Home  |  LinksGastenboek | Contact | Forum
 

 

ONZE TWIJFELENDE BROEDERS EN ZUSTERS 'UIT HET VUUR RUKKEN'

"Gaat ook voort barmhartigheid te tonen jegens sommigen die twijfels hebben; redt [hen] door [hen] uit het vuur te rukken." - Judas 22, 23

I Waarom Sommige Broeders en Zusters van ons Inactief Worden
Hoewel het aantal Jehovah's getuigen wereldwijd nog steeds groeit, is het zorgwekkend om te zien dat elk jaar duizenden van onze geloofsgenoten inactief worden. Sommige van onze metgezellen - met name zij die gebruikmaken van de vrij toegankelijke informatie op het internet - krijgen twijfels over de vraag of Jehovah's getuigen werkelijk degenen zijn die zij beweren te zijn, en kunnen dan tegendraads gedrag gaan vertonen.

Het is interessant dat de apostel Paulus in dit verband het volgende schreef: "iemand die zich onder het kwade in bedwang houdt en met zachtaardigheid degenen onderricht die niet gunstig gezind zijn, daar God hun misschien berouw geeft, hetwelk tot een nauwkeurige kennis van de waarheid leidt, en zij weer tot bezinning komen uit de strik van de Duivel, aangezien zij door hem levend gevangen zijn om diens wil te doen" (2 Tim. 2:24-26). Zoals uit deze woorden opgemaakt kan worden, kunnen degenen die door de Duivel verstrikt zijn "weer tot bezinning komen" . Dat impliceert dus dat de bijbel beslist de hoop uitspreekt dat een inactieve broeder of zuster, die 'met zachtaardigheid onderwezen wordt', in de waarheid kan terugkomen, ook al staat hij of zij momenteel zijn/haar voormalige geloof tegen.

Hoewel de bijbel ook aangeeft dat we eventueel op onze hoede moeten zijn voor uitgesproken vijanden en tegenstanders van ons geloof, past het ons om in deze kwestie een mate van nederigheid te tonen. Waarom? Omdat het Wachttorengenootschap en alle Jehovah's getuigen voor de gerezen twijfels niet geheel van schuld vrij te pleiten zijn, omdat we in onze organisatie vele potentiële struikelblokken hebben toegelaten, die koren op de molen van onze tegenstanders zijn.

Zoals de hierboven geciteerde thematekst in Judas aantoont, worden opzieners ertoe aangemoedigd om "barmhartigheid te tonen jegens sommigen die twijfels hebben; redt [hen] door [hen] uit het vuur te rukken." De omstandigheid dat elk jaar duizenden van onze geloofsgenoten door twijfels inactief worden en blijven, laat zien dat ouderlingen er dikwijls niet in slagen om 'onze twijfelende broeders en zusters uit het vuur te rukken'. Onze schrijvers zijn ervan overtuigd geraakt dat dat voor een belangrijk deel te wijten is aan het feit dat in onze organisatie nagenoeg geen tolerantie bestaat jegens broeders en zusters die zich verstouten om bepaalde misstappen, houdingen, leringen of beleid van het Wachttorengenootschap tegen het (bijbelse) licht te houden. Hoewel deze broeders en zusters meestal trouw aan hun opdracht vasthouden en ijverige navolgers van Jehovah en Jezus zijn, worden zij desondanks met achterdocht bezien en in sommige gevallen zelfs als afvalligen bestempeld. Hierover later meer.

Met het verstrijken der jaren is kennelijk bij veel van onze dienende broeders de mindset ontwikkeld dat het Genootschap altijd gelijk heeft, zelfs als ze het misschien niet hebben. Omdat onze ouderlingen door het toegepaste informatiemanagement geen helder idee kunnen vormen over de specifieke issues waar onze twijfelende broeders en zusters mee worstelen, en deze broeders en zusters door het gebrek aan tolerantie niet onbevreesd over hun twijfels durven te spreken, blijken onze goedbedoelende herders vaak niet zo goed toegerust om hen 'met zachtaardigheid te onderrichten' (2 Tim. 2:25). Hierdoor konden sommige van onze twijfelende broeders en zusters helaas niet uit het vuur van twijfel gerukt worden, die misschien wel gered hadden kunnen worden, als de organisatie meer open en eerlijk over haar specifieke tekortkomingen zou zijn geweest.

II Zijn de Hierboven Genoemde Achterdocht en Gebrek aan Tolerantie Bijbels Gezien Altijd Terecht?
Er worden op het internet honderden websites gehost door ex-JG's en anderen die ons geloof tegenstaan met als doel het Wachttorengenootschap te "ontmaskeren" en te beschamen. Omdat zij een anti-Wachttoren-agenda hebben, stellen zij de struikelblokken en dwalingen van het Genootschap tentoon om het tentoonstellen zelf, en komen niet met alternatieve antwoorden en oplossingen die ons geloof opbouwen. Daarom is het te begrijpen dat wanneer onze ouderlingen geconfronteerd worden met broeders en zusters die misstappen, houdingen, leringen of beleid van het Wachttorengenootschap ter discussie stellen, ze aanvankelijk "gealarmeerd" zijn: Dat is namelijk ook de "munitie" van de tegenstanders en vijanden van Gods volk.

Toch laat de bijbel duidelijk zien dat het een ernstige vergissing is om per definitie verontruste broeders en zusters met twijfels en zorgen over het Wachttorengenootschap met achterdocht te bezien. Dat zou een vooroordeel zijn. Waarom? Omdat de bijbel laat zien hoe Jehovah in de oudheid met zijn eigenzinnige volk omging. Wie waren degenen die op de ontrouw en dwalingen van Gods volk de aandacht vestigden? Dat werd gedaan door loyale aanbidders van Jehovah, en niet door de vijanden van Jehovah's volk. Voor dat werk waren de Hebreeuwse profeten aangesteld. Neem bijvoorbeeld de profeet Jesaja. Jehovah gaf hem het volgende bevel: "Roep luidkeels; houd niet in. Verhef uw stem net als een horen en zeg mijn volk hun opstandigheid aan en het huis van Jakob hun zonden" (Jesaja 58:1). Was Jesaja nu een afvallige vijand van het huis van Jakob? Koesterde hij twijfels of het volk Israël wel Gods volk was? Natuurlijk niet. Jesaja en alle andere profeten waren gewoon getrouwe aanbidders van Jehovah God. Daarom is het redelijk te verwachten dat in de hedendaagse vervulling van de profetie degenen die Jehovah's bevel gehoorzamen om 'Gods volk zijn opstandigheid aan te zeggen' ook zelf loyale Getuigen van Jehovah moeten zijn.

Ook de Christelijk Griekse Geschriften laten zich over deze kwestie uit (Galaten 2). Paulus schrijft de christenen uit Galatië over Petrus die tijdelijk bezweek voor het Judaïsme en zich op huichelachtige wijze terugtrok van de omgang met de niet-joodse christenen uit de natiën. Paulus zegt in vers 11: "Ik weerstond hem van aangezicht tot aangezicht omdat hij te laken was". En in vers 14 zegt Paulus dat Petrus en andere broeders, onder wie Barnabas, "niet recht wandelden overeenkomstig de waarheid van het goede nieuws".

Dus Paulus nam een standpunt in tegen een prominente apostel aan wie Christus de sleutels van het Koninkrijk toevertrouwd had. Het was voor Paulus blijkbaar een kwestie van principe en waarheid. Petrus handelwijze vormde namelijk een potentieel struikelblok voor de niet-joodse christenen uit de natiën. Paulus was het aan zijn geweten en geloof verplicht om tegen het kwaad van het Judaïsme te strijden en zette de zaak recht voor degenen die eventueel door Petrus misstap tot struikelen gebracht konden worden. Toonde Paulus hiermee nu "boze slaaf"-trekken en maakte hij zich hierdoor tot iemand die zijn medebroeders sloeg? (verg. Mt. 24:48, 49) Voelde Petrus zich misschien beledigd, omdat hij als een vooraanstaande apostel door Paulus openlijk terechtgewezen was? Blijkbaar niet, omdat Petrus jaren later in zijn brief (2 Petrus 3:15) over "onze geliefde broeder Paulus" sprak en over de wijsheid die Jehovah hem gegeven had.

Vergelijk Petrus situatie eens met de huidige situatie inzake het Wachttorengenootschap: Net als Petrus heeft ook het Genootschap vele personen geholpen om tot een basiskennis van de bijbel te komen, maar dat verandert op zich niets aan het feit dat ook het Genootschap op diverse gebieden serieus geblunderd heeft. We kunnen hier de volgende voorbeelden van geven: De huichelachtigheid van het Genootschap in de NGO/VN-affaire en de onbevredigende wijze waarop het Genootschap de situatie rondom kindermisbruik in onze gelederen afgehandeld heeft. Deze en andere blunders kunnen een reëel struikelblok vormen voor Jehovah's getuigen die voor geestelijke leiding naar het Wachttorengenootschap opzien.

Gelet op de omstandigheid dat deze blunders met name in de internetgemeenschap algemeen bekend zijn, zet het weinig of geen zoden aan de dijk om het Genootschap hiervoor achter gesloten deuren terecht te wijzen. Paulus deed dat namelijk ook niet bij Petrus. Het bijbelverslag zegt dat Paulus zijn medeapostel in het bijzijn van alle betrokkenen berispte. Deze ernstige blunder van Petrus is nu opgetekend in Gods Woord, zodat bijna iedereen met een bijbel in deze wereld hier waardevolle lessen uit kan trekken. Onder gelovigen voor rechtvaardigheid en waarheid opkomen, is niet per definitie een daad van rebellie of afvalligheid. Integendeel, het is juist datgene wat gedaan moet worden in het belang van iedereen die de waarheid liefheeft.

De vraag die Paulus aan zijn broeders uit Galatië stelde, is kennelijk ook in deze tijd nog steeds actueel: "Ben ik nu dan UW vijand geworden omdat ik U de waarheid zeg?" (Gal. 4:16)

III Het Oordeel Begint bij het Huis van Jehovah
Hoewel Jehovah's getuigen verwachten dat de "grote verdrukking" begint met Jehovah's oordeel aan "Babylon de Grote", het wereldrijk van valse religie, zien we blijkbaar een relevante bijbelse waarheid over het hoofd: "Want het is de bestemde tijd dat het oordeel begint bij het huis van God . Als het nu eerst bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen die het goede nieuws van God niet gehoorzaam zijn? "En indien de rechtvaardige met moeite wordt gered, waar zal dan de goddeloze en de zondaar verschijnen?"" (1 Petrus 4:17, 18)

Hoewel vele Jehovah's getuigen geloven dat Jehovah niet tevredener met ons kan zijn dan nu het geval is en het daarom voor hen ondenkbaar is dat onze organisatie in Gods beklaagdenbank zou moeten zitten, is dat wel degelijk datgene wat de bijbelprofetieën onder onze aandacht brengen. Indien Jehovah's getuigen werkelijk Gods volk zijn, zoals we geloven, dan is Gods oordeel aan zijn eigen huis onafwendbaar. Het is namelijk de enige manier waarop Jehovah kan bewijzen dat hij onze God is.

Hoewel ons geleerd wordt dat de profetie over 'volken die overgaan tot het spreken van "de zuivere taal"' nu in vervulling gaat, laat de context zien dat Jehovah deze noodzakelijke verandering pas brengt na het begin van de "grote verdrukking" (Zefanja 3:8-13). De profetie laat duidelijk zien dat we Jehovah moeten blijven verwachten "tot de dag dat ik [Jehovah] opsta tot de buit". Op die dag zal 'hij zijn openlijke veroordeling over de vergaderde natiën en bijeengebrachte koninkrijken uitstorten'. Pas "dan" (vers 9) zal de voorzegde verandering tot de zuivere taal plaatsvinden. De profetie voorzegt verder dat God uiteindelijk zijn volk hun vele overtredingen zal vergeven ('niet meer beschaamd staan wegens alle overtredingen' - vers 11a) en uit ons midden de hoogmoedigen zal verwijderen. Vers 11b voorzegt namelijk: "Want dan zal ik uit uw midden uw hoogmoedige uitgelatenen verwijderen; en gij zult nooit weer hoogmoedig zijn op mijn heilige berg".

Redenerend op grond van bovengenoemd vers kunnen we het volgende concluderen: Als de "hoogmoedige uitgelatenen" sommige vooraanstaande mannen uit het midden van Gods volk zijn, dan zal hun verwijdering een permanente reiniging in het aardse domein van Gods Koninkrijk teweegbrengen. Het kan zijn dat zij momenteel zelfs als "pilaren" gezien worden, maar Jehovah belooft dat het binnenkort gedaan zal zijn met hun corrumperende invloed. De profetie beschrijft dit oordeel als een naderend onheil, maar er is geen andere oplossing om de situatie in de organisatie recht te zetten. Dat oordeel zal ons doordringen van de noodzaak om ware vrees voor Jehovah en ongehuichelde nederigheid in ons hart te ontwikkelen - eigenschappen die Jehovah zoekt bij degenen aan wie hij de beloofde nieuwe wereld zal schenken. Het volgende vers in Zefanja maakt dat punt nog veel duidelijker: "En ik zal stellig in uw midden een nederig en gering volk doen overblijven, en zij zullen werkelijk hun toevlucht zoeken bij de naam van Jehovah. Wat de overgeblevenen van Israël betreft, zij zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, noch zal er in hun mond een bedrieglijke tong worden gevonden.".

IV Geloof In Gods Belofte Om de Zaken Onder Zijn Volk Recht te Zetten
Vanuit Jehovah's standpunt bezien bestaan er geen geldige redenen om tot struikelen gebracht te worden. De Psalmist zegt dat er 'geen struikelblok is voor wie Gods wet liefhebben' (119:165).

Als we menen dat er van allerlei dingen mis zijn in de organisatie, dan wordt onze deelname aan de gemeente en haar activiteiten nog veel meer een kwestie van geloof. Waarom is dat zo? Omdat inactief worden en ons vrijwillig terugtrekken van de gemeente eigenlijk gebrek aan geloof verraden in Jehovah's belofte om zijn organisatie te oordelen met het doel de zaken daar recht te zetten. De profetieën geven aan dat Jehovah uiteindelijk "een nederig en gering volk" doet overblijven dat tot het einde toe volhard heeft. Zij zullen op onovertroffen wijze door Jehovah gezegend worden. In hoeverre Jehovah degenen zegent die zich vrijwillig van zijn gemeente terugtrekken, moeten zij uiteindelijk maar voor zichzelf uitmaken.

| Terug |