiële openbaring
over wat wij een "universele strijdvraag" noemen, welke nog
beslecht moet worden. Door middel van het boek Job worden
we in de gelegenheid gesteld mee te kijken in de hemel en
mee te luisteren naar een conversatie die plaatsvond tussen
Jehovah en Satan over de integriteit van één man - Job. Satans
geuite twijfels over de diepte en oprechtheid van Jobs liefde
voor God strekt zich in werkelijkheid uit tot alle aanbidders
van God - of het nu mensen of engelen zijn.
Satan beweerde dat Job God enkel uit eigenbelang diende.
En Satan beschuldigde God ervan dat hij een beschermende
haag om Job had gesteld en Job als zodanig omkocht om getrouw
te blijven. Jehovah aanvaardde Satans uitdaging en trok
zijn bescherming van Job terug.
Zoals je reeds opmerkte in je vraag was Job geen Israëliet.
Hij was geen lid van Gods natie Israël, hij was zelfs geen
inwonende vreemdeling - daar de natie zich in de tijd van
Job nog niet eens gevormd had. Dit lijkt juist zo bedoeld
te zijn. De strijdvraag die Satan opwierp richtte zich namelijk
op één man. Zou Job deel uit hebben gemaakt van de
natie Israël - op dat moment Jehovah's organisatie - dan
zou dit de aandacht afgeleid hebben van de strijdvraag omtrent
individuele integriteit. De organisatie zelf was
als een beschermende haag rond God volk - juist datgene
waar de Duivel moeilijkheden om maakte. In zijn wijsheid
verkoos God het kennelijk de strijdvraag over onze persoonlijke
integriteit apart te zetten van de kwesties die verband
hielden met een organisatie die in verbondsverhouding met
God stond.
In dat opzicht lijkt Job een afbeelding te zijn van de
Grote Schare. Hoe dat zo? Job stond niet in enige verbondsverhouding
met God - zoals de Hebreeën dat stonden. Ook de andere schapen
die uiteindelijk de Grote Schare zullen vormen bevinden
zich niet in een verbondsverhouding met God. En ondanks
dat Jehovah heden ten dage een organisatie heeft, moeten
we uiteindelijk allen individueel voor de Oordeelstroon
van God staan - net als Job.
Job verlangde er ook naar weer op aarde te leven. Dat
wordt duidelijk uit het 14de hoofdstuk waar Job zegt: "O,
dat gij mij in Sjeool zoudt verbergen, dat gij mij verborgen
zoudt houden totdat uw toorn zich afwendt, dat gij mij een
tijdslimiet zoudt stellen en aan mij zoudt denken!"
Het is interessant hoe Jehovah Job een voorproefje van
de aardse opstanding gaf. God deed dit door al de verloren
bezittingen van Job in dubbele mate terug te geven. Job
had bijvoorbeeld 7000 schapen, 3000 kamelen, 500 span runderen
en 500 ezelinnen - alsook 10 kinderen. Nadat Satan al Jobs
rijkdom had weggenomen en zijn kinderen had gedood, verdubbelde
Jehovah alles wat Job oorspronkelijk bezat. Dus, in plaats
van 7000 schapen kreeg Job 14000 schapen. Al het andere
vee werd ook verdubbeld. God gaf Job echter slechts tien
kinderen die de oorspronkelijke tien vervingen. De vraag
is waarom God het aantal kinderen van Job niet verdubbelde
zoals hij dat met al het andere had gedaan? Dat komt omdat
Job in de opstanding 20 kinderen zal hebben - de oorspronkelijke
10, plus de vervangingen - waarmee het dus een verdubbeld
aantal zal zijn.
|
|
| Ik vroeg me af of er
profetieën zijn die de huidige toename van personen die Jehovah
God aanbidden voorzeggen. Ik weet dat de meeste profetieën
die door het WTG worden aangehaald met betrekking tot het
herstel van ware aanbidding verkeerd toegepast zijn, omdat
ze feitelijk spreken over de tijd na de komende drie en een
half jaar. In het licht van de bijbel lijkt het echter passend
dat er iets wordt voorzegd over de hedendaagse opmerkelijke
"opstanding" van ware aanbidding.
Logischerwijs moeten er ware aanbidders
zijn op aarde - anders zouden de profetieën waarin Jehovah
hen "terechtwijst" nooit vervuld kunnen worden. Spreken
de profeten echter specifiek over een inzameling van ware
aanbidders vóór de tijd van het einde? Of wordt het slechts
geïmpliceerd in wat zijn zeggen?
|
|
|
| Zoals je weet haalt het Wachttorengenootschap
diverse profetieën uit Jesaja en andere profetische boeken
aan die naar men aanneemt op dit moment in vervulling gaan
door de groei van het aantal Jehovah's Getuigen. Het Genootschap
past Jesaja 60:22 bijvoorbeeld regelmatig toe op het hedendaagse
werk van Jehovah's Getuigen. Dat vers luidt: "De kleine
zelf zal tot duizend worden, en de geringe tot een machtige
natie. Ikzelf, Jehovah, zal het te zijner tijd bespoedigen."
De context van die profetie heeft echter te maken met
het eindresultaat van Gods tuchtiging van zijn organisatie.
Merk alsjeblieft op wat de voorstaande verzen zeggen: "Uw
zon zal niet meer ondergaan, noch zal uw maan afnemen; want
Jehovah zelf zal voor u tot een voor onbepaalde tijd durend
licht worden, en de dagen van uw rouw zullen voltooid zijn.
En wat uw volk betreft, zij zullen allen rechtvaardig zijn;
tot onbepaalde tijd zullen zij het land in bezit houden,
de spruit van mijn planting, het werk van mijn handen, opdat
mij luister wordt verleend."
"De dagen van uw rouw" zijn niet alleen nog niet
voleindigd, ze zijn nog niet eens begonnen! Hoe weten we
dat de dagen van rouw voor Gods volk nog voor ons liggen?
Wel, beschouw eens nauwkeurig de profetie van Joël. De interpretatie
van het Wachttorengenootschap van Joël is onlogisch en had
reeds tientallen jaren geleden weggedaan moeten worden.
Bekijken we het van een duistere kant dan lijkt het zelfs
bedoeld te zijn om Gods woord te verdoezelen in plaats
van er licht op te werpen. Als inleiding tot de vrees inboezemende
dag van Jehovah, lezen we in Joël 1:9 bijvoorbeeld de volgende
woorden gericht tot Jehovah's gezalfde priesters: "Graanoffer
en drankoffer zijn afgesneden van het huis van Jehovah;
de priesters, de dienaren van Jehovah, hebben getreurd."
Het Wachttorengenootschap laat Jehovah's Getuigen geloven
dat de priesters en dienaren van Jehovah, degenen die in
het "huis van Jehovah" dienen, de geestelijkheid
van de christenheid is. Bestaat er iets onzinnigers? Geen
wonder dat Jehovah's stekende berisping gericht is tot de
geestelijke dronkaards onder zijn volk in de tijd dat de
koning met een bars gelaat verwoesting brengt over Jehovah's
geestelijke natie: "Ontwaakt, gij dronkaards, en weent;
en jammert, al gij wijndrinkers, vanwege de zoete wijn,
want hij is van uw mond afgesneden. Want er is een natie
die is opgekomen over mijn land, machtig en zonder tal."
(Joël 1:5)
Het punt is in ieder geval dat de periode van rouw in
de nabije toekomst ligt; dat geldt daarom tevens voor het
bespoedigen van de kleine die tot duizend wordt - hoe zich
dat ook zal manifesteren.
Gebaseerd op de overtuiging dat God de zaken tussen hem
en zijn volk in 1919 heeft rechtgezet, doet het Wachttorengenootschap
de onterechte aanname dat Jehovah's Getuigen altijd Jehovah's
voortdurende en onvoorwaardelijke zegen bezitten. Het is
duidelijk dat het Wachttorengenootschap zo bedwelmd is geraakt
van macht en succes dat het voor de meeste Jehovah's Getuigen
ondenkbaar is dat God ooit zijn zegen zou terugtrekken.
Zonder twijfel is dat de reden dat het Genootschap zich
niet genoodzaakt voelt de waarheid te vertellen over hun
ongepaste NGO verbond en de berispelijke wijze waarop ze
is omgegaan met kindermisbruik.
Het is echter niet wijs op die manier te rekenen op Jehovah.
Hosea 4:9-12: "En het zal voor het volk net zo moeten
worden als voor de priester; en ik zal hun stellig rekenschap
vragen van hun wegen; en hun handelingen zal ik op hen doen
terugkomen. En zij zullen werkelijk eten, maar zullen niet
verzadigd raken. Zij zullen werkelijk vrouwen als hoeren
behandelen; maar zij zullen niet in aantal toenemen,
omdat zij hebben nagelaten aandacht te schenken aan Jehovah
zelf. Hoererij en wijn en zoete wijn zijn het die de goede
beweegreden wegnemen. Bij hun houten afgod blijft mijn eigen
volk navraag doen en hun eigen staf blijft hen inlichten;
want juist de geest van hoererij heeft hen doen afdwalen,
en door hoererij gaan zij van onder hun God vandaan."
De toestand waarin Jehovah's Getuigen zich heden ten dage
bevinden, is zeer vergelijkbaar met de deplorabele toestand
van de Israëlieten die in Hosea's profetie wordt beschreven.
De hedendaagse "houten afgod" is het Wachttorengenootschap
zelf, die zulk een plaats heeft ingenomen in de harten en
geesten van Jehovah's Getuigen. En door middel van de intrige
van het Wachttorengenootschap in de NGO affaire, is de gehele
organisatie in Jehovah's ogen misleid tot het plegen van
geestelijke hoererij door vrienden met de wereld te worden.
In plaats van een voortdurende groei zegt de profetie: "maar
zij zullen niet in aantal toenemen."
In veel landen is de groei van de afgelopen jaren veranderd
in een jaarlijkse 1 á 2% afname in het aantal Jehovah's
Getuigen. Het is welbekend dat de meeste personen die in
recente jaren gedoopt zijn kinderen van Jehovah's
Getuigen ouders zijn. Wanneer we de toename in het verleden
hebben toegeschreven aan Jehovah's zegen, dan moet een overeenkomstige
afname erop wijzen dat Jehovah zijn zegen heeft teruggetrokken.
We zullen zien hoe de huidige trend zich verder zal ontwikkelen.
|
|
| Ik kwam een boek tegen
getiteld: Jehovah's Witnesses the New World Soceity, geschreven
door Marley Cole. Was Marley Cole één van Jehovah's
Getuigen toen hij dit boek schreef? In de omslag van het boek
staat enkel dat hij reeds lang geïnteresseerd was in Jehovah's
Getuigen. Zijn boek is in 1955 uitgegeven door Vantage Press.
Bedankt voor je hulp bij deze vraag. |
|
|
| Ik dacht dat Marley Cole geen Jehovah's
Getuige was toen hij het boek schreef. |
|
| Hoe begrijp jij het
8ste hoofdstuk van Spreuken? Het spreekt over wijsheid, maar
wij passen het toe op Jezus als het eerst geschapen schepsel
(vooral vers 22-31). Ik heb de uitleg van het Wachttorengenootschap
gelezen en begrijp hem, maar ik zou graag willen weten hoe
jij erover denkt. |
|
|
| Ik ben het eens met de uitleg van het Wachttorengenootschap.
Jehovah is de Bron van alle wijsheid en kennis. Daar Jehovah
echter reeds een eeuwigheid alleen was voordat hij de Schepper
werd, bestond er niemand die zijn wijsheid kon erkennen totdat
God een ander intelligent persoon schiep. Op een andere plaats
in de schrift wordt Jezus de eerstgeborene van de gehele schepping
genoemd. God achtte het verder goed in Christus alle schatten
van wijsheid en kennis te verbergen. Het is dus passend voor
de Spreukendichter om de voormenselijke Jezus af te beelden
als de personificatie van wijsheid en de eerste van Gods scheppingen.
"Jehovah zelf heeft mij voortgebracht als het begin
van zijn weg, als het vroegste van zijn werken van oudsher.
Vanaf onbepaalde tijd was ik aangesteld, van de aanvang
af, vanaf tijden vroeger dan de aarde."
|
|
| Ik ben opgegroeid als
een Rooms Katholiek persoon en er waren vele Katholieke leerstellingen
die ik niet kon begrijpen, maar als meegaand persoon heb ik
jaren lang "een mysterie" aanvaard, omdat ik eenvoudig niet
anders wist. Toen ik na vele jaren van heen en weer gedreven
worden als schaap zonder herder en het vele verdriet om die
situatie "de waarheid" vond, koesterde ik wrok tegenover de
Katholieke Kerk omdat ze me zo lang misleid heeft en me weggehouden
heeft van de hemelse Vader die ik zo liefheb. Na het lezen
van enkelen van je artikelen, vooral degenen die spreken over
de verbintenis aan de VN, heb ik het gevoel dat het Genootschap
van Jehovah's Getuigen hetzelfde heeft gedaan. Waar kan ik
echte waarheid vinden en hoe kan ik weten dat ik niet weer
voorgelogen wordt? |
|
|
| De echte waarheid is heel eenvoudig.
Jehovah is God. Als gevolg van zijn onuitputtelijke liefde
gaf hij Jezus Christus als een loskoopoffer voor de mensheid.
Jehovah had tevens uitgevaardigd dat de Zoon, vanwege Jezus'
gehoorzaamheid, alle autoriteit in het universum gegeven zal
worden. Het koninkrijk van God zal de wereld van de Duivel
uiteindelijk volledig vernietigen en een tijdperk van wereldwijde
vrede, rechtvaardigheid en voorspoed met zich brengen. Een
ontelbare grote schare van mensen van over de gehele wereld
die de naam van Jehovah aanroepen, zal het einde van de wereld
overleven en de zaden voor het paradijs zaaien. De doden zullen
weer tot leven komen.
Laten we niet de belangrijke zaken uit het oog verliezen.
Wanneer je de echte waarheid kent zul je Jehovah
dankbaar zijn, maar je kunt tevens het Wachttorengenootschap
dankbaar zijn voor het uitleggen en bekend maken van deze
waarheden. Welke leugens en zonden de leidende mannen van
het Wachttorengenootschap ook begaan hebben, ze doen de
waarheid uit Gods Woord niet teniet. Zij zullen ook verantwoording
aan God moeten afleggen, net als ieder ander.
|
|
| Hoe denk jij over het
"ouderlingen" boek ("Schenk Aandacht Aan Uzelf en Aan de Gehele
Kudde") dat reeds een tijd op het web circuleert? |
|
|
| Het handboek voor de ouderlingen is niet
zo bijzonder. Net zoals het pioniersboek wordt het verder
uitgewerkt gedurende de besprekingen op de bedienarenschool.
|
|
| "Er blijft dus een
sabbatsrust over voor het volk van God. Want wie Gods rust
is ingegaan, heeft ook zelf gerust van zijn eigen werken,
zoals God van de zijne." Mijn vraag is: Wijst deze schriftplaats
er niet op dat christenen zich zouden moeten houden aan een
wekelijkse sabbat van vrijdag zonsondergang tot zaterdag zonsondergang?
Ik weet dat het "Genootschap" leert dat
we elke dag van onze eigen werken van zelfrechtvaardiging
moeten rusten en Gods rust door geloof moeten binnengaan.
Deze schriftplaats zegt echter dat we moeten rusten "van
onze werken, zoals God van de zijne". Jehovah rustte duidelijk
niet van zijn "werken van zelfrechtvaardiging", maar als
voorbeeld voor ons rustte hij van zijn fysieke scheppingswerk.
Ik denk dat we het bij het verkeerde eind zouden kunnen
hebben met betrekking tot de sabbat. Wat denk jij? Wanneer
we rusten zoals hij dat deed, moeten we dan niet rusten
van fysieke werken?
|
|
|
| Jehovah rustte inderdaad van zijn eigen
scheppingswerken. In het 3de en 4de hoofdstuk van Hebreeën
wees Paulus er echter op dat de Joodse Sabbat betekenis had
voor christenen, niet dat we een letterlijke wekelijkse rustdag
moesten houden, maar dat we moeten rusten van het behagen
van God door middel van zelfrechtvaardigende werken.
Paulus schreef: "En van wie kreeg God veertig jaar
lang een afkeer? Was het niet van hen die zondigden, wier
lijken vielen in de wildernis? Maar aan wie anders zwoer
hij dat zij zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen die
ongehoorzaam handelden? Zo zien wij dat zij niet konden
ingaan wegens ongeloof.
Laten wij derhalve, aangezien er een belofte blijft
gelden om zijn rust in te gaan, ervoor vrezen dat te eniger
tijd iemand van u zou blijken achtergebleven te zijn. Want
ook aan ons is het goede nieuws bekendgemaakt, evenals aan
hen; maar het woord dat werd gehoord, baatte hun niet, omdat
zij niet door geloof verenigd waren met hen die wèl hoorden.
Want wij die geloof hebben geoefend, gaan de rust wèl binnen,
zoals hij heeft gezegd: "Daarom heb ik in mijn toorn gezworen:
'Zij zullen mijn rust niet ingaan'", hoewel zijn werken
sedert de grondlegging der wereld voleindigd waren. Want
op één plaats heeft hij over de zevende dag het volgende
gezegd: "En God rustte op de zevende dag van al zijn werken",
en wederom op deze plaats: "Zij zullen mijn rust niet ingaan."
Aangezien daarom sommigen er nog zullen binnengaan en
degenen aan wie het goede nieuws het eerst werd bekendgemaakt,
niet zijn binnengegaan wegens ongehoorzaamheid, bepaalt
hij wederom een zekere dag door na zo lange tijd in Davids
psalm te zeggen "Heden", zoals in het bovenstaande is gezegd:
"Heden, indien gij naar zíjn stem luistert, verhardt uw
hart niet." Want indien Jozua hen in een plaats van rust
had geleid, zou God later niet over een andere dag hebben
gesproken. Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk
van God. Want wie Gods rust is ingegaan, heeft ook zelf
gerust van zijn eigen werken, zoals God van de zijne."
Paulus besprak niet de wekelijkse sabbat van zonsondergang
tot zonsondergang. Hoe weten we dat? Dat wordt duidelijk
omdat Paulus zei dat de Israëlieten Gods rust niet waren
binnengegaan, omdat ze ongehoorzaam waren en een gebrek
aan geloof hadden. Vergde het echter geloof om één dag per
week te rusten? Nee, een dag vrij nemen van werk is geen
maatstaf voor ons geloof. Tot op de dag van vandaag vieren
Moslims, Joden en de Christenheid een wekelijkse Sabbat,
op welke wijze dat dan ook gedaan moge worden. Is dat echter
een indicatie dat ze geloof stellen in Jehovah's goede nieuws?
Klaarblijkelijk niet. De Joden vierden een wekelijkse sabbat,
maar hadden geen geloof in God. Paulus benadrukte dat christenen
Gods rust binnengaan door te rusten van hun eigen werken
van zelfrechtvaardiging en door geloof te stellen in Gods
redding door middel van Christus.
Jehovah's Getuigen zouden Gods rust binnen kunnen gaan
door onszelf niet te proberen te rechtvaardigen door het
houden van organisatorische vereisten; dingen als antwoord
geven op de vergaderingen, het inleveren van velddienstrapportjes,
pionieren enzovoort. Hoeveel we ook doen in Gods dienst,
we kunnen onszelf buiten geloof stellen in Gods Zoon nimmer
rechtvaardig bewijzen in Gods ogen. Al het andere moet slechts
een bijkomstigheid zijn bij onze gehoorzaamheid aan het
geloof.
|
|
| Ik heb het Genootschap
geschreven over de VN kwestie en heb twee brieven van ze ontvangen,
en helaas zeiden ze dat "een ieder die er een geschilpunt
van maakt ofwel onwetend, ofwel kwaadwillend is". Wat moeten
we echter doen wanneer degenen die ons zouden moeten helpen
niet langer vertrouwenswaardig zijn? Ik weet niet hoe ik er
mee om moet gaan ofwel "onwetend, ofwel kwaadwillend" genoemd
te worden door degenen die ons zouden moeten leiden. Zoals
Petrus zegt: 'waar moeten wij heengaan?' Er staat echter niet
wie we moeten vertrouwen en wie niet. Het lijkt bijna alsof
het Genootschap in een hedendaags Sanhedrin is veranderd;
"heiliger dan gij," terwijl ze ons afval voorschotelt. Ik
weet dat mijn persoonlijke verhouding met Jehovah het belangrijkst
is; het lijkt echter alsof voor vrijwel elke getuige geldt
dat een verhouding met Jehovah HETZELFDE is als één met het
Genootschap hebben en omgekeerd. Ik kan mezelf er niet toe
brengen dit te geloven… hoe ga ik om met het Genootschap en
de plaatselijke gemeente - veel van mijn goede vrienden -
die blijven steken bij "het Genootschap liefhebben is hetzelfde
als Jehovah liefhebben"? |
|
|
| Ten eerste, is het mogelijk dat je de antwoorden
van het Wachttorengenootschap inscant en naar me mailt? Ik
zou ze graag willen lezen en ze wellicht op de e-watchman
website zetten met een openbaar commentaar. Als je geen scanner
hebt, wil ik je een privé postadres geven zodat je eenvoudig
kopieën van de brieven kunt sturen. Natuurlijk zal je naam
niet worden gepubliceerd. Je kunt je naam zelfs uitwissen
voordat je de brieven aan me stuurt. Ik zou je hulp in deze
zeer waarderen.
Wat betreft je vraag, allen die afweten van de huichelarij
en het bedrog van het Genootschap hebben persoonlijk te
maken met dezelfde geloofskwesties als jij. Voor de meeste
Jehovah's Getuigen is het precies zoals je zegt - ons geloof
in Jehovah is onlosmakelijk verbonden aan het Wachttorengenootschap.
Dat is niet goed. De eerste eeuwse christenen zagen zich
tegenover eenzelfde valstrik gesteld, daar sommigen beweerden
volgelingen van Paulus te zijn en anderen van Petrus.
Het Wachttorengenootschap heeft ons echter wel de benodigde
werktuigen gegeven om ons geloof in God te behouden, ongeacht
hun eigen afdrijving. Door te denken aan de grote kwesties
die voor ons liggen, de zogenaamde universele strijdvraag
met betrekking tot Jehovah's soevereiniteit en onze integriteit
ten opzichte van God, kwesties waar alleen het Wachttorengenootschap
tientallen jaren lang voorvechter van is geweest, zullen
we de gelegenheid die voor ons persoonlijk ligt waarderen
- de gelegenheid en het voorrecht om onze plaats in te nemen
op het toneel van het universele theaterschouwspel, om voor
mensen en engelen te bewijzen dat ons geloof in Jehovah
onwrikbaar is, ondanks het feit dat ons geestelijke leven
gedomineerd wordt door het Wachttorengenootschap en ongeacht
de struikelblokken waardoor vele van onze broeders en zusters
uit de wedloop van het leven gestapt zijn.
|
|
|
|
|